|
Boek 7. Bijzondere overeenkomsten
Titel 1. Koop en ruil
Afdeling 1. Koop: Algemene bepalingen
Artikel 1
Koop is de overeenkomst waarbij de een
zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een
prijs in geld te betalen.
Artikel 2
1. De
koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan wordt, indien de koper een natuurlijk
persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf, schriftelijk aangegaan.
2. De
tussen partijen opgemaakte akte of een afschrift daarvan
moet aan de koper ter hand worden gesteld, desverlangd tegen
afgifte aan de verkoper van een gedateerd ontvangstbewijs.
Gedurende drie dagen na deze terhandstelling heeft de koper
het recht de koop te ontbinden. Komt, nadat de koper van dit
recht gebruik gemaakt heeft, binnen zes maanden tussen
dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde zaak of
hetzelfde bestanddeel daarvan opnieuw een koop tot stand,
dan ontstaat het recht niet opnieuw.
3. De
leden 1–2 zijn van overeenkomstige toepassing op de koop van
deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht geven op het
gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan.
4. Van
het in de leden 1–3 bepaalde kan niet ten nadele van de
koper worden afgeweken, behoudens bij een standaardregeling
als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
5. De
leden 1–4 zijn niet van toepassing op huurkoop en koop op
een openbare veiling ten overstaan van een notaris. Zij zijn
evenmin van toepassing op een koop als bedoeld in artikel
48a onder a
Artikel 3
1. De
koop van een registergoed kan worden ingeschreven in de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van
Boek 3, tenzij op het tijdstip van de inschrijving levering
van dat goed door de verkoper nog niet mogelijk zou zijn
geweest wegens de in artikel 97 van Boek 3 vervatte
uitsluiting van levering bij voorbaat van toekomstige
registergoederen. Bij de koop van een tot woning bestemde
onroerende zaak of bestanddeel daarvan kan, indien de koper
een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening
van een beroep of bedrijf, van het in de vorige zin bepaalde
niet ten nadele van de koper worden afgeweken.
2.
Gedurende de bedenktijd, bedoeld in artikel 2 lid 2, kan
inschrijving slechts plaatsvinden indien de koopakte is
opgesteld en medeondertekend door een in Nederland
gevestigde notaris.
3. Tegen
de koper wiens koop is ingeschreven kunnen niet worden
ingeroepen:
a. een na de inschrijving van die
koop tot stand gekomen vervreemding of bezwaring door de
verkoper, tenzij deze vervreemding of bezwaring
voortvloeit uit een eerder ingeschreven koop of
plaatsvond uit hoofde van een recht op levering dat
volgens artikel 298 van Boek 3 ging voor dat van de
koper en dat de koper op het tijdstip van de
inschrijving van de koop kende of ten aanzien waarvan op
dat tijdstip het proces-verbaal van een conservatoir
beslag tot levering was ingeschreven;
b. vervreemdingen of bezwaringen
die plaatsvinden als vervolg op de onder a bedoelde
vervreemding of bezwaring door de verkoper;
c. een onderbewindstelling die na
de inschrijving van de koop is tot stand gekomen of die,
zo zij tevoren was tot stand gekomen, toen niet in de
openbare registers was ingeschreven, dit laatste tenzij
de koper haar op het tijdstip van de inschrijving van de
koop kende;
d. een na de inschrijving van de
koop tot stand gekomen verhuring of verpachting;
e. een na de inschrijving van de
koop ingeschreven beding als bedoeld in artikel 252 van
Boek 6;
f. een executoriaal of
conservatoir beslag waarvan het proces-verbaal na de
inschrijving van de koop is ingeschreven;
g. een faillissement of surséance
van betaling van de verkoper of toepassing ten aanzien
van hem van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, uitgesproken na de dag waarop de koop is
ingeschreven.
4. De
inschrijving van de koop verliest de in lid 3 bedoelde
werking met terugwerkende kracht, indien het goed niet
binnen zes maanden na de inschrijving aan de koper geleverd
is. In dat geval wordt bovendien de koop niet geacht kenbaar
te zijn door raadpleging van de openbare registers.
5. Nadat
de inschrijving haar werking heeft verloren, kan gedurende
zes maanden geen koop tussen dezelfde partijen met
betrekking tot hetzelfde goed worden ingeschreven.
6.
Inschrijving van de koop vindt slechts plaats indien onder
de koopakte een ondertekende en gedateerde verklaring van
een notaris is opgenomen, die zijn naam, voornamen,
standplaats en kwaliteit bevat en waarin verklaard wordt dat
de leden 1, 2 en 5 niet aan inschrijving in de weg staan.
7. De
leden 1–6 zijn niet van toepassing op huurkoop.
Artikel 4
Wanneer de koop is gesloten zonder dat de
prijs is bepaald, is de koper een redelijke prijs verschuldigd;
bij de bepaling van die prijs wordt rekening gehouden met de
door de verkoper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst
gewoonlijk bedongen prijzen.
Artikel 5
1. In
deze titel wordt verstaan onder "consumentenkoop": de koop
met betrekking tot een roerende zaak, elektriciteit
daaronder begrepen, die wordt gesloten door een verkoper die
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een
koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf.
2. Wordt
de zaak verkocht door een gevolmachtigde die handelt in de
uitoefening van beroep of bedrijf, dan wordt de koop
aangemerkt als een consumentenkoop, tenzij de koper ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst weet dat de
volmachtgever niet handelt in de uitoefening van een beroep
of bedrijf.
3. De
vorige leden zijn niet van toepassing indien de overeenkomst
door leidingen naar de verbruiker aangevoerd water betreft.
4.
Indien de te leveren roerende zaak nog tot stand moet worden
gebracht en de overeenkomst krachtens welke deze zaak moet
worden geleverd voldoet aan de omschrijving van artikel 750,
dan wordt de overeenkomst mede als een consumentenkoop
aangemerkt indien de overeenkomst wordt gesloten door een
aannemer die handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, en een opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De
bepalingen van deze titel en die van afdeling 1 van titel 12
zijn naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn
de bepalingen van deze titel van toepassing.
Artikel 6
1. Bij
een consumentenkoop kan van de afdelingen 1-7 van deze titel
niet ten nadele van de koper worden afgeweken en kunnen de
rechten en vorderingen die de wet aan de koper ter zake van
een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de
verkoper toekent, niet worden beperkt of uitgesloten.
2. Lid 1
is niet van toepassing op de artikelen 11, 12, 13, 26 en 35,
doch bedingen in algemene voorwaarden waarbij ten nadele van
de koper wordt afgeweken van die artikelen, worden als
onredelijk bezwarend aangemerkt.
3. De
toepasselijkheid op de consumentenkoop van een recht dat de
door de richtlijn nr. 99/44/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 25 mei 1999 betreffende
bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor
consumptiegoederen (PbEG L 171) voorziene bescherming niet
of slechts ten dele biedt, kan er niet toe leiden dat de
koper de bescherming verliest die hem krachtens deze
richtlijn wordt geboden door de dwingende bepalingen van het
recht van de lidstaat van de Europese Unie of de andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, waar hij zijn gewone
verblijfplaats heeft.
Artikel 6a
1.
Indien in geval van een consumentenkoop in een garantie door
de verkoper of de producent bepaalde eigenschappen zijn
toegezegd, bij het ontbreken waarvan de koper bepaalde
rechten of vorderingen worden toegekend, dan kan de koper
deze uitoefenen onverminderd alle andere rechten of
vorderingen die de wet de koper toekent.
2. In
een garantie moet op duidelijke en begrijpelijke wijze
worden vermeld welke in lid 1 bedoelde rechten of
vorderingen een koper worden toegekend en moet worden
vermeld dat deze een koper toekomen onverminderd de rechten
of vorderingen die de wet hem toekent. Voorts moeten in een
garantie de naam en het adres worden vermeld van de verkoper
of de producent van wie de garantie afkomstig is, alsmede de
duur en het gebied waarvoor de garantie geldt.
3. De in
lid 2 bedoelde gegevens moeten de koper op zijn verlangen
worden verstrekt. Dit geschiedt schriftelijk of op een
andere ter beschikking van de koper staande en voor hem
toegankelijke duurzame gegevensdrager.
4. De
aan de koper door de verkoper of de producent in een
garantiebewijs toegekende rechten of vorderingen komen hem
ook toe indien de zaak niet de eigenschappen bezit die in
een reclame door deze verkoper of producent zijn toegezegd.
5. In
dit artikel wordt verstaan onder:
a. garantie: een in een
garantiebewijs of reclame gedane toezegging als bedoeld
in lid 1;
b. producent: de fabrikant van de
zaak, degene die de zaak in de Europese Economische
Ruimte invoert, alsmede een ieder die zich als producent
presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander
onderscheidingsteken op de zaak aan te brengen.
Artikel 7
1.
Degene aan wie een zaak is toegezonden en die
redelijkerwijze mag aannemen dat deze toezending is geschied
ten einde hem tot een koop te bewegen, is ongeacht enige
andersluidende mededeling van de verzender jegens deze
bevoegd de zaak om niet te behouden, tenzij het hem is toe
te rekenen dat de toezending is geschied.
2. De
toezending aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet door deze
bestelde zaak met het verzoek tot betaling van een prijs, is
niet toegestaan. Wordt desalniettemin een zaak toegezonden
als bedoeld in de eerste volzin, dan is het in lid 1
bepaalde omtrent de bevoegdheid, de zaak om niet te
behouden, van overeenkomstige toepassing.
3.
Indien de ontvanger in de gevallen, bedoeld in de leden 1–2,
de zaak terugzendt, komen de kosten hiervan voor rekening
van de verzender.
4. Lid 2
is van overeenkomstige toepassing op het verrichten ten
behoeve van een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf van een niet door deze
opgedragen dienst.
Artikel 8
Wordt een nieuw gebouwde of te bouwen
woning, bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel
daarvan, verkocht en is de koper een natuurlijk persoon die niet
handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan zijn de
artikelen 767 en 768 van overeenkomstige toepassing. Hiervan kan
niet ten nadele van de koper worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
Afdeling 2. Verplichtingen van de verkoper
Artikel 9
1. De
verkoper is verplicht de verkochte zaak met toebehoren in
eigendom over te dragen en af te leveren. Onder toebehoren
zijn de aanwezige titelbewijzen en bescheiden begrepen; voor
zover de verkoper zelf daarbij belang behoudt, is hij
slechts verplicht om aan de koper op diens verlangen en op
diens kosten een afschrift of uittreksel af te geven.
2. Onder
aflevering wordt verstaan het stellen van de zaak in het
bezit van de koper.
3. In
geval van koop met eigendomsvoorbehoud wordt onder
aflevering verstaan het stellen van de zaak in de macht van
de koper.
Artikel 10
1. De
zaak is voor risico van de koper van de aflevering af, zelfs
al is de eigendom nog niet overgedragen. Derhalve blijft hij
de koopprijs verschuldigd, ongeacht tenietgaan of
achteruitgang van de zaak door een oorzaak die niet aan de
verkoper kan worden toegerekend.
2.
Hetzelfde geldt van het ogenblik af, waarop de koper in
verzuim is met het verrichten van een handeling waarmede hij
aan de aflevering moet medewerken. Ingeval naar de soort
bepaalde zaken zijn verkocht, doet het verzuim van de koper
het risico eerst op hem overgaan, wanneer de verkoper de
voor de uitvoering van de overeenkomst bestemde zaken heeft
aangewezen en de koper daarvan heeft verwittigd.
3.
Indien de koper op goede gronden het recht op ontbinding van
de koop of op vervanging van de zaak inroept, blijft deze
voor risico van de verkoper.
4.
Wanneer de zaak na de aflevering voor risico van de verkoper
is gebleven, is het tenietgaan of de achteruitgang ervan
door toedoen van de koper eveneens voor rekening van de
verkoper. De koper moet echter van het ogenblik af dat hij
redelijkerwijs rekening moet houden met het feit dat hij de
zaak zal moeten teruggeven, als een zorgvuldig schuldenaar
voor het behoud ervan zorgen; artikel 78 van Boek 6 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 11
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij
de koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze
aangewezen vervoerder, is de zaak pas voor risico van de koper
van de bezorging af, zelfs al was zij reeds eerder afgeleverd in
de zin van artikel 9.
Artikel 12
1.
Kosten van aflevering, die van weging en telling daaronder
begrepen, komen ten laste van de verkoper.
2.
Kosten van afhalen en kosten van een koopakte en van de
overdracht komen ten laste van de koper.
Artikel 13
Indien bij een consumentenkoop de zaak bij
de koper wordt bezorgd door de verkoper of een door deze
aangewezen vervoerder, kunnen daarvoor slechts kosten worden
gevorderd, voor zover zij bij het sluiten van de overeenkomst
door de verkoper afzonderlijk zijn opgegeven of door de verkoper
de gegevens zijn verschaft op grond waarvan zij door hem worden
berekend. Hetzelfde geldt voor kosten, verschuldigd voor andere
werkzaamheden die de verkoper in verband met de koop voor de
koper verricht.
Artikel 14
Van de dag van aflevering af komen de
vruchten toe aan de koper, met dien verstande dat burgerlijke
vruchten van dag tot dag berekend worden.
Artikel 15
1. De
verkoper is verplicht de verkochte zaak in eigendom over te
dragen vrij van alle bijzondere lasten en beperkingen, met
uitzondering van die welke de koper uitdrukkelijk heeft
aanvaard.
2.
Ongeacht enig andersluidend beding staat de verkoper in voor
de afwezigheid van lasten en beperkingen die voortvloeien
uit feiten die vatbaar zijn voor inschrijving in de openbare
registers, doch daarin ten tijde van het sluiten van de
overeenkomst niet waren ingeschreven.
Artikel 16
Wanneer tegen de koper een vordering wordt
ingesteld tot uitwinning of tot erkenning van een recht waarmede
de zaak niet belast had mogen zijn, is de verkoper gehouden in
het geding te komen ten einde de belangen van de koper te
verdedigen.
Artikel 17
1. De
afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden.
2. Een
zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede
gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de
verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen
bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht
verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de
eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan
nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te
betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor
een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
3. Een
andere zaak dan is overeengekomen, of een zaak van een
andere soort, beantwoordt evenmin aan de overeenkomst.
Hetzelfde geldt indien het afgeleverde in getal, maat of
gewicht van het overeengekomene afwijkt.
4. Is
aan de koper een monster of model getoond of verstrekt, dan
moet de zaak daarmede overeenstemmen, tenzij het slechts bij
wijze van aanduiding werd verstrekt zonder dat de zaak
daaraan behoefde te beantwoorden.
5. De
koper kan zich er niet op beroepen dat de zaak niet aan de
overeenkomst beantwoordt wanneer hem dit ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst bekend was of redelijkerwijs
bekend kon zijn. Ook kan de koper zich er niet op beroepen
dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt wanneer dit
te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van grondstoffen
afkomstig van de koper, tenzij de verkoper hem voor deze
gebreken of ongeschiktheid had moeten waarschuwen.
6. Bij
koop van een onroerende zaak wordt vermelding van de
oppervlakte vermoed slechts als aanduiding bedoeld te zijn,
zonder dat de zaak daaraan behoeft te beantwoorden.
Artikel 18
1. Bij
de beoordeling van de vraag of een op grond van een
consumentenkoop afgeleverde zaak aan de overeenkomst
beantwoordt, gelden mededelingen die door of ten behoeve van
een vorige verkoper van die zaak, handelend in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, omtrent de zaak zijn
openbaar gemaakt, als mededelingen van de verkoper,
behoudens voor zover deze een bepaalde mededeling kende noch
behoorde te kennen of deze mededeling uiterlijk ten tijde
van het sluiten van de overeenkomst op een voor de koper
duidelijke wijze is herroepen, dan wel de koop niet door
deze mededeling beïnvloed kan zijn.
2. Bij
een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering
niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de
afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn
van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van
de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.
3.
Indien in geval van een consumentenkoop de verkoper
verplicht is zorg te dragen voor de installatie van de zaak
en deze installatie ondeugdelijk is uitgevoerd, wordt dit
gelijkgesteld aan een gebrek aan overeenstemming van de zaak
aan de overeenkomst. Hetzelfde geldt indien de installatie
door de koper ondeugdelijk is uitgevoerd en dit te wijten is
aan de montagevoorschriften die met de levering van de zaak
aan de koper zijn verstrekt.
Artikel 19
1. In
geval van een executoriale verkoop kan de koper zich er niet
op beroepen dat de zaak behept is met een last of een
beperking die er niet op had mogen rusten, of dat deze niet
aan de overeenkomst beantwoordt, tenzij de verkoper dat
wist.
2.
Hetzelfde geldt indien de verkoop bij wijze van parate
executie plaatsvindt, mits de koper dit wist of had moeten
weten. Bij een consumentenkoop kan de koper zich er echter
wel op beroepen dat de zaak niet aan de overeenkomst
beantwoordt.
Afdeling 3. Bijzondere gevolgen van
niet-nakoming van de verplichtingen van de verkoper
Artikel 20
Is de zaak behept met een last of een
beperking die er niet op had mogen rusten, dan kan de koper
eisen dat de last of de beperking wordt opgeheven, mits de
verkoper hieraan redelijkerwijs kan voldoen.
Artikel 21
1.
Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan
kan de koper eisen:
a. aflevering van het ontbrekende;
b. herstel van de afgeleverde
zaak, mits de verkoper hieraan redelijkerwijs kan
voldoen;
c. vervanging van de afgeleverde
zaak, tenzij de afwijking van het overeengekomene te
gering is om dit te rechtvaardigen, dan wel de zaak na
het tijdstip dat de koper redelijkerwijze met
ongedaanmaking rekening moet houden, teniet of achteruit
is gegaan doordat hij niet als een zorgvuldig
schuldenaar voor het behoud ervan heeft gezorgd.
2. De
kosten van nakoming van de in lid 1 bedoelde verplichtingen
kunnen niet aan de koper in rekening worden gebracht.
3. De
verkoper is verplicht om, mede gelet op de aard van de zaak
en op het bijzondere gebruik van de zaak dat bij de
overeenkomst is voorzien, binnen een redelijke termijn en
zonder ernstige overlast voor de koper, zijn in lid 1
bedoelde verplichtingen na te komen.
4. Bij
een consumentenkoop komt de koper in afwijking van lid 1
slechts dan geen herstel of vervanging van de afgeleverde
zaak toe indien herstel of vervanging onmogelijk is of van
de verkoper niet gevergd kan worden.
5.
Herstel of vervanging kan bij een consumentenkoop van de
verkoper niet gevergd worden indien de kosten daarvan in
geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een
ander recht of een andere vordering die de koper toekomt,
gelet op de waarde van de zaak indien zij aan de
overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van het
overeengekomene en de vraag of de uitoefening van een ander
recht of een andere vordering geen ernstige overlast voor de
koper veroorzaakt.
6.
Indien bij een consumentenkoop de verkoper niet binnen een
redelijke tijd nadat hij daartoe door de koper schriftelijk
is aangemaand, aan zijn verplichting tot herstel van de
afgeleverde zaak heeft voldaan, is de koper bevoegd het
herstel door een derde te doen plaatsvinden en de kosten
daarvan op de verkoper te verhalen.
Artikel 22
1.
Beantwoordt het afgeleverde niet aan de overeenkomst, dan
heeft bij een consumentenkoop de koper voorts de bevoegdheid
om:
a. de overeenkomst te ontbinden,
tenzij de afwijking van het overeengekomene, gezien haar
geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen
niet rechtvaardigt;
b. de prijs te verminderen in
evenredigheid met de mate van afwijking van het
overeengekomene.
2. De in
lid 1 bedoelde bevoegdheden ontstaan pas wanneer herstel en
vervanging onmogelijk zijn of van de verkoper niet gevergd
kunnen worden, danwel de verkoper tekort is geschoten in een
verplichting als bedoeld in artikel 21 lid 3.
3.
Voorzover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken zijn op
de in lid 1 onder b bedoelde bevoegdheid de bepalingen van
afdeling 5 van titel 5 van Boek 6 omtrent ontbinding van een
overeenkomst van overeenkomstige toepassing.
4. De
rechten en bevoegdheden genoemd in lid 1 en de artikelen 20
en 21 komen de koper toe onverminderd alle andere rechten en
vorderingen.
Artikel 23
1. De
koper kan er geen beroep meer op doen dat hetgeen is
afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij
de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit
heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken,
kennis heeft gegeven. Blijkt echter aan de zaak een
eigenschap te ontbreken die deze volgens de verkoper bezat,
of heeft de afwijking betrekking op feiten die hij kende of
behoorde te kennen doch die hij niet heeft meegedeeld, dan
moet de kennisgeving binnen bekwame tijd na de ontdekking
geschieden. Bij een consumentenkoop moet de kennisgeving
binnen bekwame tijd na de ontdekking geschieden, waarbij een
kennisgeving binnen een termijn van twee maanden na de
ontdekking tijdig is.
2.
Rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de
stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet
aan de overeenkomst beantwoordt, verjaren door verloop van
twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane
kennisgeving. Doch de koper behoudt de bevoegdheid om aan
een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op
vermindering daarvan of op schadevergoeding tegen te werpen.
3. De
termijn loopt niet zolang de koper zijn rechten niet kan
uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper.
Artikel 24
1.
Indien op grond van een consumentenkoop een zaak is
afgeleverd die niet de eigenschappen bezit die de koper op
grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft de koper
jegens de verkoper recht op schadevergoeding overeenkomstig
de afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6.
2.
Bestaat de tekortkoming in een gebrek als bedoeld in
afdeling 3 van titel 3 van Boek 6, dan is de verkoper niet
aansprakelijk voor schade als in die afdeling bedoeld,
tenzij
a. hij het gebrek kende of
behoorde te kennen,
b. hij de afwezigheid van het
gebrek heeft toegezegd of
c. het betreft zaakschade terzake
waarvan krachtens afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 geen
recht op vergoeding bestaat op grond van de in die
afdeling geregelde franchise, onverminderd zijn verweren
krachtens de afdelingen 9 en 10 van titel 1 van Boek 6.
3.
Indien de verkoper de schade van de koper vergoedt krachtens
lid 2 onder a of b, is de koper verplicht zijn
rechten uit afdeling 3 van titel 3 van Boek 6 aan de
verkoper over te dragen.
Artikel 25
1. Heeft
de koper, in geval van een tekortkoming als bedoeld in
artikel 24, een of meer van zijn rechten ter zake van die
tekortkoming tegen de verkoper uitgeoefend, dan heeft de
verkoper recht op schadevergoeding jegens degene van wie hij
de zaak heeft gekocht, mits ook deze bij die overeenkomst in
de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld.
Kosten ter zake van verweer worden slechts vergoed voor
zover zij in redelijkheid door de verkoper zijn gemaakt.
2. Van
lid 1 kan niet ten nadele van de verkoper worden afgeweken.
3. Het
recht op schadevergoeding krachtens lid 1 komt de verkoper
niet toe indien de afwijking betrekking heeft op feiten die
hij kende of behoorde te kennen, dan wel haar oorzaak vindt
in een omstandigheid die is voorgevallen nadat de zaak aan
hem werd afgeleverd.
4.
Indien aan de zaak een eigenschap ontbreekt die deze volgens
de verkoper bezat, is het recht van de verkoper op
schadevergoeding krachtens lid 1 beperkt tot het bedrag
waarop hij aanspraak had kunnen maken indien hij de
toezegging niet had gedaan.
5. Op
het verhaal krachtens eerdere koopovereenkomsten zijn de
vorige leden van overeenkomstige toepassing.
6. De
vorige leden zijn niet van toepassing voor zover het betreft
schade als bedoeld in artikel 24 lid 2.
Afdeling 4. Verplichtingen van de koper
Artikel 26
1. De
koper is verplicht de prijs te betalen.
2. De
betaling moet geschieden ten tijde en ter plaatse van de
aflevering. Bij een consumentenkoop kan de koper tot
vooruitbetaling van ten hoogste de helft van de koopprijs
worden verplicht.
3. Is
voor de eigendomsoverdracht een notariële akte vereist,
gevolgd door inschrijving daarvan in de daartoe bestemde
openbare registers, dan moet het verschuldigde ten tijde van
de ondertekening van de akte tenminste uit de macht van de
koper zijn gebracht en behoeft het pas na de inschrijving in
de macht van de verkoper te worden gebracht.
4. Bij
de koop van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan, kan de koper die een natuurlijk persoon
is en niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, niet worden verplicht tot vooruitbetaling van de
koopprijs, behoudens dat kan worden bedongen dat hij ter
verzekering van de nakoming van zijn verplichtingen een
bedrag dat niet hoger is dan 10% van de koopprijs, in depot
stort bij een notaris dan wel voor dit bedrag vervangende
zekerheid stelt. Van het in de eerste zin bepaalde kan niet
ten nadele van de koper worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6. Het
teveel betaalde geldt als onverschuldigd betaald.
5. Lid 4
is van overeenkomstige toepassing op de koop van
deelnemings- of lidmaatschapsrechten die recht geven op het
gebruik van een tot bewoning bestemde onroerende zaak of
bestanddeel daarvan.
6. De
leden 4–5 zijn niet van toepassing op een koop als bedoeld
in artikel 48a onder a.
Artikel 27
Wanneer de koper gestoord wordt of goede
grond heeft te vrezen dat hij gestoord zal worden door een
vordering tot uitwinning of tot erkenning van een recht op de
zaak dat daarop niet had mogen rusten, kan hij de betaling van
de koopprijs opschorten, tenzij de verkoper voldoende zekerheid
stelt om het nadeel te dekken dat de koper dreigt te lijden.
Artikel 28
Bij een consumentenkoop verjaart de
rechtsvordering tot betaling van de koopprijs door verloop van
twee jaren.
Artikel 29
1. Heeft
de koper de zaak ontvangen doch is hij voornemens deze te
weigeren, dan moet hij als een zorgvuldig schuldenaar voor
het behoud ervan zorgen; hij heeft op de zaak een
retentierecht totdat hij door de verkoper voor de door hem
in redelijkheid gemaakte kosten schadeloos is gesteld.
2. De
koper die voornemens is een aan hem verzonden en op de
plaats van bestemming te zijner beschikking gestelde zaak te
weigeren, moet, zo dit geen betaling van de koopprijs en
geen ernstige bezwaren of onredelijke kosten meebrengt, deze
in ontvangst nemen, tenzij de verkoper op de plaats van
bestemming aanwezig is of iemand aldaar bevoegd is zich voor
zijn rekening met de zorg voor de zaak te belasten.
Artikel 30
Wanneer in de gevallen, in artikel 29
voorzien, de zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang
onderhevig is of wanneer de bewaring daarvan ernstige bezwaren
of onredelijke kosten zou meebrengen, is de koper verplicht de
zaak op een geschikte wijze te doen verkopen.
Afdeling 5. Bijzondere gevolgen van
verzuim van de koper
Artikel 31
Indien de overeenkomst aan de koper de
bevoegdheid geeft door aanwijzing van maat of vorm of op andere
wijze de zaak te specificeren en hij daarmede in verzuim is, kan
de verkoper daartoe zelf overgaan, met inachtneming van de hem
bekende behoeften van de koper.
Artikel 32
Ingeval de koper met de inontvangstneming
in verzuim is, vindt artikel 30 overeenkomstige toepassing.
Afdeling 6. Bijzondere gevallen van
ontbinding
Artikel 33
Indien de aflevering van een roerende zaak
op een bepaalde dag essentieel is en op die dag de koper niet in
ontvangst neemt, levert zulks een grond op tot ontbinding als
bedoeld in artikel 265 van Boek 6.
Artikel 34
De verkoper kan de koop door een
schriftelijke verklaring ontbinden, indien het achterwege
blijven van inontvangstneming hem goede grond geeft te vrezen
dat de prijs niet zal worden betaald.
Artikel 35
1.
Indien de verkoper bij een consumentenkoop krachtens een bij
die overeenkomst gemaakt beding de koopprijs na het sluiten
van de koop verhoogt, is de koper bevoegd de koop door een
schriftelijke verklaring te ontbinden, tenzij bedongen is
dat de aflevering langer dan drie maanden na de koop zal
plaatsvinden.
2. Voor
de toepassing van lid 1 wordt onder koopprijs begrepen het
bedrag dat bij het sluiten van de overeenkomst onder
voorbehoud van prijswijziging voorlopig als koopprijs is
opgegeven.
Afdeling 7. Schadevergoeding
Artikel 36
1. In
geval van ontbinding van de koop is, wanneer de zaak een
dagprijs heeft, de schadevergoeding gelijk aan het verschil
tussen de in de overeenkomst bepaalde prijs en de dagprijs
ten dage van de niet-nakoming.
2. Voor
de berekening van deze schadevergoeding is de in aanmerking
te nemen dagprijs die van de markt waar de koop plaatsvond,
of, indien er geen dergelijke dagprijs is of deze
bezwaarlijk zou kunnen worden toegepast, de prijs van de
markt die deze redelijkerwijs kan vervangen; hierbij wordt
rekening gehouden met verschillen in de kosten van vervoer
van de zaak.
Artikel 37
Heeft de koper of de verkoper een
dekkingskoop gesloten en is hij daarbij redelijk te werk gegaan,
dan komt hem het verschil toe tussen de overeengekomen prijs en
die van de dekkingskoop.
Artikel 38
De bepalingen van de twee voorgaande
artikelen sluiten het recht op een hogere schadevergoeding niet
uit ingeval meer schade is geleden.
Afdeling 8. Recht van reclame
Artikel 39
1. De
verkoper van een roerende, aan de koper afgeleverde zaak die
niet een registergoed is, kan, indien de prijs niet betaald
is en in verband daarmee aan de vereisten voor een
ontbinding als bedoeld in artikel 265 van Boek 6 is voldaan,
de zaak door een tot de koper gerichte schriftelijke
verklaring terugvorderen. Door deze verklaring wordt de koop
ontbonden en eindigt het recht van de koper of zijn
rechtsverkrijger; de artikelen 271, 273, 275 en 276 van Boek
6 zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Is
slechts de prijs van een bepaald deel van het afgeleverde
niet betaald, dan kan de verkoper slechts dat deel
terugvorderen. Is ten aanzien van het geheel een deel van de
prijs niet betaald, dan kan de verkoper een daaraan
evenredig deel van het afgeleverde terugvorderen indien het
afgeleverde voor een zodanige verdeling vatbaar is. In beide
gevallen wordt de koop slechts voor het teruggevorderde deel
van het afgeleverde ontbonden.
3. In
alle andere gevallen van gedeeltelijke betaling van de prijs
kan de verkoper slechts het afgeleverde in zijn geheel
terugvorderen tegen teruggave van het reeds betaalde.
Artikel 40
1. Is de
koper in staat van faillissement verklaard of is aan hem
surséance van betaling verleend, dan heeft de terugvordering
geen gevolg, indien door de curator, onderscheidenlijk door
de koper en de bewindvoerder, binnen een hun daartoe door de
verkoper bij diens verklaring te stellen redelijke termijn
de koopprijs wordt betaald of voor deze betaling zekerheid
wordt gesteld.
2. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien ten
aanzien van de koper de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen van toepassing is verklaard, tenzij de
koopovereenkomst tot stand is gekomen na de uitspraak tot de
toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Artikel 41
De bevoegdheid tot terugvordering kan
slechts worden uitgeoefend voor zover het afgeleverde zich nog
in dezelfde staat bevindt als waarin het werd afgeleverd.
Artikel 42
1.
Tenzij de zaak in handen van de koper is gebleven, vervalt
de bevoegdheid tot terugvordering wanneer de zaak
overeenkomstig artikel 90 lid 1 of artikel 91 van Boek 3
anders dan om niet is overgedragen aan een derde die
redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht zou
worden uitgeoefend.
2. Is de
zaak na de aflevering anders dan om niet in vruchtgebruik
gegeven of verpand, dan is lid 1 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 43
De verkoper kan zijn in artikel 39
omschreven bevoegdheid niet uitoefenen, indien de koper voor de
volle koopprijs handelspapier heeft geaccepteerd.
Bij acceptatie voor een gedeelte van de
prijs kan de verkoper die bevoegdheid slechts uitoefenen, indien
hij ten behoeve van de koper zekerheid stelt voor de vergoeding
van hetgeen de koper uit hoofde van zijn acceptatie zou moeten
betalen.
Artikel 44
De in artikel 39 omschreven bevoegdheid
van de verkoper vervalt, wanneer zowel zes weken zijn verstreken
nadat de vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar is
geworden, als zestig dagen, te rekenen van de dag waarop de zaak
onder de koper of onder iemand van zijnentwege is opgeslagen.
Afdeling 9. Koop op proef
Artikel 45
1. Koop
op proef wordt geacht te zijn gesloten onder de opschortende
voorwaarde dat de zaak de koper voldoet.
2. Laat
deze een termijn, voldoende om de zaak te beoordelen,
voorbijgaan zonder de verkoper van zijn beslissing in kennis
te stellen, dan kan hij de zaak niet meer weigeren.
Artikel 46
Zolang de koop niet definitief is, is de
zaak voor risico van de verkoper.
Afdeling 9A. Overeenkomsten op afstand
Artikel 46a
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. overeenkomst op afstand: de
overeenkomst waarbij, in het kader van een door de
verkoper of dienstverlener georganiseerd systeem voor
verkoop of dienstverlening op afstand, tot en met het
sluiten van de overeenkomst uitsluitend gebruik wordt
gemaakt van één of meer technieken voor communicatie op
afstand;
b. koop op afstand: de
overeenkomst op afstand die een consumentenkoop is;
c. overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten: de tot het verrichten van
diensten strekkende overeenkomst op afstand tussen een
dienstverlener die handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf en een wederpartij, natuurlijk
persoon, die niet handelt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf;
d. financiële dienst: iedere
dienst van bancaire aard of op het gebied van
kredietverstrekking, verzekering, individuele
pensioenen, beleggingen en betalingen;
e. techniek voor communicatie op
afstand: een middel dat zonder gelijktijdige
persoonlijke aanwezigheid van partijen kan worden
gebruikt voor het sluiten van de overeenkomst op
afstand;
f. communicatietechniekexploitant:
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn
bedrijf maakt van het ter beschikking stellen van één of
meer technieken voor communicatie op afstand aan
verkopers of dienstverleners;
g. richtlijn: richtlijn nr.
97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 20 mei 1997 betreffende de bescherming
van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten
(PbEG L 144);
h. richtlijn nr. 2002/65/EG:
richtlijn nr. 2002/65/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 23 september 2002
betreffende de verkoop op afstand van financiële
diensten aan consumenten (PbEG L 271).
Artikel 46b
1.
Artikel 5 lid 3 is niet van toepassing op koop op afstand.
2. Deze
afdeling is niet van toepassing op de koop op afstand:
a. die wordt gesloten met
gebruikmaking van distributieautomaten of
geautomatiseerde handelsruimten;
b. op een veiling.
3. De
artikelen 46c-46e en 46f lid 1 zijn niet van toepassing op
de koop op afstand van hoofdzakelijk levensmiddelen die
worden afgeleverd aan de koper op diens woon- of
verblijfplaats of werkplek door frequent en op gezette
tijden langskomende bezorgers.
Artikel 46c
1.
Tijdig voordat de koop op afstand wordt gesloten, moeten aan
de wederpartij met alle aan de gebruikte techniek voor
communicatie op afstand aangepaste middelen en op duidelijke
en begrijpelijke wijze, de volgende gegevens worden
verstrekt, waarvan het commerciële oogmerk ondubbelzinnig
moet blijken:
a. de identiteit en, indien de
koop op afstand verplicht tot vooruitbetaling van de
prijs of een gedeelte daarvan, het adres van de
verkoper;
b. de belangrijkste kenmerken van
de zaak;
c. de prijs, met inbegrip van alle
belastingen, van de zaak;
d. voor zover van toepassing: de
kosten van aflevering;
e. de wijze van betaling,
aflevering of uitvoering van de koop op afstand;
f. het al dan niet van toepassing
zijn van de mogelijkheid van ontbinding overeenkomstig
de artikelen 46d lid 1 en 46e;
g. indien de kosten van het
gebruik van de techniek voor communicatie op afstand
worden berekend op een andere grondslag dan het
basistarief: de hoogte van het geldende tarief;
h. de termijn voor de aanvaarding
van het aanbod, dan wel de termijn voor het gestand doen
van de prijs;
i. voor zover van toepassing, in
geval van een koop op afstand die strekt tot
voortdurende of periodieke aflevering van zaken: de
minimale duur van de overeenkomst.
2.
Tijdig bij de nakoming van de koop op afstand en, voor zover
het niet aan derden af te leveren zaken betreft, uiterlijk
bij de aflevering, moeten aan de koper op duidelijke en
begrijpelijke wijze schriftelijk of, voor zover het de in de
onderdelen a en c-e bedoelde gegevens betreft, op een andere
te zijner beschikking staande en voor hem toegankelijke
duurzame gegevensdrager, de volgende gegevens worden
verstrekt, behoudens voor zover zulks reeds is geschied
voordat de koop op afstand werd gesloten:
a. de gegevens, bedoeld in de
onderdelen a-f van lid 1;
b. de vereisten voor de
gebruikmaking van het recht tot ontbinding
overeenkomstig de artikelen 46d lid 1 en 46e lid 2;
c. het bezoekadres van de
vestiging van de verkoper waar de koper een klacht kan
indienen;
d. voor zover van toepassing:
gegevens omtrent de garantie en omtrent in het kader van
de koop op afstand aangeboden diensten;
e. indien de koop op afstand een
duur heeft van meer dan een jaar dan wel een onbepaalde
duur: de vereisten voor opzegging van de overeenkomst.
Artikel 46d
1.
Gedurende zeven werkdagen na de ontvangst van de zaak heeft
de koper het recht de koop op afstand zonder opgave van
redenen te ontbinden. Indien niet is voldaan aan alle in
artikel 46c lid 2 gestelde eisen, bedraagt deze termijn drie
maanden. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing
vanaf de voldoening binnen de in de tweede zin bedoelde
termijn aan alle in artikel 46c lid 2 gestelde eisen.
2. In
geval van ontbinding overeenkomstig lid 1 kan de verkoper,
behoudens ten hoogste de rechtstreekse kosten van het
terugzenden van de zaak, aan de koper geen vergoeding in
rekening brengen.
3. In
geval van ontbinding overeenkomstig lid 1 heeft de koper
recht op kosteloze teruggave van het door hem aan de
verkoper betaalde. De teruggave moet zo spoedig mogelijk en
in ieder geval binnen dertig dagen na de ontbinding
plaatsvinden.
4. De
leden 1–3 zijn niet van toepassing op de koop op afstand:
a. van zaken waarvan de prijs
gebonden is aan de schommelingen op de financiële markt,
waarop de verkoper geen invloed heeft;
b. van zaken die:
1°. zijn tot stand gebracht
overeenkomstig specificaties van de koper;
2°. duidelijk persoonlijk van
aard zijn;
3°. door hun aard niet kunnen
worden teruggezonden;
4°. snel kunnen bederven of
verouderen;
c. van audio- en video-opnamen en
computerprogrammatuur, indien de koper hun verzegeling
heeft verbroken;
d. van kranten en tijdschriften.
Artikel 46e
1.
Ontbinding van de koop op afstand overeenkomstig artikel 46d
lid 1 brengt van rechtswege en zonder dat de koper een boete
is verschuldigd de ontbinding mee van een overeenkomst die
ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten behoeve van de
voldoening van de prijs een geldsom leent.
2. In
geval van ontbinding van de koop op afstand overeenkomstig
artikel 46d lid 1 heeft de koper tevens het recht een
ingevolge een overeenkomst tussen de verkoper en een derde
aangegane overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de
koper ten behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom
leent, zonder boete te ontbinden.
Artikel 46f
1. Het
verzuim van de verkoper treedt zonder ingebrekestelling in,
wanneer de koop op afstand niet uiterlijk binnen dertig
dagen, te rekenen van de dag waarop de koper zijn bestelling
bij de verkoper heeft gedaan, is nagekomen, behalve voor
zover de vertraging de verkoper niet kan worden toegerekend
of nakoming reeds blijvend onmogelijk is.
2.
Indien nakoming onmogelijk is doordat de gekochte zaak niet
beschikbaar is, moet de koper daarvan zo spoedig mogelijk
worden kennis gegeven en heeft hij recht op kosteloze
teruggave van het door hem aan de verkoper betaalde. De
teruggave moet zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen
dertig dagen na de kennisgeving plaatsvinden.
3.
Indien in het in lid 2 bedoelde geval de verkoper krachtens
een voor dan wel bij het sluiten van de koop op afstand
gemaakt beding de bevoegdheid heeft, een zaak van gelijke
kwaliteit en prijs te geven, komen de kosten van het
terugzenden van de zaak in geval van ontbinding van de koop
op afstand overeenkomstig artikel 46d lid 1 ten laste van de
verkoper. De koper moet daarvan op duidelijke en
begrijpelijke wijze worden kennis gegeven.
Artikel 46g
De natuurlijke persoon die niet handelt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf, van wie een
betaalkaart frauduleus is gebruikt in het kader van koop op
afstand, kan niet worden verplicht tot betaling van de hem als
gevolg van dat frauduleuze gebruik in rekening gebrachte
bedragen, behoudens voor zover dat gebruik een gevolg is van een
omstandigheid die aan hem kan worden toegerekend. Het terzake
reeds betaalde geldt als onverschuldigd betaald.
Artikel 46h
1. Aan
een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening
van een beroep of bedrijf moeten bij het gebruik van de
telefoon voor het doen van ongevraagde oproepen ter
bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand,
aan het begin van elk gesprek duidelijk de identiteit van de
verkoper, alsmede het commerciële oogmerk van de oproep
worden medegedeeld.
2. Het
gebruik van automatische oproepsystemen zonder menselijke
tussenkomst, faxen en elektronische berichten voor het
overbrengen van ongevraagde communicatie, ter bevordering
van de totstandkoming van een koop op afstand, aan een
natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, is uitsluitend toegestaan, indien de
desbetreffende persoon daarvoor voorafgaand toestemming
heeft verleend onverminderd hetgeen is bepaald in lid 3.
3. Een
ieder die elektronische contactgegevens voor elektronische
berichten heeft verkregen in het kader van de verkoop van
een zaak mag deze gegevens gebruiken voor het overbrengen
van communicatie ter bevordering van de totstandkoming van
een koop op afstand met betrekking tot eigen gelijksoortige
zaken, mits bij de verkrijging van de contactgegevens aan de
klant duidelijk en uitdrukkelijk de gelegenheid is geboden
om kosteloos en op gemakkelijke wijze verzet aan te tekenen
tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens, en,
indien de klant hiervan geen gebruik heeft gemaakt, hem bij
elke overgebrachte communicatie de mogelijkheid wordt
geboden om onder dezelfde voorwaarden verzet aan te tekenen
tegen het verder gebruik van zijn elektronische
contactgegevens. Artikel 41, tweede lid, van de Wet
bescherming persoonsgegevens is van overeenkomstige
toepassing.
4. Bij
het gebruik van elektronische berichten ter bevordering van
de totstandkoming van een koop op afstand dienen te allen
tijde de volgende gegevens te worden vermeld:
a. de werkelijke identiteit van
degene namens wie de communicatie wordt overgebracht, en
b. een geldig postadres of nummer
waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van
dergelijke communicatie kan richten.
5. Het
gebruik van andere dan de in lid 2 genoemde technieken voor
communicatie op afstand voor het overbrengen van ongevraagde
communicatie of het doen van ongevraagde mededelingen, ter
bevordering van de totstandkoming van een koop op afstand,
aan een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, is toegestaan, tenzij
de desbetreffende persoon te kennen heeft gegeven dat hij
communicatie of mededelingen waarbij van deze technieken
gebruik wordt gemaakt, niet wenst te ontvangen.
6.
Degene die ongevraagd communicatie overbrengt of
mededelingen doet ter bevordering van de totstandkoming van
een koop op afstand, neemt passende maatregelen om ten
minste eenmaal per jaar de personen, bedoeld in lid 5,
bekend te maken met de mogelijkheden tot het doen van een
kennisgeving als bedoeld in lid 5. De bekendmaking kan via
een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een
andere geschikte wijze plaatsvinden.
7. Aan
de maatregelen, bedoeld in de leden 2 en 5, zijn voor de in
die leden bedoelde personen geen kosten verbonden.
Artikel 46i
1. De
artikelen 46b lid 2, 46c, 46d leden 1–3 en 4, onderdeel a,
46e en 46f leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing
op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van
diensten die niet een financiële dienst zijn. De artikelen
46g–46h zijn van overeenkomstige toepassing op
overeenkomsten op afstand tot het verrichten van diensten.
2. In
afwijking van lid 1 zijn de in dat lid genoemde artikelen
niet van toepassing op de overeenkomst op afstand:
a. tot het verrichten van
diensten, die wordt gesloten met een
telecommunicatie-exploitant door gebruikmaking van een
openbare telefoon;
b. tot aanneming van werk die
strekt tot de bouw van een onroerende zaak.
3. In
afwijking van lid 1 zijn de artikelen 46c-46e en 46f lid 1
niet van toepassing op de overeenkomst op afstand tot het
verrichten van diensten die logies, vervoer, het
restaurantbedrijf of vrijetijdsbesteding betreft, indien de
dienstverlener zich er bij het sluiten van de overeenkomst
toe verplicht, deze diensten te verrichten op een bepaalde
datum of tijdens een bepaalde periode.
4. In
afwijking van lid 1 is artikel 46c lid 2 niet van toepassing
op de overeenkomst op afstand tot het verrichten van
diensten die in één keer worden verricht met behulp van een
techniek voor communicatie op afstand en die in rekening
worden gebracht door de communicatietechniekexploitant.
Desalniettemin moet aan de wederpartij steeds het
bezoekadres van de vestiging van de dienstverlener waar de
wederpartij een klacht kan indienen, worden medegedeeld.
5. In
afwijking van lid 1 is artikel 46d niet van toepassing op de
overeenkomst op afstand tot het verrichten van diensten:
a. waarvan de nakoming met
instemming van de wederpartij is begonnen voordat de in
artikel 46d lid 1, eerste en derde volzin, bedoelde
termijn is verstreken;
b. betreffende weddenschappen en
loterijen.
6. In
geval van een overeenkomst op afstand tot het verrichten van
diensten lopen de in artikel 46d lid 1, eerste en tweede
volzin, bedoelde termijnen vanaf het sluiten van de
overeenkomst.
7. Een
beding in een overeenkomst op afstand tot het verrichten van
financiële diensten dat de wederpartij belast met het bewijs
ter zake van de naleving van de verplichtingen die krachtens
richtlijn nr. 2002/65/EG op de dienstverlener rusten, is
vernietigbaar.
Artikel 46j
1. Van
deze afdeling kan niet ten nadele van de koper dan wel de
wederpartij worden afgeweken.
2. Lid 1
is niet van toepassing op artikel 46f lid 1.
3. De
toepasselijkheid op de overeenkomst van een recht dat de
door de richtlijn nr. 97/7/EG respectievelijk richtlijn nr.
2002/65/EG voorziene bescherming niet of slechts ten dele
biedt, kan er niet toe leiden dat de koper dan wel de
wederpartij de bescherming verliest die hem krachtens de
richtlijn nr. 97/7/EG respectievelijk richtlijn nr.
2002/65/EG wordt geboden door de dwingende bepalingen van
het recht van de lid-staat van de Europese Unie of de andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, waar hij zijn gewone
verblijfplaats heeft.
Afdeling 10. Koop van vermogensrechten
Artikel 47
Een koop kan ook op een vermogensrecht
betrekking hebben. In dat geval zijn de bepalingen van de vorige
afdelingen van toepassing voor zover dit in overeenstemming is
met de aard van het recht.
Artikel 48
1. Hij
die een nalatenschap verkoopt zonder de goederen daarvan
stuk voor stuk op te geven, is slechts gehouden voor zijn
hoedanigheid van erfgenaam in te staan.
2. Heeft
de verkoper reeds vruchten genoten, een tot de nalatenschap
behorende vordering geïnd of goederen uit de nalatenschap
vervreemd, dan moet hij die aan de koper vergoeden.
3. De
koper moet aan de verkoper vergoeden hetgeen deze wegens de
schulden en lasten der nalatenschap heeft betaald en hem
voldoen hetgeen hij als schuldeiser van de nalatenschap te
vorderen had.
Afdeling 10A. Koop van rechten van gebruik
in deeltijd van onroerende zaken
Artikel 48a
In deze afdeling en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. koop: iedere overeenkomst en
ieder samenstel van overeenkomsten met een duur van ten
minste drie jaren en met de strekking dat de ene partij
– de verkoper – tegen betaling van een totaalprijs aan
de andere partij – de koper – een zakelijk of
persoonlijk recht geeft of zich verbindt te geven tot
het gebruik voor ten minste een week per jaar van een of
meer tot bewoning bestemde onroerende zaken of
bestanddelen daarvan;
b. verkoper: een verkoper als
bedoeld onder a, die bij de koop handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf;
c. koper: een koper als bedoeld
onder a, die een natuurlijk persoon is en bij de
koop niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf;
d. richtlijn: richtlijn nr.
94/47/EG van het Europees Parlement en van de Raad van
de Europese Unie van 26 oktober 1994 betreffende de
bescherming van de verkrijger voor wat bepaalde aspecten
betreft van overeenkomsten inzake de verkrijging van een
recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen (PbEG
L 280).
Artikel 48b
1. De
koop wordt schriftelijk aangegaan. De koopakte moet ten
minste de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde
gegevens bevatten.
2. De in
lid 1 bedoelde, tussen partijen opgemaakte, akte of een
afschrift daarvan moet aan de koper worden ter hand gesteld,
desverlangd tegen afgifte aan de verkoper van een gedateerd
ontvangstbewijs.
3. De in
lid 1 bedoelde akte moet zijn gesteld in de bij algemene
maatregel van bestuur bepaalde taal of talen.
Artikel 48c
1.
Gedurende tien dagen na de terhandstelling van de akte of
een afschrift daarvan overeenkomstig artikel 48b lid
2 heeft de koper het recht de koop zonder opgave van redenen
te ontbinden. Indien de akte niet alle bij algemene
maatregel van bestuur bepaalde gegevens vermeldt, wordt deze
termijn verlengd met de tijd die is verstreken vanaf de
terhandstelling van de akte of een afschrift daarvan totdat
alle ontbrekende gegevens alsnog schriftelijk aan de koper
zijn verstrekt, doch ten hoogste met drie maanden.
2. De
koper oefent zijn in lid 1 bedoelde recht de overeenkomst te
ontbinden uit door binnen de gestelde termijn een daartoe
strekkende verklaring te richten tot de verkoper of tot
degene die daartoe overeenkomstig het in de algemene
maatregel van bestuur bepaalde in de akte is vermeld. De
verklaring wordt gedaan op een wijze die voor bewijs vatbaar
is naar het volgens Nederlands internationaal privaatrecht
toepasselijke recht. De gestelde termijn is in acht genomen,
indien een schriftelijke verklaring binnen die termijn is
verzonden.
3. In
geval van ontbinding overeenkomstig de leden 1–2 is de koper
aan de verkoper geen enkele vergoeding verschuldigd.
Artikel 48d
De koper kan binnen de in artikel 48c
lid 1 bedoelde termijn niet worden verplicht tot vooruitbetaling
van de prijs of een gedeelte daarvan. Binnen deze termijn gedane
vooruitbetalingen gelden als onverschuldigd betaald.
Artikel 48e
1.
Ontbinding van de koop overeenkomstig artikel 48c
leden 1–2 brengt van rechtswege en zonder dat de koper een
boete is verschuldigd de ontbinding mee van een overeenkomst
die ertoe strekt dat de verkoper aan de koper ten behoeve
van de voldoening van de prijs een geldsom leent.
2. In
geval van ontbinding van de koop overeenkomstig artikel 48c
leden 1–2 heeft de koper tevens het recht een ingevolge een
overeenkomst tussen de verkoper en een derde aangegane
overeenkomst die ertoe strekt dat de derde aan de koper ten
behoeve van de voldoening van de prijs een geldsom leent,
zonder boete te ontbinden. Op de ontbinding overeenkomstig
de voorgaande zin is artikel 48c lid 2 van
overeenkomstige toepassing.
3. Op de
ontbinding overeenkomstig de leden 1–2 is artikel 48c
lid 3 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 48f
1. De
verkoper moet aan een ieder die verzoekt om inlichtingen
over de onroerende zaak of zaken waarop het in artikel 48a
onder a bedoelde, door hem te koop aangeboden recht
betrekking heeft, de volgende bescheiden ter hand stellen:
a. een ontwerp van de in artikel
48b lid 1 bedoelde akte;
b. een schriftelijke mededeling
betreffende de wijze waarop nadere inlichtingen kunnen
worden verkregen.
2. In
reclame voor de onroerende zaak of zaken waarop het in
artikel 48a onder a bedoelde, door de verkoper
te koop aangeboden recht betrekking heeft, moet worden
medegedeeld dat de in het vorige lid bedoelde bescheiden
verkrijgbaar zijn, alsmede waar zij verkrijgbaar zijn.
3. Tot
het aanbrengen van wijzigingen in het overeenkomstig lid 1
onder a ter hand gestelde ontwerp is de verkoper slechts
bevoegd met wederzijds goedvinden, dan wel indien deze
wijzigingen voortvloeien uit omstandigheden buiten zijn wil.
4. De
verkoper moet wijzigingen als bedoeld in lid 3 mededelen
voordat de koop wordt gesloten. Bovendien moeten zij
uitdrukkelijk in de in artikel 48b lid 1 bedoelde
akte worden vermeld.
5. De in
lid 1 onder b bedoelde mededeling moet zijn gesteld
in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde taal.
Artikel 48g
1. Van
het bij of krachtens deze afdeling bepaalde kan niet ten
nadele van de koper worden afgeweken.
2. Aan
de koper kan, indien de in de koop bedoelde onroerende zaak
is gelegen op het grondgebied van een lid-staat van de
Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de
hem krachtens de richtlijn door het recht van die staat
toegekende bescherming niet worden onthouden, ongeacht het
recht dat de koop beheerst.
Afdeling 12. Ruil
Artikel 49
Ruil is de overeenkomst waarbij partijen
zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een
andere te geven.
Artikel 50
De bepalingen betreffende koop vinden
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat elke partij
wordt beschouwd als verkoper voor de prestatie die zij
verschuldigd is, en als koper voor die welke haar toekomt.
Titel 2.
Financiëlezekerheidsovereenkomsten
Artikel 51
In deze titel wordt verstaan onder:
a.
financiëlezekerheidsovereenkomst: een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht of een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot vestiging van een
pandrecht;
b.
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht: een
overeenkomst op grond waarvan de onder d of e bedoelde
goederen worden overgedragen als waarborg voor een
verplichting;
c.
financiëlezekerheidsovereenkomst tot vestiging van een
pandrecht: een overeenkomst op grond waarvan een
pandrecht wordt verschaft op de onder d of e bedoelde
goederen;
d. geld: op een rekening of
deposito gecrediteerd tegoed in geld;
e. effecten: aandelen en andere
met aandelen gelijk te stellen effecten, obligaties en
andere schuldinstrumenten indien deze op de
kapitaalmarkt verhandelbaar zijn, en alle andere
gewoonlijk verhandelde effecten waarmee die aandelen,
obligaties of andere effecten via inschrijving, koop of
omruiling kunnen worden verkregen of die aanleiding
kunnen geven tot afwikkeling in geld met uitsluiting van
waardepapieren die een betalingsopdracht belichamen,
inclusief rechten van deelneming in instellingen voor
collectieve belegging, geldmarktinstrumenten en
vorderingen op of rechten ten aanzien van een van de
voornoemde instrumenten;
f. gelijkwaardige goederen:
1. wanneer het betreft geld:
hetzelfde bedrag in dezelfde valuta;
2. wanneer het betreft
effecten: effecten van dezelfde uitgevende
instelling of debiteur, behorende tot dezelfde
emissie of categorie, ter waarde van hetzelfde
nominale bedrag, luidende in dezelfde valuta en van
dezelfde soort, onderscheidenlijk andere goederen
indien de financiëlezekerheidsoverkomst voorziet in
de overdracht daarvan na het plaatsvinden van een
gebeurtenis die betrekking heeft op of gevolgen
heeft voor de effecten waarop de schuldenaar een
pandrecht heeft gevestigd;
g. executiegrond: verzuim of een
andere omstandigheid op grond waarvan de zekerheidsnemer
krachtens een financiëlezekerheidsovereenkomst of de wet
gerechtigd is verpande goederen te verkopen of zich toe
te eigenen dan wel gebruik te maken van een
verrekenbeding;
h. verrekenbeding: een beding in
een financiëlezekerheidsovereenkomst of een overeenkomst
waarvan een financiëlezekerheidsovereenkomst deel
uitmaakt, of een wettelijk voorschrift, op grond waarvan
bij het voldoen aan de voorwaarden van een
executiegrond:
– de verplichtingen van
partijen onmiddellijk opeisbaar worden, alsmede
omgezet in een verplichting tot het betalen van een
bedrag dat hun geschatte actuele waarde
vertegenwoordigt, dan wel de verplichtingen
vervallen en worden vervangen door een verplichting
tot het betalen van het voornoemde bedrag, of
– de verplichtingen van
partijen worden verrekend en alleen het saldo
verschuldigd is.
Artikel 52
1. Deze
titel is van toepassing op
financiëlezekerheidsovereenkomsten waarbij ten minste een
van de partijen is:
a. een overheidsinstantie, met
inbegrip van:
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese
Unie die belast zijn met of een rol spelen bij het
beheer van de overheidsschuld en;
– instellingen behorend tot de
overheidssector van de lidstaten van de Europese
Unie die zijn gemachtigd om voor klanten rekeningen
aan te houden.
b. een centrale bank, de Europese
Centrale Bank, de Bank voor Internationale Betalingen,
een multilaterale ontwikkelingsbank, het Internationaal
Monetair Fonds en de Europese Investeringsbank.
c. een financiële onderneming
onder financieel toezicht, met inbegrip van een bank,
beheerder, beleggingsinstelling, beleggingsonderneming,
financiële instelling, levensverzekeraar of
schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet
op het financieel toezicht.
d. een centrale tegenpartij, een
afwikkelende instantie of een verrekeningsinstituut als
bedoeld in artikel 212a, onderdeel c, d en e, van de
Faillissementswet, inclusief onder het nationale recht
van de lidstaten van de Europese Unie vallende
gereglementeerde instellingen die actief zijn op de
markten voor rechten op overdracht op termijn van
goederen, opties en derivaten, en een andere dan een
natuurlijke persoon die optreedt als trustee of in een
vertegenwoordigende hoedanigheid namens een of meer
personen waaronder enigerlei obligatiehouders of houders
van andere schuldinstrumenten of enige instelling als
omschreven in onderdeel a, b, c of dit onderdeel.
2. Deze
titel is niet van toepassing indien een van de partijen bij
een financiëlezekerheidsovereenkomst een natuurlijke persoon
is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf.
Artikel 53
1. Bij
een financiëlezekerheidsovereenkomst tot vestiging van een
pandrecht kan worden bedongen dat de zekerheidsnemer de
verpande goederen kan gebruiken of verkopen en de opbrengst
behouden.
2.
Uitoefening van het recht tot gebruik of verkoop brengt van
rechtswege een verplichting van de zekerheidsnemer mee tot
overdracht van gelijkwaardige goederen aan de
zekerheidsgever, uiterlijk op het tijdstip waarop moet
worden voldaan aan de vordering waarvoor het verpande tot
zekerheid strekt.
3. In
afwijking van lid 2 kan in de
financiëlezekerheidsovereenkomst worden bepaald dat de
zekerheidsnemer de vordering waarvoor het verpande tot
zekerheid strekt verrekent met de waarde van gelijkwaardige
goederen, op het tijdstip waarop de vordering moet worden
voldaan of zoveel eerder als zich een executiegrond
voordoet.
4. Het
pandrecht strekt zich van rechtswege uit over de goederen
die als gevolg van dit artikel in de plaats worden gesteld
van de verbonden goederen.
Artikel 54
1.
Tenzij anders is bedongen in een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot de vestiging van een
pandrecht, is de zekerheidsnemer, wanneer aan de voorwaarden
van een executiegrond wordt voldaan, bevoegd:
a. effecten waarop het pandrecht
rust te verkopen en het hem verschuldigde op de
opbrengst te verhalen onderscheidenlijk deze effecten
zich toe te eigenen en de waarde van de effecten te
verrekenen met het hem verschuldigde;
b. geld waarop het pandrecht rust
te verrekenen met het hem verschuldigde.
2. De
verkoop van effecten geschiedt op een markt door tussenkomst
van een tussenpersoon in het vak of ter beurze door die van
een bevoegde tussenpersoon overeenkomstig de regels en
gebruiken die aldaar voor een gewone verkoop gelden.
3. De
zekerheidsnemer kan zich effecten toe-eigenen indien dit in
de financiëlezekerheidsovereenkomst tot de vestiging van een
pandrecht is bedongen en de waardering van de effecten is
gebaseerd op de waarde op een markt of ter beurze.
4. In
afwijking van lid 2 en lid 3 kan in een
financiëlezekerheidsovereenkomst worden bedongen dat de
voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek van de
zekerheidsnemer of de zekerheidsgever kan bepalen dat
effecten worden verkocht op een afwijkende wijze, of dat de
voorzieningenrechter op verzoek van de zekerheidsnemer kan
bepalen dat effecten voor een door de voorzieningenrechter
vast te stellen bedrag bij wege van toe-eigening aan de
zekerheidsnemer zullen verblijven.
5. De
artikelen 235, 248 leden 1 en 2, 249, 250, 251 en 252 van
Boek 3 zijn niet van toepassing.
Artikel 55
Een overdracht ter nakoming van een
financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht is geen
overdracht tot zekerheid of een overdracht die de strekking mist
het goed na de overdracht in het vermogen van de verkrijger te
doen vallen in de zin van artikel 84 lid 3 van Boek 3. De regels
betreffende pandrecht zijn op een zodanige overeenkomst en de
uitvoering daarvan niet van toepassing of overeenkomstige
toepassing.
Artikel 56
1.
Indien een financiëlezekerheidsovereenkomst betrekking heeft
op giraal overdraagbare effecten, wordt het
goederenrechtelijke regime met betrekking tot die effecten
beheerst door het recht van de staat op welks grondgebied de
rekening waarin de effecten worden geadministreerd, wordt
gehouden. De verwijzing naar dat recht omvat niet mede een
verwijzing naar het internationaal privaatrecht van die
staat.
2. Het
in lid 1 bedoelde recht bepaalt:
a. welke rechten op de effecten
kunnen rusten en welke de aard en de inhoud van deze
rechten zijn;
b. welke vereisten aan de
overdracht of de vestiging van de onder a bedoelde
rechten worden gesteld;
c. wie gerechtigd is tot de
uitoefening van de in de effecten besloten rechten;
d. op welke wijze de onder a
bedoelde rechten zich wijzigen, overgaan en tenietgaan
en welke hun onderlinge verhouding is;
e. de executie.
Titel 3. Schenking
Artikel 175
1.
Schenking is de overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat
de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de
andere partij, de begiftigde, verrijkt.
2. Het
tot een bepaalde persoon gericht schenkingsaanbod geldt als
aangenomen, wanneer deze na er van kennis te hebben genomen
het niet onverwijld heeft afgewezen.
Artikel 176
lndien de schenker feiten stelt waaruit
volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot
stand gekomen, rust bij een beroep op vernietigbaarheid de
bewijslast van het tegendeel op de begiftigde, tenzij van de
schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van
de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de
eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.
Artikel 177
1. Voor
zover een schenking de strekking heeft dat zij pas na het
overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, en zij
niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd,
vervalt zij met het overlijden van de schenker, tenzij de
schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van
de schenking een notariële akte is opgemaakt. Voor zover de
schenking betrekking heeft op kleren, lijfstoebehoren,
bepaalde lijfsieraden, bepaalde tot de inboedel behorende
zaken en bepaalde boeken, kan worden volstaan met een door
de schenker geheel met de hand geschreven, gedagtekende en
ondertekende onderhandse akte.
2.
Indien een bevoegdheid is bedongen tot herroeping van een
schenkingsovereenkomst als bedoeld in lid 1, kan deze
herroeping behalve bij een tot de begiftigde gerichte
verklaring ook bij een uiterste wilsbeschikking van de
schenker zonder mededeling aan de begiftigde geschieden.
Artikel 178
1. Een
schenking is vernietigbaar, indien zij gedurende een ziekte
van de schenker wordt gedaan hetzij aan een
beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele
gezondheidszorg die hem bijstand verleent, hetzij aan een
geestelijk verzorger die hem gedurende de ziekte bijstaat.
2. Ook
is een schenking vernietigbaar indien zij gedurende een
verblijf van de schenker in een voor de verzorging of
verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde
instelling wordt gedaan aan degene die de instelling
exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin
werkzaam is.
3.
Artikel 62 leden 2 en 3 van Boek 4 is van overeenkomstige
toepassing.
4. De
bevoegdheid tot vernietiging op grond van de leden 1 en 2
verjaart drie jaar nadat de in lid 1 bedoelde ziekte,
onderscheidenlijk het in lid 2 bedoelde verblijf, is
geëindigd.
5. Na
het overlijden van de schenker kan de vernietiging van de
schenking op grond van lid 1 of lid 2 mede plaatsvinden door
een ieder die door de schenking nadeel lijdt. De
vernietiging vindt slechts plaats voor zover deze nodig is
tot opheffing van het nadeel van degene die zich op de
vernietigingsgrond beroept. Een rechtsvordering tot
vernietiging ingevolge de eerste zin verjaart op een met
overeenkomstige toepassing van artikel 54 van Boek 4 te
bepalen tijdstip, en in ieder geval drie jaar nadat de in
lid 1 bedoelde ziekte, onderscheidenlijk het in lid 2
bedoelde verblijf, is geëindigd.
Artikel 179
1. Een
aanbod tot schenking dat de aanbieder ten tijde van zijn
overlijden nog kon herroepen, komt, in afwijking van artikel
222 van Boek 6, door zijn dood te vervallen, tenzij uit een
overeenkomst of uit het aanbod zelf het tegendeel
voortvloeit.
2. Is
het aanbod bij wijze van uitloving voor een bepaalde tijd
gedaan, dan komt het door het overlijden van de aanbieder
binnen die tijd te vervallen, indien ten tijde van het
overlijden een gewichtige reden tot herroeping als bedoeld
in artikel 220 lid 1 van Boek 6 bestond of het overlijden
zelf een zodanige reden oplevert; alsdan is artikel 220 lid
2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 180
Op schenkingen onder een ontbindende
voorwaarde en een daarbij aansluitende schenking onder
opschortende voorwaarde zijn de artikelen 140 lid 1 en 141 van
Boek 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 181
1. Een
aanbod tot schenking dat door de dood van de aanbieder niet
vervalt, kan niet worden aanvaard door iemand die op het
tijdstip van overlijden van de aanbieder nog niet bestond.
2. Lid 1
is niet van toepassing:
a. indien de schenker heeft
bepaald dat hetgeen hij schenkt aan een afstammeling van
zijn vader of moeder, bij het overlijden van die
afstammeling of op een eerder tijdstip zal ten deel
vallen aan diens alsdan bestaande afstammelingen
staaksgewijze;
b. indien de schenker heeft
bepaald dat hetgeen hij aan iemand schenkt, bij het
overlijden van de begiftigde of op een eerder tijdstip
zal ten deel vallen aan een afstammeling van een ouder
van de schenker, en tevens dat, indien die afstammeling
dat tijdstip niet overleeft, diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze in diens plaats zullen
treden;
c. indien de schenker heeft
bepaald dat hetgeen de begiftigde van het hem
geschonkene bij zijn overlijden of op een eerder
tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan zal ten
deel vallen aan een dan bestaande bloedverwant van de
schenker in de erfelijke graad.
Artikel 182
1. Bij
een aanbod tot schenking dat schriftelijk wordt gedaan, kan
worden bepaald dat het geschonkene onder bewind zal staan.
2. Het
bewind heeft dezelfde rechtsgevolgen als een bij uiterste
wilsbeschikking ingesteld bewind, met dien verstande dat
a. de termijnen bedoeld in de
artikelen 178 leden 1 en 2, 179 lid 2 en 180 lid 2 van
Boek 4, aanvangen op het tijdstip waarop de schenking
wordt uitgevoerd, en
b. het bewind, voor zover het niet
in het belang van een ander dan de begiftigde is
ingesteld, ook eindigt wanneer de schenker en de
begiftigde een gemeenschappelijk besluit tot opheffing
schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder brengen.
Artikel 183
1. Een
schenker is voor gebreken in het recht of voor feitelijke
gebreken alleen aansprakelijk, wanneer hij deze niet heeft
opgegeven ofschoon zij hem bekend waren, en de begiftigde
deze gebreken niet ter gelegenheid van de aflevering van het
geschonken goed had kunnen ontdekken.
2. Deze
aansprakelijkheid strekt zich, behoudens in het geval van
bedrog, niet uit tot schade geleden ten aanzien van het
geschonken goed zelf.
Artikel 184
1. In de
navolgende gevallen is een schenking, ongeacht of zij reeds
is uitgevoerd, vernietigbaar:
a. indien de begiftigde in verzuim
is met de voldoening van een hem bij de schenking
opgelegde verplichting, waarvan noch de schenker noch
een derde nakoming kan vorderen;
b. indien de begiftigde
opzettelijk een misdrijf jegens de schenker of diens
naaste betrekkingen pleegt;
c. indien een begiftigde die
wettelijk of krachtens overeenkomst verplicht is tot
onderhoud van de schenker bij te dragen, in verzuim is
deze verplichting na te komen.
2. In
lid 1, onder b, wordt mede verstaan onder misdrijf: poging
tot, voorbereiding van en deelneming aan een misdrijf.
Artikel 185
1.
Rechtsvorderingen tot vernietiging van de schenking op grond
van artikel 184 verjaren door verloop van een jaar, te
rekenen van de dag waarop het feit dat grond tot
vernietiging oplevert, ter kennis van de schenker is
gekomen.
2. Na
het overlijden van de schenker kan vernietiging van de
schenking op grond van het in het vorige artikel bepaalde
slechts plaatsvinden door een rechterlijke uitspraak en, in
de gevallen genoemd in artikel 184 lid 1, onder b en c,
alleen indien het feit dat grond tot vernietiging oplevert,
de dood van de schenker heeft veroorzaakt.
Artikel 186
1. De
bepalingen van deze titel zijn van overeenkomstige
toepassing op andere giften dan schenkingen, voor zover de
strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard
van de handeling zich daartegen niet verzet.
2. Als
gift wordt aangemerkt iedere handeling die er toe strekt dat
degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van
eigen vermogen verrijkt. Zolang degene tot wiens verrijking
de handeling strekt, de prestatie niet heeft ontvangen, noch
daarop aanspraak kan maken, worden handelingen als bedoeld
in de eerste volzin niet beschouwd als gift.
Artikel 187
1. Is de
begiftigde in verband met de gift gehouden een
tegenprestatie te verrichten, dan is artikel 186 lid 1,
behoudens voor zover het artikel 182 betreft, van
toepassing, en gelden voorts de volgende twee leden.
2. In
het geval, bedoeld in artikel 177 lid 1, vervalt de gift
niet, doch is zij vernietigbaar. De vernietiging werkt terug
tot het overlijden van degene die de gift doet. De
bevoegdheid tot vernietiging vervalt indien de begiftigde
tijdig een aanvullende prestatie toezegt, die de handeling
haar in artikel 186 lid 2 bedoelde strekking ontneemt.
Bovendien kan de rechter op verlangen van een erfgenaam of
van de begiftigde, in plaats van de vernietiging uit te
spreken, te dien einde de gevolgen van de handeling
wijzigen.
3. ls de
gift vernietigbaar op grond van artikel 178, dan is artikel
54 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing.
4. Op
handelingen die ten dele als gift, ten dele als nakoming van
een natuurlijke verbintenis zijn te beschouwen, zijn de
vorige leden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 188
1. De
aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering
wordt, wanneer zij is aanvaard of kan worden aanvaard,
aangemerkt als een gift, tenzij zij geschiedt ter nakoming
van een verbintenis anders dan een uit schenking. De
artikelen 177, 179, 181, 182 en187 zijn op deze giften niet
van toepassing.
2. Als
waarde van een gift door begunstiging bij een
sommenverzekering geldt de waarde van de daaruit
voortvloeiende rechten op uitkering. Indien de begunstiging
slechts ten dele als gift wordt aangemerkt, geldt als waarde
van de gift een evenredig deel van de waarde van de daaruit
voortvloeiende rechten op uitkering.
3. Het
bedrag dat de verzekeraar krachtens de wet of een
overeenkomst met de verzekeringnemer op de uitkering
inhoudt, komt in de eerste plaats op de waarde van de gift
in mindering.
Titel 4. Huur
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 201
1. Huur
is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder,
zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of
een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder
zich verbindt tot een tegenprestatie.
2. Huur
kan ook op vermogensrechten betrekking hebben. In dat geval
zijn de bepalingen van deze afdeling en de afdelingen 2–4
van toepassing, voor zover de strekking van die bepalingen
of de aard van het recht zich daartegen niet verzet.
3. De
pachtovereenkomst wordt niet als huur aangemerkt.
Artikel 202
Indien de huurder recht heeft op de
vruchten van de zaak, geldt dit recht als een genotsrecht als
bedoeld in artikel 17 van Boek 5. De huurder verkrijgt dit recht
van de dag van ingang van de huur af met dien verstande dat
burgerlijke vruchten van dag tot dag berekend worden.
Afdeling 2. Verplichtingen van de
verhuurder
Artikel 203
De verhuurder is verplicht de zaak ter
beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat
voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.
Artikel 204
1. De
verhuurder heeft met betrekking tot gebreken van de zaak de
in deze afdeling omschreven verplichtingen.
2. Een
gebrek is een staat of eigenschap van de zaak of een andere
niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor
de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat
een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag
verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als
waarop de overeenkomst betrekking heeft.
3. Een
feitelijke stoornis door derden zonder bewering van recht
als bedoeld in artikel 211 en een bewering van recht zonder
feitelijke stoornis zijn geen gebreken in de zin van lid 2.
Artikel 205
De uit deze afdeling voortvloeiende
rechten van de huurder komen aan deze toe, onverminderd alle
andere rechten en vorderingen.
Artikel 206
1. De
verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken
te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist
die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de
verhuurder zijn te vergen.
2. Deze
verplichting geldt niet ten aanzien van de kleine
herstellingen tot het verrichten waarvan de huurder
krachtens artikel 217 verplicht is, en ten aanzien van
gebreken voor het ontstaan waarvan de huurder jegens de
verhuurder aansprakelijk is.
3. Is de
verhuurder met het verhelpen in verzuim, dan kan de huurder
dit verhelpen zelf verrichten en de daarvoor gemaakte
kosten, voor zover deze redelijk waren, op de verhuurder
verhalen, desgewenst door deze in mindering van de huurprijs
te brengen. Hiervan kan niet ten nadele van de huurder
worden afgeweken.
Artikel 207
1. De
huurder kan in geval van vermindering van huurgenot ten
gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering
van de huurprijs vorderen van de dag waarop hij van het
gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of
waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot
maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is
verholpen.
2. De
huurder heeft geen aanspraak op huurvermindering terzake van
gebreken die hij krachtens artikel 217 verplicht is te
verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de
verhuurder aansprakelijk is.
Artikel 208
Onverminderd de gevolgen van niet-nakoming
van de verplichting van artikel 206 is de verhuurder tot
vergoeding van de door een gebrek veroorzaakte schade verplicht,
indien het gebrek na het aangaan van de overeenkomst is ontstaan
en aan hem is toe te rekenen, alsmede indien het gebrek bij het
aangaan van de overeenkomst aanwezig was en de verhuurder het
toen kende of had behoren te kennen, of toen aan de huurder
heeft te kennen gegeven dat de zaak het gebrek niet had.
Artikel 209
Van de artikelen 206, leden 1 en 2, 207 en
208 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken voor
zover het gaat om gebreken die de verhuurder bij het aangaan van
de overeenkomst kende of had behoren te kennen.
Artikel 210
1.
Indien een gebrek dat de verhuurder ingevolge artikel 206
niet verplicht is te verhelpen, het genot dat de huurder
mocht verwachten, geheel onmogelijk maakt, is zowel de
huurder als de verhuurder bevoegd de huur op de voet van
artikel 267 van Boek 6 te ontbinden.
2. Een
verplichting van een der partijen tot schadevergoeding ter
zake van een gebrek omvat mede de door het eindigen van de
huur ingevolge lid 1 veroorzaakte schade.
Artikel 211
1.
Wanneer tegen de huurder door een derde een vordering wordt
ingesteld tot uitwinning of tot verlening van een recht
waarmee de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft,
ingevolge die overeenkomst niet belast had mogen zijn, is de
verhuurder na kennisgeving daarvan door de huurder gehouden
in het geding te komen ten einde de belangen van de huurder
te verdedigen.
2. De
verhuurder moet aan de huurder alle door deze vordering
ontstane kosten vergoeden, doch, als de kennisgeving niet
onverwijld is geschied, alleen de na de kennisgeving
ontstane kosten.
3.
Wanneer tegen de onderhuurder een vordering betreffende het
ondergehuurde wordt ingesteld door de hoofdverhuurder, zijn
de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op de
onderverhuurder. Voor de toepassing van artikel 2.9.5 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt deze
vordering gelijkgesteld aan een vordering tot uitwinning.
Afdeling 3. De verplichtingen van de
huurder
Artikel 212
De huurder is verplicht de tegenprestatie
op de overeengekomen wijze en tijdstippen te voldoen.
Artikel 213
De huurder is verplicht zich ten aanzien
van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te
gedragen.
Artikel 214
De huurder is slechts bevoegd tot het
gebruik van de zaak dat is overeengekomen, en, zo daaromtrent
niets is overeengekomen, tot het gebruik waartoe de zaak naar
zijn aard bestemd is.
Artikel 215
1. De
huurder is niet bevoegd de inrichting of gedaante van het
gehuurde geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na
schriftelijke toestemming van de verhuurder, tenzij het gaat
om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de
huur zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan
gemaakt en verwijderd.
2.
Indien het de huur van woonruimte betreft, verleent de
verhuurder binnen acht weken de toestemming in ieder geval,
indien de voorgenomen veranderingen de verhuurbaarheid van
het gehuurde niet schaden, dan wel niet leiden tot een
waardedaling van het gehuurde.
3.
Indien de verhuurder de toestemming niet verleent, kan de
huurder vorderen dat de rechter hem zal machtigen tot het
aanbrengen van de veranderingen. Indien de verhuurder niet
tevens de eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter van de
zaak is, draagt de verhuurder ervoor zorg dat ook de
eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter tijdig in het geding
wordt geroepen. Indien op de zaak een hypotheek rust,
bestaat deze verplichting tevens ten aanzien van de
hypotheekhouder.
4. De
rechter wijst de vordering in ieder geval toe, indien de
verhuurder op grond van lid 2 toestemming had behoren te
geven. In andere gevallen wijst hij de vordering slechts
toe, indien de veranderingen noodzakelijk zijn voor een
doelmatig gebruik van het gehuurde door de huurder of het
woongenot verhogen en geen zwaarwichtige bezwaren aan de
zijde van de verhuurder zich tegen het aanbrengen daarvan
verzetten.
5. De
rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of
daarbij een last opleggen; hij kan op vordering van de
verhuurder de huurprijs verhogen, indien de veranderingen
daartoe aanleiding geven.
6. Van
de voorgaande leden kan niet ten nadele van de huurder
worden afgeweken, tenzij het de buitenzijde van gehuurde
woonruimte betreft.
Artikel 216
1. De
huurder is tot de ontruiming bevoegd door hem aangebrachte
veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, mits
daarbij het gehuurde in de toestand wordt gebracht, die bij
het einde van de huur redelijkerwijs in overeenstemming met
de oorspronkelijke kan worden geacht.
2. De
huurder is niet verplicht tot het ongedaan maken van
geoorloofde veranderingen en toevoegingen, onverminderd de
bevoegdheid van de rechter om hem op de voet van artikel 215
lid 5 de verplichting op te leggen hiervoor vóór de
ontruiming van het gehuurde zorg te dragen.
3. De
huurder kan ter zake van geoorloofde veranderingen en
toevoegingen die na het einde van de huurovereenkomst niet
ongedaan worden gemaakt, vergoeding vorderen voor zover
artikel 212 van Boek 6 dat toestaat.
Artikel 217
De huurder is verplicht te zijnen koste de
kleine herstellingen te verrichten, tenzij deze nodig zijn
geworden door het tekortschieten van de verhuurder in de
nakoming van zijn verplichting tot het verhelpen van gebreken.
Artikel 218
1. De
huurder is aansprakelijk voor schade aan de verhuurde zaak
die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten
in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst.
2. Alle
schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan, behoudens
brandschade en, in geval van huur van een gebouwde
onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de
buitenzijde van het gehuurde.
3.
Onverminderd artikel 224 lid 2 wordt de huurder vermoed het
gehuurde in onbeschadigde toestand te hebben ontvangen.
Artikel 219
De huurder is jegens de verhuurder op
gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de
gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde
gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden.
Artikel 220
1.
Indien gedurende de huurtijd dringende werkzaamheden aan het
gehuurde moeten worden uitgevoerd of de verhuurder krachtens
artikel 56 van Boek 5 iets moet toestaan ten behoeve van een
naburig erf, moet de huurder daartoe gelegenheid geven,
onverminderd zijn aanspraken op vermindering van de
huurprijs, op ontbinding van de huurovereenkomst en op
schadevergoeding.
2. Lid 1
is van overeenkomstige toepassing wanneer de verhuurder met
voortzetting van de huurovereenkomst wil overgaan tot
renovatie van de gebouwde onroerende zaak waarop die
overeenkomst betrekking heeft, en daartoe aan de huurder
een, gelet op het belang van de verhuurder en de belangen
van de huurder en eventuele onderhuurders, redelijk voorstel
doet. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk gedaan.
Onder renovatie wordt zowel sloop met vervangende nieuwbouw
als gedeeltelijke vernieuwing door verandering of toevoeging
verstaan.
3.
Indien de renovatie tien of meer woningen of bedrijfsruimten
die een bouwkundige eenheid vormen, betreft wordt het in lid
2 bedoelde voorstel vermoed redelijk te zijn, wanneer 70% of
meer van de huurders daarmee heeft ingestemd. De huurder die
niet met het voorstel heeft ingestemd, kan binnen acht weken
na de schriftelijke kennisgeving van de verhuurder aan hem
dat 70% of meer van de huurders met het voorstel heeft
ingestemd een beslissing van de rechter vorderen omtrent de
redelijkheid van het voorstel.
4. De
voorgaande leden doen niet af aan de bevoegdheid van de
verhuurder om de huurovereenkomst op te zeggen op de grond
dat hij de zaak dringend nodig heeft voor renovatie, voor
zover zulks kan worden gebracht onder de wettelijke
opzeggingsgronden die gelden voor een gebouwde onroerende
zaak als waarop de huurovereenkomst betrekking heeft.
Artikel 221
De huurder is bevoegd het gehuurde geheel
of gedeeltelijk aan een ander in gebruik te geven, tenzij hij
moest aannemen dat de verhuurder tegen het in gebruik geven aan
die ander redelijke bezwaren zal hebben.
Artikel 222
Indien de huurder gebreken aan de zaak
ontdekt of derden hem in zijn genot storen of enig recht op de
zaak beweren, moet hij daarvan onverwijld aan de verhuurder
kennis geven, bij gebreke waarvan hij verplicht is aan de
verhuurder de door de nalatigheid ontstane schade te vergoeden.
Artikel 223
De huurder van een onroerende zaak of een
gedeelte daarvan is, indien de verhuurder tot verhuur na afloop
van lopende huur of tot verkoop wenst over te gaan, verplicht te
dulden dat aan de zaak de gebruikelijke kennisgevingen van het
te huur of te koop zijn worden aangebracht, en aan
belangstellenden gelegenheid te geven tot bezichtiging.
Artikel 224
1. De
huurder is verplicht het gehuurde bij het einde van de huur
weer ter beschikking van de verhuurder te stellen.
2.
Indien tussen de huurder en verhuurder een beschrijving van
het verhuurde is opgemaakt, is de huurder gehouden de zaak
in dezelfde staat op te leveren waarin deze volgens de
beschrijving is aanvaard, met uitzondering van geoorloofde
veranderingen en toevoegingen en hetgeen door ouderdom is
teniet gegaan of beschadigd. Indien geen beschrijving is
opgemaakt, wordt de huurder, behoudens tegenbewijs,
verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen
zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst.
Artikel 225
Houdt de huurder na het einde van de huur
het gehuurde onrechtmatig onder zich, dan kan de verhuurder over
de tijd dat hij het gehuurde mist, een vergoeding vorderen
gelijk aan de huurprijs, onverminderd, indien zijn schade meer
dan deze vergoeding bedraagt, zijn recht op dit meerdere.
Afdeling 4. De overgang van de huur bij
overdracht van de verhuurde zaken en het eindigen van de huur
Artikel 226
1.
Overdracht van de zaak waarop de huurovereenkomst betrekking
heeft en vestiging of overdracht van een zelfstandig recht
van vruchtgebruik, erfpacht of opstal op de zaak waarop de
huurovereenkomst betrekking heeft, door de verhuurder doen
de rechten en verplichtingen van de verhuurder uit de
huurovereenkomst, die daarna opeisbaar worden, overgaan op
de verkrijger.
2.
Overdracht door een schuldeiser van de verhuurder wordt met
overdracht door de verhuurder gelijkgesteld.
3. De
verkrijger wordt slechts gebonden door die bedingen van de
huurovereenkomst, die onmiddellijk verband houden met het
doen hebben van het gebruik van de zaak tegen een door de
huurder te betalen tegenprestatie.
4. Bij
huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte
daarvan alsmede van een woonwagen in de zin van artikel 235
en van een standplaats in de zin van artikel 236, kan niet
van de voorgaande leden worden afgeweken.
Artikel 227
In geval van vestiging of overdracht van
een beperkt recht op de verhuurde zaak, dat niet onder artikel
226 lid 1 is begrepen, is de gerechtigde jegens de huurder
verplicht zich te onthouden van een uitoefening van dat recht,
die het gebruik door de huurder belemmert.
Artikel 228
1. Een
huur voor bepaalde tijd aangegaan, eindigt, zonder dat
daartoe een opzegging vereist is, wanneer die tijd is
verstreken.
2. Een
huur voor onbepaalde tijd aangegaan of voor onbepaalde tijd
verlengd eindigt door opzegging. Heeft de huur betrekking op
een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte
is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor
huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste
een maand.
Artikel 229
1. De
dood van de huurder of de verhuurder doet de huur niet
eindigen.
2.
Indien de erfgenamen van de huurder niet bevoegd zijn de
zaak aan een ander in gebruik te geven, kunnen zij,
onderscheidenlijk zijn echtgenoot of geregistreerde partner
in het geval zijn nalatenschap overeenkomstig artikel 13 van
Boek 4 wordt verdeeld, gedurende zes maanden na het
overlijden van hun erflater de overeenkomst op een termijn
van tenminste een maand opzeggen.
3.
Indien een huurder twee of meer erfgenamen nalaat, is de
verhuurder verplicht zijn medewerking te verlenen aan de
toedeling van de rechten en verplichtingen van de overleden
huurder uit de huurovereenkomst door de gezamenlijke
erfgenamen aan een of meer van hen, tenzij de verhuurder
tegen een of meer van de aangewezenen redelijke bezwaren
heeft. De eerste zin is niet van toepassing indien de
nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek 4 is verdeeld
Artikel 230
Indien na afloop van een huurovereenkomst
de huurder met goedvinden van de verhuurder het gebruik van het
gehuurde behoudt, wordt daardoor, tenzij van een andere
bedoeling blijkt, de overeenkomst, ongeacht de tijd waarvoor zij
was aangegaan, voor onbepaalde tijd verlengd.
Artikel 230a
1. Heeft
de huur betrekking op een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan en is die zaak of dat gedeelte noch
woonruimte, noch bedrijfsruimte in de zin van deze titel,
dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de
rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet
plaats vinden, te verlengen. Het verzoek moet worden
ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen
schriftelijk ontruiming is aangezegd.
2. Het
eerste lid geldt niet in geval de huurder zelf de huur heeft
opgezegd, uitdrukkelijk in de beëindiging daarvan heeft
toegestemd of veroordeeld is tot ontruiming wegens niet
nakoming van zijn verplichtingen.
3. De
verhuurder kan niet verlangen dat de huurder voor het einde
van de in lid 1 bedoelde termijn tot ontruiming overgaat. De
indiening van het verzoek schorst de verplichting om tot
ontruiming over te gaan, totdat op het verzoek is beslist.
4. Het
verzoek wordt slechts toegewezen indien de belangen van de
huurder en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd, door de ontruiming ernstiger worden geschaad
dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik
door de huurder. Het verzoek wordt niettemin afgewezen,
indien de verhuurder aannemelijk maakt dat van hem wegens
onbehoorlijk gebruik van het verhuurde, wegens ernstige
overlast, de medegebruikers dan wel hemzelf aangedaan, of
wegens wanbetaling niet gevergd kan worden dat de huurder
langer het recht op het gebruik van de zaak of gedeelte
daarvan behoudt.
5. De
verlenging kan worden uitgesproken voor een termijn van ten
hoogste een jaar na het eindigen van de overeenkomst. Deze
termijn kan op verzoek van de huurder nog tweemaal telkens
met ten hoogste een jaar worden verlengd. Het verzoek tot
verlenging moet uiterlijk een maand voor het verstrijken van
de termijn worden ingediend. Lid 3, tweede zin, en lid 4
zijn van toepassing.
6. Zo
partijen het niet eens zijn over de som die de huurder
gedurende de termijn waarmee de verlenging heeft plaats
gevonden, voor het gebruik van de zaak of gedeelte daarvan
verplicht is te betalen, stelt rechter deze som vast op een,
gezien het huurpeil ter plaatse, redelijk bedrag. Hij kan,
zo een der partijen dit verzoekt, te dier zake een
voorlopige voorziening treffen. Voor het overige blijven
gedurende deze termijn de rechten en verplichtingen uit de
huurovereenkomst tussen partijen van kracht.
7. Bij
afwijzing van het verzoek stelt de rechter het tijdstip van
ontruiming vast. De beschikking geldt als een veroordeling
tot ontruiming tegen dat tijdstip.
8. Tegen
een beschikking krachtens dit artikel staat geen hogere
voorziening open.
9. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de huurder worden
afgeweken.
Artikel 231
1.
Ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot een
gebouwde onroerende zaak alsmede een woonwagen in de zin van
artikel 235 en een standplaats in de zin van artikel 236 op
de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming
van zijn verplichtingen, kan slechts geschieden door de
rechter, behoudens in het geval van lid 2 en van artikel
210.
2. De
verhuurder kan de overeenkomst op de voet van artikel 267
van Boek 6 ontbinden op de grond dat door gedragingen in het
gehuurde de openbare orde is verstoord en het gehuurde
deswege op grond van artikel 174a van de Gemeentewet dan wel
op grond van een verordening als bedoeld in artikel 174 van
die wet is gesloten, door gedragingen in zodanig gebouw in
strijd met artikel 2 of 3 van de Opiumwet is gehandeld en
het desbetreffende gebouw deswege op grond van artikel 13b
van die wet is gesloten, of zodanig gebouw op grond van
artikel 97 van de Woningwet is gesloten.
3. Van
lid 1 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken.
Afdeling 5. Huur van woonruimte
Onderafdeling 1. Algemeen
Artikel 232
1. Deze
afdeling is uitsluitend van toepassing op huur van
woonruimte.
2. Deze
afdeling is niet van toepassing op huur welke een gebruik
van woonruimte betreft dat naar zijn aard slechts van korte
duur is.
3. De
artikelen 206 lid 3, 270, 271 lid 4, 272, 273, 274, 275,
276, 277 en 281 zijn gedurende negen maanden na het ingaan
van de overeenkomst niet van toepassing op huur van
woonruimte die niet een zelfstandige woning vormt en deel
uitmaakt van een woning waarin de verhuurder zijn
hoofdverblijf heeft en waarin niet eerder aan dezelfde
huurder deze of andere woonruimte is verhuurd geweest.
4. De
artikelen 206 lid 3, 269 lid 1 en 2, 270, 271 tot en met
277, 278 leden 1 en 2 en 281 zijn niet van toepassing op de
huur van woonruimte in gebouwen, welke aan een gemeente
toebehoren en ten tijde van het aangaan van de overeenkomst
voor afbraak zijn bestemd.
Artikel 233
Onder woonruimte wordt verstaan een
gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan
wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen
of een standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden.
Artikel 234
Onder zelfstandige woning wordt verstaan
de woning welke een eigen toegang heeft en welke de bewoner kan
bewonen zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke
voorzieningen buiten de woning.
Artikel 235
Onder woonwagen wordt verstaan een voor
bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats, in
zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en waarvoor een
bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is
afgegeven.
Artikel 236
Onder standplaats wordt verstaan een
kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop
voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de
openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten
kunnen worden aangesloten.
Artikel 237
1. In
deze afdeling wordt onder prijs verstaan het geheel van de
verplichtingen die de huurder tegenover de verhuurder bij of
ter zake van huur op zich neemt.
2. Onder
huurprijs wordt verstaan de prijs die is verschuldigd voor
het enkele gebruik van de woonruimte.
3. Onder
servicekosten wordt verstaan de vergoeding voor de in
verband met de bewoning van de woonruimte geleverde zaken en
diensten. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen zaken en
diensten worden aangewezen waarvoor de vergoeding moet
worden aangemerkt als servicekosten.
Artikel 238
Onder huurcommissie wordt verstaan de
huurcommissie bedoeld in artikel 21 van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte.
Artikel 239
Onder Onze Minister wordt verstaan de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer.
Artikel 240
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen
herstellingen worden aangewezen die moeten worden aangemerkt als
kleine herstellingen die krachtens artikel 217 voor rekening van
de huurder zijn. Van de krachtens het onderhavige artikel
vastgestelde bepalingen kan niet ten nadele van de huurder
worden afgeweken.
Artikel 241
Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt bepaald welke tekortkomingen in elk geval als
gebreken worden aangemerkt. Van de krachtens dit artikel
vastgestelde bepalingen kan niet ten nadele van de huurder
worden afgeweken.
Artikel 242
1.
Behoudens bij standaardregeling bedoeld in artikel 214 van
Boek 6 kan niet ten nadele van de huurder worden afgeweken
van de artikelen 204, 206 leden 1 en 2, 207, 208 en 217,
tenzij het gaat om herstellingen aan door de huurder
aangebrachte veranderingen en toevoegingen of gebreken aan
door de huurder aangebrachte veranderingen en toevoegingen.
2. Van
de artikelen 216 lid 3, 224 lid 2 en 230 kan niet ten nadele
van de huurder worden afgeweken.
Artikel 243
Indien woonruimte in een gebouwde
onroerende zaak verbetering behoeft als bedoeld in artikel 15
lid 2 onder d tot en met f van de Woningwet, kan de rechter op
verzoek van de huurder bepalen dat de verhuurder verplicht is
deze verbetering op eigen kosten aan te brengen, mits de huurder
zich bereid heeft verklaard tot het betalen van een
huurverhoging die in redelijke verhouding staat tot deze kosten.
Van deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden
afgeweken.
Artikel 244
In afwijking van artikel 221 is de huurder
van woonruimte niet bevoegd het gehuurde geheel of gedeeltelijk
aan een ander in gebruik te geven. De huurder van een
zelfstandige woning die in die woning zijn hoofdverblijf heeft,
is echter bevoegd een deel daarvan aan een ander in gebruik te
geven.
Artikel 245
In de Uitvoeringswet huurprijzen
woonruimte worden nadere regels gegeven aangaande huurprijzen en
andere vergoedingen.
Onderafdeling 2. Huurprijzen en andere
vergoedingen
Paragraaf 1. Huurprijzen
Artikel 246
Ter zake van huur gelden de huurprijzen
die partijen zijn overeengekomen, voorzover uit deze
onderafdeling niet anders voortvloeit.
Artikel 247
De volgende artikelen van deze
onderafdeling zijn, behoudens de artikelen 249, 251, 259, 261
lid 1 en 264, niet van toepassing op een overeenkomst van huur
en verhuur, die betrekking heeft op een zelfstandige woning, ten
aanzien waarvan bij de aanvang van de bewoning een huurprijs
gold of geldt, die, indien nodig herleid tot een bedrag per
jaar, hoger is dan het krachtens artikel 3 lid 2 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte vastgesteld bedrag, indien
a. die overeenkomst op of na 1
juli 1994 is totstandgekomen, dan wel,
b. die overeenkomst betrekking
heeft op een woning die is totstandgekomen op of na 1
juli 1989.
Artikel 248
1. De
huurprijs kan worden verhoogd hetzij op grond van een beding
in de huurovereenkomst dat in deze wijziging voorziet,
hetzij indien een dergelijk beding niet van kracht is, op de
wijze als voorgeschreven in de artikelen 252 en 253.
Gedurende het bestaan van een dergelijk beding is toepassing
van de artikelen 252 en 253 uitgesloten. Indien een
dergelijk beding niet meer van kracht is, kan vanaf een
tijdvak van twaalf maanden na het tijdstip waarop
laatstelijk toepassing is gegeven aan het beding, aan de
hiervoor genoemde artikelen toepassing worden gegeven.
2. Leidt
toepassing van een beding als bedoeld in lid 1 tot verhoging
van de huurprijs met een hoger percentage dan het door Onze
Minister vastgestelde maximale huurverhogingspercentage als
bedoeld in artikel 10 lid 2 van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte, dan is het beding nietig voorzover
zij tot dit hogere percentage leidt en geldt de huurprijs
als verhoogd met het door Onze Minister vastgestelde
maximale huurverhogingspercentage.
Artikel 249
De huurder kan tot uiterlijk zes maanden
na het tijdstip waarop een door hem met betrekking tot die
woonruimte voor de eerste maal aangegane huurovereenkomst is
ingegaan, de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de
redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.
Artikel 250
1. De
huurprijs kan op verzoek van de verhuurder worden verhoogd
op de wijze voorgeschreven in de artikelen 252 en 253:
a. gedurende het eerste tijdvak
van twaalf maanden na de dag van ingang van de huur ten
hoogste eenmaal, en
b. telkens tegen het einde van
elkaar opvolgende tijdvakken van twaalf maanden na
hetzij het ingaan van de onder a bedoelde verhoging,
hetzij bij gebreke van zodanige verhoging de dag van
ingang van de huur.
2. Een
verhoging van de huurprijs krachtens lid 1 is niet mogelijk,
zolang er tussen huurder en verhuurder geen overeenstemming
is dat de, bij toepassing van de artikelen 12 en 16 van de
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, geconstateerde
gebreken ten aanzien van de woonruimte zijn opgeheven.
3. In
afwijking van lid 1 kan de huurprijs worden verhoogd tegen
het einde van een tijdvak dat even zoveel korter dan twaalf
maanden is als het daaraan voorafgaande tijdvak langer dan
twaalf maanden is geweest.
4. De
huurprijs kan op verzoek van de huurder worden verlaagd op
de wijze voorgeschreven in de artikelen 252 en 254.
Artikel 251
Bepalingen in huurovereenkomsten die tot
gevolg hebben dat de huurprijs in enig tijdvak van twaalf
maanden meer dan eenmaal wordt verhoogd, zijn nietig, tenzij het
gaat om het geval van artikel 255.
Artikel 252
1. Een
voorstel tot wijziging van de huurprijs moet tenminste twee
maanden voor de voorgestelde dag van ingang van de wijziging
schriftelijk worden gedaan.
2. Het
in lid 1 bedoelde voorstel dient te vermelden:
a. de geldende huurprijs;
b. het percentage of het bedrag
van de wijziging van de huurprijs;
c. de voorgestelde huurprijs;
d. de voorgestelde dag van ingang
van de voorgestelde huurprijs;
e. de wijze waarop en het tijdvak
waarbinnen de huurder, wanneer hij bezwaren heeft tegen
het voorstel, daarvan kan doen blijken, en de gevolgen
die deze onderafdeling verbindt aan het niet doen
blijken van bezwaren.
3. Voor
het doen van een voorstel tot verlaging van de huurprijs
dient gebruik te worden gemaakt van een krachtens artikel 47
lid 1 onder c van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
vastgesteld formulier.
4.
Indien een overeenkomst tot wijziging van de huurprijs tot
stand komt naar aanleiding van een voorstel daartoe, dat
niet voldoet aan lid 1 en lid 2 aanhef en onder b, d of e
dan wel aan het in lid 3 bepaalde, blijft de voordien
geldende huurprijs verschuldigd, tenzij blijkt dat degene
tot wie het voorstel was gericht niet door het verzuim is
benadeeld.
Artikel 253
1.
Indien de huurder voor het tijdstip waarop de verhoging van
de huurprijs blijkens het voorstel had moeten ingaan,
schriftelijk verklaart met het voorstel van de verhuurder
niet in te stemmen, kan de verhuurder tot zes weken na dat
tijdstip onder overlegging van een afschrift van dat
voorstel en van voornoemde verklaring van de huurder de
huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de
redelijkheid van het voorstel.
2. De
huurder kan de huurcommissie binnen drie maanden na het in
lid 1 bedoelde tijdstip verzoeken uitspraak te doen over de
redelijkheid van het voorstel, indien:
a. hij noch vóór het in lid 1
bedoelde tijdstip de daar bedoelde schriftelijke
verklaring doet, noch door het betalen van de
voorgestelde huurverhoging doet blijken met die
verhoging in te stemmen, en
b. de verhuurder hem binnen zes
weken na het in lid 1 bedoelde tijdstip bij aangetekend
schrijven nogmaals van het voorstel in kennis heeft
gesteld, waarbij een afschrift van het voorstel is
gevoegd, en hij met het voorstel tot huurverhoging niet
instemt.
De huurder legt bij dit verzoek een
afschrift over van het voorstel en van dat schrijven.
3. De
huurder wordt geacht de voorgestelde verhoging van de
huurprijs met ingang van de in het voorstel genoemde datum
van ingang met de verhuurder te zijn overeengekomen indien
hij, na ontvangst van het in het tweede lid bedoelde
schrijven, niet binnen drie maanden na die datum van ingang
een verzoek tot de huurcommissie heeft gericht.
4.
Indien de huurder het in het tweede lid bedoelde verzoek
doet, stelt de huurcommissie de verhuurder daarvan
onverwijld in kennis.
5.
Indien de verhuurder een voorstel als bedoeld in artikel 252
lid 1 aanhef bij aangetekend schrijven heeft gedaan, kan
hij, indien voldaan is aan lid 2 onder a en b, binnen zes
weken na het in lid 1 bedoelde tijdstip de huurcommissie
verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid van het
voorstel. De verhuurder legt bij dit verzoek een afschrift
over van het voorstel en een bewijs van aangetekende
verzending.
Artikel 254
Indien de verhuurder met een voorstel van
de huurder tot verlaging van de huurprijs niet instemt, kan de
huurder tot uiterlijk zes weken na het tijdstip waarop de
verlaging blijkens het voorstel had moeten ingaan, de
huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de redelijkheid
van het voorstel.
Artikel 255
1. De
huurprijs van woonruimte waarin of waaraan gedurende de
huurtijd door of vanwege de verhuurder:
a. voorzieningen zijn aangebracht
die verband houden met een maatregel die gericht is op
het opheffen of verminderen van beperkingen die een
gehandicapte, bij het normale gebruik van zijn
woonruimte ondervindt, in de kosten waarvan ingevolge
enige wettelijke regeling een financiële tegemoetkoming
is verleend, of
b. veranderingen of toevoegingen,
waaronder niet wordt verstaan het verhelpen van gebreken
als bedoeld in artikel 204, zijn aangebracht, waardoor
het woongerief geacht kan worden te zijn gestegen en die
niet ingrepen zijn als bedoeld onder a,
is de huurprijs, vermeerderd met een bedrag dat in
redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder
gemaakte kosten van deze ingrepen, veranderingen of
toevoegingen met dien verstande dat de nieuwe huurprijs
niet hoger mag zijn dan die welke bij toepassing van de
regels bedoeld in artikel 10 lid 1 van de Uitvoeringswet
huurprijzen woonruimte als redelijk is aan te merken.
2.
Indien partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken
over het bedrag van de verhoging, kan ieder van hen binnen
drie maanden na de totstandkoming van de ingrepen,
veranderingen of toevoegingen de huurcommissie verzoeken
daarover een uitspraak te doen.
3. Onder
gehandicapte in het eerste lid wordt verstaan een persoon
die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen
ondervindt.
Artikel 256
1. De
huurprijs van een woning die ingevolge artikel 29 van de
Woningwet onbewoonbaar is verklaard, bedraagt 9,08 per
maand, dan wel, indien op het tijdstip waarop de
onbewoonbaarverklaring onherroepelijk is gevonden, een
lagere huurprijs gold, die lagere huurprijs.
2. De
krachtens lid 1 geldende huurprijs is verschuldigd met
ingang van de dag volgende op het einde van de
betalingstermijn, waarin de onbewoonbaarverklaring
onherroepelijk is geworden.
Artikel 257
1. Voor
de vordering van de huurder tot vermindering van de
huurprijs op grond van artikel 207 lid 1 in verbinding met
artikel 242 geldt een met inachtneming van de volgende leden
toe te passen vervaltermijn van zes maanden na de aanvang
van de dag volgend op die waarop de huurder van het gebrek
kennis heeft gegeven aan de verhuurder.
2. Is de
vordering van de huurder gegrond op een tekortkoming die
krachtens artikel 241 als een gebrek heeft te gelden, dan
kan de huurder, in plaats van zijn vordering binnen de in
lid 1 bedoelde termijn bij de rechter in te stellen, binnen
zes maanden na de aanvang van de dag volgend op die waarop
de huurder van het gebrek heeft kennis gegeven aan de
verhuurder, de huurcommissie verzoeken over de vermindering
uitspraak te doen overeenkomstig de in artikel 16 lid 2 van
de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bedoelde algemene
maatregel van bestuur. De huurder kan eerst een verzoek tot
de huurcommissie richten, indien de verhuurder niet binnen
zes weken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de
huurder van het gebrek kennis heeft gegeven aan de
verhuurder, het gebrek heeft verholpen.
3. Na
het verstrijken van de in de voorgaande leden bedoelde
termijn van zes maanden kan, voor wat het verleden betreft,
geen huurvermindering worden verlangd over een langere
periode dan zes maanden, voorafgaande aan het instellen van
de vordering of het indienen van het verzoek.
Paragraaf 2. Andere vergoedingen
Artikel 258
Indien de huurovereenkomst meer omvat dan
het enkele gebruik van de woonruimte en bij die overeenkomst
slechts de hoogte van de prijs en niet die van de huurprijs is
vastgesteld, stelt de huurcommissie op verzoek van de huurder de
huurprijs vast en het voorschotbedrag voor de servicekosten. Een
dergelijk verzoek kan ook door de verhuurder worden gedaan,
indien de overeengekomen prijs lager is dan 55% van de krachtens
artikel 10 lid 1 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte
geldende maximale huurprijsgrens.
Artikel 259
1. De
betalingsverplichting van de huurder met betrekking tot
servicekosten beloopt het bedrag dat door de huurder en
verhuurder is overeengekomen of, bij gebreke van
overeenstemming, het bedrag dat in overeenstemming is met de
voor de berekening daarvan geldende wettelijke voorschriften
of met hetgeen als een redelijke vergoeding voor de
geleverde zaken en diensten kan worden beschouwd.
2. De
verhuurder verstrekt de huurder elk jaar, uiterlijk zes
maanden na het verstrijken van een kalenderjaar, een naar de
soort uitgesplitstoverzicht van de in dat kalenderjaar in
rekening gebrachte servicekosten, met vermelding van de
wijze van berekening daarvan. Indien aan de verhuurder
kosten in rekening worden gebracht die niet een kalenderjaar
betreffen, maar een andere periode van twaalf maanden, die
een boekjaar vormt en in het verstreken kalenderjaar
eindigt, neemt de verhuurder de kosten over die andere
periode in het overzicht van dat verstreken kalenderjaar op.
3. Bij
beëindiging van de huurovereenkomst heeft het overzicht als
in lid 2 bedoeld betrekking op het tijdvak van het
kalenderjaar dat op het tijdstip van de beëindiging reeds is
verstreken.
4. De
verhuurder biedt de huurder desverzocht de gelegenheid, na
verstrekking van het overzicht bedoeld in lid 2, tot inzage
van de aan het overzicht ten grondslag liggende boeken en
andere bescheiden of van afschriften daarvan.
Artikel 260
1.
Indien de huurder en verhuurder geen overeenstemming hebben
kunnen bereiken over een betalingsverplichting van de
huurder met betrekking tot servicekosten, kan de huurder of
verhuurder de huurcommissie verzoeken uitspraak daarover te
doen.
2. Het
verzoek heeft betrekking op niet meer dan één tijdvak van
ten hoogste twaalf maanden voor elke kostensoort waarop het
verzoek betrekking heeft. Het verzoek kan worden gedaan tot
uiterlijk vierentwintig maanden nadat de in artikel 259 lid
2 genoemde termijn voor het verstrekken van het overzicht
door de verhuurder is verstreken.
Artikel 261
1. Het
voorschotbedrag dat de huurder krachtens overeenkomst of
rechterlijke uitspraak ter zake van de servicekosten
verschuldigd is, mag, tenzij na het ingaan van de huur
anders is overeengekomen, slechts worden verhoogd:
a. met ingang van de dag, volgend
op het einde van de betalings-termijn waarin de
overeengekomen uitbreiding van de levering van zaken of
diensten heeft plaatsgevonden dan wel met ingang van de
betalingstermijn met ingang waarvan die uitbreiding
heeft plaats gevonden;
b. met ingang van de dag, volgende
op de betalingstermijn, waarin het laatste overzicht,
bedoeld in artikel 259, aan de huurder is verstrekt met
dien verstande dat elk overzicht slechts eenmaal tot een
verhoging mag leiden.
2. De
huurder is gebonden aan een wijziging van de levering van
zaken of diensten en het daarbij behorende gewijzigde
voorschotbedrag, indien die wijziging betrekking heeft op
zaken of diensten die slechts aan een aantal huurders
gezamenlijk geleverd kunnen worden, en tenminste 70% van die
huurders daarmee heeft ingestemd. Een huurder die niet met
de wijziging heeft ingestemd, kan binnen acht weken na de
schriftelijke kennisgeving van de verhuurder dat
overeenstemming is bereikt met tenminste 70% van de
huurders, een beslissing van de rechter vorderen omtrent de
redelijkheid van het voorstel.
3.
Indien het door de huurder verschuldigde voorschotbedrag
aanzienlijk hoger is dan de te verwachten servicekosten, kan
de huurcommissie op verzoek van de huurder het
voorschotbedrag verlagen tot een bedrag dat in redelijke
verhouding staat tot die kosten.
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Artikel 262
1.
Wanneer de huurcommissie op een verzoek van de huurder of
verhuurder als bedoeld in de paragrafen 1 en 2 uitspraak
heeft gedaan, worden zij geacht te zijn overeengekomen wat
in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen
acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is
verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd
over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was
verzocht.
2. Tegen
een beslissing krachtens dit artikel is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 263
Een wijziging van de huurprijs,
vastgesteld in een uitspraak van de huurcommissie of van de
rechter, mag in rekening worden gebracht met ingang van de in
het voorstel tot wijziging voorgestelde dag dan wel indien de
huurprijs is vastgesteld zonder dat daartoe een voorstel is
gedaan, de dag waarop vaststelling is verzocht aan de
huurcommissie of vaststelling is gevorderd bij de rechter. Zo in
de uitspraak een latere dag van ingang wordt vastgesteld, geldt
die wijziging met ingang van die latere dag.
Artikel 264
1. Elk
in verband met de totstandkoming van een huurovereenkomst
betreffende woonruimte gemaakt beding, niet de huurprijs
betreffende, voorzover daarbij ten behoeve van een der
partijen een niet redelijk voordeel wordt overeengekomen, is
nietig.
2. Elk
in verband met de totstandkoming van een zodanige
huurovereenkomst gemaakt beding, voorzover daarbij door of
tegenover een derde enig niet redelijk voordeel wordt
overeengekomen, is nietig.
Artikel 265
Van de bepalingen van deze onderafdeling
kan niet worden afgeweken, tenzij uit die bepalingen anders
voortvloeit.
Onderafdeling 3. Medehuur en voortzetting
van de huur
Artikel 266
1. De
echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder is van
rechtswege medehuurder, zolang de woonruimte de echtgenoot
of geregistreerde partner tot hoofdverblijf strekt, ongeacht
of de huurovereenkomst voor dan wel na het aangaan van het
huwelijk of van het geregistreerde partnerschap is gesloten.
2. Voor
de verplichtingen uit de huurovereenkomst, behalve voor
zover deze reeds opeisbaar waren voordat de echtgenoot of
geregistreerde partner medehuurder werd, zijn de huurder en
de medehuurder jegens de verhuurder hoofdelijk
aansprakelijk.
3.
Indien de huurovereenkomst ten aanzien van de huurder
eindigt, wordt de medehuurder huurder.
4.
Indien de in lid 1 bedoelde echtgenoot of geregistreerde
partner hetzij ingevolge een beschikking als bedoeld in
artikel 826, lid 1 onder a, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, hetzij ingevolge onderlinge overeenstemming
in verband met een verzoek tot echtscheiding of scheiding
van tafel en bed, dan wel ingevolge beëindiging van
geregistreerd partnerschap niet het gebruik heeft van de
echtelijke woning, brengt dit voor de toepassing van dit
artikel geen verandering in het hoofdverblijf.
5. In
geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed of
beëindiging van geregistreerd partnerschap kan de rechter op
verzoek van een echtgenoot of geregistreerde partner bepalen
wie van de echtgenoten of geregistreerde partners huurder
van de woonruimte zal zijn. De rechter bepaalt tevens de dag
van ingang van de huur met deze echtgenoot of partner. Op
dezelfde dag eindigt de huur met de andere echtgenoot of
partner.
Artikel 267
1.
Indien op het gezamenlijk verzoek van een huurder en van een
andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft
en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke
huishouding heeft, alsmede van een medehuurder wanneer die
er is, de verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk
heeft verklaard er mede in te stemmen dat die andere persoon
medehuurder zal zijn, kunnen de huurder en die andere
persoon, alsmede een medehuurder wanneer die er is,
gezamenlijk verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze
persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip
medehuurder zal zijn.
2. Nadat
een verzoek aan de verhuurder als bedoeld in lid 1 is
gedaan, kan een vordering tot ontbinding van de huur op de
grond dat de huurder in strijd met hetgeen overeengekomen
is, met een ander in de woonruimte een gemeenschappelijke
huishouding heeft, niet meer worden toegewezen. Deze grond
levert alsdan evenmin een grond voor opzegging van de
huurovereenkomst op.
3. De
rechter wijst de vordering bedoeld in lid 1 slechts af:
a. indien de persoon bedoeld in
lid 1 niet gedurende tenminste twee jaren in de
woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder
een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
b. indien, mede gelet op hetgeen
is komen vast te staan omtrent de gemeenschappelijke
huishouding en de tijdsduur daarvan, de vordering
kennelijk slechts de strekking heeft de persoon bedoeld
in lid 1 op korte termijn de positie van huurder te
verschaffen;
c. indien de persoon bedoeld in
lid 1 vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg
biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
4. Voor
de verplichtingen uit de huur zijn de persoon die de huur
heeft aangegaan en ieder van de personen die op grond van
dit artikel medehuurder of huurder is, hoofdelijk jegens de
verhuurder aansprakelijk, met dien verstande dat een
medehuurder niet aansprakelijk is voor verplichtingen die
reeds opeisbaar waren voordat hij medehuurder werd.
5. De
bepalingen omtrent het eindigen van de huur zijn op de
personen bedoeld in lid 4 afzonderlijk van toepassing met
dien verstande dat een persoon de hoedanigheid van
medehuurder in ieder geval verliest, indien hij zijn
hoofdverblijf niet langer in de woonruimte heeft. Indien de
huur ten aanzien van de huurder eindigt, wordt de
medehuurder huurder.
6. Is
ten aanzien van de woonruimte hoofdstuk II van de
Huisvestingswet van toepassing, dan zet de medehuurder in
afwijking van lid 5 de huur slechts voort, indien de rechter
dit heeft bepaald op een daartoe door die persoon binnen
acht weken na het tijdstip waarop hij huurder is geworden,
ingestelde vordering en in elk geval zolang op deze
vordering nog niet onherroepelijk is beslist. De rechter
wijst de vordering slechts af, indien de eiser niet een voor
hem geldende huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7
lid 1 van die wet overlegt.
7. Ieder
van de personen bedoeld in lid 4 kan vorderen dat de rechter
zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met
ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer
zullen voortzetten. De rechter wijst de vordering slechts
toe, indien dit naar billijkheid, met inachtneming van de
omstandigheden van het geval, geboden is, met dien verstande
dat hij de vordering in ieder geval toewijst, indien de
eiser aantoont dat de persoon waarop de vordering betrekking
heeft, zijn positie van medehuurder heeft verkregen op grond
van een niet mede door de eiser aan de verhuurder gedaan
verzoek of van een door hem ingestelde vordering bedoeld in
lid 1.
Artikel 268
1. Bij
overlijden van de huurder zet de medehuurder de huur als
huurder voort. Hij kan de huur binnen zes maanden na het
overlijden bij exploot of aangetekende brief opzeggen met
ingang van de eerste dag van de tweede maand na de
opzegging.
2. De
persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt, doch wel
in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de
overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding
heeft gehad, zet de huur voort gedurende zes maanden na het
overlijden van de huurder; de tweede zin van lid 1 is van
toepassing. Hij zet de huur ook nadien voort, indien de
rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen
die termijn ingestelde vordering, en in elk zolang op deze
vordering niet onherroepelijk is beslist.
3. De
rechter wijst de vordering bedoeld in lid 2 in ieder geval
af:
a. indien de eiser niet
aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan de vereisten van
lid 2 voldoet;
b. indien de eiser vanuit
financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een
behoorlijke nakoming van de huur;
c. indien het woonruimte betreft
waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van
toepassing is, indien de eiser niet een
huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1
van die wet overlegt.
4. Lid
4, de eerste zin van lid 5 en lid 7 van artikel 267 zijn van
overeenkomstige toepassing
5. Komt
vast te staan, dat een persoon ten onrechte een beroep op
voortzetting van de huur krachtens dit artikel heeft gedaan,
dan blijft hij over de tijd gedurende welke hij het genot
van de woonruimte heeft gehad jegens de verhuurder
aansprakelijk voor de nakoming van de huur die voor hem zou
hebben bestaan als hij huurder was geweest. Heeft meer dan
één persoon ten onrechte een beroep op voortzetting van de
huur gedaan, dan is ieder van hen jegens de verhuurder
hoofdelijk aansprakelijk.
6. Zijn
er geen personen die krachtens dit artikel de huur
voortzetten, dan eindigt deze aan het eind van de tweede
maand na het overlijden van de huurder. De erfgenamen zijn
bevoegd de huur tegen het eind van de eerste maand na het
overlijden van de huurder te doen eindigen. Wanneer de
nalatenschap van de huurder ingevolge artikel 13 van Boek 4
wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen,
bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of
geregistreerde partner.
7. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de personen aan wie dit
artikel recht op voortzetting van de huur toekent en van de
erfgenamen, onderscheidenlijk de echtgenoot of
geregistreerde partner, bedoeld in lid 6, worden afgeweken.
8. Van
artikel 229 leden 1 en 3 kan niet worden afgeweken.
Artikel 269
1. De
onderhuur die betrekking heeft op een zelfstandige woning
waar de onderhuurder zijn hoofdverblijf heeft, wordt in
geval van beëindiging van de huur tussen huurder en
verhuurder voortgezet door de verhuurder.
2. De
verhuurder kan binnen zes maanden nadat hij op grond van lid
1 de onderhuur heeft voortgezet vorderen dat de rechter zal
bepalen dat de huur met ingang van een in het vonnis te
bepalen tijdstip zal eindigen op de grond dat:
a. de wederpartij vanuit
financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een
behoorlijk nakoming van de huur;
b. de onderhuur is aangegaan met
de kennelijke strekking de onderhuurder de positie van
huurder te verschaffen;
c. in de gegeven omstandigheden
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede
gelet op de inhoud van de huurovereenkomsten die
betrekking hebben op soortgelijke woonruimte alsmede op
de inhoud van de geëindigde huur tussen hem en de
huurder en de inhoud van de voortgezette
huurovereenkomst, niet van hem kan worden gevergd dat
hij de huur met de wederpartij voortzet;
d. de wederpartij indien het
woonruimte betreft waarop hoofdstuk II van de
Huisvestingswet van toepassing is, niet een
huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1
van die wet overlegt.
3.
Ingeval van onderverhuur welke al dan niet een zelfstandige
woning vormt, zet degene die op grond van de artikelen 266,
267 en 268 huurder is geworden of de huur heeft voortgezet,
als onderverhuurder de huur met de onderhuurder voort.
Artikel 270
1. De
huurder die een ruil van woonruimte wenst te
bewerkstelligen, kan vorderen dat de rechter hem zal
machtigen om een ander in zijn plaats als huurder te
stellen. Indien op de woonruimte hoofdstuk II van de
Huisvestingswet van toepassing is, moet de eiser een ten
behoeve van de voorgestelde huurder afgegeven
huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1 van
die wet met betrekking tot woonruimte overleggen.
2. De
rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van
het geval, met dien verstande dat hij de vordering slechts
kan toewijzen, indien de huurder een zwaarwichtig belang bij
de ruil van woonruimte heeft en dat hij deze afwijst, indien
de voorgestelde huurder vanuit financieel oogpunt niet
voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van
de huur. De rechter kan aan de machtiging voorwaarden
verbinden of daarbij een last opleggen.
3. Van
deze bepaling kan niet ten nadele van de huurder worden
afgeweken.
Artikel 270a
Ingeval van voortzetting van de huur op
grond van de artikelen 266, 268 en 269 is degene die de huur
voortzet, verplicht daarvan mededeling te doen aan de
verhuurder.
Onderafdeling 4. Het eindigen van de huur
Artikel 271
1. In
afwijking van artikel 228 lid 1 eindigt een voor bepaalde
tijd aangegane huur niet door het enkele verloop van de
huurtijd; zij kan door elk van beide partijen worden
opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs
overeengekomen dag, niet vallend voor het verstrijken van de
bepaalde tijd.
2. Een
voor onbepaalde tijd aangegane of voor onbepaalde tijd
verlengde huur kan door elk van beide partijen worden
opgezegd tegen een voor de betaling van de huurprijs
overeengekomen dag.
3. De
opzegging moet geschieden bij exploot of bij aangetekende
brief. Is in gevolge artikel 266 de echtgenoot of
geregistreerde partner van de huurder medehuurder, dan moet
de opzegging aan beide echtgenoten of geregistreerde
partners afzonderlijk worden gedaan.
4. De
opzegging door de verhuurder moet op straffe van nietigheid
de gronden vermelden die tot de opzegging hebben geleid. Een
opzegging door de verhuurder op andere dan de in artikel 274
lid 1 genoemde gronden, is nietig. De huurder moet bij de
opzegging worden gevraagd binnen zes weken aan de verhuurder
mede te delen of hij al dan niet toestemt in beëindiging van
de overeenkomst.
5. Bij
de opzegging moeten de volgende termijnen in acht worden
genomen:
a. bij opzegging door de huurder:
een termijn gelijk aan de tijd die tussen twee
opvolgende voor betaling van de huurprijs overeengekomen
dagen verstrijkt, doch niet korter dan een maand en niet
langer dan drie maanden;
b. bij opzegging door de
verhuurder: een termijn niet korter dan drie maanden,
voor elk jaar dat de huurder krachtens overeenkomst
ononderbroken het gehuurde in gebruik heeft gehad
verlengd met één maand tot ten hoogste zes maanden.
6. Een
opzegging die in strijd met lid 1, lid 3 of lid 5 onder a is
gedaan en een opzegging die op een kortere termijn is gedaan
dan die van lid 5 onder b gelden niettemin als waren zij
gedaan tegen de voorgeschreven dag en met inachtneming van
de voorgeschreven termijn.
7. Elk
beding waarbij in strijd met lid 5 onder a een langere
opzegtermijn of waarbij in strijd met lid 5 onder b een
kortere opzegtermijn wordt overeengekomen of waarbij van
andere bepalingen van dit artikel wordt afgeweken, is
nietig. Eveneens is nietig elk beding dat de huur zonder
opzegging doet eindigen.
8. Dit
artikel geldt niet, indien de beëindiging geschiedt met
wederzijds goedvinden nadat de huur is ingegaan.
Artikel 272
1. Een
opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder de
overeenkomst heeft opgezegd of na de opzegging door de
verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan heeft
toegestemd, na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van
rechtswege van kracht, tot de rechter onherroepelijk heeft
beslist op een vordering van de verhuurder als in lid 2
bedoeld.
2. De
verhuurder kan, indien hij zes weken na de opzegging niet
van de huurder een schriftelijke mededeling heeft ontvangen
dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt,
op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de
rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de
huurovereenkomst zal eindigen.
Artikel 273
1. Bij
zijn beslissing op de vordering bedoeld in artikel 272 lid 2
neemt de rechter uitsluitend de in de opzegging vermelde
gronden in aanmerking.
2.
Indien de rechter de vordering afwijst, wordt de
overeenkomst van rechtswege verlengd. De rechter beslist of
de overeenkomst voor onbepaalde tijd of voor een door hem
vast te stellen bepaalde tijd wordt verlengd.
3.
Indien de rechter de vordering toewijst, stelt hij tevens
het tijdstip van ontruiming vast. De toewijzing geldt als
een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 274
1. De
rechter kan de vordering slechts toewijzen
a. indien de huurder zich niet
heeft gedragen zoals een goed huurder betaamt;
b. indien de verhuurder zijn
vordering grondt op een beding als omschreven in lid 2
en aan de eisen van dat lid is voldaan, tenzij de
verhuurder geen belang meer heeft bij de ontruiming;
c. indien de verhuurder
aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend
nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de
gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van
hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders
naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden
gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en
tevens blijkt dat de huurder, met uitzondering van de
huurder, bedoeld in lid 4, andere passende woonruimte
kan verkrijgen;
d. indien de huurder niet toestemt
in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe
huurovereenkomst met betrekking tot dezelfde woonruimte,
voor zover, in het geval dat onderafdeling 2 op de
opgezegde huurovereenkomst van toepassing is, dit aanbod
niet een wijziging inhoudt van de huurprijs of van de
servicekosten;
e. indien de verhuurder een
krachtens een geldend bestemmingsplan op het verhuurde
liggende bestemming wil verwezenlijken;
f. indien de huurovereenkomst een
onzelfstandige woning betreft, die deel uitmaakt van de
woning waarin de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft, en
de verhuurder aannemelijk maakt dat zijn belangen bij
beëindiging van de huur zwaarder wegen dan die van de
huurder bij voortzetting daarvan.
2. In
het geval dat uitdrukkelijk is bedongen dat de gehuurde
woonruimte na afloop van de bij dat beding overeengekomen
termijn moet worden ontruimd, kan de verhuurder
overeenkomstig lid 1 aanhef en onder b, op dat beding de in
dat lid bedoelde vordering gronden:
a. indien de verhuurder die de
woonruimte niet zelf heeft bewoond, noch deze eerder
heeft verhuurd, na afloop van die termijn de woning zelf
wil betrekken;
b. indien de verhuurder die zelf
de vorige bewoner van de woonruimte is, na afloop van
die termijn die woonruimte zelf opnieuw wil betrekken;
c. indien de verhuurder jegens wie
de vorige huurder het recht heeft verkregen na afloop
van die termijn de woning opnieuw te betrekken, deze
huurder daartoe gelegenheid wil geven.
3. Onder
eigen gebruik in de zin van lid 1 onder c, wordt mede
begrepen:
a. renovatie van woonruimte die
zonder beëindiging van de huur niet mogelijk is, en
b. het verstrekken van een
zelfstandige woning aan een gehandicapte, indien die
woning:
1°. reeds bij de bouw ervan
was ingericht en bestemd voor bewoning door een
gehandicapte, dan wel
2°. na de bouw met geldelijke
steun op grond van enige wettelijke regeling
aangepast is ten behoeve van bewoning door een
gehandicapte;
c. het verstrekken aan een oudere
van een zelfstandige woning welke onderdeel uitmaakt van
een complex van zelfstandige woningen, welk complex
reeds bij de bouw ervan was ingericht en bestemd voor de
bewoning door ouderen.
Bij de beoordeling van de vraag of
andere woonruimte voor de huurder passend is, houdt de
rechter geen rekening met de bijdragen van het Rijk, die de
huurder ter tegemoetkoming in de kosten, verbonden aan het
genot van een woning, kan verkrijgen.
4. Onder
eigen gebruik in de zin van lid 1 onder c, wordt bovendien
mede begrepen het verstrekken van woonruimte aan een
student, indien:
1°. die woonruimte krachtens de
huurovereenkomst bestemd is voor studenten, als bedoeld
in dit lid;
2°. de huurder, tegen wie de in
lid 1 bedoelde vordering is ingesteld, niet heeft
voldaan aan een schriftelijk verzoek van de verhuurder,
dat deze jaarlijks kan doen, om binnen drie maanden een
kopie van het bewijs van zijn inschrijving aan een
instelling, universiteit of hogeschool als bedoeld in
dit lid inzake het lopende studiejaar over te leggen, en
3°. in de huurovereenkomst met de
huurder tegen wie de in lid 1 bedoelde vordering is
ingesteld, is bepaald dat die woonruimte na beëindiging
van de huurovereenkomst opnieuw aan een student als
bedoeld in dit lid zal worden verhuurd.
Onder student wordt in dit lid
verstaan een deelnemer die is ingeschreven aan een
instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de
Wet educatie en beroepsopleidingen of een student die is
ingeschreven aan een universiteit of hogeschool als bedoeld
in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
5. Een
vordering, gegrond op eigen gebruik in de zin van lid 1
onder c is niet toewijsbaar
a. ten aanzien van woonruimte
waarop hoofdstuk II van de Huisvestingswet van
toepassing is, zolang de verhuurder geen
huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 1
van die wet overlegt behoudens het geval dat het eigen
gebruik in iets anders bestaat dan bewoning;
b. indien de verhuurder de
rechtsopvolger van de vorige verhuurder is en de
opzegging is geschied binnen drie jaar nadat de
rechtsopvolging schriftelijk ter kennis van de huurder
is gebracht.
6. In de
gevallen bedoeld in lid 1 onder a en d kan de rechter,
voordat hij de vordering toewijst, aan de huurder een
termijn van ten hoogste een maand toestaan om alsnog aan
zijn verplichtingen te voldoen of het aanbod te aanvaarden.
7. Onder
gehandicapte in het derde lid wordt verstaan een persoon die
ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen
ondervindt.
Artikel 275
De rechter kan in zijn beslissing tot
toewijzing van de vordering tot beëindiging van de
huurovereenkomst op de gronden, bedoeld in artikel 274 lid 1
onder c en e, een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan de
huurder moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en
inrichtingskosten. Voordat hij een beslissing geeft, waarin dit
bedrag wordt vastgesteld, brengt de rechter zijn voornemen ter
kennis van partijen en stelt hij een termijn waarbinnen de
verhuurder de opzegging kan intrekken. Maakt de verhuurder van
deze bevoegdheid gebruik, dan beslist de rechter uitsluitend
omtrent de proceskosten.
Artikel 276
1.
Indien de verhuurder de overeenkomst heeft opgezegd op de
grond, bedoeld in artikel 274 lid 1 onder c en de vordering
tot beëindiging van de huurovereenkomst is toegewezen dan
wel de huurder met de beëindiging heeft ingestemd, is de
verhuurder jegens de huurder tot schadevergoeding gehouden,
indien de wil om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te
nemen in werkelijkheid niet aanwezig is geweest.
2.
Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht niet aanwezig te
zijn geweest, indien niet binnen een jaar na het einde van
de overeenkomst het verhuurde duurzaam door hem in gebruik
is genomen.
3. De
rechter die een vordering op de grond, bedoeld in artikel
274 lid 1 onder c, toewijst, kan op verlangen van de huurder
of ambtshalve een bedrag bepalen dat de verhuurder aan de
huurder moet betalen, indien later mocht blijken dat de wil
om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen in
werkelijkheid niet aanwezig is geweest, onverminderd het
recht van de huurder op verdere schadevergoeding.
4. De
vordering van de huurder op grond van dit artikel vervalt
vijf jaren na het einde van de huurovereenkomst.
5. De
verhuurder is eveneens tot schadevergoeding gehouden jegens
onderhuurders aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd of die
krachtens artikel 269 bevoegd waren hun overeenkomst met de
hoofdverhuurder voort te zetten. De voorgaande leden zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 277
1.
Indien de rechter de huurovereenkomst heeft verlengd, kan de
verhuurder de overeenkomst opnieuw met inachtneming van
artikel 271 en van de in lid 2 vermelde termijnen opzeggen
en overeenkomstig de artikelen 272 tot en met 274 vorderen
dat de rechter het tijdstip zal vaststellen, waarop de
overeenkomst zal eindigen.
2.
Indien de rechter de overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft
verlengd, kan de verhuurder haar niet eerder opnieuw
opzeggen dan drie jaren nadat deze beslissing onherroepelijk
is geworden. Indien de rechter de overeenkomst voor bepaalde
tijd heeft verlengd, kan de verhuurder haar niet eerder
opzeggen dan drie maanden voor het einde van de tijd
waarvoor is verlengd.
Artikel 278
1. Een
onderhuurovereenkomst van woonruimte die niet krachtens
artikel 269 na beëindiging van de hoofdhuur door de
hoofdverhuurder wordt voortgezet, eindigt op het door de
rechter op vordering van de hoofdverhuurder overeenkomstig
artikel 273 lid 3 vastgestelde tijdstip van ontruiming.
2.
Indien de hoofdhuurder bij de beëindiging en de bepaling van
het tijdstip van ontruiming onvoldoende voor de belangen van
de onderhuurder heeft gewaakt, is hij verplicht de schade
die de onderhuurder daardoor lijdt te vergoeden.
3. De
hoofdhuurder tegen wie door de hoofdverhuurder een vordering
wordt ingesteld, die mede de belangen van de onderhuurder
raakt, is bevoegd om deze in het geding te roepen.
Artikel 279
1.
Indien een gebrek in de zin van artikel 204 het deel van
gehuurde woonruimte dat voor de huurder en zijn gezin voor
bewoning noodzakelijk is, onbewoonbaar maakt dan wel
werkzaamheden tot verhelpen van een zodanig gebrek dit doen
of zullen doen, is de huurder bevoegd de huur op de voet van
artikel 267 van Boek 6 te ontbinden.
2. De
huurder heeft dezelfde bevoegdheid, wanneer het gebruik van
de gehuurde woonruimte gevaren oplevert.
3.
Artikel 210 lid 2 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 280
Alvorens op de voet van artikel 231 een
ontbinding uit te spreken, kan de rechter de huurder een termijn
van ten hoogste een maand toestaan om alsnog aan zijn
verplichtingen te voldoen.
Artikel 281
1.
Indien iemand op de voet van artikel 226 verhuurder is
geworden en een krachtens een geldend bestemmingsplan op het
verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken, ontbindt
de rechter op vordering van de verhuurder de
huurovereenkomst met ingang van een door hem te bepalen dag.
2. De
huurder en de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd of met wie de huurovereenkomst anders op de
voet van artikel 269 zou zijn voortgezet, hebben recht op
schadeloosstelling. Wanneer de huurtijd of onderhuurtijd
zonder de ontbinding nog een jaar of langer zou hebben
geduurd, is de schadeloosstelling ten minste gelijk aan de
huurprijs van twee jaren. Wanneer de huurtijd of
onderhuurtijd zonder de ontbinding minder dan een jaar zou
hebben geduurd, is de schadeloosstelling ten minste gelijk
aan de huurprijs van een jaar. Bij de berekening van de
schade wordt niet gelet op veranderingen die kennelijk zijn
tot stand gebracht om de schadeloosstelling te verhogen.
Artikel 282
Van de artikelen 272 tot en met 281 kan
niet ten nadele van de huurder dan wel onderhuurder worden
afgeweken.
Afdeling 6. Huur van bedrijfsruimte
Artikel 290
1. De
bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op huur en
verhuur van bedrijfsruimte.
2. Onder
bedrijfsruimte wordt verstaan:
a. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en
verhuur is bestemd voor de uitoefening van een
kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf,
van een afhaal- of besteldienst of van een
ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde
ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor
rechtstreekse levering van roerende zaken of voor
dienstverlening aanwezig is;
b. een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan die krachtens zulk een overeenkomst
bestemd is voor de uitoefening van een hotelbedrijf;
c. een onroerende zaak die
krachtens zulk een overeenkomst is bestemd voor de
uitoefening van een kampeerbedrijf.
3. Tot
de in lid 2 bedoelde bedrijfsruimte worden ook gerekend de
onroerende aanhorigheden, de bij het een en ander behorende
grond en de, mede gelet op de bestemming van die
bedrijfsruimte, afhankelijke woning.
Artikel 291
1. Van
de bepalingen van deze afdeling kan niet ten nadele van de
huurder worden afgeweken.
2.
Bedingen die ten nadele van de huurder afwijken van de
bepalingen van deze afdeling, kunnen evenwel, behoudens
wanneer het betreft een afwijking van artikel 307, niet op
die grond worden vernietigd, indien zij zijn goedgekeurd
door de rechter.
3. Ieder
van de partijen kan een zodanige goedkeuring verzoeken. De
goedkeuring wordt alleen gegeven indien het beding de
rechten die de huurder aan deze afdeling ontleent, niet
wezenlijk aantast of diens maatschappelijke positie in
vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat hij de
bescherming van de onderhavige afdeling in redelijkheid niet
behoeft.
4. Het
verzoek bevat, behalve de gronden waarop het berust, de
tekst van de goed te keuren bedingen.
Artikel 292
1. De
huurovereenkomst geldt voor vijf jaar of, als een langere
bepaalde duur is overeengekomen, voor die langere duur.
2. De
huurovereenkomst die voor vijf jaar geldt, wordt na het
verstrijken daarvan van rechtswege met vijf jaar verlengd.
De overeenkomst die is aangegaan voor een termijn die langer
is dan vijf jaar maar korter dan tien jaar, wordt na het
verstrijken van die termijn van rechtswege verlengd met een
tweede termijn die zoveel korter is dan vijf jaar als de
eerste termijn langer is dan vijf jaar.
Artikel 293
1. De
overeenkomst die voor vijf jaar geldt, en de overeenkomst
die is aangegaan voor een termijn langer dan vijf jaar, maar
korter dan tien jaar, kunnen tegen het einde van de termijn
en tegen het einde van de in artikel 292 lid 2 bedoelde
tweede termijn door ieder van de partijen worden opgezegd.
Artikel 228 lid 1 en lid 2, eerste zin, is niet van
toepassing.
2. De
opzegging moet geschieden bij exploot of bij aangetekende
brief. De termijn van opzegging bedraagt tenminste een jaar.
3. Geen
opzegging is vereist, indien de beëindiging geschiedt met
wederzijds goedvinden, nadat de huurovereenkomst is
totstandgekomen.
Artikel 294
Een opzegging door de verhuurder is nietig
indien zij niet de gronden vermeldt die tot de opzegging hebben
geleid.
Artikel 295
1. Een
opgezegde huurovereenkomst blijft, tenzij de huurder de
overeenkomst heeft opgezegd of na de opzegging door de
verhuurder schriftelijk in de beëindiging ervan heeft
toegestemd, na de dag waartegen rechtsgeldig is opgezegd van
rechtswege van kracht, tot de rechter onherroepelijk heeft
beslist op een vordering van de verhuurderals in lid 2
bedoeld. De rechter kan evenwel, indien het verweer van de
huurder hem kennelijk ongegrond voorkomt, zijn toewijzend
vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
2. De
verhuurder kan, indien hij zes weken na de opzegging niet
van de huurder een schriftelijke mededeling heeft ontvangen
dat hij in de beëindiging van de huurovereenkomst toestemt,
op de gronden vermeld in de opzegging vorderen dat de
rechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst
zal eindigen.
Artikel 296
1.
Indien de opzegging is gedaan tegen het einde van de in
artikel 292 lid 1 bedoelde eerste termijn waarvoor de
huurovereenkomst geldt of is aangegaan, kan de rechter de
vordering slechts toewijzen, op de grond dat:
a. de bedrijfsvoering van de
huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt,
of
b. de verhuurder aannemelijk maakt
dat hij, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner,
een bloed- of aanverwant in de eerste graad of een
pleegkind het verhuurde persoonlijk in duurzaam gebruik
wil nemen en hij daartoe het verhuurde dringend nodig
heeft. Onder duurzaam gebruik wordt niet begrepen
vervreemding van de bedrijfsruimte, maar wel renovatie
van de bedrijfsruimte die zonder beëindiging van de huur
niet mogelijk is.
2. Een
vordering, ingesteld op de in lid 1 onder b bedoelde grond,
is niet toewijsbaar indien de verhuurder de rechtsopvolger
is van een vorige verhuurder en hij niet is diens
echtgenoot, geregistreerde partner, bloed- of aanverwant in
de eerste graad of pleegkind, en de opzegging is geschied
binnen drie jaar nadat de rechtopvolging schriftelijk ter
kennis van de huurder is gebracht. Onder pleegkind wordt
verstaan degene die duurzaam als eigen kind is verzorgd en
opgevoed.
3.
Indien de opzegging is gedaan tegen het einde van de termijn
waarmee de overeenkomst krachtens artikel 292 lid 2 is
verlengd, kan de rechter de vordering toewijzen, op grond
van een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder
bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder
en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd, bij verlenging van de overeenkomst. De
rechter wijst de vordering in elk geval af indien van de
huurder, bij een redelijke afweging van de voormelde
belangen van hem en van de onderhuurder aan wie bevoegdelijk
is onderverhuurd, tegen de voormelde belangen van de
verhuurder, niet kan worden gevergd dat hij het gehuurde
ontruimt.
4. In
het geval van lid 3 wijst de rechter de vordering in ieder
geval toe indien zich een der in lid 1, onder a en b, in
samenhang met lid 2 omschreven gronden voordoet en voorts
indien:
c. de huurder niet toestemt in een
redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe
overeenkomst met betrekking tot het gehuurde, voor zover
dit aanbod niet een wijziging van de huurprijs inhoudt,
of
d. de verhuurder een krachtens een
geldig bestemmingsplan op het verhuurde liggende
bestemming wil verwezenlijken.
5.
Indien de rechter de vordering toewijst, stelt hij tevens
het tijdstip van de ontruiming vast. De toewijzing geldt als
een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip.
Artikel 297
1. De
rechter kan in zijn beslissing tot toewijzing van de
vordering een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan de
huurder of aan degene aan wie bevoegdelijk is onderverhuurd,
moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en
inrichtingskosten.
2.
Alvorens een beslissing te geven waarin een bedrag als
bedoeld in lid 1 wordt vastgesteld, brengt de rechter zijn
voornemen ter kennis van partijen en stelt hij een termijn
vast waarbinnen de verhuurder de bevoegdheid heeft de
vordering in te trekken.
3.
Indien de verhuurder binnen deze termijn zijn vordering
intrekt, geeft de rechter slechts een beslissing over de
proceskosten.
Artikel 298
In het geval, bedoeld in artikel 296 lid 4
onder c, kan de rechter de huurder een termijn toestaan van ten
hoogste een maand om het aanbod tot het aangaan van een nieuwe
overeenkomst alsnog te aanvaarden.
Artikel 299
1.
Indien de overeenkomst is opgezegd op de grond dat een in
artikel 296 lid 1 onder b genoemde persoon het verhuurde
persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen en de huurder in
de beëindiging van de overeenkomst heeft toegestemd dan wel
de vordering tot beëindiging van de overeenkomst op die
grond dan wel op de grond, bedoeld in artikel 296 lid 3, is
toegewezen, is de verhuurder jegens de huurder en degene die
bevoegdelijk heeft ondergehuurd, tot schadevergoeding
gehouden, indien de wil om het verhuurde persoonlijk in
duurzaam gebruik te nemen in werkelijkheid niet aanwezig is
geweest.
2.
Behoudens tegenbewijs wordt die wil geacht niet aanwezig te
zijn geweest, indien het verhuurde niet binnen een jaar na
het einde van de overeenkomst door een persoon als bedoeld
in artikel 296 lid 1 onder b in duurzaam gebruik is genomen.
3. De
rechter kan in een beslissing tot toewijzing van een
vordering tot beëindiging, gegrond op de in artikel 296 lid
1 onder b bedoelde wil van een der daar bedoelde personen,
op verzoek van de huurder of ambtshalve een bedrag bepalen
dat de verhuurder aan de huurder of degene die bevoegdelijk
heeft ondergehuurd moet betalen, indien later mocht blijken
dat die wil in werkelijkheid niet aanwezig is geweest,
onverminderd het recht van de huurder op verdere
schadevergoeding.
4. De
vordering van de huurder of onderhuurder tot
schadevergoeding of tot betaling van het in lid 3 bedoelde
bedrag vervalt vijf jaren na het einde van de
huurovereenkomst.
Artikel 300
1.
Indien de oorspronkelijk duur van de overeenkomst krachtens
artikel 292 lid 2 is verlengd en de verlengde overeenkomst
niet tegen het einde van de in dat lid bedoelde tweede
termijn is opgezegd, wordt de overeenkomst voortgezet voor
onbepaalde tijd, tenzij uit de overeenkomst een bepaalde
tijd voortvloeit of partijen een bepaalde tijd overeenkomen.
2. Wordt
de overeenkomst krachtens lid 1 voor onbepaalde tijd
voortgezet, dan kan zij door ieder van de partijen worden
opgezegd. Wordt de overeenkomst voor bepaalde tijd
voortgezet of is zij aangegaan voor een duur van tien jaar
of langer, dan eindigt zij, in afwijking van artikel 228 lid
1, niet door het enkele verloop van de huurtijd, maar kan
zij door ieder van de partijen tegen het einde van die
huurtijd worden opgezegd.
3. De
opzegging moet voldoen aan de vereisten van de artikelen 293
leden 2 en 3 en van artikel 294. De artikelen 295 tot en met
299 zijn van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien een vordering tot vaststelling van het tijdstip
waarop de overeenkomst zal eindigen, is afgewezen, en uit de
overeenkomst niet voortvloeit dat zij dan wordt voortgezet
voor een bepaalde termijn tegen het einde waarvan zij
opnieuw opgezegd kan worden, kan de overeenkomst slechts
rechtsgeldig opnieuw opgezegd worden nadat een termijn van
een jaar is verstreken nadat de afwijzing onherroepelijk is
geworden. De rechter kan bij zijn afwijzende beslissing een
langere termijn vaststellen.
Artikel 301
1. De
artikelen 291 tot en met 300 zijn niet van toepassing op een
overeenkomst van twee jaar of korter.
2.
Indien het gebruik, aangevangen krachtens een overeenkomst
als bedoeld in lid 1, langer dan twee jaar heeft geduurd,
geldt van rechtswege een overeenkomst op de tussen partijen
overeengekomen voorwaarden, doch voor vijf jaar, waarop de
reeds verstreken twee jaar in mindering komen. De artikelen
van 291 tot en met 300 zijn op deze overeenkomst van
toepassing.
3. Het
in lid 2 bedoelde rechtsgevolg treedt niet in, indien
partijen voor het verstrijken van de termijn van twee jaar
een andere overeenkomst sluiten die onder artikel 292 lid 1
valt, dan wel een daarvan afwijkende overeenkomst, mits de
in artikel 291 bedoelde goedkeuring is verzocht voor het
verstrijken van de termijn van twee jaar.
4.
Indien voor het verstrijken van deze termijn op de voet van
artikel 291 goedkeuring van afwijkende bedingen is verzocht
en de rechter dit verzoek afwijst, kan hij op verzoek van de
verhuurder tevens bepalen dat de overeenkomst wordt
beëindigd en het tijdstip van de ontruiming vaststellen.
Deze vaststelling geldt als een veroordeling tot ontruiming
tegen dat tijdstip.
Artikel 302
Opzegging van de overeenkomst door de
erfgenamen van de huurder, onderscheidenlijk zijn echtgenoot of
geregistreerde partner, op de voet van artikel 229 lid 2 dient
te geschieden op een termijn van tenminste zes maanden. Artikel
293 lid 2, eerste zin, en lid 3 is van toepassing.
Artikel 303
1. Zowel
de huurder als de verhuurder kunnen vorderen dat de rechter
de huurprijs, zo deze niet overeenstemt met die van
vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse, nader zal
vaststellen:
a. indien de overeenkomst voor
bepaalde tijd geldt, na afloop van de overeengekomen
duur;
b. in alle andere gevallen,
telkens wanneer tenminste vijf jaar zijn verstreken
sinds de dag waarop de laatste door partijen
vastgestelde huurprijs is ingegaan of waarop de laatste
door de rechter vastgestelde huurprijs is gevorderd.
2. Bij
de nadere vaststelling van de huurprijs let de rechter op
het gemiddelde van de huurprijzen van vergelijkbare
bedrijfsruimte ter plaatse, die zich hebben voorgedaan in
een tijdvak van vijf jaren voorafgaande aan de dag van het
instellen van de vordering. Iedere aldus in de vergelijking
te betrekken huurprijs wordt herleid volgens de algemene
ontwikkeling van het prijspeil sinds de dag waarop die
huurprijs gold tot aan die van het instellen van de
vordering. Zo het niet mogelijk is de rechter de voor de
toepassing van deze maatstaf benodigde gegevens te
verschaffen, maakt de rechter een schatting aan de hand van
de wel te zijner beschikking staande gegevens, waarbij hij
die maatstaf zoveel mogelijk als richtsnoer bezigt.
3. De
rechter wijst een vordering tot verhoging van de huurprijs
af, voor zover deze is gegrond op verbeteringen van het
gehuurde, die op kosten van de huurder zijn aangebracht.
4.
Indien de rechter de huurprijs nader vaststelt, geldt deze
met ingang van de dag waarop deze is gevorderd, tenzij hij
op vordering van een der partijen op grond van de bijzondere
omstandigheden van het geval een andere ingangsdatum
vaststelt. Hij kan daarbij tevens bepalen dat de huurprijs
gedurende een door hem vast te stellen termijn van ten
hoogste vijf jaren geleidelijk zal worden aangepast.
Artikel 304
1. Een
vordering tot nadere huurprijsvaststelling is slechts
ontvankelijk, indien deze vergezeld gaat van een advies
omtrent de nadere huurprijs, opgesteld door een of meer door
partijen gezamenlijk benoemde ter zake deskundigen.
2.
Indien partijen geen overeenstemming bereiken over de
benoeming van een deskundige, benoemt de rechter deze op
verzoek van de meest gerede partij. Indien een zodanig
verzoek wordt gedaan, geldt de dag van dat verzoek voor de
toepassing van artikel 303 leden 1, 2 en 4 als de dag waarop
de vordering tot nadere vaststelling van de huurprijs is
ingesteld.
3. De
kosten van het advies zijn proceskosten als bedoeld in
artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;
de artikelen 195, 196, 199 en 244 van dat wetboek zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 305
1. De
verhuurder die in gevolge een aanschrijving als bedoeld in
artikel 17a, eerste lid, van de Woningwet verbeteringen als
bedoeld in het tweede lid van dat artikel heeft aangebracht,
is, ook buiten de gevallen van artikel 303 lid 1 onder a en
b, bevoegd om ter doorberekening van de kosten van deze
verbeteringen, voor zover redelijk, een daarop afgestemde
verhoging van de huur te verlangen. Indien de huurder en de
verhuurder geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over
het bedrag van de verhoging, kan ieder van hen vaststelling
van de verhoging door de rechter vorderen.
2. Dit
artikel is, behalve op bedrijfsruimte in de zin van artikel
290, ook van toepassing op een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit gedeelte voor de
uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan waarop
bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 306
1. Een
onderhuurovereenkomst van bedrijfsruimte eindigt op het door
de rechter op vordering van de hoofdverhuurder
overeenkomstig artikel 296 lid 5 vastgestelde tijdstip van
ontruiming.
2.
Indien de hoofdhuurder de onderhuurder niet of niet juist
heeft voorgelicht omtrent de termijn waarvoor de hoofdhuur
geldt of is aangegaan, of hij bij de beëindiging van de
hoofdhuur en de bepaling van het tijdstip van ontruiming
onvoldoende voor de belangen van de onderhuurder heeft
gewaakt, is hij verplicht de schade die de onderhuurder
daardoor lijdt, te vergoeden.
3. De
hoofdhuurder tegen wie door de hoofdverhuurder een vordering
wordt ingesteld, die mede de belangen van de onderhuurder
raakt, is bevoegd om deze in het geding te roepen.
Artikel 307
1.
Indien overdracht door de huurder aan een derde van het in
het gehuurde door de huurder zelf of een ander uitgeoefende
bedrijf gewenst wordt, kan de huurder vorderen dat hij
gemachtigd wordt om die derde als huurder in zijn plaats te
stellen.
2. De
rechter beslist met inachtneming van de omstandigheden van
het geval, met dien verstande dat hij de vordering slechts
kan toewijzen, indien de huurder of de ander die het bedrijf
uitoefent, een zwaarwichtig belang heeft bij de overdracht
van het bedrijf en dat hij haar steeds afwijst, indien de
voorgestelde huurder niet voldoende waarborgen biedt voor
een volledige nakoming van de overeenkomst en voor een
behoorlijke bedrijfsvoering.
3. De
rechter kan aan de machtiging voorwaarden verbinden of
daarbij een last opleggen.
Artikel 308
1.
Indien de verhuurder, nadat de huurovereenkomst door
opzegging zijnerzijds is geëindigd, voordeel geniet
tengevolge van het feit dat het verhuurde vervolgens wordt
gebezigd voor de uitoefening van een bedrijf, gelijksoortig
aan het door de gewezen huurder of de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd aldaar uitgeoefende bedrijf,
kan de gewezen huurder of de onderhuurder aan wie
bevoegdelijk is onderverhuurd van de verhuurder een naar
billijkheid te berekenen vergoeding vorderen.
2.
Voordeel, voortvloeiend uit de aard of ligging van het
verhuurde of uit de daaraan aangebrachte veranderingen, komt
voor de toepassing van lid 1 niet in aanmerking.
3. De
vergoeding kan niet worden toegekend, wanneer het verhuurde
voor de uitoefening van het gelijksoortige bedrijf eerst
wordt gebezigd nadat sedert het eindigen van de
huurovereenkomst meer dan een jaar is verstreken
Artikel 309
1.
Indien een verhuurder op wie de rechten en verplichtingen
uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 226 zijn
overgegaan, deze overeenkomst door opzegging doet eindigen
in verband met de omstandigheid dat het gebouwde met het oog
op de uitvoering van werken in het algemeen belang zal
worden afgebroken, is hij aan de huurder en de onderhuurder
aan wie voor die overgang bevoegdelijk is onderverhuurd, een
schadeloosstelling verschuldigd wegens het verlies van de
kans dat de huurverhouding zonder deze overgang zou hebben
voortgeduurd.
2. De
verhuurder is de in lid 1 bedoelde schadeloosstelling
eveneens verschuldigd indien de overgang is geschied nadat
de vorige verhuurder de huurovereenkomst heeft opgezegd in
verband met de omstandigheid dat na de overgang het gebouwde
met het oog op de uitvoering van werken in het algemeen
belang zal worden afgebroken. Is de eigendom van het
verhuurde overgedragen nadat de huurovereenkomst reeds door
de opzegging was geëindigd, dan is de schadeloosstelling
verschuldigd door de eigenaar die tot afbraak overgaat.
3. Een
opzegging wordt vermoed in verband met de omstandigheid dat
het gebouwde met het oog op de uitvoering van werken in het
algemeen belang zal worden afgebroken, indien de afbraak
binnen zes jaar na de opzegging aanvangt.
4.
Werken tot verwezenlijking van een bestemmingsplan,
strekkende tot reconstructie van een bebouwde kom, worden in
elk geval geacht in het algemeen belang te zijn.
5. Dit
artikel is, behalve op bedrijfsruimte in de zin van artikel
290, ook van toepassing op een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit gedeelte voor de
uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan waarop
bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Artikel 310
1.
Indien een verhuurder op wie de rechten en verplichtingen
uit de huurovereenkomst op de voet van artikel 226 zijn
overgegaan, een krachtens een geldend bestemmingsplan op het
verhuurde liggende bestemming wil verwezenlijken, ontbindt
de rechter op vordering van de verhuurder de
huurovereenkomst met ingang van een door hem te bepalen dag.
2. De
huurder en de onderhuurder aan wie bevoegdelijk is
onderverhuurd, kunnen een schadeloosstelling vorderen. Bij
de bepaling daarvan wordt rekening gehouden met de kans dat
de huurverhouding zonder de overgang zou hebben
voortgeduurd.
3. Dit
artikel is, behalve op bedrijfsruimte in de zin van artikel
290, ook van toepassing op een gebouwde onroerende zaak of
gedeelte daarvan, indien deze zaak of dit gedeelte voor de
uitoefening van een ander bedrijf is verhuurd dan waarop
bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 betrekking heeft.
Titel 7. Opdracht
Afdeling 1. Opdracht in het algemeen
Artikel 400
1. De
overeenkomst van opdracht is de overeenkomst waarbij de ene
partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de
opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een
arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets
anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van
stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van
werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of
zaken.
2. De
artikelen 401-412 zijn, onverminderd artikel 413, van
toepassing, tenzij iets anders voortvloeit uit de wet, de
inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van een
andere rechtshandeling, of de gewoonte.
Artikel 401
De opdrachtnemer moet bij zijn
werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen.
Artikel 402
1. De
opdrachtnemer is gehouden gevolg te geven aan tijdig
verleende en verantwoorde aanwijzingen omtrent de uitvoering
van de opdracht.
2. De
opdrachtnemer die op redelijke grond niet bereid is de
opdracht volgens de hem gegeven aanwijzingen uit te voeren,
kan, zo de opdrachtgever hem niettemin aan die aanwijzingen
houdt, de overeenkomst opzeggen wegens gewichtige redenen.
Artikel 403
1. De
opdrachtnemer moet de opdrachtgever op de hoogte houden van
zijn werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht en hem
onverwijld in kennis stellen van de voltooiing van de
opdracht, indien de opdrachtgever daarvan onkundig is.
2. De
opdrachtnemer doet aan de opdrachtgever verantwoording van
de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten.
Heeft hij bij de uitvoering van de opdracht ten laste van de
opdrachtgever gelden uitgegeven of te diens behoeve gelden
ontvangen, dan doet hij daarvan rekening.
Artikel 404
Indien de opdracht is verleend met het oog
op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een
beroep of een bedrijf uitoefent, is die persoon gehouden de
werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te
verrichten, behoudens voor zover uit de opdracht voortvloeit dat
hij deze onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten
uitvoeren; alles onverminderd de aansprakelijkheid van de
opdrachtnemer.
Artikel 405
1.
Indien de overeenkomst door de opdrachtnemer in de
uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de
opdrachtgever hem loon verschuldigd.
2.
Indien loon is verschuldigd doch de hoogte niet door
partijen is bepaald, is de opdrachtgever het op de
gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan,
een redelijk loon verschuldigd.
Artikel 406
1. De
opdrachtgever moet aan de opdrachtnemer de onkosten
verbonden aan de uitvoering van de opdracht vergoeden, voor
zover deze niet in het loon zijn begrepen.
2. De
opdrachtgever moet de opdrachtnemer de schade vergoeden die
deze lijdt ten gevolge van de hem niet toe te rekenen
verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder
gevaar. Heeft de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn
beroep of bedrijf gehandeld, dan geldt de vorige zin
slechts, indien dat gevaar de risico’s welke de uitoefening
van dat beroep of bedrijf naar zijn aard meebrengt, te
buiten gaat. Geschiedt de uitvoering van de opdracht
anderszins tegen loon, dan is de eerste zin slechts van
toepassing, indien bij de vaststelling van het loon met het
gevaar geen rekening is gehouden.
Artikel 407
1.
Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben
gegeven, zijn zij hoofdelijk tegenover de opdrachtnemer
verbonden.
2.
Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben
ontvangen, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk
ter zake van een tekortkoming in de nakoming, tenzij de
tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.
Artikel 408
1. De
opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst opzeggen.
2. De
opdrachtnemer die de overeenkomst is aangegaan in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, kan, behoudens
gewichtige redenen, de overeenkomst slechts opzeggen, indien
zij voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging
eindigt.
3. Een
natuurlijk persoon die een opdracht heeft verstrekt anders
dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is,
onverminderd artikel 406, ter zake van een opzegging geen
schadevergoeding verschuldigd.
Artikel 409
1.
Indien de opdracht met het oog op een bepaalde persoon is
verleend, eindigt zij door zijn dood.
2.
Alsdan zijn diens erfgenamen, indien zij kennis dragen van
de erfopvolging en van de opdracht, verplicht al datgene te
doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij
eisen. Een overeenkomstige verplichting rust op degenen in
wier dienst of met wie de opdrachtnemer een beroep of
bedrijf uitoefende.
Artikel 410
1. De
dood van de opdrachtgever doet de opdracht slechts eindigen,
indien dit uit de overeenkomst voortvloeit, en dan eerst
vanaf het tijdstip waarop de opdrachtnemer de dood heeft
gekend.
2.
Eindigt de opdracht door de dood van de opdrachtgever, dan
is de opdrachtnemer niettemin verplicht al datgene te doen
wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij
eisen.
Artikel 411
1.
Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is
volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is
verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is
van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd,
heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast
te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt
onder meer rekening gehouden met de reeds door de
opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de
opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de
overeenkomst is geëindigd.
2. In
het in lid 1 bedoelde geval heeft de opdrachtnemer slechts
recht op het volle loon, indien het einde van de
overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de
betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden
van het geval, redelijk is. Op het bedrag van het loon
worden de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de
voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht.
Artikel 412
Een rechtsvordering tegen de opdrachtnemer
tot afgifte van de stukken die hij ter zake van de opdracht
onder zich heeft gekregen, verjaart door verloop van vijf jaren
na de aanvang van de dag, volgende op die waarop zijn
bemoeiingen zijn geëindigd.
Artikel 413
1. Van
artikel 408 lid 3 kan niet worden afgeweken.
2. Van
de artikelen 408 lid 1 en 411 kan niet worden afgeweken ten
nadele van een opdrachtgever als bedoeld in artikel 408 lid
3.
3. Van
artikel 412 kan slechts op dezelfde voet worden afgeweken
als van de regels inzake de verjaring van rechtsvorderingen
die in titel 11 van Boek 3 zijn opgenomen.
Afdeling 2. Lastgeving
Artikel 414
1.
Lastgeving is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene
partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de
lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of
meer rechtshandelingen te verrichten.
2. De
overeenkomst kan de lasthebber verplichten te handelen in
eigen naam; zij kan ook verplichten te handelen in naam van
de lastgever.
Artikel 415
Indien een lastgeving met twee of meer
lasthebbers is aangegaan, is ieder van hen bevoegd zelfstandig
te handelen.
Artikel 416
1. Een
lasthebber kan slechts als wederpartij van de lastgever
optreden, indien de inhoud van de rechtshandeling zo
nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen beider belangen is
uitgesloten.
2. Een
lasthebber die slechts in eigen naam mag handelen, kan
niettemin als wederpartij van de lastgever optreden, indien
de inhoud van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat
strijd tussen beider belangen is uitgesloten.
3.
Indien de lastgever een persoon is als bedoeld in artikel
408 lid 3, is voor een rechtshandeling waarbij de lasthebber
als zijn wederpartij optreedt, op straffe van
vernietigbaarheid zijn schriftelijke toestemming vereist.
4. De
lasthebber die in overeenstemming met de vorige leden als
wederpartij van de lastgever optreedt, behoudt zijn recht op
loon.
Artikel 417
1. Een
lasthebber mag slechts tevens als lasthebber van de
wederpartij optreden, indien de inhoud van de
rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd tussen de
belangen van beide lastgevers is uitgesloten.
2.
Indien de lastgever een persoon is als bedoeld in artikel
408 lid 3, is voor de geoorloofdheid van een rechtshandeling
waarbij de lasthebber ook als lasthebber van de wederpartij
optreedt, zijn schriftelijke toestemming vereist.
3. Een
lasthebber heeft geen recht op loon jegens een lastgever ten
opzichte van wie hij in strijd met het in de vorige leden
bepaalde handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot
vergoeding van de dientengevolge door die lastgever geleden
schade. Van deze bepaling kan niet ten nadele van een
lastgever worden afgeweken.
4.
Indien een der lastgevers een persoon is als bedoeld in
artikel 408 lid 3, en de rechtshandeling strekt tot koop of
verkoop dan wel huur of verhuur van een onroerende zaak of
een gedeelte daarvan of van een recht waaraan de zaak is
onderworpen, heeft de lasthebber geen recht op loon jegens
de koper of huurder. Van deze bepaling kan niet ten nadele
van de koper of huurder worden afgeweken, tenzij de
rechtshandeling strekt tot huur of verhuur van een tot
woonruimte bestemd gedeelte van een zelfstandige woning.
Artikel 418
1.
Heeft, buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 416 en
417, een lasthebber direct of indirect belang bij de
totstandkoming van de rechtshandeling, dan is hij verplicht
de lastgever daarvan in kennis te stellen, tenzij de inhoud
van de rechtshandeling zo nauwkeurig vaststaat dat strijd
tussen beider belangen is uitgesloten.
2. Een
lasthebber heeft geen recht op loon jegens een lastgever ten
opzichte van wie hij in strijd met het in lid 1 bepaalde
handelt, onverminderd zijn gehoudenheid tot vergoeding van
de dientengevolge door de lastgever geleden schade. Van deze
bepaling kan niet ten nadele van de lastgever worden
afgeweken.
Artikel 419
Indien een lasthebber in eigen naam een
overeenkomst heeft gesloten met een derde die in de nakoming van
zijn verplichtingen tekortschiet, is de derde binnen de grenzen
van hetgeen omtrent zijn verplichting tot schadevergoeding
overigens uit de wet voortvloeit, jegens de lasthebber mede
gehouden tot vergoeding van de schade die de lastgever door de
tekortkoming heeft geleden.
Artikel 420
1.
Indien een lasthebber die in eigen naam een overeenkomst
heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen jegens de
lastgever niet nakomt, in staat van faillissement geraakt of
indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing wordt verklaard, kan de
lastgever de voor overgang vatbare rechten van de lasthebber
jegens de derde door een schriftelijke verklaring aan hen
beiden op zich doen overgaan, behoudens voor zover zij in de
onderlinge verhouding tussen lastgever en lasthebber aan
deze laatste toekomen.
2.
Dezelfde bevoegdheid heeft de lastgever indien de derde zijn
verplichtingen tegenover de lasthebber niet nakomt, tenzij
deze de lastgever voldoet alsof de derde zijn verplichtingen
was nagekomen.
3. De
lasthebber is in de gevallen in dit artikel bedoeld gehouden
de naam van de derde aan de lastgever op diens verzoek mede
te delen.
Artikel 421
1.
Indien een lasthebber die in eigen naam een overeenkomst
heeft gesloten met een derde, zijn verplichtingen jegens de
derde niet nakomt, in staat van faillissement geraakt of
indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing wordt verklaard, kan de
derde na schriftelijke mededeling aan de lasthebber en de
lastgever zijn rechten uit de overeenkomst tegen de
lastgever uitoefenen, voor zover deze op het tijdstip van de
mededeling op overeenkomstige wijze jegens de lasthebber
gehouden is.
2. De
lasthebber is in het geval in dit artikel bedoeld gehouden
de naam van de lastgever aan de derde op diens verzoek mede
te delen.
Artikel 422
1.
Lastgeving eindigt, behalve door opzegging overeenkomstig
artikel 408, door:
a. de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de
lastgever of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, met dien verstande dat de dood of de
ondercuratelestelling de overeenkomst doet eindigen op
het tijdstip waarop de lasthebber daarvan kennis krijgt;
b. de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de
lasthebber of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen.
2. Van
artikel 408 lid 1 voor zover van toepassing op lastgeving,
en van lid 1 onder a kan niet worden afgeweken. Voor
zover de overeenkomst strekt tot het verrichten van een
rechtshandeling in het belang van de lasthebber of van een
derde, kan echter worden bepaald dat zij niet door de
lastgever kan worden opgezegd, of dat zij niet eindigt door
de dood of de ondercuratelestelling van de lastgever.
Artikel 74 leden 1, tweede zin, 2 en 4 van Boek 3 is van
overeenkomstige toepassing.
3.
Eindigt de lastgeving door de dood of de
ondercuratelestelling van de lastgever, dan is de lasthebber
niettemin verplicht al datgene te doen wat de omstandigheden
in het belang van de wederpartij eisen.
4.
Eindigt de lastgeving door de dood van de lasthebber, dan
zijn diens erfgenamen, indien zij kennis dragen van de
erfopvolging en van de lastgeving, verplicht al datgene te
doen wat de omstandigheden in het belang van de wederpartij
eisen. Een overeenkomstige verplichting rust op degenen in
wier dienst of met wie de lasthebber een beroep of bedrijf
uitoefende.
Artikel 423
1.
Indien is bedongen dat de lasthebber een aan de lastgever
toekomend recht in eigen naam en met uitsluiting van de
lastgever zal uitoefenen, mist deze de bevoegdheid tot deze
uitoefening voor de duur van de overeenkomst ook jegens
derden. De uitsluiting kan niet worden tegengeworpen aan
derden die haar kenden noch behoorden te kennen.
2.
Indien de lasthebber die de uitsluiting bedong, een
rechtspersoon is die zich ingevolge zijn statuten ten doel
stelt de gezamenlijke belangen van meer lastgevers door de
uitoefening van de aan hen toekomende rechten te behartigen,
kan in afwijking van artikel 422 lid 2 worden overeengekomen
dat de lastgeving niet zal eindigen door opzegging door de
lastgever op een termijn die minder dan een jaar bedraagt,
noch door diens dood, ondercuratelestelling, faillissement
of het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Dit beding
sluit niet uit dat de overeenkomst op een termijn van
tenminste één maand kan worden opgezegd door de erfgenamen
van de lastgever of, in geval van diens faillissement of
ondercuratelestelling, door de curator dan wel, indien ten
aanzien van de lastgever de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard, door de
bewindvoerder. Wanneer de nalatenschap van de lastgever
ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe
aan zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 424
1. De
artikelen 415-423 zijn van overeenkomstige toepassing op
andere overeenkomsten dan lastgeving krachtens welke de ene
partij verplicht of bevoegd is voor rekening van de andere
partij rechtshandelingen te verrichten, voor zover de
strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard
van de overeenkomst zich daartegen niet verzet.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing op overeenkomsten tot het
vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken.
Afdeling 3. Bemiddelingsovereenkomst
Artikel 425
De bemiddelingsovereenkomst is de
overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de
opdrachtnemer, zich tegenover de andere partij, de
opdrachtgever, verbindt tegen loon als tussenpersoon werkzaam te
zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten
tussen de opdrachtgever en derden.
Artikel 426
1. De
tussenpersoon heeft recht op loon zodra door zijn
bemiddeling de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de
derde is tot stand gekomen.
2.
Indien het recht op loon afhankelijk is gesteld van de
uitvoering van de bemiddelde overeenkomst en deze
overeenkomst niet wordt uitgevoerd, is de opdrachtgever het
loon ook verschuldigd, tenzij de niet-uitvoering niet aan
hem kan worden toegerekend.
Artikel 427
De artikelen 417 en 418 zijn van
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten waarbij de ene
partij jegens de andere partij verplicht of bevoegd is als
tussenpersoon werkzaam te zijn als bedoeld in artikel 425, met
dien verstande dat met een tussenpersoon die tevens werkzaam is
voor de wederpartij, gelijkgesteld is een tussenpersoon die zelf
als wederpartij optreedt.
Afdeling 4. Agentuurovereenkomst
Artikel 428
1. De
agentuurovereenkomst is een overeenkomst waarbij de ene
partij, de principaal, aan de andere partij, de
handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een
bepaalde of een onbepaalde tijd en tegen beloning bij de
totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen,
en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal
te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn.
2. De
bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op
agentuurovereenkomsten waarop de de Wet op het financieel
toezicht van toepassing is.
3. Ieder
der partijen is verplicht de wederpartij op haar verzoek een
ondertekend geschrift te verschaffen dat de dan geldende
inhoud van de agentuurovereenkomst weergeeft.
Artikel 429
1. De
handelsagent kan zich voor verplichtingen die voor derden
uit een door hem bemiddelde of afgesloten overeenkomst
voortvloeien, uitsluitend schriftelijk aansprakelijk
stellen.
2.
Tenzij schriftelijk anders is overeengekomen, is de
handelsagent krachtens een beding van delcredere slechts
aansprakelijk voor de gegoedheid van de derde.
3. Hij
kan zich niet aansprakelijk stellen tot een hoger bedrag dan
de overeengekomen provisie, tenzij het beding betrekking
heeft op een bepaalde overeenkomst of op overeenkomsten die
hij zelf in naam van de principaal sluit.
4.
Indien er een kennelijke wanverhouding is tussen het risico
dat de handelsagent op zich heeft genomen, en de bedongen
provisie, kan de rechter het bedrag waarvoor de handelsagent
aansprakelijk is, matigen, voor zover dit bedrag de provisie
te boven gaat. De rechter houdt met alle omstandigheden
rekening, in het bijzonder met de wijze waarop de
handelsagent de belangen van de principaal heeft behartigd.
Artikel 430
1. De
principaal moet alles doen wat in de gegeven omstandigheden
van zijn kant nodig is om de handelsagent in staat te
stellen zijn werkzaamheden te verrichten.
2. Hij
moet aan de handelsagent het nodige documentatiemateriaal
ter beschikking stellen over de goederen en diensten
waarvoor de handelsagent bemiddelt, en hem alle inlichtingen
verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van de
agentuurovereenkomst.
3. Hij
is verplicht de handelsagent onverwijld te waarschuwen,
indien hij voorziet dat in een uitgesproken geringere mate
dan de handelsagent mocht verwachten, overeenkomsten zullen
of mogen worden afgesloten.
4. Hij
moet de handelsagent binnen een redelijke termijn op de
hoogte stellen van zijn aanvaarding of weigering of de
niet-uitvoering van een door de handelsagent aangebrachte
overeenkomst.
Artikel 431
1. De
handelsagent heeft recht op provisie voor de overeenkomsten
die tijdens de duur der agentuurovereenkomst zijn tot stand
gekomen:
a. indien de overeenkomst door
zijn tussenkomst is tot stand gekomen;
b. indien de overeenkomst is tot
stand gekomen met iemand die hij reeds vroeger voor een
dergelijke overeenkomst had aangebracht;
c. indien de overeenkomst is
afgesloten met iemand die behoort tot de klantenkring
die, of gevestigd is in het gebied dat aan de
handelsagent is toegewezen, tenzij uitdrukkelijk is
overeengekomen dat de handelsagent ten aanzien van die
klantenkring of in dat gebied niet het alleenrecht
heeft.
2. De
handelsagent heeft recht op provisie voor de voorbereiding
van na het einde van de agentuurovereenkomst tot stand
gekomen overeenkomsten:
a. indien deze hoofdzakelijk aan
de tijdens de duur van de agentuurovereenkomst door hem
verrichte werkzaamheden zijn te danken en binnen een
redelijke termijn na de beëindiging van die overeenkomst
zijn afgesloten, of
b. indien hij of de principaal,
overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het eerste lid,
de bestelling van de derde heeft ontvangen voor de
beëindiging van de agentuurovereenkomst.
3. De
handelsagent heeft geen recht op provisie, indien deze
krachtens het tweede lid is verschuldigd aan zijn
voorganger, tenzij uit de omstandigheden voortvloeit dat het
billijk is de provisie tussen hen beiden te verdelen.
Artikel 432
1.
Indien de rol van de handelsagent zich heeft beperkt tot het
verlenen van bemiddeling bij de totstandkoming van de
overeenkomst, wordt de order die hij aan zijn principaal
heeft doen toekomen, voor wat betreft het recht op provisie
krachtens artikel 426 geacht te zijn aanvaard, tenzij de
principaal de handelsagent binnen de redelijke termijn,
bedoeld in artikel 430 lid 4, mededeelt dat hij de order
weigert of een voorbehoud maakt. Bij gebreke van een in de
agentuurovereenkomst bepaalde termijn bedraagt de termijn
een maand vanaf het tijdstip waarop hem de order is
medegedeeld.
2. Het
beding dat het recht op provisie doet afhangen van de
uitvoering van de overeenkomst, dient uitdrukkelijk te
worden gemaakt.
3.
Indien het beding, bedoeld in het tweede lid, is gemaakt,
ontstaat het recht op provisie uiterlijk wanneer de derde
zijn deel van de overeenkomst heeft uitgevoerd, of dit had
moeten doen, indien de principaal zijn deel van de
transactie had uitgevoerd.
Artikel 433
1. De
principaal is verplicht na afloop van iedere maand aan de
handelsagent een schriftelijke opgave te verstrekken van de
over die maand verschuldigde provisie, onder vermelding van
de gegevens waarop de berekening berust; deze opgave moet
worden verstrekt voor het einde van de volgende maand.
Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat de opgave
twee- of driemaandelijks wordt verstrekt.
2. De
handelsagent is bevoegd van de principaal inzage te
verlangen van de nodige bewijsstukken, echter zonder afgifte
te kunnen verlangen. Hij kan zich op zijn kosten doen
bijstaan door een deskundige, aanvaard door de principaal
of, bij afwijzing, benoemd door de voorzieningenrechter van
de bevoegde rechtbank op verzoek van de handelsagent.
3.
Echter kunnen partijen schriftelijk overeenkomen dat de
inzage van de bewijsstukken zal geschieden aan een derde;
indien deze zijn taak niet vervult, zal de
voorzieningenrechter van de rechtbank een plaatsvervanger
aanwijzen.
4. De
overlegging van de bewijsstukken door de principaal
geschiedt onder verplichting tot geheimhouding door de
handelsagent en in de vorige leden vermelde personen. Deze
laatsten zijn echter niet verplicht tot geheimhouding
tegenover de handelsagent voor zover het betreft een in het
eerste lid bedoeld gegeven.
Artikel 434
De provisie wordt uiterlijk opeisbaar op
het tijdstip waarop de schriftelijke opgave, bedoeld in artikel
433, moet worden verstrekt.
Artikel 435
1. De
handelsagent heeft recht op een beloning, indien hij bereid
is zijn verplichtingen uit de agentuurovereenkomst na te
komen of deze reeds heeft nagekomen, doch de principaal van
de diensten van de handelsagent geen gebruik heeft gemaakt
of in aanzienlijk geringere mate gebruik heeft gemaakt dan
deze als normaal mocht verwachten, tenzij de gedraging van
de principaal voortvloeit uit omstandigheden welke
redelijkerwijs niet voor zijn rekening komen.
2. Bij
de bepaling van deze beloning wordt rekening gehouden met
het bedrag van de in de voorafgaande tijd verdiende provisie
en met alle andere ter zake in acht te nemen factoren, zoals
de onkosten die de handelsagent zich door het niet
verrichten van werkzaamheden bespaart.
Artikel 436
Een agentuurovereenkomst die na het
verstrijken van de termijn waarvoor zij is aangegaan, door beide
partijen wordt voortgezet, bindt partijen voor onbepaalde tijd
op dezelfde voorwaarden.
Artikel 437
1.
Indien de agentuurovereenkomst is aangegaan voor een
onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd met recht van
tussentijdse opzegging, is ieder der partijen bevoegd haar
te doen eindigen met inachtneming van de overeengekomen
opzeggingstermijn. Bij gebreke van een overeenkomst
dienaangaande zal de opzeggingstermijn vier maanden
bedragen, vermeerderd met een maand na drie jaren looptijd
van de overeenkomst en met twee maanden na zes jaren.
2. De
termijn van opzegging kan niet korter zijn dan een maand in
het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden in het
tweede jaar en drie maanden in de volgende jaren. Indien
partijen langere termijnen overeenkomen, mogen deze voor de
principaal niet korter zijn dan voor de handelsagent.
3.
Opzegging behoort plaats te vinden tegen het einde van een
kalendermaand.
Artikel 438
1. De
agentuurovereenkomst eindigt door het overlijden van de
handelsagent.
2. In
geval van overlijden van de principaal zijn zowel zijn
erfgenamen als de handelsagent bevoegd, mits binnen negen
maanden na het overlijden, de overeenkomst te doen eindigen
met een opzeggingstermijn van vier maanden. Wanneer de
nalatenschap van de principaal ingevolge artikel 13 van Boek
4 wordt verdeeld, komt de bevoegdheid van de erfgenamen,
bedoeld in de vorige zin, toe aan zijn echtgenoot of
geregistreerde partner.
Artikel 439
1. De
partij die de overeenkomst beëindigt zonder eerbiediging van
haar duur of zonder inachtneming van de wettelijke of
overeengekomen opzeggingstermijn en zonder dat de
wederpartij daarin toestemt, is schadeplichtig, tenzij zij
de overeenkomst doet eindigen om een dringende, aan de
wederpartij onverwijld medegedeelde reden.
2.
Dringende redenen zijn omstandigheden van zodanige aard dat
van de partij die de overeenkomst doet eindigen,
redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst,
zelfs tijdelijk, in stand te laten.
3.
Indien de beëindiging van de overeenkomst wegens een
dringende reden gegrond is op omstandigheden waarvoor de
wederpartij een verwijt treft, is laatstgenoemde
schadeplichtig.
4. Een
beding waardoor aan een der partijen de beslissing wordt
overgelaten of er een dringende reden aanwezig is, is
nietig.
Artikel 440
1. Ieder
der beide partijen is bevoegd de kantonrechter te verzoeken
de agentuurovereenkomst te ontbinden op grond van:
a. omstandigheden die een
dringende reden opleveren in de zin van artikel 439 lid
2;
b. verandering in de
omstandigheden welke van dien aard is, dat de
billijkheid eist dat aan de overeenkomst dadelijk of na
korte tijd een einde wordt gemaakt.
2.
Spreekt de rechter de ontbinding uit op grond van een
omstandigheid als bedoeld in het eerste lid onder a
en kan van deze omstandigheid de verweerder een verwijt
worden gemaakt, dan is deze schadeplichtig.
3.
Spreekt de rechter de ontbinding uit op grond van hetgeen is
bepaald in het eerste lid onder b, dan kan hij aan
een der partijen een vergoeding toekennen. Hij kan bepalen
dat deze in termijnen wordt betaald.
4. Het
vijfde, zesde, zevende, negende, tiende en elfde lid van
artikel 685 van Boek 7 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 441
1. De
partij die, krachtens artikel 439 of artikel 440 lid 2,
schadeplichtig is, is aan de wederpartij een som
verschuldigd gelijk aan de beloning over de tijd dat de
agentuurovereenkomst bij regelmatige beëindiging had behoren
voort te duren. Voor de vaststelling van deze som wordt
rekening gehouden met de in de voorafgaande tijd verdiende
provisie en met alle andere ter zake in acht te nemen
factoren.
2. De
rechter is bevoegd deze som te verminderen, indien zij hem
met het oog op de omstandigheden te hoog voorkomt.
3. De
benadeelde partij kan, in plaats van de schadeloosstelling
in de voorafgaande leden bedoeld, volledige vergoeding van
haar schade vorderen, onder gehoudenheid de omvang daarvan
te bewijzen.
Artikel 442
1.
Ongeacht het recht om schadevergoeding te vorderen, heeft de
handelsagent bij het einde van de agentuurovereenkomst recht
op een vergoeding, klantenvergoeding, voor zover:
a. hij de principaal nieuwe
klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de
bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en de
overeenkomsten met deze klanten de principaal nog
aanzienlijke voordelen opleveren, en
b. de betaling van deze vergoeding
billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het
bijzonder op de verloren provisie uit de overeenkomsten
met deze klanten.
2. Het
bedrag van de vergoeding is niet hoger dan dat van de
beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de
laatste vijf jaren of, indien de overeenkomst korter heeft
geduurd, naar het gemiddelde van de gehele duur daarvan.
3. Het
recht op vergoeding vervalt, indien de handelsagent de
principaal niet uiterlijk een jaar na het einde van de
overeenkomst heeft medegedeeld dat hij vergoeding verlangt.
4. De
vergoeding is niet verschuldigd, indien de overeenkomst is
beëindigd:
a. door de principaal onder
omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 439
lid 3 schadeplichtig maken;
b. door de handelsagent, tenzij
deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door
omstandigheden die de principaal kunnen worden
toegerekend, of wordt gerechtvaardigd door leeftijd,
invaliditeit of ziekte van de handelsagent, op grond
waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden
gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;
c. door de handelsagent die,
overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn
rechten en verplichtingen uit hoofde van de
agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.
Artikel 443
1. Een
beding dat de handelsagent beperkt in zijn vrijheid om na
het einde van de agentuurovereenkomst werkzaam te zijn, is
slechts geldig voor zover:
a. het op schrift is gesteld, en
b. betrekking heeft op het soort
goederen of diensten waarvan hij de vertegenwoordiging
had, en op het gebied, of de klantenkring en het gebied,
aan hem toevertrouwd.
2.
Zodanig beding is slechts geldig gedurende ten hoogste twee
jaren na het einde van de overeenkomst.
3. Aan
zodanig beding kan de principaal geen rechten ontlenen,
indien de overeenkomst is geëindigd:
a. doordat hij haar zonder
toestemming van de handelsagent heeft beëindigd zonder
inachtneming van de wettelijke of overeengekomen termijn
en zonder een dringende aan de handelsagent onverwijld
medegedeelde reden;
b. doordat de handelsagent de
overeenkomst heeft beëindigd vanwege een dringende,
onverwijld aan de principaal medegedeelde reden waarvoor
laatstgenoemde een verwijt treft;
c. door een rechterlijke
uitspraak, gegrond op omstandigheden ter zake waarvan de
principaal een verwijt treft.
4. De
rechter kan, indien de handelsagent dat vraagt, zulk een
beding geheel of gedeeltelijk teniet doen op grond dat, in
verhouding tot het te beschermen belang van de principaal,
de handelsagent door het beding onbillijk wordt benadeeld.
Artikel 444
Rechtsvorderingen gegrond op de artikelen
439 en 440 verjaren door verloop van één jaar na het feit dat de
vordering deed ontstaan.
Artikel 445
1.
Partijen kunnen niet afwijken van de artikelen 401, 402, 403
en 426 lid 2 noch van de artikelen 428 lid 3, 429, 430, 431
lid 2, 432 lid 2, 433, 437 lid 2, 439, 440, 441, 443 en 444.
2.
Evenmin kan ten nadele van de handelsagent worden afgeweken
van de artikelen 432 lid 3, 434 en, vóór het einde van de
overeenkomst, van artikel 442.
Afdeling 5. De overeenkomst inzake
geneeskundige behandeling
Artikel 446
1. De
overeenkomst inzake geneeskundige behandeling - in deze
afdeling verder aangeduid als de behandelingsovereenkomst -
is de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon of een
rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van
een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de
opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen
op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking
hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een
bepaalde derde. Degene op wiens persoon de handelingen
rechtstreeks betrekking hebben wordt verder aangeduid als de
patiënt.
2. Onder
handelingen op het gebied van de geneeskunst worden
verstaan:
a. alle verrichtingen - het
onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -
rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe
strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het
ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn
gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze
verloskundige bijstand te verlenen;
b. andere dan de onder a
bedoelde handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende
op een persoon, die worden verricht door een arts of
tandarts in die hoedanigheid.
3. Tot
de handelingen, bedoeld in lid 1, worden mede gerekend het
in het kader daarvan verplegen en verzorgen van de patiënt
en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de patiënt
voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die
handelingen kunnen worden verricht.
4. Onder
handelingen als bedoeld in lid 1 zijn niet begrepen
handelingen op het gebied van de artsenijbereidkunst in de
zin van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, indien deze
worden verricht door een gevestigde apotheker in de zin van
die wet.
5. Geen
behandelingsovereenkomst is aanwezig, indien het betreft
handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of
medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht
van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling
van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een
verzekering of voorziening, of de beoordeling van de
geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de
uitvoering van bepaalde werkzaamheden.
Artikel 447
1. Een
minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een
behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede
tot het verrichten van rechtshandelingen die met de
overeenkomst onmiddellijk verband houden.
2. De
minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende
verbintenissen, onverminderd de verplichting van zijn ouders
tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.
3. In op
die behandelingsovereenkomst betrekking hebbende
aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten
rechte op te treden.
Artikel 448
1. De
hulpverlener licht de patiënt op duidelijke wijze, en
desgevraagd schriftelijk in over het voorgenomen onderzoek
en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen
omtrent het onderzoek, de behandeling en de
gezondheidstoestand van de patiënt. De hulpverlener licht
een patiënt die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft
bereikt op zodanige wijze in als past bij zijn
bevattingsvermogen.
2. Bij
het uitvoeren van de in lid 1 neergelegde verplichting laat
de hulpverlener zich leiden door hetgeen de patiënt
redelijkerwijze dient te weten ten aanzien van:
a. de aard en het doel van het
onderzoek of de behandeling die hij noodzakelijk acht en
van de uit te voeren verrichtingen;
b. de te verwachten gevolgen en
risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
c. andere methoden van onderzoek
of behandeling die in aanmerking komen;
d. de staat van en de
vooruitzichten met betrekking tot diens gezondheid voor
wat betreft het terrein van het onderzoek of de
behandeling.
3. De
hulpverlener mag de patiënt bedoelde inlichtingen slechts
onthouden voor zover het verstrekken ervan kennelijk ernstig
nadeel voor de patiënt zou opleveren. Indien het belang van
de patiënt dit vereist, dient de hulpverlener de
desbetreffende inlichtingen aan een ander dan de patiënt te
verstrekken. De inlichtingen worden de patiënt alsnog
gegeven, zodra bedoeld nadeel niet meer te duchten is. De
hulpverlener maakt geen gebruik van zijn in de eerste volzin
bedoelde bevoegdheid dan nadat hij daarover een andere
hulpverlener heeft geraadpleegd.
Artikel 449
Indien de patiënt te kennen heeft gegeven
geen inlichtingen te willen ontvangen, blijft het verstrekken
daarvan achterwege, behoudens voor zover het belang dat de
patiënt daarbij heeft niet opweegt tegen het nadeel dat daaruit
voor hemzelf of anderen kan voortvloeien.
Artikel 450
1. Voor
verrichtingen ter uitvoering van een
behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt
vereist.
2.
Indien de patiënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf
maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens
de toestemming van de ouders die het gezag over hem
uitoefenen of van zijn voogd vereist. De verrichting kan
evenwel zonder de toestemming van de ouders of de voogd
worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde
ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien
de patiënt ook na de weigering van de toestemming, de
verrichting weloverwogen blijft wensen.
3. In
het geval waarin een patiënt van zestien jaren of ouder niet
in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van
zijn belangen ter zake, worden door de hulpverlener en een
persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 van artikel 465, de
kennelijke opvattingen van de patiënt, geuit in
schriftelijke vorm toen deze tot bedoelde redelijke
waardering nog in staat was en inhoudende een weigering van
toestemming als bedoeld in lid 1, opgevolgd. De hulpverlener
kan hiervan afwijken indien hij daartoe gegronde redenen
aanwezig acht.
Artikel 451
Op verzoek van de patiënt legt de
hulpverlener in ieder geval schriftelijk vast voor welke
verrichtingen van ingrijpende aard deze toestemming heeft
gegeven.
Artikel 452
De patiënt geeft de hulpverlener naar
beste weten de inlichtingen en de medewerking die deze
redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.
Artikel 453
De hulpverlener moet bij zijn
werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en
handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende
verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners
geldende professionele standaard.
Artikel 454
1. De
hulpverlener richt een dossier in met betrekking tot de
behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier
aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de
patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en
neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin
op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening
aan hem noodzakelijk is.
2. De
hulpverlener voegt desgevraagd een door de patiënt afgegeven
verklaring met betrekking tot de in het dossier opgenomen
stukken aan het dossier toe.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 455, bewaart de
hulpverlener de bescheiden, bedoeld in de vorige leden,
gedurende vijftien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip
waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als
redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener
voortvloeit.
Artikel 455
1. De
hulpverlener vernietigt de door hem bewaarde bescheiden,
bedoeld in artikel 454, binnen drie maanden na een daartoe
strekkend verzoek van de patiënt.
2. Lid 1
geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan
redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van
aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt,
alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich
tegen vernietiging verzet.
Artikel 456
De hulpverlener verstrekt aan de patiënt
desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de
bescheiden, bedoeld in artikel 454. De verstrekking blijft
achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De
hulpverlener mag voor de verstrekking van het afschrift een
redelijke vergoeding in rekening brengen.
Artikel 457
1.
Onverminderd het in artikel 448 lid 3, tweede volzin,
bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de
patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in
of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454,
worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien
verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover
daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet
wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder
inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande
volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde
daartoe verplicht.
2. Onder
anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen die
rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de
behandelingsovereenkomst en degene die optreedt als
vervanger van de hulpverlener, voor zover de verstrekking
noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten
werkzaamheden.
3.
Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter
zake van de uitvoering van de behandelingsovereenkomst op
grond van de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de
hulpverlener door inlichtingen over de patiënt dan wel
inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken niet
geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht
te nemen, laat hij zulks achterwege.
Artikel 458
1. In
afwijking van het bepaalde in artikel 457 lid 1 kunnen
zonder toestemming van de patiënt ten behoeve van statistiek
of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de
volksgezondheid aan een ander desgevraagd inlichtingen over
de patiënt of inzage in de bescheiden, bedoeld in artikel
454, worden verstrekt indien:
a. het vragen van toestemming in
redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de
uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige
waarborgen, dat de persoonlijke levenssfeer van de
patiënt niet onevenredig wordt geschaad, of
b. het vragen van toestemming,
gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in
redelijkheid niet kan worden verlangd en de hulpverlener
zorg heeft gedragen dat de gegevens in zodanige vorm
worden verstrekt dat herleiding tot individuele
natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen.
2.
Verstrekking overeenkomstig lid 1 is slechts mogelijk
indien:
a. het onderzoek een algemeen
belang dient,
b. het onderzoek niet zonder de
desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en
c. voor zover de betrokken patiënt
tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft
gemaakt.
3. Bij
een verstrekking overeenkomstig lid 1 wordt daarvan
aantekening gehouden in het dossier.
Artikel 459
1. De
hulpverlener voert verrichtingen in het kader van de
behandelingsovereenkomst uit buiten de waarneming van
anderen dan de patiënt, tenzij de patiënt ermee heeft
ingestemd dat de verrichtingen kunnen worden waargenomen
door anderen.
2. Onder
anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen van wie
beroepshalve de medewerking bij de uitvoering van de
verrichting noodzakelijk is.
3.
Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter
zake van de verrichting op grond van de artikelen 450 en 465
is vereist. Indien de hulpverlener door verrichtingen te
doen waarnemen niet geacht kan worden de zorg van een goed
hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks niet toe.
Artikel 460
De hulpverlener kan, behoudens gewichtige
redenen, de behandelingsovereenkomst niet opzeggen.
Artikel 461
De opdrachtgever is de hulpverlener loon
verschuldigd, behoudens voor zover deze voor zijn werkzaamheden
loon ontvangt op grond van het bij of krachtens de wet bepaalde
dan wel uit de overeenkomst anders voortvloeit.
Artikel 462
1.
Indien ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst
verrichtingen plaatsvinden in een ziekenhuis dat bij die
overeenkomst geen partij is, is het ziekenhuis voor een
tekortkoming daarbij mede aansprakelijk, als ware het zelf
bij de overeenkomst partij.
2. Onder
ziekenhuis als bedoeld in lid 1 worden verstaan een
krachtens artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen
als ziekenhuis, verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting
toegelaten instelling of afdeling daarvan, een academisch
ziekenhuis alsmede een abortuskliniek in de zin van de Wet
afbreking zwangerschap.
Artikel 463
De aansprakelijkheid van een hulpverlener
of, in het geval bedoeld in artikel 462, van het ziekenhuis, kan
niet worden beperkt of uitgesloten.
Artikel 464
1.
Indien in de uitoefening van een geneeskundig beroep of
bedrijf anders dan krachtens een behandelingsovereenkomst
handelingen op het gebied van de geneeskunst worden
verricht, zijn deze afdeling alsmede de artikelen 404, 405
lid 2 en 406 van afdeling 1 van deze titel van
overeenkomstige toepassing voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
2.
Betreft het handelingen als omschreven in artikel 446 lid 5,
dan:
a. worden de in artikel 454
bedoelde bescheiden slechts bewaard zolang dat
noodzakelijk is in verband met het doel van het
onderzoek, tenzij het bepaalde bij of krachtens de wet
zich tegen vernietiging verzet;
b. wordt de persoon op wie het
onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee
te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het
onderzoek wenst te vernemen. Indien die wens is geuit en
de handelingen niet worden verricht in verband met een
tot stand gekomen arbeidsverhouding of burgerrechtelijke
verzekering dan wel een opleiding waartoe de betrokkene
reeds is toegelaten, wordt bedoelde persoon tevens in de
gelegenheid gesteld mee te delen of hij van de uitslag
en de gevolgtrekking als eerste kennis wenst te nemen
teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan
anderen wordt gedaan.
Artikel 465
1. De
verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling
jegens de patiënt voortvloeien worden, indien de patiënt de
leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, door de
hulpverlener nagekomen jegens de ouders die het gezag over
de patiënt uitoefenen dan wel jegens zijn voogd.
2.
Hetzelfde geldt indien de patiënt de leeftijd van twaalf
jaren heeft bereikt, maar niet in staat kan worden geacht
tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake,
tenzij zodanige patiënt meerderjarig is en onder curatele
staat of ten behoeve van hem het mentorschap is ingesteld,
in welke gevallen nakoming jegens de curator of de mentor
geschiedt.
3.
Indien een meerderjarige patiënt die niet in staat kan
worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
ter zake, niet onder curatele staat of ten behoeve van hem
niet het mentorschap is ingesteld, worden de verplichtingen
die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt
voortvloeien, door de hulpverlener nagekomen jegens de
persoon die daartoe door de patiënt schriftelijk is
gemachtigd in zijn plaats op te treden. Ontbreekt zodanige
persoon, of treedt deze niet op, dan worden de
verplichtingen nagekomen jegens de echtgenoot, de
geregistreerde partner of andere levensgezel van de patiënt,
tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook
zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of
zus van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst.
4. De
hulpverlener komt zijn verplichtingen na jegens de in de
leden 1 en 2 bedoelde wettelijke vertegenwoordigers van de
patiënt en de in lid 3 bedoelde personen, tenzij die
nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed
hulpverlener.
5. De
persoon jegens wie de hulpverlener krachtens de leden 2 of 3
gehouden is de uit deze afdeling jegens de patiënt
voortvloeiende verplichtingen na te komen, betracht de zorg
van een goed vertegenwoordiger. Deze persoon is gehouden de
patiënt zoveel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te
betrekken.
6.
Verzet de patiënt zich tegen een verrichting van ingrijpende
aard waarvoor een persoon als bedoeld in de leden 2 of 3
toestemming heeft gegeven, dan kan de verrichting slechts
worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde
ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen.
Artikel 466
1. Is op
grond van artikel 465 voor het uitvoeren van een verrichting
uitsluitend de toestemming van een daar bedoelde persoon in
plaats van die van de patiënt vereist, dan kan tot de
verrichting zonder die toestemming worden overgegaan indien
de tijd voor het vragen van die toestemming ontbreekt
aangezien onverwijlde uitvoering van de verrichting
kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt
te voorkomen.
2. Een
volgens de artikelen 450 en 465 vereiste toestemming mag
worden verondersteld te zijn gegeven, indien de
desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is.
Artikel 467
1. Van
het lichaam afgescheiden anonieme stoffen en delen kunnen
worden gebruikt voor medisch statistisch of ander medisch
wetenschappelijk onderzoek voor zover de patiënt van wie het
lichaamsmateriaal afkomstig is, geen bezwaar heeft gemaakt
tegen zodanig onderzoek en het onderzoek met de vereiste
zorgvuldigheid wordt verricht.
2. Onder
onderzoek met van het lichaam afgescheiden anonieme stoffen
en delen wordt verstaan onderzoek waarbij is gewaarborgd dat
het bij het onderzoek te gebruiken lichaamsmateriaal en de
daaruit te verkrijgen gegevens niet tot de persoon
herleidbaar zijn.
Artikel 468
Van de bepalingen van deze afdeling en van
de artikelen 404, 405 lid 2 en 406 kan niet ten nadele van de
patiënt worden afgeweken.
Titel 7A. Reisovereenkomst
Artikel 500
1. In
deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. reisorganisator: degene die, in
de uitoefening van zijn bedrijf, op eigen naam aan het
publiek of aan een groep personen van te voren
georganiseerde reizen aanbiedt;
b. reisovereenkomst: de
overeenkomst waarbij een reisorganisator zich jegens
zijn wederpartij verbindt tot het verschaffen van een
door hem aangeboden van te voren georganiseerde reis die
een overnachting of een periode van meer dan 24 uren
omvat alsmede ten minste twee van de volgende diensten:
1°. vervoer,
2°. verblijf,
3°. een andere niet met
vervoer of verblijf verband houdende, toeristische
dienst die een significant deel van de reis
uitmaakt;
c. reiziger:
1°. de wederpartij van de
reisorganisator,
2°. degene te wiens behoeve de
reis is bedongen en die dat beding heeft aanvaard,
of
3°. degene aan wie
overeenkomstig artikel 506 de rechtsverhouding tot
de reisorganisator is overgedragen.
2.
Degene die in de uitoefening van zijn bedrijf als
tussenpersoon optreedt van een niet in Nederland gevestigde
reisorganisator, wordt jegens zijn wederpartij als
reisorganisator aangemerkt.
Artikel 501
1.
Indien de reisorganisator een algemeen verkrijgbare
prospectus of andere publikatie uitgeeft, vermeldt hij
daarin de reissom en de andere bij algemene maatregel van
bestuur bepaalde gegevens.
2. Vóór
het sluiten van de reisovereenkomst deelt de reisorganisator
de wederpartij schriftelijk of op andere begrijpelijke en
toegankelijke wijze de in het eerste lid bedoelde gegevens
mee, voor zover die gegevens aan de wederpartij nog niet
bekend zijn door verstrekking van de algemeen verkrijgbare
prospectus of andere publikatie.
3. Het
tweede lid is niet van toepassing indien de reisovereenkomst
minder dan 72 uren voor de aanvang van de reis wordt
gesloten.
Artikel 502
1. De
reisorganisator verschaft de wederpartij na het sluiten van
de overeenkomst onverwijld een afschrift van de voorwaarden,
voor zover deze niet reeds in de overgelegde bescheiden
besloten liggen.
2. Vóór
de aanvang van de reis deelt de reisorganisator de
wederpartij of degene aan wie overeenkomstig artikel 506 de
rechtsverhouding tot de reisorganisator is overgedragen
schriftelijk of op andere begrijpelijke en toegankelijke
wijze de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde
gegevens mee.
Artikel 503
1. De
reiziger kan de reisovereenkomst te allen tijde met
onmiddellijke ingang opzeggen.
2.
Indien de reiziger opzegt wegens een aan hem toe te rekenen
omstandigheid, vergoedt de reiziger de reisorganisator de
schade die deze tengevolge van de opzegging lijdt. De
schadevergoeding bedraagt ten hoogste eenmaal de reissom.
3.
Indien de reiziger opzegt wegens een niet aan hem toe te
rekenen omstandigheid, heeft hij recht op teruggave of
kwijtschelding van de reissom of, indien de reis reeds ten
dele is genoten, een evenredig deel daarvan.
Artikel 504
1.
Onverminderd artikel 505, vierde lid, kan de reisorganisator
de reisovereenkomst slechts opzeggen wegens gewichtige, de
reiziger onverwijld meegedeelde omstandigheden.
2.
Indien de reisorganisator opzegt wegens een niet aan de
reiziger toe te rekenen omstandigheid, biedt hij deze een
andere reis van gelijke of betere kwaliteit aan.
Onverminderd het derde lid heeft de reiziger die dat aanbod
niet aanvaardt, recht op teruggave of kwijtschelding van de
reissom of, indien de reis reeds ten dele is genoten, een
evenredig deel daarvan.
3. In
geval van opzegging vergoedt de reisorganisator de reiziger
de door deze geleden vermogensschade en een bedrag voor het
derven van reisgenot, tenzij
a. hij de overeenkomst opzegt
omdat het aantal aanmeldingen kleiner is dan het
vereiste minimumaantal en de reiziger binnen de in de
overeenkomst aangegeven termijn schriftelijk van de
opzegging in kennis is gesteld, of
b. de opzegging het gevolg is van
overmacht, waaronder overboeken niet is begrepen. Onder
overmacht worden in deze titel verstaan abnormale en
onvoorzienbare omstandigheden die onafhankelijk zijn van
de wil van degene die zich erop beroept en waarvan de
gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden
worden vermeden.
Artikel 505
1. De
reisorganisator kan bedingen dat hij de reisovereenkomst op
een wezenlijk punt mag wijzigen wegens gewichtige, de
reiziger onverwijld medegedeelde omstandigheden. De reiziger
kan de wijziging afwijzen.
2.
Behoudens lid 1 kan de reisorganisator bedingen dat hij de
reisovereenkomst mag wijzigen wegens gewichtige, de reiziger
onverwijld meegedeelde omstandigheden. De reiziger kan de
wijziging slechts afwijzen indien zij hem tot nadeel van
meer dan geringe betekenis strekt.
3. De
reisorganisator kan bedingen dat hij tot twintig dagen voor
de aanvang van de reis de reissom mag verhogen in verband
met wijzigingen in de vervoerkosten met inbegrip van
brandstofkosten, de verschuldigde heffingen of de
toepasselijke wisselkoersen. Bij toepassing van dit beding
geeft de reisorganisator aan op welke wijze de verhoging is
berekend. De reiziger kan de verhoging afwijzen.
4. Na
een afwijzing als in de voorgaande leden bedoeld, kan de
reisorganisator de reisovereenkomst opzeggen. De reiziger
heeft recht op teruggave of kwijtschelding van de reissom
of, indien de reis reeds ten dele is genoten, een evenredig
deel daarvan. Indien de reisorganisator opzegt na een
afwijzing door de reiziger als bedoeld in de leden 1 en 2 is
bovendien artikel 504, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 506
1.
Tijdig voor de aanvang van de reis kan de reiziger zijn
rechtsverhouding tot de reisorganisator overdragen aan een
derde die aan alle voorwaarden van de reisovereenkomst
voldoet. Een termijn van zeven dagen voor de aanvang van de
reis wordt geacht in ieder geval tijdig te zijn.
2. De
overdracht vindt plaats door een daarop gerichte
overeenkomst met de derde en schriftelijke mededeling
daarvan door de overdragende reiziger aan de
reisorganisator. De overdragende reiziger en de derde zijn
hoofdelijk verbonden tot betaling van de reissom en de
kosten in verband met de overdracht.
Artikel 507
1. De
reisorganisator is verplicht tot uitvoering van de
reisovereenkomst overeenkomstig de verwachtingen die de
reiziger op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs
mocht hebben.
2.
Indien de reis niet verloopt overeenkomstig de verwachtingen
die de reiziger op grond van de reisovereenkomst
redelijkerwijs mocht hebben, is de reisorganisator verplicht
de schade te vergoeden, tenzij de tekortkoming in de
nakoming niet aan hem is toe te rekenen noch aan de persoon
van wiens hulp hij bij de uitvoering van de overeenkomst
gebruik maakt, omdat:
a. de tekortkoming in de
uitvoering van de reisovereenkomst is toe te rekenen aan
de reiziger;
b. de tekortkoming in de
uitvoering van de reisovereenkomst die niet te voorzien
was of kon worden opgeheven, is toe te rekenen aan een
derde die niet bij de levering van de in de reis
begrepen diensten is betrokken; of
c. de tekortkoming in de
uitvoering van de overeenkomst is te wijten aan
overmacht als bedoeld in artikel 504 lid 3 onder b
dan wel aan een gebeurtenis die de organisator of degene
van wiens hulp hij bij de uitvoering van de
reisovereenkomst gebruik maakt, met inachtneming van
alle mogelijke zorgvuldigheid niet kon voorzien of
verhelpen.
3. De
reisorganisator is naar gelang van de omstandigheden
verplicht de reiziger hulp en bijstand te verlenen, indien
de reis niet verloopt overeenkomstig de verwachtingen die
deze op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht
hebben. Indien de oorzaak daarvan aan de reiziger moet
worden toegerekend, is de reisorganisator tot verlening van
hulp en bijstand slechts verplicht voor zover dat
redelijkerwijs van hem gevergd kan worden. De kosten voor de
verleende hulp en bijstand komen in dat geval voor rekening
van de reiziger. De kosten voor de verleende hulp en
bijstand komen voor rekening van de reisorganisator, indien
de tekortkoming in de nakoming aan hem of aan de persoon van
wiens hulp hij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruik
maakt, overeenkomstig het tweede lid is toe te rekenen.
Artikel 508
1.
Tenzij het tweede lid van dit artikel van toepassing is, kan
de reisorganisator zijn aansprakelijkheid voor schade,
veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, niet
uitsluiten of beperken.
2.
Indien op een in de reisovereenkomst begrepen dienst een
verdrag van toepassing is, kan de reisorganisator zich
beroepen op een uitsluiting of beperking van
aansprakelijkheid die dat verdrag aan een dienstverlener als
zodanig toekent of toestaat.
Artikel 509
1. De
reisorganisator kan zijn aansprakelijkheid voor schade die
uit zijn eigen handelen of nalaten ontstaat niet beperken of
uitsluiten, indien dat handelen of nalaten geschiedt met het
opzet de schade te veroorzaken of het handelen of nalaten
roekeloos geschiedt en met de wetenschap dat de schade
daaruit waarschijnlijk zou voortvloeien.
2. Voor
zover de reisorganisator niet zelf de in de reisovereenkomst
begrepen diensten verleent, kan hij zijn aansprakelijkheid
voor andere dan de in artikel 508 bedoelde schade beperken
tot driemaal de reissom.
Artikel 510
Een tekortkoming in de nakoming van een
verbintenis die hem kan worden toegerekend, verplicht de
reisorganisator mede tot vergoeding van ander nadeel dan
vermogensschade, voor zover door die tekortkoming derving van
reisgenot is veroorzaakt.
Artikel 511
De vergoeding voor derving van reisgenot
als bedoeld in de artikelen 504, derde lid, en 510 bedraagt ten
hoogste eenmaal de reissom.
Artikel 512
1.
De reisorganisator neemt de maatregelen
die nodig zijn om te verzekeren dat, wanneer hij wegens
financieel onvermogen zijn verplichtingen jegens de reiziger
niet of niet verder kan nakomen, wordt zorggedragen hetzij
voor overneming van zijn verplichtingen door een ander
hetzij voor terugbetaling van de reissom of, indien de reis
reeds ten dele is genoten, een evenredig deel daarvan.
Indien de reiziger reeds op de plaats van bestemming is
aangekomen dient, voor zover de reisovereenkomst dat vervoer
omvat, in ieder geval te worden zorggedragen voor de
terugreis.
2. De
reisorganisator maakt de in het eerste lid bedoelde
maatregelen openbaar door deze te vermelden in de algemeen
verkrijgbare prospectus of andere publikatie, bedoeld in
artikel 501, of op andere begrijpelijke en toegankelijke
wijze.
Artikel 513
Van het bij of krachtens deze titel
bepaalde kan ten nadele van de reiziger niet worden afgeweken.
Titel 9. Bewaarneming
Artikel 600
Bewaarneming is de overeenkomst waarbij de
ene partij, de bewaarnemer, zich tegenover de andere partij, de
bewaargever, verbindt, een zaak die de bewaargever hem
toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven.
Artikel 601
1.
Indien de overeenkomst door de bewaarnemer in de uitoefening
van zijn beroep of bedrijf is aangegaan, is de bewaargever
hem loon verschuldigd.
2.
Indien loon verschuldigd is, doch de hoogte niet door
partijen is bepaald, is de bewaargever het op de
gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan,
een redelijk loon verschuldigd.
3. De
bewaargever moet aan de bewaarnemer de aan de bewaring
verbonden onkosten vergoeden, voor zover deze niet in het
loon zijn begrepen, alsook de schade die de bewaarnemer als
gevolg van de bewaring heeft geleden.
Artikel 602
De bewaarnemer moet bij de bewaring de
zorg van een goed bewaarder in acht nemen.
Artikel 603
1. De
bewaarnemer mag de zaak slechts gebruiken voor zover de
bewaargever daarvoor toestemming heeft gegeven, of het
gebruik nodig is om de zaak in goede staat te houden of te
brengen.
2.
Zonder toestemming van de bewaargever mag de bewaarnemer de
zaak niet aan een derde in bewaring geven, tenzij dit in het
belang van de bewaargever noodzakelijk is.
3. Voor
gedragingen van een onderbewaarnemer met betrekking tot de
zaak is de bewaarnemer op gelijke wijze aansprakelijk als
voor eigen gedragingen, tenzij de bewaarneming niet tegen
bewaarloon geschiedt en de bewaarnemer tot het in
onderbewaring geven genoodzaakt was ten gevolge van hem niet
toe te rekenen omstandigheden.
Artikel 604
De vruchten die de zaak in het tijdvak
tussen de ontvangst en de teruggave oplevert, moeten door de
bewaarnemer aan de bewaargever worden afgedragen.
Artikel 605
1. De
bewaargever kan onverwijlde teruggave en de bewaarnemer
onverwijlde terugneming van de zaak vorderen.
2.
Wegens gewichtige redenen kan de kantonrechter van de
rechtbank van het arrondissement waarin de zaak zich
bevindt, op verzoek van een van de partijen een van het
vorige lid of van de overeenkomst afwijkend tijdstip voor de
teruggave of terugneming bepalen. Dit lid is niet van
toepassing in geval van gerechtelijke bewaring.
3. De
teruggave moet geschieden op de plaats waar de zaak volgens
de overeenkomst moet worden bewaard, tenzij bij de
overeenkomst een andere plaats voor de teruggave is
aangewezen.
4. De
bewaarnemer is gehouden de zaak terug te geven in de staat
waarin hij haar heeft ontvangen.
Artikel 606
Indien twee of meer personen te zamen een
zaak in bewaring hebben genomen, zijn zij hoofdelijk verbonden
tot teruggave daarvan en tot vergoeding van de schade die het
gevolg is van een tekortschieten in de nakoming van die
verplichting, tenzij de tekortkoming aan geen van hen kan worden
toegerekend.
Artikel 607
1.
Indien ter zake van een bewaarneming een ceel of een ander
stuk aan toonder of order is afgegeven, geldt levering
daarvan vóór de aflevering van de daarin aangeduide zaken
als levering van die zaken.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing op registergoederen.
Artikel 608
1.
Indien een onderbewaarnemer door een bewaargever buiten
overeenkomst voor met betrekking tot de zaak geleden schade
wordt aangesproken, is hij jegens deze niet verder
aansprakelijk dan hij zou zijn als wederpartij bij de
overeenkomst, waarbij de bewaargever de zaak in bewaring
gegeven heeft.
2.
Indien een bewaarnemer buiten overeenkomst voor met
betrekking tot de zaak geleden schade wordt aangesproken
door een derde die geen bewaargever is, is hij niet verder
aansprakelijk dan hij als wederpartij van de bewaargever uit
de met deze gesloten overeenkomst zou zijn.
3.
Indien een onderbewaarnemer door een zodanige derde wordt
aangesproken, is hij niet verder aansprakelijk dan hij als
bewaarnemer op grond van het vorige lid zou zijn.
4. De
vorige leden kunnen niet worden ingeroepen door een
bewaarnemer of onderbewaarnemer die bij het sluiten van de
overeenkomst uit hoofde waarvan hij de zaak ontving, wist of
had behoren te weten dat zijn wederpartij jegens degene door
wie hij werd aangesproken, niet bevoegd was de zaak aan hem
in bewaring te geven.
Artikel 609
1. De
hotelhouder is als een bewaarnemer aansprakelijk voor
beschadiging of verlies van zaken, die in het hotel zijn
meegebracht door een gast die daar zijn intrek heeft
genomen.
2. Hij
is niet aansprakelijk voor gedragingen van personen die de
gast zelf in het hotel heeft meegebracht of uitgenodigd, en
voor schade door zaken die de gast zelf heeft meegebracht.
3. Hij
heeft op de in lid 1 bedoelde zaken een retentierecht voor
al hetgeen hij van de gast te vorderen heeft ter zake van
logies, kost, consumpties en als hotelhouder verrichte
diensten.
Titel 10. Arbeidsovereenkomst
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 610
1. De
arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene
partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere
partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd
arbeid te verrichten.
2.
Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1
voldoet als aan die van een andere door de wet geregelde
bijzondere soort van overeenkomst, zijn de bepalingen van
deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst
gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van
strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.
Artikel 610a
Hij die ten behoeve van een ander tegen
beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden,
wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand
arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten
krachtens arbeidsovereenkomst.
Artikel 610b
Indien een arbeidsovereenkomst ten minste
drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige
maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde
omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.
Artikel 611
De werkgever en de werknemer zijn
verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te
gedragen.
Artikel 612
1. Een
minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een
arbeidsovereenkomst. Hij staat in alles wat betrekking heeft
op die arbeidsovereenkomst met een meerderjarige gelijk, en
kan zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger in
rechte verschijnen.
2.
Indien een daartoe onbekwame minderjarige een
arbeidsovereenkomst heeft aangegaan en vervolgens vier weken
in dienst van de werkgever arbeid heeft verricht zonder dat
zijn wettelijke vertegenwoordiger een beroep op de in de
onbekwaamheid gelegen vernietigingsgrond heeft gedaan, wordt
hij geacht de toestemming van die vertegenwoordiger tot het
aangaan van deze arbeidsovereenkomst te hebben verkregen.
3. Een
onbekwame minderjarige die met toestemming van de wettelijke
vertegenwoordiger een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan,
staat in alles wat betrekking heeft op die
arbeidsovereenkomst met een meerderjarige gelijk, behoudens
het bepaalde in lid 4.
4. Een
onbekwame minderjarige kan niet zonder bijstand van zijn
wettelijke vertegenwoordiger in rechte verschijnen, behalve
wanneer de rechter is gebleken dat de wettelijke
vertegenwoordiger niet bij machte is zich te verklaren.
Artikel 613
De werkgever kan slechts een beroep doen
op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in
de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te
wijzigen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig
belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de
wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid moet wijken.
Artikel 613a [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 613b [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 613c [Vervallen per 04-03-1998]
Artikel 614
De termijn, bedoeld in artikel 52 lid 1
onder d van Boek 3, begint met betrekking tot uit deze
titel voortvloeiende vernietigingsgronden met de aanvang van de
dag volgende op die waarop een beroep op het beding is gedaan.
Artikel 615
De bepalingen van deze titel zijn niet van
toepassing ten aanzien van personen in dienst van staat,
provincie, gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk
lichaam, tenzij zij, hetzij vóór of bij de aanvang van de
dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of
verordening, van toepassing zijn verklaard.
Afdeling 2. Loon
Artikel 616
De werkgever is verplicht de werknemer
zijn loon op de bepaalde tijd te voldoen.
Artikel 617
1. De
vastgestelde vorm van loon mag niet anders zijn dan:
a. geld;
b. indien die vorm van loon
gewoonte is of wenselijk is wegens de aard van de
onderneming van de werkgever: zaken, geschikt voor het
persoonlijk gebruik van de werknemer en zijn
huisgenoten, met uitzondering van alcoholhoudende drank
en andere voor de gezondheid schadelijke genotmiddelen;
c. het gebruik van een woning,
alsmede verlichting en verwarming daarvan;
d. diensten, voorzieningen en
werkzaamheden door of voor rekening van de werkgever te
verrichten, onderricht, kost en inwoning daaronder
begrepen;
e. effecten, vorderingen, andere
aanspraken en bewijsstukken daarvan en bonnen.
2. Aan
de in lid 1 onder b, c en d bedoelde
zaken, diensten en voorzieningen mag geen hogere waarde
worden toegekend dan die welke met de werkelijke waarde
daarvan overeenkomt.
Artikel 618
Indien geen loon is vastgesteld, heeft de
werknemer aanspraak op het loon dat ten tijde van het sluiten
van de overeenkomst voor arbeid als de overeengekomene
gebruikelijk was of, bij gebreke van een dergelijke maatstaf, op
een loon dat met inachtneming van de omstandigheden van het
geval naar billijkheid wordt bepaald.
Artikel 619
1.
Indien het loon voor het geheel of voor een gedeelte bestaat
in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven
dat uit de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van
de werkgever moet kunnen blijken, heeft de werknemer het
recht van de werkgever overlegging te verlangen van zodanige
bewijsstukken, als hij nodig heeft om dat gegeven vast te
kunnen stellen.
2.
Partijen kunnen bij schriftelijke overeenkomst overeenkomen
aan wie, in afwijking van lid 1, overlegging van genoemde
bewijsstukken zal geschieden. Als zodanig kunnen niet worden
aangewezen werknemers die in dienst van de werkgever met de
boekhouding zijn belast.
3.
Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid toe om ter
vernietiging van een beding dat afwijkt van lid 1 of lid 2,
tweede zin, een beroep op de vernietigingsgrond te doen.
4. De
overlegging van de bewijsstukken door of vanwege de
werkgever geschiedt desverlangd onder de uitdrukkelijke
verplichting tot geheimhouding door de werknemer en degene
die hem overeenkomstig lid 2 vervangt; deze kan echter
nimmer tot geheimhouding tegenover de werknemer worden
verplicht, behoudens voor zover het betreft de winst in de
onderneming van de werkgever of in een deel daarvan gemaakt.
Artikel 620
1. De
voldoening van het in geld vastgestelde loon geschiedt in
Nederlands wettig betaalmiddel of door girale betaling
overeenkomstig artikel 114 van Boek 6.
2. De
voldoening van het in geld vastgestelde loon kan in
buitenlands geld geschieden, indien dit overeengekomen is.
De werknemer is echter bevoegd voldoening in Nederlands geld
te verlangen met ingang van de tweede komende betaaldag.
Indien omrekening nodig is, geschiedt deze naar de koers,
bedoeld in de artikelen 124 en 126 van Boek 6.
3. De
voldoening van het in andere bestanddelen dan in geld
vastgestelde loon geschiedt volgens hetgeen daarover is
overeengekomen of, als daarover niets is overeengekomen,
volgens het gebruik.
Artikel 621
1.
Voldoening van het loon, anders dan bij artikel 620 is
bepaald of, in andere vormen is vastgesteld dan door artikel
617 is toegestaan, is niet bevrijdend. De werknemer behoudt
het recht om het verschuldigde loon of, zo dit in een andere
vorm dan geld is vastgesteld, de waarde van de verschuldigde
prestatie van de werkgever te vorderen zonder gehouden te
zijn het bij de niet-bevrijdende voldoening ontvangene terug
te geven.
2.
Niettemin kan de rechter bij toewijzing van de vordering van
de werknemer de veroordeling beperken tot zodanig bedrag als
hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen,
maar uiterlijk tot de som waarop de door de werknemer
geleden schade zal worden vastgesteld.
3. Een
rechtsvordering van de werknemer op grond van dit artikel
verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop de
niet-bevrijdende voldoening plaatsvindt.
Artikel 622
De voldoening van in geld vastgesteld loon
die niet met toepassing van artikel 114 van Boek 6 plaatsvindt,
geschiedt hetzij ter plaatse waar de arbeid in de regel wordt
verricht, hetzij ten kantore van de werkgever indien dit gelegen
is in dezelfde gemeente als die waarin de meerderheid van de
werknemers woont, hetzij aan de woning van de werknemer, ter
keuze van de werkgever.
Artikel 623
1. De
werkgever is verplicht het in geld naar tijdruimte
vastgestelde loon te voldoen telkens na afloop van het
tijdvak waarover het loon op grond van de overeenkomst moet
worden berekend, met dien verstande dat het tijdvak voor
voldoening niet korter is dan één week en niet langer is dan
één maand.
2. Het
tijdvak na afloop waarvan het loon moet worden voldaan, kan
bij schriftelijke overeenkomst worden verlengd, maar niet
langer dan tot een maand wanneer het tijdvak waarover het
loon op grond van de overeenkomst moet worden berekend, een
week of korter is, en tot niet langer dan tot een kwartaal
wanneer het tijdvak waarover het loon op grond van de
overeenkomst moet worden berekend, een maand of langer is.
3.
Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid toe om ter
vernietiging van een beding dat afwijkt van dit artikel, een
beroep op de vernietigingsgrond te doen.
Artikel 624
1.
Indien het in geld vastgestelde loon afhankelijk is van de
uitkomsten van de te verrichten arbeid, houdt de werkgever
de betalingstermijnen aan die gelden voor het naar
tijdruimte vastgestelde loon voor vergelijkbare arbeid,
tenzij met inachtneming van artikel 623 andere termijnen
zijn overeengekomen.
2.
Indien op de betaaldag het bedrag van het loon als genoemd
in lid 1 nog niet te bepalen is, is de werkgever verplicht
tot voldoening van een voorschot ten bedrage van het loon
waarop de werknemer gemiddeld per betalingstermijn aanspraak
kon maken over de drie maanden voorafgaande aan de betaaldag
of, indien dat niet mogelijk is, ten bedrage van het voor
vergelijkbare arbeid gebruikelijke loon.
3.
Schriftelijk kan worden overeengekomen dat het voorschot op
een lager bedrag wordt gesteld, maar niet op minder dan drie
vierde van het gemiddelde loon over drie maanden
voorafgaande aan de betaaldag onderscheidenlijk van het voor
vergelijkbare arbeid gebruikelijke loon.
4. Voor
zover het in geld vastgestelde loon bestaat in een bedrag
dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven dat uit de
boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van de
werkgever moet kunnen blijken, is de werkgever tot
voldoening verplicht telkens wanneer het bedrag van dat loon
kan worden bepaald, met dien verstande dat ten minste
eenmaal per jaar voldoening plaatsvindt.
5.
Slechts aan de werknemer komt de bevoegdheid toe om ter
vernietiging van een beding dat afwijkt van dit artikel, een
beroep op de vernietigingsgrond te doen.
Artikel 625
1. Voor
zover het in geld vastgesteld loon of het gedeelte dat
overblijft na aftrek van hetgeen door de werkgever
overeenkomstig artikel 628 mag worden verrekend, en na
aftrek van hetgeen waarop derden overeenkomstig artikel 633
rechten doen gelden, niet wordt voldaan uiterlijk de derde
werkdag na die waarop ingevolge de artikelen 623 en 624 lid
1 de voldoening had moeten geschieden, heeft de werknemer,
indien dit niet-voldoen aan de werkgever is toe te rekenen,
aanspraak op een verhoging wegens vertraging. Deze verhoging
bedraagt voor de vierde tot en met de achtste werkdag vijf
procent per dag en voor elke volgende werkdag een procent,
met dien verstande dat de verhoging in geen geval de helft
van het verschuldigde te boven zal gaan. Niettemin kan de
rechter de verhoging beperken tot zodanig bedrag als hem met
het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen.
2. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden
afgeweken.
Artikel 626
1. De
werkgever is verplicht bij elke voldoening van het in geld
vastgestelde loon de werknemer een schriftelijke opgave te
verstrekken van het loonbedrag, van de bedragen waaruit dit
is samengesteld, van de bedragen die op het loonbedrag zijn
ingehouden, alsmede van het bedrag van het loon waarop een
persoon van de leeftijd van de werknemer over de termijn
waarover het loon is berekend ingevolge het bepaalde bij of
krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag
aanspraak heeft, tenzij zich ten opzichte van de vorige
voldoening in geen van deze bedragen een wijziging heeft
voorgedaan.
2. De
opgave vermeldt voorts de naam van de werkgever en van de
werknemer, de termijn waarover het loon is berekend, alsmede
de overeengekomen arbeidsduur.
3. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden
afgeweken.
Artikel 627
Geen loon is verschuldigd voor de tijd
gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft
verricht.
Artikel 628
1. De
werknemer behoudt het recht op het naar tijdruimte
vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet
heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor
rekening van de werkgever behoort te komen.
2.
Indien hem krachtens enige wettelijk voorgeschreven
verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds
waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit
uit de arbeidsovereenkomst, een geldelijke uitkering
toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die
uitkering.
3.
Indien het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte
is vastgesteld, zijn de bepalingen van dit artikel van
toepassing, met dien verstande dat als loon wordt beschouwd
het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet
verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen
verdienen.
4. Het
loon wordt echter verminderd met het bedrag van de onkosten
die de werknemer zich door het niet-verrichten van de arbeid
heeft bespaard.
5. Van
de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van
de arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke
overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
6. In
geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten in de zin
van artikel 668a kan een afwijking als bedoeld in lid 5 in
totaal voor ten hoogste zes maanden worden overeengekomen.
7. Na
het verstrijken van de termijn, bedoeld in lid 5, kan van
dit artikel slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of
bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
Artikel 628a
1.
Indien een arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week is
overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid moet
worden verricht niet zijn vastgelegd, dan wel indien de
omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is vastgelegd,
heeft de werknemer voor iedere periode van minder dan drie
uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht op het loon
waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid
zou hebben verricht.
2. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden
afgeweken.
Artikel 629
1. Voor
zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een
dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken
recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar
de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende
wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet
heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten
gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe
verhinderd was.
2. Het
in lid 1 bedoelde recht geldt voor een tijdvak van zes weken
voor de werknemer die doorgaans op minder dan vier dagen per
week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht
ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon
tot wie hij in dienstbetrekking staat.
3. De
werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet:
a. indien de ziekte door zijn
opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek
waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring
valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing
aan de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen
niet juist kon worden uitgevoerd;
b. voor de tijd, gedurende welke
door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of
vertraagd;
c. voor de tijd, gedurende welke
hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke
grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4
voor de werkgever of voor een door de werkgever
aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de
gelegenheid stelt, niet verricht;
d. voor de tijd, gedurende welke
hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan
door de werkgever of door een door hem aangewezen
deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen
maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in
staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel
658a lid 4 te verrichten;
e. voor de tijd, gedurende welke
hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan
het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van
aanpak als bedoeld in artikel 658a lid 3;
f. voor de tijd gedurende welke
hij zonder deugdelijke grond zijn aanvraag om een
uitkering als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later indient
dan in dat artikel is voorgeschreven.
4. In
afwijking van lid 1 heeft de vrouwelijke werknemer het in
dat lid bedoelde recht niet gedurende de periode dat zij
zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg.
5. Het
loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke
uitkering die de werknemer toekomt krachtens enige
wettelijke voorgeschreven verzekering of krachtens enige
verzekering of uit enig fonds waarin de werknemer niet
deelneemt, voorzover deze uitkering betrekking heeft op de
bedongen arbeid waaruit het loon wordt genoten. Het loon
wordt voorts verminderd met het bedrag van de inkomsten,
door de werknemer in of buiten dienstbetrekking genoten voor
werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat
hij, zo hij daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen
arbeid had kunnen verrichten.
6. De
werkgever is bevoegd de betaling van het in het lid 1
bedoelde loon op te schorten voor de tijd, gedurende welke
de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever
schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het
verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om
het recht op loon vast te stellen.
7. De
werkgever kan geen beroep meer doen op enige grond het loon
geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling
daarvan op te schorten, indien hij de werknemer daarvan geen
kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden
van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had
behoren te rijzen.
8.
Artikel 628 lid 3 is van overeenkomstige toepassing.
9. Van
dit artikel kan ten nadele van de werknemer slechts in
zoverre worden afgeweken dat bedongen kan worden dat de
werknemer voor de eerste twee dagen van het in lid 1 of lid
2 bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.
10. Voor
de toepassing van de leden 1, 2 en 9 worden perioden, waarin
de werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is geweest zijn
arbeid te verrichten, samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten als
bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet
arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
11. Het
tijdvak van 104 weken, bedoeld in lid 1, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging
indien de werkgever de aangifte, bedoeld in artikel 38,
eerste lid, van de Ziektewet later doet dan in dat
artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de vertraging
indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later
wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is
voorgeschreven;
c. met de duur van het verlengde
tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van artikel 24, eerste
lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
heeft vastgesteld en met de duur van het tijdvak,
bedoeld in artikel 25, negende lid, eerste zin, van die
wet;
d. met de duur van de verlenging
van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien
die wachttijd op grond van het zevende lid van dat
artikel wordt verlengd; en
e. met de duur van het tijdvak dat
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op
grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.
12.
Indien de werknemer passende arbeid als bedoeld in artikel
658a lid 4 verricht, blijft de arbeidsovereenkomst onverkort
in stand.
13. Voor
de toepassing van lid 2 wordt onder het verrichten van
diensten ten behoeve van een huishouden mede verstaan het
verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden.
Artikel 629a
1. De
rechter wijst een vordering tot betaling van loon als
bedoeld in artikel 629 af, indien bij de eis niet een
verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, omtrent de verhindering van de werknemer om de
bedongen of andere passende arbeid te verrichten
respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 660a.
2. Lid 1
geldt niet indien de verhindering respectievelijk de
nakoming niet wordt betwist of het overleggen van de
verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden
gevergd.
3. De
deskundige, die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht
zijn onderzoek onpartijdig en naar beste weten te
volbrengen.
4. De
deskundige die de hoedanigheid van arts bezit, kan de voor
zijn onderzoek van belang zijnde inlichtingen over de
werknemer inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend
artsen. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover
daardoor de persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet
onevenredig wordt geschaad.
5. De
rechter kan op verzoek van een der partijen of ambtshalve
bevelen dat de deskundige zijn verklaring nader schriftelijk
of mondeling toelicht of aanvult.
6. De
werknemer wordt ter zake van een vordering als bedoeld in
het eerste lid slechts in de kosten van de werkgever als
bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering veroordeeld in geval van kennelijk
onredelijk gebruik van procesrecht.
7. Bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan worden bepaald
dat de in het eerste lid bedoelde deskundige door een ander
dan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt aangewezen.
Artikel 629b [Vervallen per 01-12-2001]
Artikel 630
1. De
werkgever die tijdelijk is verhinderd het loon, voor zover
dit in een andere vorm dan in geld is vastgesteld, te
voldoen zonder dat deze verhindering het gevolg is van een
eigen toedoen van de werknemer, is aan deze een vergoeding
schuldig, waarvan het bedrag bij overeenkomst wordt
vastgesteld of, bij gebreke van een overeenkomst, door de
rechter wordt bepaald volgens het gebruik of de billijkheid.
2. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden
afgeweken.
Artikel 631
1.
Een beding waarbij de werkgever het recht
krijgt enig bedrag van het loon op de betaaldag in te
houden, is nietig, onverminderd de bevoegdheid van de
werknemer om de werkgever een schriftelijke volmacht te
verlenen om uit het uit te betalen loon betalingen in zijn
naam te verrichten. Deze volmacht is te allen tijde
herroepelijk.
2.
Bedingen waarbij de werknemer zich jegens de werkgever
verbindt het ontvangen loon of zijn overige inkomsten of een
gedeelte daarvan op bepaalde wijze te besteden, en bedingen
waarbij de werknemer zich verbindt zijn benodigdheden op een
bepaalde plaats of bij een bepaalde persoon aan te schaffen,
zijn nietig.
3. De
leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op het beding waarbij
de werknemer zich verbindt:
a. deel te nemen in een
pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet en ten aanzien waarvan aan de voorschriften
van die wet wordt voldaan;
b. bij te dragen tot de
premiebetaling voor een verzekering overeenkomstig de
voorschriften dienaangaande door de Pensioenwet gesteld;
c. deel te nemen in enig ander
fonds dan in onderdeel a bedoeld, mits dat fonds voldoet
aan de voorwaarden, bij algemene maatregel van bestuur
gesteld;
d. deel te nemen aan een regeling
tot sparen te zijnen behoeve, anders dan in de
onderdelen a tot en met c bedoeld, mits
die regeling voldoet aan de voorwaarden, bij algemene
maatregel van bestuur gesteld.
Onder enig ander fonds als bedoeld in
onderdeel c, wordt niet verstaan een fonds dat tot doel
heeft aan de werkgever of aan de werknemer een uitkering te
doen die verband houdt met het recht van de werknemer op
doorbetaling van loon tijdens ziekte, zwangerschap of
bevalling als bedoeld in artikel 629 lid 1, of met de
betaling van een uitkering als bedoeld in artikel 83 van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel als bedoeld
in artikel 75a van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
4. Voor
de nakoming van een beding als bedoeld in lid 3 mag de
werkgever de daartoe nodige bedragen op het loon van de
werknemer inhouden; hij is alsdan verplicht deze bedragen
overeenkomstig het beding ten behoeve van de werknemer te
voldoen.
5. Op de
deelneming door een minderjarige aan een regeling als
bedoeld in lid 3 is artikel 612 van overeenkomstige
toepassing.
6.
Indien de werknemer ingevolge een nietig beding als bedoeld
in lid 2 een overeenkomst met de werkgever of een derde
heeft aangegaan, heeft hij het recht hetgeen hij uit dien
hoofde heeft voldaan van de werkgever te vorderen. Indien
hij de overeenkomst met de werkgever heeft aangegaan, heeft
hij bovendien de bevoegdheid de overeenkomst te vernietigen.
7. De
rechter kan bij toewijzing van een vordering van de
werknemer op grond van lid 6 de verplichting tot betaling
van de werkgever beperken tot zodanig bedrag als hem met het
oog op de omstandigheden billijk voorkomt, maar uiterlijk
tot de som waarop hij de door de werknemer geleden schade
vaststelt.
8. Een
rechtsvordering van de werknemer op grond van dit artikel
verjaart door verloop van zes maanden na de dag van het
ontstaan van het vorderingsrecht.
Artikel 632
1.
Behalve bij het einde van de arbeidsovereenkomst is
verrekening door de werkgever van zijn schuld ter zake van
het uit te betalen loon slechts toegelaten met de volgende
vorderingen op de werknemer:
a. de door de werknemer aan de
werkgever verschuldigde schadevergoeding;
b. de boetes, door de werknemer
volgens artikel 650 aan de werkgever verschuldigd, mits
door deze een schriftelijk bewijs wordt afgegeven, die
het bedrag vermeldt van iedere boete alsmede de tijd
waarop en de reden waarom zij is opgelegd, met opgave
van de overtreden bepaling van een schriftelijk
aangegane overeenkomst;
c. de voorschotten op het loon,
door de werkgever in geld aan de werknemer verstrekt,
mits daarvan schriftelijk blijkt;
d. het bedrag van hetgeen op het
loon te veel is betaald;
e. de huurprijs van een woning of
een andere ruimte, een stuk grond of van werktuigen,
machines en gereedschappen, door de werknemer in eigen
bedrijf gebruikt, en die bij schriftelijke overeenkomst
door de werkgever aan de werknemer zijn verhuurd.
2.
Verrekening heeft geen plaats op het deel van het loon
waarop beslag onder de werkgever niet geldig kan zijn. Ter
zake van hetgeen de werkgever krachtens lid 1, onderdeel
b, zou kunnen vorderen, mag door hem bij elke voldoening
van het loon niet meer worden verrekend dan een tiende
gedeelte van het in geld vastgestelde loon dat alsdan zou
moeten worden voldaan.
3.
Hetgeen de werkgever uit hoofde van een op het loon gelegd
beslag inhoudt, komt in mindering op het voor verrekening
toegelaten maximum.
4. Een
beding waardoor de werkgever een ruimere bevoegdheid tot
verrekening zou krijgen, is vernietigbaar, met dien
verstande dat de werknemer bevoegd is tot vernietiging ter
zake van elke afzonderlijke verrekeningsverklaring van de
werkgever die van de geldigheid van het beding uitgaat.
Artikel 633
1.
Overdracht, verpanding of elke andere handeling waardoor de
werknemer enig recht op zijn loon aan derden toekent, is
slechts in zover geldig als een beslag op zijn loon geldig
zou zijn.
2. Een
volmacht tot de vordering van loon wordt schriftelijk
verleend. Deze volmacht is te allen tijde herroepelijk.
3. Van
dit artikel kan niet worden afgeweken.
Afdeling 3. Vakantie en verlof
Artikel 634
1. De
werknemer verwerft over ieder jaar waarin hij gedurende de
volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft
gehad, aanspraak op vakantie van ten minste vier maal de
overeengekomen arbeidsduur per week of, als de
overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt,
van ten minste een overeenkomstige tijd.
2. De
werknemer die over een deel van een jaar recht op loon heeft
gehad, verwerft over dat deel aanspraak op vakantie die een
evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou
hebben gehad als hij gedurende het gehele jaar recht had op
loon over de volledige overeengekomen arbeidsduur.
3. Bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan ten aanzien
van werknemers wier arbeidsovereenkomst eindigt nadat deze
ten minste een maand heeft geduurd, van lid 2 worden
afgeweken in dier voege dat de aanspraak op vakantie wordt
berekend over tijdvakken van een maand.
Artikel 635
1. In
afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer aanspraak op
vakantie over het tijdvak, gedurende hetwelk hij geen recht
heeft op in geld vastgesteld loon, omdat:
a. hij, anders dan voor oefening
en opleiding, als dienstplichtige is opgeroepen ter
vervulling van zijn militaire dienst of vervangende
dienst;
b. hij vakantie als bedoeld in
artikel 641 lid 3 geniet;
c. hij, met toestemming van de
werkgever, deelneemt aan een bijeenkomst die wordt
georganiseerd door een vakvereniging waarvan hij lid is;
d. hij, anders dan ten gevolge van
de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in de leden 2 tot en
met 4, tegen zijn wil niet in staat is om de
overeengekomen arbeid te verrichten;
e. hij verlof als bedoeld in
artikel 643 geniet;
f. hij verlof als bedoeld in
hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg
geniet.
2. In
afwijking van artikel 634 verwerft de vrouwelijke werknemer
die wegens zwangerschap of bevalling niet gedurende een
geheel jaar aanspraak op loon verwerft, over de volledige
overeengekomen arbeidsduur aanspraak op vakantie over het
tijdvak dat zij recht heeft op een uitkering als bedoeld in
hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg.
3. In
afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer die wegens
adoptieverlof of verlof voor het opnemen van een pleegkind
niet gedurende een geheel jaar aanspraak op loon verwerft,
over de volledige overeengekomen arbeidsduur aanspraak op
vakantie over het tijdvak dat hij recht heeft op een
uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet
arbeid en zorg.
4. In
afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer die de
bedongen arbeid niet verricht wegens ziekte, ongeacht of hij
aanspraak heeft op loon, aanspraak op vakantie over het
tijdvak van de laatste zes maanden waarin de arbeid niet
werd verricht, met dien verstande dat tijdvakken worden
samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder
dan een maand opvolgen. De werknemer die de bedongen arbeid
slechts voor een gedeelte van de overeengekomen arbeidsduur
niet verricht wegens ziekte, verwerft slechts aanspraak op
vakantie die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene
waarop hij recht zou hebben gehad als hij gedurende de
volledige arbeidsduur arbeid zou hebben verricht. Indien de
ziekte door opzet van de werknemer is ontstaan of het gevolg
is van een gebrek waarover hij in het kader van een
aanstellingskeuring opzettelijk valse inlichtingen heeft
gegeven, verwerft de werknemer evenmin aanspraak op
vakantie. De werknemer heeft evenmin aanspraak op vakantie
voor de tijd gedurende welke hij door zijn toedoen zijn
genezing belemmert of vertraagt , hij, hoewel hij daartoe in
staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als
bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de werkgever of voor een
door de werkgever met toestemming van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen
derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt,
niet verricht dan wel hij zonder deugdelijke grond weigert
mee te werken aan door de werkgever of door een door hem
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer
in staat te stellen passende arbeid te verrichten.
5. De
jeugdige werknemer verwerft aanspraak op vakantie over de
tijd die hij besteedt aan het volgen van het onderricht
waartoe hij krachtens de wet door de werkgever in de
gelegenheid moet worden gesteld.
6.
Indien een aanspraak op vakantie is verworven die het in
artikel 634 bedoelde minimum te boven gaat, kan voorzover
die aanspraak dat minimum te boven gaat, bij schriftelijke
overeenkomst van de leden 1 tot en met 4 worden afgeweken
ten nadele van de werknemer.
Artikel 636
1. Dagen
of gedeelten van dagen waarop de werknemer de overeengekomen
arbeid niet verricht wegens een van de redenen, bedoeld in
artikel 635 leden 1, 4 en 5 kunnen slechts indien in een
voorkomend geval de werknemer ermee instemt worden
aangemerkt als vakantie, met dien verstande dat de werknemer
ten minste recht houdt op het in artikel 634 bedoelde
minimum.
2. Dagen
of gedeelten van dagen waarop de werknemer de overeengekomen
arbeid niet verricht wegens een van de redenen, bedoeld in
artikel 635, leden 2 en 3, kunnen niet worden aangemerkt als
vakantie.
Artikel 637
1. Bij
schriftelijke overeenkomst kan worden bepaald dat dagen of
gedeelten van dagen waarop de werknemer in enig jaar de
overeengekomen arbeid niet heeft verricht wegens de reden,
bedoeld in artikel 635 lid 4 worden aangemerkt als vakantie
tot ten hoogste het aantal vakantiedagen dat voor dat jaar
boven het in artikel 634 bedoelde minimum is overeengekomen.
2. Dagen
of gedeelten van dagen waarop de werknemer tijdens een
vastgestelde vakantie ziek is, gelden niet als vakantie. In
afwijking van de vorige volzin kan bij schriftelijke
overeenkomst worden bepaald dat de in enig jaar verleende
vakantiedagen of gedeelten daarvan waarop de werknemer ziek
is, als vakantie gelden tot ten hoogste het aantal
vakantiedagen dat voor dat jaar boven het in artikel 634
bedoelde minimum is overeengekomen.
3.
Indien in enig jaar zowel lid 1 als lid 2, tweede volzin,
worden toegepast, kunnen in totaal niet meer dan het aantal
vakantiedagen dat voor dat jaar boven het in artikel 634
bedoelde minimum is overeengekomen, als vakantie gelden.
Artikel 638
1. De
werkgever is verplicht de werknemer ieder jaar in de
gelegenheid te stellen de vakantie op te nemen waarop de
werknemer op grond van artikel 634 ten minste aanspraak
heeft.
2.
Voorzover in de vaststelling van de vakantie niet is
voorzien bij schriftelijke overeenkomst dan wel bij of
krachtens collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door
of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan of de wet,
stelt de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van
de vakantie vast overeenkomstig de wensen van de werknemer
tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Indien
de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer zijn
wensen schriftelijk heeft kenbaar gemaakt, schriftelijk aan
de werknemer gewichtige redenen heeft aangevoerd, is de
vakantie vastgesteld overeenkomstig de wensen van de
werknemer.
3. In
geval van gewichtige redenen wordt de vakantie op zodanige
wijze vastgesteld dat de werknemer desverlangd, voorzover
zijn aanspraak daartoe toereikend is, gedurende twee
opeenvolgende weken of tweemaal een week geen arbeid behoeft
te verrichten.
4. De
werkgever stelt de vakantie zo tijdig vast dat de werknemer
gelegenheid heeft tot het treffen van voorbereidingen voor
de besteding van de vakantie.
5. De
werkgever kan, indien daartoe gewichtige redenen zijn, na
overleg met de werknemer, het vastgestelde tijdvak van de
vakantie wijzigen. De schade die de werknemer lijdt ten
gevolge van de wijziging van het tijdvak van de vakantie,
wordt door de werkgever vergoed.
6. De
werkgever is verplicht de werknemer de resterende aanspraak
op vakantie in dagen of uren te verlenen, tenzij gewichtige
redenen zich daartegen verzetten.
7.
Indien een aanspraak op vakantie is verworven die het in
artikel 634 bedoelde minimum te boven gaat, kan voorzover
die aanspraak dat minimum te boven gaat, bij schriftelijke
overeenkomst van de in lid 2 genoemde termijn worden
afgeweken ten nadele van de werknemer.
Artikel 639
1. De
werknemer behoudt gedurende zijn vakantie recht op loon.
2.
Indien hierin bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan
is voorzien, kan de werkgever aan zijn verplichting om
gedurende de vakantie loon te betalen voldoen hetzij door
aan de werknemer vakantiebonnen over te dragen ten laste van
een fonds, hetzij door betaling aan een fonds ten laste
waarvan de werknemer gelijkwaardige rechten verwerft. Voor
de toepassing van dit artikel worden vakantiebonnen als loon
beschouwd.
Artikel 640
1. De
werknemer kan tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst
geen afstand doen van zijn aanspraak op vakantie tegen
schadevergoeding.
2.
Indien een aanspraak op vakantie is verworven die het in
artikel 634 bedoelde minimum te boven gaat, kan voorzover
die aanspraak dat minimum te boven gaat, bij schriftelijke
overeenkomst van lid 1 worden afgeweken.
Artikel 641
1. Een
werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog
aanspraak op vakantie heeft, heeft recht op een uitkering in
geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak
overeenkomend met de aanspraak, tenzij artikel 639 lid 2 van
toepassing is.
2. De
werkgever is verplicht aan de werknemer een verklaring uit
te reiken waaruit blijkt over welk tijdvak de werknemer bij
het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op
vakantie heeft.
3.
Indien de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaat,
heeft hij tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op
vakantie zonder behoud van loon gedurende het tijdvak
waarover hij blijkens de in lid 2 bedoelde verklaring nog
aanspraak op vakantie had.
4. Bij
schriftelijke overeenkomst kan van lid 3 worden afgeweken,
met dien verstande dat de werknemer ten minste recht houdt
op het in artikel 634 bedoelde minimum.
Artikel 642
Een rechtsvordering tot toekenning van
vakantie verjaart door verloop van vijf jaren na de laatste dag
van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.
Artikel 643
1. De
werknemer kan verlangen dat de werkgever hem verlof zonder
behoud van loon verleent voor het als lid bijwonen van
vergaderingen van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, van
vertegenwoordigende organen van publiekrechtelijke lichamen
die bij rechtstreekse verkiezing worden samengesteld,
uitgezonderd echter de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
alsmede van commissies uit deze organen. Deze bepaling vindt
mede toepassing op de werknemer die deel uitmaakt van een
met algemeen bestuur belast orgaan van een waterschap.
2.
Indien daarover tussen de werkgever en de werknemer geen
overeenstemming bestaat, stelt de rechter op verzoek van de
meest gerede partij vast in welke mate dit verlof behoort te
worden verleend. De rechter beoordeelt in hoever, gezien het
belang dat de werknemer aan de in lid 1 bedoelde
vergaderingen kan deelnemen, in redelijkheid van de
werkgever kan worden gevergd dat de werknemer afwezig is. De
beschikking van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad.
3. De
leden 1 en 2 vinden overeenkomstige toepassing op
gedeputeerden, wethouders en leden van het dagelijks bestuur
van een waterschap, wier functie niet als een volledige
wordt bezoldigd. Bij algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald, welke gedeputeerdenfuncties en wethoudersfuncties
voor de toepassing van dit artikel als volledig bezoldigd
worden aangemerkt.
4. Dit
artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van die groepen
werknemers voor wie uit hoofde van verlening van
rijksvergoeding bij of krachtens de wet een andere regeling
is vastgesteld.
Artikel 644 [Vervallen per 01-12-2001]
Artikel 645
Van de artikelen 634 tot en met 643 kan
niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij
zodanige afwijking bij die artikelen is toegelaten.
Afdeling 4. Gelijke behandeling
Artikel 646
1.
De werkgever mag geen onderscheid maken
tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst, het verstrekken van onderricht aan de
werknemer, in de arbeidsvoorwaarden, bij de
arbeidsomstandigheden bij de bevordering en bij de opzegging
van de arbeidsovereenkomst.
2. Van
lid 1 mag, voor zover het betreft het aangaan van de
arbeidsovereenkomst en het verstrekken van onderricht,
worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid is
gebaseerd op een kenmerk dat verband houdt met het geslacht
en dat kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke
beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden
uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste is,
mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig aan dat
doel is. Daarbij is artikel 5, derde lid, van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen van overeenkomstige
toepassing.
3. Van
lid 1 mag worden afgeweken indien het bedingen betreft die
op de bescherming van de vrouw, met name in verband met
zwangerschap of moederschap, betrekking hebben.
4. Van
lid 1 mag worden afgeweken indien het bedingen betreft die
vrouwelijke werknemers in een bevoorrechte positie beogen te
plaatsen ten einde nadelen op te heffen of te verminderen en
het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het
beoogde doel.
5. In
dit artikel wordt onder onderscheid verstaan direct en
indirect onderscheid alsmede de opdracht tot het maken van
onderscheid. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onder direct
onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling en moederschap. Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, bijvoorbeeld echtelijke
staat of gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van
geslacht tot gevolg heeft.
6. Het
in dit artikel neergelegde verbod van direct onderscheid
houdt mede in een verbod op intimidatie en een verbod op
seksuele intimidatie.
7. Onder
intimidatie als bedoeld in lid 6 wordt verstaan: gedrag dat
met het geslacht van een persoon verband houdt en dat tot
doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt
aangetast en dat een bedreigende, vijandige, beledigende,
vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
8. Onder
seksuele intimidatie als bedoeld in lid 6 wordt verstaan:
enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een
seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de
waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder
wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende,
vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd.
9. De
werkgever mag de werknemer die het in de leden 7 en 8
bedoelde gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat, niet
benadelen.
10. Het
in lid 1 neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten
aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid
objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de
middelen voor het bereiken van dat doel passend en
noodzakelijk zijn.
11. Een
beding in strijd met lid 1 is nietig.
12.
Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid
is of wordt gemaakt als bedoeld in dit artikel, in rechte
feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden,
dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met dit
artikel is gehandeld.
13. De
leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op het verbod van
intimidatie en seksuele intimidatie, bedoeld in lid 6.
Artikel 647
1. De
opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in
strijd met artikel 646 lid 1 of wegens de omstandigheid dat
de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op
artikel 646 lid 1 of terzake bijstand heeft verleend is
vernietigbaar.
2.
Indien de werknemer niet binnen twee maanden na de opzegging
een beroep op deze vernietigingsgrond doet, vervalt zijn
bevoegdheid daartoe. Artikel 55 van Boek 3 is niet van
toepassing.
3. Een
rechtsvordering in verband met de vernietiging verjaart door
verloop van zes maanden na de dag waartegen is opgezegd.
4. De
opzegging, bedoeld in artikel 646 lid 1, maakt de werkgever
niet schadeplichtig.
5. De
werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de
omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een
beroep heeft gedaan op artikel 646 lid 1 of terzake bijstand
heeft verleend.
Artikel 648
1. De
werkgever mag geen onderscheid maken tussen werknemers op
grond van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden
waaronder een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan,
voortgezet dan wel opgezegd, tenzij een dergelijk
onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De opzegging van
de arbeidsovereenkomst door de werkgever in strijd met de
vorige zin of wegens de omstandigheid dat de werknemer in of
buiten rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in de
vorige zin of terzake bijstand heeft verleend is
vernietigbaar. Artikel 647, leden 2 en 3, is van toepassing.
2. Een
beding in strijd met lid 1 is nietig.
3. De
opzegging, bedoeld in de eerste zin van lid 1, maakt de
werkgever niet schadeplichtig.
4. De
Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel 11 van de
Algemene wet gelijke behandeling, kan onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in het eerste
lid. De artikelen 12, 13, 14, 15, 20, tweede lid, en 33 van
de Algemene wet gelijke behandeling zijn van overeenkomstige
toepassing.
5. De
werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de
omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een
beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1 of terzake
bijstand heeft verleend.
Artikel 649
1. De
werkgever mag geen onderscheid maken tussen werknemers in de
arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke
karakter van de arbeidsovereenkomst, tenzij een dergelijk
onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
2. De
opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever
wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte
een beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1 of terzake
bijstand heeft verleend, is vernietigbaar. Artikel 647 leden
2 en 3 is van toepassing.
3. Een
beding in strijd met lid 1 is nietig.
4. De
Commissie gelijke behandeling, genoemd in artikel 11 van de
Algemene wet gelijke behandeling, kan onderzoeken of een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in lid 1. De
artikelen 12, 13, 14, 15, 20, tweede lid en 33 van de
Algemene wet gelijke behandeling zijn van overeenkomstige
toepassing.
5. De
werkgever mag de werknemer niet benadelen wegens de
omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een
beroep heeft gedaan op het bepaalde in lid 1 of terzake
bijstand heeft verleend.
6. Het
bepaalde in de leden 1 tot en met 5 is niet van toepassing
op een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690.
Afdeling 5. Enkele bijzondere bedingen in
de arbeidsovereenkomst
Artikel 650
1. De
werkgever kan slechts boete stellen op de overtreding van de
voorschriften van de arbeidsovereenkomst, indien in de
arbeidsovereenkomst de voorschriften op de overtreding
waarvan boete is gesteld en het bedrag van de boete zijn
vermeld.
2. De
overeenkomst waarbij boete wordt bedongen, wordt
schriftelijk aangegaan.
3. De
overeenkomst waarbij boete is bedongen, vermeldt nauwkeurig
de bestemming van de boete. Zij mogen noch onmiddellijk noch
middellijk strekken tot persoonlijk voordeel van de
werkgever zelf of van degene aan wie de werkgever de
bevoegdheid heeft verleend om aan werknemers een boete op te
leggen.
4.
Iedere boete, in een overeenkomst bedongen, is op een
bepaald bedrag gesteld, uitgedrukt in het geld waarin het
loon in geld is vastgesteld.
5.
Binnen een week mag aan de werknemer geen hoger bedrag aan
gezamenlijke boetes worden opgelegd dan zijn in geld
vastgesteld loon voor een halve dag. Geen afzonderlijke
boete mag hoger dan dit bedrag worden gesteld.
6. Elk
beding in strijd met enige bepaling van dit artikel is
nietig. Echter mag, doch alleen ten aanzien van werknemers
wier in geld vastgesteld loon meer bedraagt dan het voor hen
geldende minimumloon bij schriftelijk aangegane overeenkomst
van de bepalingen van de leden 3, 4 en 5 worden afgeweken.
Is zulks geschied, dan zal de rechter steeds bevoegd zijn de
boete op een kleinere som te bepalen, indien de opgelegde
boete hem bovenmatig voorkomt.
7.
Ondergaat het bedrag van het loon, genoemd in lid 6,
wijziging, dan wordt de werking van bedingen waarbij van de
leden 3, 4 en 5 is afgeweken, geschorst jegens de werknemer
wiens in geld vastgesteld loon niet meer bedraagt dan het
gewijzigde bedrag van het minimumloon.
8. Onder
het stellen en bedingen van boete in de zin van dit artikel
wordt begrepen het door de werkgever bedingen van boete als
bedoeld in de artikelen 91 tot en met 94 van Boek 6.
Artikel 651
1. De
mogelijkheid een boete op te leggen laat het recht op
schadevergoeding op grond van de wet onverlet. Echter mag de
werkgever ter zake van een zelfde feit niet boete heffen en
tevens schadevergoeding vorderen.
2. Elk
beding in strijd met de tweede zin van lid 1 is nietig.
Artikel 652
1.
Indien partijen een proeftijd overeenkomen, is deze voor
beide partijen gelijk.
2. De
proeftijd wordt schriftelijk overeengekomen.
3. Bij
het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste twee
maanden.
4. Bij
het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste:
a. een maand, indien de
overeenkomst is aangegaan voor korter dan twee jaren;
b. twee maanden, indien de
overeenkomst is aangegaan voor twee jaren of langer.
5.
Indien het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd niet op een kalenderdatum is gesteld, kan een proeftijd
worden overeengekomen van ten hoogste een maand.
6. Van
de leden 4, onder a, en 5, kan slechts bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele
van de werknemer.
7. Elk
beding waarbij de proeftijd niet voor beide partijen gelijk
is dan wel op langer dan twee maanden wordt gesteld, alsmede
elk beding waarbij door het aangaan van een nieuwe proeftijd
de gezamenlijke proeftijden langer dan twee maanden worden,
is nietig.
Artikel 653
1. Een
beding tussen de werkgever en de werknemer waarbij deze
laatste wordt beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde
van de overeenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is
slechts geldig, indien de werkgever dit schriftelijk is
overeengekomen met een meerderjarige werknemer.
2. De
rechter kan zulk een beding geheel of gedeeltelijk
vernietigen op grond dat, in verhouding tot het te
beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat
beding onbillijk wordt benadeeld.
3. Aan
een beding als bedoeld in lid 1 kan de werkgever geen
rechten ontlenen, indien hij wegens de wijze waarop de
overeenkomst is geëindigd, schadeplichtig is.
4.
Indien een beding als bedoeld in lid 1 de werknemer in
belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de
werkgever werkzaam te zijn, kan de rechter steeds bepalen
dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de
werknemer een vergoeding moet betalen. De rechter stelt de
hoogte van deze vergoeding met het oog op de omstandigheden
van het geval naar billijkheid vast; hij kan toestaan dat de
vergoeding op de door hem te bepalen wijze in termijnen
wordt betaald. De vergoeding is niet verschuldigd, indien de
werknemer wegens de wijze waarop de overeenkomst is
geëindigd, schadeplichtig is.
Afdeling 6. Enkele bijzondere
verplichtingen van de werkgever
Artikel 654
1.
Wanneer een arbeidsovereenkomst schriftelijk wordt aangegaan
of gewijzigd, zijn de kosten van het geschrift en andere
bijkomende kosten ten laste van de werkgever.
2. De
werkgever is verplicht kosteloos een volledig, door hem
ondertekend, afschrift van het geschrift waarbij de
arbeidsovereenkomst is aangegaan of gewijzigd, aan de
werknemer te verstrekken.
Artikel 655
1. De
werkgever is verplicht aan de werknemer een schriftelijke
opgave te verstrekken met ten minste de volgende gegevens:
a. naam en woonplaats van
partijen;
b. de plaats of plaatsen waar de
arbeid wordt verricht;
c. de functie van de werknemer of
de aard van zijn arbeid;
d. het tijdstip van
indiensttreding;
e. indien de overeenkomst voor
bepaalde tijd is gesloten, de duur van de overeenkomst;
f. de aanspraak op vakantie of de
wijze van berekening van de aanspraak;
g. de duur van de door partijen in
acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening
van deze termijnen;
h. het loon en de termijn van
uitbetaling alsmede, indien het loon afhankelijk is van
de uitkomsten van de te verrichten arbeid, de per dag of
per week aan te bieden hoeveelheid arbeid, de prijs per
stuk en de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering is
gemoeid;
i. de gebruikelijke arbeidsduur
per dag of per week;
j. of de werknemer gaat deelnemen
aan een pensioenregeling;
k. indien de werknemer voor een
langere termijn dan een maand werkzaam zal zijn buiten
Nederland, mede de duur van die werkzaamheid, de
huisvesting, de toepasselijkheid van de Nederlandse
sociale verzekeringswetgeving dan wel opgave van de voor
de uitvoering van die wetgeving verantwoordelijke
organen, de geldsoort waarin betaling zal plaatsvinden,
de vergoedingen waarop de werknemer recht heeft en de
wijze waarop de terugkeer geregeld is;
l. de toepasselijke collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan.
m. of de arbeidsovereenkomst een
uitzendovereenkomst is als bedoeld in artikel 690.
2. Voor
zover de gegevens, bedoeld in lid 1, onderdelen a tot
en met j, zijn vermeld in een schriftelijk aangegane
arbeidsovereenkomst of in de opgave, bedoeld in artikel 626,
kan vermelding achterwege blijven. Voor zover de gegevens,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen f tot en met
i, zijn vermeld in een toepasselijke collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan, kan worden volstaan met een
verwijzing naar deze overeenkomst of regeling.
3. De
werkgever verstrekt de opgave binnen een maand na de aanvang
van de werkzaamheden of zo veel eerder als de overeenkomst
eindigt. De gegevens, bedoeld in lid 1, onderdeel k,
worden verstrekt voor het vertrek. De opgave wordt door de
werkgever ondertekend. Wijziging in de gegevens wordt binnen
een maand nadat de wijziging van kracht is geworden, aan de
werknemer schriftelijk medegedeeld, tenzij deze voortvloeit
uit wijziging van een wettelijk voorschrift, collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan.
4.
Indien de overeenkomst betreft het doorgaans op minder dan
drie dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
verrichten van huishoudelijke of persoonlijke diensten ten
behoeve van een natuurlijk persoon, behoeft de werkgever
slechts op verlangen van de werknemer de gegevens te
verstrekken.
5. De
werkgever die weigert de opgave te verstrekken of daarin
onjuiste mededelingen opneemt, is jegens de werknemer
aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
6. De
leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op
een overeenkomst die de voorwaarden regelt van een of meer
arbeidsovereenkomsten die partijen zullen sluiten indien na
oproep arbeid wordt verricht, en op het aangaan van een
andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst, al dan niet
gevolgd door andere soortgelijke overeenkomsten, waarbij de
ene partij, natuurlijk persoon, zich verbindt voor de andere
partij tegen beloning arbeid te verrichten, tenzij deze
overeenkomst wordt aangegaan in beroep of bedrijf. Op de in
dit lid bedoelde overeenkomsten is artikel 654 van
overeenkomstige toepassing.
7.
Indien lid 6 van toepassing is, wordt in de schriftelijke
opgave, bedoeld in lid 1, tevens vermeld welke overeenkomst
is aangegaan.
8. Een
beding in strijd met dit artikel is nietig.
Artikel 656
1. De
werkgever is verplicht bij het einde van de
arbeidsovereenkomst de werknemer op diens verzoek een
getuigschrift uit te reiken.
2. Het
getuigschrift vermeldt:
a. de aard van de verrichte arbeid
en de arbeidsduur per dag of per week;
b. de begindatum en de einddatum
van het dienstverband;
c. een opgave van de wijze waarop
de werknemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan;
d. een opgave van de wijze waarop
de arbeidsovereenkomst is geëindigd;
e. indien de werkgever de
arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, de reden daartoe.
3. De in
lid 2, onderdelen c, d en e, genoemde
gegevens worden slechts op verzoek van de werknemer in het
getuigschrift vermeld.
4.
Indien de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en
hij deswege schadeplichtig is geworden, is de werkgever
gerechtigd dit in het getuigschrift te vermelden.
5. De
werkgever die weigert het gevraagde getuigschrift af te
geven, nalaat aan een verzoek als bedoeld in lid 3 te
voldoen, in het getuigschrift door opzet of schuld onjuiste
mededelingen opneemt of het getuigschrift van een kenmerk
voorziet of op een bepaalde wijze inricht om daarmee
aangaande de werknemer enige mededeling te doen die niet in
de bewoordingen van het getuigschrift is vervat, is zowel
jegens de werknemer als jegens derden aansprakelijk voor de
daardoor veroorzaakte schade.
6. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden
afgeweken.
Artikel 657
1. De
werkgever is verplicht de werknemer met een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tijdig en duidelijk
in kennis te stellen van een vacature terzake van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2. Het
bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690.
Artikel 658
1. De
werkgever is verplicht de lokalen, werktuigen en
gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet
verrichten, op zodanige wijze in te richten en te
onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid
zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te
verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat
de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade
lijdt.
2. De
werkgever is jegens de werknemer aansprakelijk voor de
schade die de werknemer in de uitoefening van zijn
werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1
genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in
belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste
roekeloosheid van de werknemer.
3. Van
de leden 1 en 2 en van hetgeen titel 3 van Boek 6, bepaalt
over de aansprakelijkheid van de werkgever kan niet ten
nadele van de werknemer worden afgeweken.
4. Hij
die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat
verrichten door een persoon met wie hij geen
arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot
en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de
uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De kantonrechter
is bevoegd kennis te nemen van vorderingen op grond van de
eerste zin van dit lid.
Artikel 658a
1. De
werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in
verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd
is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de
arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid
niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de
werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is,
bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de
werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van
artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende
lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de
inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in
het bedrijf van een andere werkgever.
2. Uit
hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in lid 1,
is de werkgever verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als
redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in verband
met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de
bedongen arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de
eigen of andere passende arbeid te verrichten.
3. Uit
hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in lid 1,
stelt de werkgever in overeenstemming met de werknemer een
plan van aanpak op als bedoeld in artikel 71a, tweede lid,
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en
artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen. Het plan van aanpak wordt met medewerking
van de werknemer regelmatig geëvalueerd en zo nodig
bijgesteld.
4. Onder
passende arbeid als bedoeld in lid 1 en 2 wordt verstaan
alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de
werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van
lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan
worden gevergd.
5. De
werkgever en degene door wie de werkgever zich op grond van
de artikelen 13, 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet
laat bijstaan, verstrekken een reïntegratiebedrijf als
bedoeld in artikel 1 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen gegevens voorzover deze noodzakelijk zijn
voor de uitvoering van de door de werkgever aan dit bedrijf
opgedragen werkzaamheden, alsmede het sociaal-fiscaalnummer
van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat
reïntegratiebedrijf wordt bevorderd. Het reïntegratiebedrijf
verwerkt deze gegevens slechts voorzover dat noodzakelijk is
voor deze werkzaamheden en gebruikt slechts met dat doel het
sociaal-fiscaalnummer bij die verwerking. Onder
sociaal-fiscaalnummer wordt in dit artikel verstaan het
nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel j, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen.
6. Dit
artikel is van overeenkomstige toepassing op de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel h, van de Ziektewet en de personen, bedoeld in
artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, van die wet,
die laatstelijk met hem een arbeidsovereenkomst zijn
aangegaan, gedurende de periode dat de eigenrisicodrager aan
die personen ziekengeld moet betalen.
Artikel 658b
1. De
rechter wijst een vordering tot nakoming van de
verplichting, bedoeld in artikel 658a lid 2, af, indien bij
de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige,
benoemd door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, omtrent de
nakoming van die verplichting door de werkgever.
2. Lid 1
geldt niet indien de nakoming niet wordt betwist of het
overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de
werknemer kan worden gevergd.
3. De
deskundige, die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht
zijn onderzoek onpartijdig en naar beste weten te
volbrengen.
4. De
deskundige die de hoedanigheid van arts bezit, kan de voor
zijn onderzoek van belang zijnde inlichtingen over de
werknemer inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend
artsen. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover
daardoor de persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet
onevenredig wordt geschaad.
5. De
rechter kan op verzoek van een der partijen of ambtshalve
bevelen dat de deskundige zijn verklaring nader schriftelijk
of mondeling toelicht of aanvult.
6. De
werknemer wordt ter zake van een vordering als bedoeld in
het eerste lid slechts in de kosten van de werkgever,
bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, veroordeeld in geval van kennelijk
onredelijk gebruik van procesrecht.
7. Bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan worden bepaald
dat de in het eerste lid bedoelde deskundige door een ander
dan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt aangewezen.
Afdeling 7. Enkele bijzondere
verplichtingen van de werknemer
Artikel 659
1. De
werknemer is verplicht de arbeid zelf te verrichten; hij kan
zich daarin niet dan met toestemming van de werkgever door
een derde doen vervangen.
2. De
rechtsvordering tot nakoming van de arbeidsverplichting van
de werknemer onder de bepaling van een dwangsom of van
gijzeling is niet toegelaten.
Artikel 660
De werknemer is verplicht zich te houden
aan de voorschriften omtrent het verrichten van de arbeid
alsmede aan die welke strekken ter bevordering van de goede orde
in de onderneming van de werkgever, door of namens de werkgever
binnen de grenzen van algemeen verbindende voorschriften, of
overeenkomst aan hem, al dan niet tegelijk met andere
werknemers, gegeven.
Artikel 660a
De werknemer die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen
arbeid te verrichten, is verplicht:
a. gevolg te geven aan door de
werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften en mee te werken aan door de
werkgever of een door hem aangewezen deskundige
getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 658a lid 2;
b. zijn medewerking te verlenen
aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan
van aanpak als bedoeld in artikel 658a lid 3;
c. passende arbeid als bedoeld in
artikel 658a lid 4 te verrichten waartoe de werkgever
hem in de gelegenheid stelt.
Artikel 661
1. De
werknemer die bij de uitvoering van de overeenkomst schade
toebrengt aan de werkgever of aan een derde jegens wie de
werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, is te
dier zake niet jegens de werkgever aansprakelijk, tenzij de
schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste
roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval kan, mede
gelet op de aard van de overeenkomst, anders voortvloeien
dan in de vorige zin is bepaald.
2.
Afwijking van lid 1 en van artikel 170 lid 3 van Boek 6 ten
nadele van de werknemer is slechts mogelijk bij
schriftelijke overeenkomst en slechts voor zover de
werknemer te dier zake verzekerd is.
Afdeling 8. Rechten van de werknemer bij
overgang van een onderneming
Artikel 662
1. In
afwijking van artikel 615 is deze afdeling ook van
toepassing op de werknemer die arbeid verricht in een
onderneming die in stand wordt gehouden door staat,
provincie, gemeente, waterschap of enig ander
publiekrechtelijk lichaam.
2. Voor
de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. overgang: de overgang, ten
gevolge van een overeenkomst, een fusie of een
splitsing, van een economische eenheid die haar
identiteit behoudt;
b. economische eenheid: een geheel
van georganiseerde middelen, bestemd tot het ten uitvoer
brengen van een al dan niet hoofdzakelijk economische
activiteit.
3. Voor
de toepassing van deze afdeling wordt een vestiging of een
onderdeel van een onderneming of vestiging beschouwd als een
onderneming.
Artikel 663
Door de overgang van een onderneming gaan
de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de
werkgever in die onderneming voortvloeien uit een
arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer
van rechtswege over op de verkrijger. Evenwel is die werkgever
nog gedurende een jaar na de overgang naast de verkrijger
hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit
de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip.
Artikel 664
1.
Artikel 663, eerste volzin, is niet van toepassing op
rechten en verplichtingen van de werkgever die voortvloeien
uit een pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de
Pensioenwet indien:
a. de verkrijger aan de werknemer,
bedoeld in artikel 663, dezelfde toezegging doet, die
hij reeds voor het tijdstip van overgang heeft gedaan
aan zijn werknemers;
b. de verkrijger op grond van
artikel 2 van de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000, verplicht is deel te
nemen in een bedrijfstakpensioenfonds en de werknemer,
bedoeld in artikel 663, gaat deelnemen in dat fonds;
c. bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan is afgeweken van de
pensioenovereenkomst, bedoeld in de aanhef.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing indien de werknemer,
bedoeld in artikel 663, voor de overgang op grond van
artikel 2 van de Wet verplichte deelneming in een
bedrijfstakpensioenfonds 2000, verplicht is deel te nemen in
een bedrijfstakpensioenfonds en deze zelfde verplichting
blijft gelden na de overgang.
3.
Artikel 663, eerste volzin, is niet van toepassing op
rechten en verplichtingen van de werkgever die voortvloeien
uit een spaarregeling als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van de Pensioen- en spaarfondsenwet zoals de Pensioen- en
spaarfondsenwet luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van Pensioenwet indien de verkrijger de
werknemer, bedoeld in artikel 663, opneemt in de
spaarregeling die reeds voor het tijdstip van overgang gold
voor zijn werknemers.
Artikel 665
Indien de overgang van een onderneming een
wijziging van de omstandigheden ten nadele van de werknemer tot
gevolg heeft en de arbeidsovereenkomst deswege wordt ontbonden
ingevolge artikel 685, geldt zij met het oog op de toepassing
van lid 8 van dat artikel als ontbonden wegens een reden welke
voor rekening van de werkgever komt.
Artikel 665a
Indien in een onderneming geen
ondernemingsraad is ingesteld, noch een
personeelsvertegenwoordiging is ingesteld krachtens artikel 35c,
eerste lid, of artikel 35d, eerste lid, van de Wet op de
ondernemingraden, stelt de werkgever de eigen werknemers die
betrokken zijn bij de overgang van de onderneming tijdig in
kennis van
a. het voorgenomen besluit tot
overgang;
b. de voorgenomen datum van de
overgang;
c. de reden van de overgang;
d. de juridische, economische, en
sociale gevolgen van de overgang voor de werknemers, en
e. de ten aanzien van de
werknemers overwogen maatregelen.
Artikel 666
1. De
artikelen 662 tot en met 665, en artikel 670, lid 8, zijn
niet van toepassing op de overgang van een onderneming
indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard
en de onderneming tot de boedel behoort.
2. Deze
afdeling is niet van toepassing met betrekking tot de
bemanning van een zeeschip.
Afdeling 9. Einde van de
arbeidsovereenkomst
Artikel 667
1. Een
arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, wanneer de tijd
is verstreken bij overeenkomst, bij de wet of door het
gebruik aangegeven.
2.
Voorafgaande opzegging is in dat geval nodig:
a. indien zulks bij schriftelijk
aangegane overeenkomst is bepaald;
b. indien volgens de wet of het
gebruik opzegging behoort plaats te vinden en daarvan
niet, waar zulks geoorloofd is, bij schriftelijk
aangegane overeenkomst is afgeweken.
3. Een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 1 kan slechts
tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen
dat recht schriftelijk is overeengekomen.
4.
Indien een voor onbepaalde tijd aangegane
arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige
opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd,
éénmaal of meermalen is voortgezet door een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met tussenpozen van
niet meer dan drie maanden, is in afwijking van lid 1 voor
de beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst
voorafgaande opzegging nodig. De termijn van opzegging wordt
berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
5. Van
een voortgezette arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 4 is
eveneens sprake indien eenzelfde werknemer achtereenvolgens
in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die
redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien van de
verrichte arbeid elkanders opvolger te zijn.
6. Voor
de beëindiging van een voor onbepaalde tijd aangegane
arbeidsovereenkomst is voorafgaande opzegging nodig.
7. Een
beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst van
rechtswege eindigt wegens het in het huwelijk treden van de
werknemer of wegens het aangaan van een geregistreerd
partnerschap door de werknemer, is nietig.
8. Een
beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst van
rechtswege eindigt wegens zwangerschap of bevalling van de
werkneemster, is nietig.
Artikel 668
1.
Indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de
tijd, bedoeld in artikel 667 lid 1, door partijen zonder
tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde
tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere
voorwaarden wederom te zijn aangegaan.
2.
Hetzelfde geldt, wanneer in de gevallen waarin opzegging
nodig is, tijdige opzegging achterwege blijft en de gevolgen
van de voortzetting der arbeidsovereenkomst niet opzettelijk
zijn geregeld.
Artikel 668a
1. Vanaf
de dag dat tussen dezelfde partijen:
a. arbeidsovereenkomsten voor
bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan
drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36
maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben
overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste
arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;
b. meer dan 3 voor bepaalde tijd
aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd
met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de
laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor
onbepaalde tijd.
2. Lid 1
is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende
arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende
werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid
redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te
zijn.
3. Lid
1, onderdeel a en laatste zinsnede, is niet van toepassing
op een arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan 3
maanden die onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde
partijen aangegane arbeidsovereenkomst voor 36 maanden of
langer.
4. De
termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van
totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld
onder a of b van lid 1.
5. Van
de leden 1 tot en met 4 kan slechts bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele
van de werknemer.
Artikel 669
Degene die de arbeidsovereenkomst opzegt,
geeft de andere partij op diens verzoek schriftelijk opgave van
de reden van opzegging.
Artikel 670
1. De
werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de
werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid:
a. ten minste twee jaren heeft
geduurd, of
b. een aanvang heeft genomen nadat
een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 6 van
het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door
de Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in
hoofdstuk 4 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen is ontvangen.
Voor de berekening van de termijn, bedoeld
in onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het
verrichten van arbeid tengevolge van zwangerschap voorafgaand
aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid
tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in
artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg,
niet in aanmerking genomen. Voorts worden perioden van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld
in de vorige zin, samengeteld, indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig
artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg,
tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
2. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werkneemster
niet opzeggen gedurende de zwangerschap. De werkgever kan
ter staving van de zwangerschap een verklaring van een arts
of van een verloskundige verlangen. Voorts kan de werkgever
de arbeidsovereenkomst van de werkneemster niet opzeggen
gedurende de periode waarin zij bevallingsverlof als bedoeld
in artikel 3:1, derde lid, van de Wet arbeid en zorg geniet
en na werkhervatting, gedurende het tijdvak van zes weken
aansluitend op dat bevallingsverlof, dan wel aansluitend op
een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
die haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan
voorafgaande zwangerschap en die aansluit op dat
bevallingsverlof.
3. De
werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de
werknemer verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten,
omdat hij als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling
van zijn militaire dienst of vervangende dienst.
4. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met de
werknemer die lid is van:
1°. een ondernemingsraad, een
centrale ondernemingsraad, een groepsondernemingsraad,
een vaste commissie van die raden of van een
onderdeelcommissie van de ondernemingsraad, of van een
personeelsvertegenwoordiging;
2°. een bijzondere
onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad
als bedoeld in de Wet op de Europese ondernemingsraden,
dan wel die krachtens die wet optreedt als
vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
3°. een bijzondere
onderhandelingsgroep, of een SE-ondernemingsraad of als
werknemersvertegenwoordiger lid is van het
toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE als
bedoeld in hoofdstuk 1 van de Wet rol werknemers bij
Europese rechtspersonen, dan wel die krachtens die wet
optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
4°. een bijzondere
onderhandelingsgroep, of een SCE-ondernemingsraad of als
werknemersvertegenwoordiger lid is van het
toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SCE als
bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wet rol werknemers bij
Europese rechtspersonen dan wel die krachtens hoofdstuk
2 van die wet optreedt als vertegenwoordiger bij een
andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging
van werknemers.
Indien de werkgever aan de
ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging een
secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin op die
secretaris van overeenkomstige toepassing. Indien de
werkgever aan de ondernemingsraad een secretaris heeft
toegevoegd, is de eerste volzin van dit lid van
overeenkomstige toepassing op die secretaris.
5. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens
het lidmaatschap van de werknemer van een vereniging van
werknemers die krachtens haar statuten ten doel heeft de
belangen van de leden als werknemer te behartigen dan wel
wegens het verrichten van of deelnemen aan activiteiten ten
behoeve van die vereniging, tenzij die activiteiten in de
arbeidstijd van de werknemer worden verricht zonder
toestemming van de werkgever.
6. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de werknemer die
daarvoor verlof heeft, niet opzeggen wegens het bijwonen van
vergaderingen als bedoeld in artikel 643. Hetzelfde geldt
indien tussen partijen geen overeenstemming over het verlof
bestaat zolang de rechter omtrent het verlof niet heeft
beschikt.
7. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de
omstandigheid dat de werknemer zijn recht op adoptieverlof
of verlof voor het opnemen van een pleegkind als bedoeld in
artikel 3:2 van de Wet arbeid en zorg, op kort- en
langdurend zorgverlof als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet
arbeid en zorg, dan wel zijn recht op ouderschapsverlof als
bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg geldend
maakt.
8. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de in zijn
onderneming werkzame werknemer niet opzeggen wegens de in
artikel 662, lid 2, onderdeel a, bedoelde overgang van die
onderneming.
9. De
werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de
omstandigheid dat de werknemer geen instemming verleent aan
het werken op zondag als bedoeld in artikel 5:4, eerste lid,
derde volzin, van de Arbeidstijdenwet.
10. De
termijn van twee jaren, bedoeld in lid 1, onderdeel a, wordt
verlengd:
a. met de duur van de vertraging
indien de werkgever de aangifte, bedoeld in artikel 38,
eerste lid, van de Ziektewet later doet dan in dat
artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van de vertraging
indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later
wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is
voorgeschreven;
c. met de duur van de verlenging
van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien
die wachttijd op grond van het zevende lid van dat
artikel wordt verlengd; en
d. met de duur van het tijdvak dat
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op
grond van artikel 24, eerste lid, of artikel 25, negende
lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan
wel op grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.
11. Voor
de toepassing van lid 4 en artikel 670a lid 1 wordt tevens
onder de SE-ondernemingsraad verstaan: het orgaan dat de
werknemers vertegenwoordigt in een SE die haar statutaire
zetel heeft in een andere lidstaat, en dat is ingesteld
krachtens de bepalingen in het nationale recht van die
lidstaat ter omzetting van de richtlijn nr. 2001/86 van de
Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 tot aanvulling
van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking
tot de rol van de werknemers (PbEG L 294).
12. Voor
de toepassing van het vierde lid en artikel 670a lid 1 wordt
tevens onder de SCE-ondernemingsraad verstaan: het orgaan
dat de werknemers vertegenwoordigt in een SCE die haar
statutaire zetel heeft in een andere lidstaat, en dat is
ingesteld krachtens de bepalingen in het nationale recht van
die lidstaat ter omzetting van de richtlijn nr. 2003/72/EG
van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 tot
aanvulling van het statuut van de Europese coöperatieve
vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers
(PbEG L 207).
13. Van
de leden 1 eerste zin en 3 kan slechts worden afgeweken bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 670a
1. De
werkgever kan zonder voorafgaande toestemming van de
kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met een
werknemer die:
a. geplaatst is op een
kandidatenlijst voor een ondernemingsraad dan wel een
personeelsvertegenwoordiging of korter dan twee jaar
geleden lid is geweest van een ondernemingsraad, van een
centrale ondernemingsraad, van een
groepsondernemingsraad of van een commissie van die
raden, van een personeelsvertegenwoordiging of van een
bijzondere onderhandelingsgroep of een Europese
ondernemingsraad, een SE-ondernemingsraad of een
SCE-ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de
Europese ondernemingsraden respectievelijk de
hoofdstukken 1 respectievelijk 2 van de Wet rol
werknemers bij Europese rechtspersonen dan wel die
korter dan twee jaar geleden krachtens een van die
wetten is opgetreden als vertegenwoordiger bij een
andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging
van werknemers;
b. lid is van een
voorbereidingscommissie van een ondernemingsraad, van
een centrale ondernemingsraad of van een
groepsondernemingsraad;
c. als deskundige werknemer als
bedoeld in artikel 13, eerste en tweede lid, of als
deskundige persoon als bedoeld in artikel 14, eerste
lid, van de Arbeidsomstandighedenwet werkzaam is;
d. een functionaris voor de
gegevensbescherming als bedoeld in artikel 62 van de Wet
bescherming persoonsgegevens werkzaam is.
2. De
toestemming van de kantonrechter wordt gevraagd bij
verzoekschrift. De kantonrechter verleent de toestemming
slechts indien de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat
opzegging geen verband houdt met een omstandigheid als
bedoeld in lid 1. Van de uitspraak staat geen hoger beroep
of beroep in cassatie open.
Artikel 670b
1. De
artikelen 670 en 670a zijn niet van toepassing bij een
opzegging gedurende de proeftijd of wegens een dringende
reden.
2. De
leden 1 tot en met 9 van artikel 670 en artikel 670a zijn
niet van toepassing indien de werknemer schriftelijk met de
opzegging instemt of indien de opzegging geschiedt wegens de
beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van
het onderdeel van de onderneming, waarin de werknemer
uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is. De opzegging wegens
beëindiging van de werkzaamheden kan evenwel niet betreffen
de werkneemster die zwangerschaps- of bevallingsverlof
geniet als bedoeld in artikel 3:1 van de Wet arbeid en zorg.
3.
Artikel 670, lid 1, aanhef en onder a, is niet van
toepassing, indien de werknemer die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de
bedongen arbeid te verrichten, zonder deugdelijke grond
weigert:
a. gevolg te geven aan door de
werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften en mee te werken aan door de
werkgever of een door hem aangewezen deskundige
getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de
eigen of andere passende arbeid te verrichten;
b. passende arbeid als bedoeld in
artikel 658a lid 4 te verrichten waartoe de werkgever
hem in de gelegenheid stelt;
c. zijn medewerking te verlenen
aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan
van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel
71a, tweede lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 671 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 672
1.
Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij
schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere
dag daarvoor is aangewezen.
2. De
door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging
bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van
opzegging:
a. korter dan vijf jaar heeft
geduurd: één maand;
b. vijf jaar of langer, maar
korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
c. tien jaar of langer, maar
korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
d. vijftien jaar of langer heeft
geduurd: vier maanden.
3. De
door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging
bedraagt één maand.
4.
Indien de toestemming bedoeld in artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend,
wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van
opzegging verkort met één maand, met dien verstande dat de
resterende termijn van opzegging ten minste één maand
bedraagt.
5. De
termijn, bedoeld in lid 2, kan slechts worden verkort bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan. De termijn kan
schriftelijk worden verlengd.
6. Van
de termijn, bedoeld in lid 3, kan schriftelijk worden
afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag
bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de
werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de
werknemer.
7. Van
lid 4 kan, voor zover het betreft de resterende termijn van
opzegging van één maand, slechts bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele
van de werknemer.
8. Bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of
namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, mag de termijn
van opzegging, bedoeld in lid 6, tweede volzin, voor de
werkgever worden verkort, mits de termijn niet korter is dan
die voor de werknemer.
9. Voor
de toepassing van lid 2 worden arbeidsovereenkomsten geacht
eenzelfde, niet onderbroken arbeidsovereenkomst te vormen in
geval van herstel van de arbeidsovereenkomst ingevolge
artikel 682.
Artikel 673 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 674
1. De
arbeidsovereenkomst eindigt door de dood van de werknemer.
2.
Niettemin is de werkgever verplicht aan de nagelaten
betrekkingen van de werknemer over de periode vanaf de dag
na overlijden tot en met één maand na de dag van het
overlijden, een uitkering te verlenen ten bedrage van het
loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam.
3. Voor
de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten
betrekkingen verstaan de langstlevende der echtgenoten dan
wel geregistreerde partners van wie de werknemer niet
duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de
werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de
minderjarige kinderen tot wie de overledene in
familierechtelijke betrekking stond en bij ontstentenis van
dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en
in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van
ongehuwd samenleven als bedoeld in de eerste zin is sprake
indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding
voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste
graad. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de
tweede zin is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen
voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in
de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in
elkaars verzorging voorzien.
4. De
overlijdensuitkering, bedoeld in lid 2, kan worden
verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de
nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de
werknemer toekomt krachtens een wettelijk voorgeschreven
ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering en krachtens de
Toeslagenwet.
5. Lid 2
geldt niet indien de werknemer onmiddellijk voorafgaande aan
het overlijden door toepassing van artikel 629 lid 3, geen
aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 629 lid 1 of
indien ten gevolge van het toedoen van de werknemer geen
aanspraak bestaat op een uitkering krachtens een wettelijk
voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de nagelaten
betrekkingen worden afgeweken.
Artikel 675
De arbeidsovereenkomst eindigt niet door
de dood van de werkgever, tenzij uit de overeenkomst het
tegendeel voortvloeit. Echter zijn zowel de erfgenamen van de
werkgever als de werknemer bevoegd de arbeidsovereenkomst, voor
een bepaalde tijd aangegaan, op te zeggen met inachtneming van
de artikelen 670, 670a en 672, als ware zij aangegaan voor
onbepaalde tijd. Wanneer de nalatenschap van de werkgever
ingevolge artikel 13 van Boek 4 wordt verdeeld, komt de
bevoegdheid van de erfgenamen, bedoeld in de vorige zin, toe aan
zijn echtgenoot of geregistreerde partner.
Artikel 676
1.
Indien een proeftijd is bedongen, is ieder der partijen,
zolang die tijd niet is verstreken, bevoegd de
arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.
2. Bij
een zodanige opzegging zijn de artikelen 681 en 682 niet van
toepassing.
Artikel 677
1. Ieder
der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op
te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige
mededeling van die reden aan de wederpartij. De partij die
opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige
mededeling van de dringende reden is schadeplichtig.
2. De
partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen
geldt, is schadeplichtig.
3.
Eveneens is schadeplichtig de partij die door opzet of
schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven
om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, indien de
wederpartij van die bevoegdheid heeft gebruik gemaakt of de
rechter op die grond krachtens artikel 685 de
arbeidsovereenkomst heeft ontbonden.
4.
Ingeval een der partijen schadeplichtig is, heeft de
wederpartij de keus de in artikel 680 genoemde gefixeerde
schadevergoeding of een volledige schadevergoeding te
vorderen.
5. Het
niet in acht nemen van artikel 670 leden 1 tot en met 9, of
van artikel 670a maakt de werkgever niet schadeplichtig.
De werknemer kan in die gevallen
gedurende twee maanden na de opzegging van de
arbeidsovereenkomst een beroep doen op de
vernietigingsgrond. Het beroep op de vernietigingsgrond
geschiedt door kennisgeving aan de werkgever. Artikel 55 van
Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 678
1. Voor
de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid
1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of
gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van
de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de
arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2.
Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen
worden:
a. wanneer de werknemer bij het
sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft misleid
door het vertonen van valse of vervalste
getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen
heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige
arbeidsovereenkomst is geëindigd;
b. wanneer hij in ernstige mate de
bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de
arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;
c. wanneer hij zich ondanks
waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander
liederlijk gedrag;
d. wanneer hij zich schuldig maakt
aan diefstal, verduistering, bedrog of andere
misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever
onwaardig wordt;
e. wanneer hij de werkgever, diens
familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers
mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze
bedreigt;
f. wanneer hij de werkgever, diens
familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers
verleidt of tracht te verleiden tot handelingen,
strijdig met de wetten of de goede zeden;
g. wanneer hij opzettelijk, of
ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de
werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
h. wanneer hij opzettelijk, of
ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of anderen aan
ernstig gevaar blootstelt;
i. wanneer hij bijzonderheden
aangaande de huishouding of het bedrijf van de
werkgever, die hij behoorde geheim te houden,
bekendmaakt;
j. wanneer hij hardnekkig weigert
te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door
of namens de werkgever verstrekt;
k. wanneer hij op andere wijze
grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de
arbeidsovereenkomst hem oplegt;
l. wanneer hij door opzet of
roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de bedongen
arbeid te verrichten.
3.
Bedingen waarbij aan de werkgever de beslissing wordt
overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel
677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 679
1. Voor
de werknemer worden als dringende redenen in de zin van
artikel 677 lid 1 beschouwd zodanige omstandigheden, die ten
gevolge hebben dat van de werknemer redelijkerwijze niet kan
gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2.
Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen
worden:
a. wanneer de werkgever de
werknemer, diens familieleden of huisgenoten mishandelt,
grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt, of
gedoogt dat dergelijke handelingen door een van zijn
huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
b. wanneer hij de werknemer, diens
familieleden of huisgenoten verleidt of tracht te
verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de
goede zeden, of gedoogt dat een dergelijke verleiding of
poging tot verleiding door een van zijn huisgenoten of
ondergeschikten worden gepleegd;
c. wanneer hij het loon niet op de
daarvoor bepaalde tijd voldoet;
d. wanneer hij, waar kost en
inwoning overeengekomen zijn, niet op behoorlijke wijze
daarin voorziet;
e. wanneer hij de werknemer wiens
loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten
arbeid is vastgesteld, geen voldoende arbeid verschaft;
f. wanneer hij de werknemer wiens
loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten
arbeid is vastgesteld, de bedongen hulp niet of niet in
behoorlijke mate verschaft;
g. wanneer hij op andere wijze
grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de
arbeidsovereenkomst hem oplegt;
h. wanneer hij, zonder dat de aard
van de arbeidsovereenkomst dit medebrengt, de werknemer
niettegenstaande diens weigering gelast arbeid in het
bedrijf van een andere werkgever te verrichten;
i. wanneer de voortduring van de
arbeidsovereenkomst voor de werknemer zou zijn verbonden
met ernstige gevaren voor leven, gezondheid,
zedelijkheid of goede naam, die niet duidelijk waren ten
tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst;
j. wanneer de werknemer door
ziekte of andere oorzaken zonder zijn toedoen buiten
staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten.
3.
Bedingen waarbij aan de werknemer de beslissing wordt
overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel
677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 680
1. De
gefixeerde schadevergoeding, bedoeld in artikel 677 lid 4,
is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon
voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige
opzegging had behoren voort te duren.
2. Is
het loon van de werknemer, hetzij voor het geheel, hetzij
gedeeltelijk, niet naar tijdruimte vastgesteld, dan geldt de
maatstaf van artikel 618.
3. Elk
beding waarbij ten behoeve van de werknemer een gefixeerde
schadevergoeding tot een lager bedrag wordt bedongen, is
nietig.
4. Bij
schriftelijke overeenkomst mag een gefixeerde
schadevergoeding tot een hoger bedrag worden vastgesteld.
5. De
rechter is bevoegd de gefixeerde schadevergoeding, zo deze
hem met het oog op de omstandigheden van het geval
bovenmatig voorkomt, op een kleinere som te bepalen, doch
niet op minder dan het in geld vastgesteld loon voor de duur
van de opzeggingstermijn ingevolge artikel 672, noch op
minder dan het in geld vastgesteld loon voor 3 maanden.
6.
Indien de door de werknemer verschuldigde gefixeerde
schadevergoeding meer bedraagt dan het in geld vastgesteld
loon voor een maand of de door de werkgever verschuldigde
gefixeerde schadevergoeding meer bedraagt dan het in geld
vastgesteld loon voor 3 maanden, kan de rechter toestaan dat
de schadevergoeding op door hem te bepalen wijze in
termijnen wordt betaald.
7. Over
het bedrag van de verschuldigde gefixeerde schadevergoeding
is de wettelijke rente verschuldigd, te rekenen van de dag
waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Artikel 680a
De rechter is bevoegd een vordering tot
doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van
de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien
toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare
gevolgen zou leiden, doch op niet minder dan het in geld
vastgestelde loon voor de duur van de opzegtermijn ingevolge
artikel 672 noch op minder dan het in geld vastgestelde loon
voor drie maanden.
Artikel 681
1.
Indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of
niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende
bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, kan de rechter
steeds aan de wederpartij een schadevergoeding toekennen.
2.
Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zal
onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder
opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende
of valse reden;
b. wanneer, mede in aanmerking
genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en
de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend
werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te
ernstig zijn in vergelijking met het belang van de
werkgever bij de opzegging;
c. wanneer deze geschiedt in
verband met een verhindering van de werknemer om de
bedongen arbeid te verrichten als bedoeld in artikel 670
lid 3;
d. wanneer deze geschiedt in
afwijking van een in de bedrijfstak of de onderneming
krachtens wettige regeling of gebruik geldende
getalsverhouding- of anciënniteitsregeling, tenzij
hiervoor zwaarwichtige gronden aanwezig zijn;
e. wanneer deze geschiedt wegens
het enkele feit dat de werknemer met een beroep op een
ernstig gewetensbezwaar weigert de bedongen arbeid te
verrichten.
3.
Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer zal
onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder
opgave van redenen of onder opgave van een voorgewende
of valse reden;
b. wanneer de gevolgen van de
opzegging voor de werkgever te ernstig zijn in
vergelijking met het belang van de werknemer bij de
opzegging.
4. Een
beding waarbij aan een van de partijen de beslissing wordt
overgelaten of de arbeidsovereenkomst al of niet kennelijk
onredelijk is opgezegd, is nietig.
Artikel 682
1. De
rechter kan de werkgever die schadeplichtig is geworden
volgens artikel 677 of die de arbeidsovereenkomst kennelijk
onredelijk opzegt, ook veroordelen de arbeidsovereenkomst te
herstellen.
2.
Indien de rechter een zodanige veroordeling uitspreekt, kan
hij bepalen voor of op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst
moet worden hersteld en kan hij voorzieningen treffen
omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking.
3. De
rechter kan in het vonnis, houdende de veroordeling tot
herstel van de arbeidsovereenkomst, bepalen dat de
verplichting tot herstel vervalt door betaling van een in
het vonnis vastgestelde afkoopsom. Is in het vonnis geen
afkoopsom vastgesteld, dan zal de rechter deze op verzoek
van de werkgever alsnog vaststellen. Een zodanig verzoek
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor zover het
betreft de veroordeling tot herstel van de
arbeidsovereenkomst, totdat op het verzoek is beslist, met
dien verstande dat de werkgever in ieder geval verplicht
blijft gedurende de schorsing het loon te betalen.
4. De
rechter stelt de hoogte van de afkoopsom met het oog op de
omstandigheden van het geval naar billijkheid vast; hij kan
toestaan dat de afkoopsom op door hem te bepalen wijze in
termijnen wordt betaald.
5.
Indien een afkoopsom wegens het niet naleven van een
verplichting om een arbeidsovereenkomst te herstellen op
andere wijze is vastgesteld, kan de rechter het bedrag van
de verschuldigde afkoopsom op verzoek van de meest gerede
partij wijzigen in zodanig bedrag als hem met het oog op de
omstandigheden van het geval billijk zal voorkomen en kan
hij toelaten dat de afkoopsom op door hem te bepalen wijze
in termijnen wordt betaald.
Artikel 683
1.
Iedere rechtsvordering krachtens artikelen 677 lid 4, 681
lid 1 en 682 lid 1, verjaart na verloop van zes maanden.
2.
Iedere rechtsvordering van de werknemer in verband met de
vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst
krachtens artikel 677 lid 5, verjaart na verloop van zes
maanden.
Artikel 684
1.
Indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor langer dan
vijf jaren of voor de duur van het leven van een bepaalde
persoon, is niettemin de werknemer bevoegd, van het tijdstip
waarop vijf jaren sedert haar aanvang zijn verlopen, haar op
te zeggen met inachtneming van een termijn van zes maanden.
2. Van
dit artikel kan niet ten nadele van de werknemer worden
afgeweken.
Artikel 685
1. Ieder
der partijen is te allen tijde bevoegd zich tot de
kantonrechter te wenden met het verzoek de
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden.
Elk beding waarbij deze bevoegdheid wordt uitgesloten of
beperkt, is nietig. De kantonrechter kan het verzoek slechts
inwilligen indien hij zich ervan heeft vergewist of het
verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod
als bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig
ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.
2. Als
gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden die een
dringende reden als bedoeld in artikel 677 lid 1 zouden
hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege
onverwijld opgezegd zou zijn, alsook veranderingen in de
omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de
arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte
tijd behoort te eindigen.
3. Het
verzoek wordt gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100,
en 107 tot en met 109 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering bevoegde kantonrechter.
4. Het
verzoekschrift vermeldt de plaats waar de arbeid gewoonlijk
wordt verricht, alsmede de naam en de woonplaats of bij
gebreke van een woonplaats in Nederland het werkelijk
verblijf van de wederpartij.
5. De
kantonrechter kan, indien het verzoek verknocht is aan een
zaak die tussen dezelfde personen reeds voor een andere
rechter aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter
bevelen. De griffier zendt een afschrift van de beschikking,
alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het
geding ter verdere behandeling aan de rechter naar wie is
verwezen.
6. De
behandeling vangt niet later aan dan in de vierde week
volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend.
7.
Indien de rechter het verzoek inwilligt, bepaalt hij op welk
tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
8.
Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen
in de omstandigheden kan hij, zo hem dat met het oog op de
omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van
de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding
toekennen; hij kan toestaan dat de vergoeding op door hem te
bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
9.
Alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding verbonden
wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn
voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke
de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te
trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen
een beslissing geven omtrent de proceskosten.
10. Lid
9 is van overeenkomstige toepassing indien de rechter
voornemens is een ontbinding uit te spreken zonder daaraan
een door de verzoeker verzochte vergoeding te verbinden.
11.
Tegen een beschikking krachtens dit artikel kan hoger beroep
noch cassatie worden ingesteld.
Artikel 686
De bepalingen van deze afdeling sluiten
voor geen van beide partijen de mogelijkheid uit van ontbinding
wegens een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en
van schadevergoeding. De ontbinding kan slechts door de rechter
worden uitgesproken.
Afdeling 10. Bijzondere bepalingen voor
handelsvertegenwoordigers
Artikel 687
De overeenkomst van
handelsvertegenwoordiging is een arbeidsovereenkomst waarbij de
ene partij, de handelsvertegenwoordiger, zich tegenover de
andere partij, de patroon, verbindt tegen loon dat geheel of
gedeeltelijk uit provisie bestaat, bij de totstandkoming van
overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel in
naam van de patroon te sluiten.
Artikel 688
1. Op de
overeenkomst van handelsvertegenwoordiging zijn de artikelen
426, 429, 430 leden 2 tot en met 4, 431, 432, 433 en 434 van
overeenkomstige toepassing.
2. Van
de artikelen 426 lid 2, 429, 430 leden 2 tot en met 4, 431
lid 2 en 433 kan niet worden afgeweken.
3. Van
de artikelen 432 lid 3 en 434 kan niet ten nadele van de
handelsvertegenwoordiger worden afgeweken.
4. Van
de artikelen 426 lid 1 en 431 lid 1 kan slechts schriftelijk
ten nadele van de handelsvertegenwoordiger worden afgeweken.
Artikel 689
In afwijking van het bepaalde in artikel
680 lid 2 wordt voor de vaststelling van de gefixeerde
schadevergoeding, bedoeld in artikel 677 lid 4, rekening
gehouden met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en
met alle andere ter zake in acht te nemen factoren.
Afdeling 11. Bijzondere bepalingen ter
zake van de uitzendovereenkomst
Artikel 690
De uitzendovereenkomst is de
arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in
het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de
werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om
krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht
arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
Artikel 691
1. Op de
uitzendovereenkomst is artikel 668a eerst van toepassing
zodra de werknemer in meer dan 26 weken arbeid heeft
verricht.
2. In de
uitzendovereenkomst kan schriftelijk worden bedongen dat die
overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de
terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever
aan de derde als bedoeld in artikel 690 op verzoek van die
derde ten einde komt. Indien een beding als bedoeld in de
vorige volzin in de uitzendovereenkomst is opgenomen, kan de
werknemer die overeenkomst onverwijld opzeggen.
3. Een
beding als bedoeld in lid 2 verliest zijn kracht indien de
werknemer in meer dan 26 weken arbeid voor de werkgever
heeft verricht. Na het verstrijken van deze termijn vervalt
de bevoegdheid van de werknemer tot opzegging als bedoeld in
lid 2.
4. Voor
de berekening van de termijnen, bedoeld in de leden 1 en 3,
worden perioden waarin arbeid wordt verricht die elkaar
opvolgen met tussenpozen van minder dan een jaar mede in
aanmerking genomen.
5. Voor
de berekening van de termijnen, bedoeld in de leden 1 en 3,
worden perioden waarin voor verschillende werkgevers arbeid
wordt verricht die ten aanzien van de verrichte arbeid
redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te
zijn mede in aanmerking genomen.
6. Dit
artikel is niet van toepassing op de uitzendovereenkomst
waarbij de werkgever en de derde in een groep zijn verbonden
als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 dan wel de één een
dochtermaatschappij is van de ander als bedoeld in artikel
24a van Boek 2.
7. Van
de termijnen bedoeld in de leden 1, 3 en 4 en van lid 5 kan
slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling
door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden
afgeweken ten nadele van de werknemer.
Titel 12. Aanneming van werk
Afdeling 1. Aanneming van werk in het
algemeen
Artikel 750
1.
Aanneming van werk is de overeenkomst waarbij de ene partij,
de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever,
verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke
aard tot stand te brengen en op te leveren, tegen een door
de opdrachtgever te betalen prijs in geld.
2.
Bestaat de tegenprestatie niet of niet geheel in geld, dan
vindt deze titel toepassing, voor zover de aard van de
tegenprestatie zich daartegen niet verzet.
Artikel 751
De aannemer is bevoegd het werk onder zijn
leiding door anderen te doen uitvoeren, en ten aanzien van
onderdelen ook de leiding aan anderen over te laten, zulks
onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de deugdelijke nakoming
van de overeenkomst.
Artikel 752
1.
Indien de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is
bepaald of slechts een richtprijs is bepaald, is de
opdrachtgever een redelijke prijs verschuldigd. Bij de
bepaling van de prijs wordt rekening gehouden met de door de
aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst
gewoonlijk bedongen prijzen en met de door hem ter zake van
de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen.
2.
Indien een richtprijs was bepaald, zal deze richtprijs met
niet meer dan 10% mogen worden overschreden, tenzij de
aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor de
waarschijnlijkheid van een verdere overschrijding heeft
gewaarschuwd, om hem de gelegenheid te geven het werk alsnog
te beperken of te vereenvoudigen. De aannemer zal binnen de
grenzen van het redelijke aan zulke beperking of
vereenvoudiging moeten meewerken.
3. Lid 2
is van overeenkomstige toepassing op aannemingen van werk
waarbij de prijs afhankelijk is gesteld van de bij de
overeenkomst geschatte tijdsduur voor de uitvoering van het
werk.
Artikel 753
1.
Indien na het sluiten van de overeenkomst kostenverhogende
omstandigheden ontstaan of aan het licht komen zonder dat
zulks aan de aannemer kan worden toegerekend, zal de rechter
op vordering van de aannemer de overeengekomen prijs geheel
of gedeeltelijk aan de kostenverhoging kunnen aanpassen,
mits de aannemer bij het bepalen van de prijs geen rekening
heeft behoeven te houden met de kans op zulke
omstandigheden.
2. De
aannemer mag de prijs zonder tussenkomst van de rechter
aanpassen, indien de kostenverhoging het gevolg is van door
de opdrachtgever verschafte onjuiste gegevens welke voor de
prijsbepaling van belang zijn, tenzij de aannemer de
onjuistheid der gegevens vóór het vaststellen van de prijs
had behoren te ontdekken.
3. Het
in de leden 1 en 2 bepaalde geldt slechts indien de aannemer
de opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor de noodzaak van
een prijsverhoging heeft gewaarschuwd, opdat deze tijdig
hetzij gebruik kan maken van het hem in artikel 764
toegekende recht, hetzij een voorstel kan doen tot beperking
of vereenvoudiging van het werk.
Artikel 754
De aannemer is bij het aangaan of het
uitvoeren van de overeenkomst verplicht de opdrachtgever te
waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze
kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Hetzelfde geldt in
geval van gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de
opdrachtgever, daaronder begrepen de grond waarop de
opdrachtgever een werk laat uitvoeren, alsmede fouten of
gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen,
tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.
Artikel 755
In geval van door de opdrachtgever
gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen
werk kan de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs
vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op
de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging,
tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten
begrijpen. Van deze bepaling kan niet ten nadele van de
opdrachtgever worden afgeweken, behoudens bij een
standaardregeling als bedoeld in artikel 214 van Boek 6.
Artikel 756
1.
Indien reeds vóór de vastgestelde tijd van oplevering
waarschijnlijk wordt dat het werk niet op tijd of niet
behoorlijk zal worden opgeleverd, kan de rechter de
overeenkomst op vordering van de opdrachtgever geheel of
gedeeltelijk ontbinden.
2.
Indien reeds vóór de oplevering waarschijnlijk wordt dat de
opdrachtgever niet op tijd of niet behoorlijk aan zijn
verplichtingen zal voldoen, of dat de aannemer de
overeenkomst niet zal kunnen uitvoeren ten gevolge van een
omstandigheid die hem niet kan worden toegerekend, kan de
rechter de overeenkomst op vordering van de aannemer geheel
of gedeeltelijk ontbinden.
3. De
rechter bepaalt de gevolgen van de ontbinding; hij kan de
ontbinding ook doen afhangen van door hem te stellen
voorwaarden.
Artikel 757
1. Wordt
de uitvoering van het werk onmogelijk doordat de zaak waarop
of waaraan het werk moet worden uitgevoerd, tenietgaat of
verloren raakt zonder dat dit aan de aannemer kan worden
toegerekend, dan is de aannemer gerechtigd tot een evenredig
deel van de vastgestelde prijs op grondslag van de reeds
verrichte arbeid en gemaakte kosten. In geval van opzet of
grove schuld van de opdrachtgever is de aannemer gerechtigd
tot een bedrag berekend overeenkomstig het bepaalde in
artikel 764 lid 2.
2.
Bevond de zaak zich echter in het geval, bedoeld in het
vorige lid, onder de aannemer, dan is de opdrachtgever tot
geen enkele vergoeding gehouden, tenzij het tenietgaan of
verloren raken aan zijn schuld was te wijten, in welk geval
het vorige lid onverminderd toepassing vindt.
Artikel 758
1.
Indien de aannemer te kennen heeft gegeven dat het werk
klaar is om te worden opgeleverd en de opdrachtgever het
werk niet binnen een redelijke termijn keurt en al dan niet
onder voorbehoud aanvaardt dan wel onder aanwijzing van de
gebreken weigert, wordt de opdrachtgever geacht het werk
stilzwijgend te hebben aanvaard. Na de aanvaarding wordt het
werk als opgeleverd beschouwd.
2. Na
oplevering is het werk voor risico van de opdrachtgever.
Derhalve blijft hij de prijs verschuldigd, ongeacht
tenietgaan of achteruitgang van het werk door een oorzaak
die niet aan de aannemer kan worden toegerekend.
3. De
aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken
die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering
redelijkerwijs had moeten ontdekken.
Artikel 759
1.
Indien het werk na oplevering gebreken vertoont waarvoor de
aannemer aansprakelijk is, moet de opdrachtgever, tenzij
zulks in verband met de omstandigheden niet van hem kan
worden gevergd, aan de aannemer de gelegenheid geven de
gebreken binnen een redelijke termijn weg te nemen,
onverminderd de aansprakelijkheid van de aannemer voor
schade ten gevolge van de gebrekkige oplevering.
2. De
opdrachtgever kan vorderen dat de aannemer de gebreken
binnen redelijke termijn wegneemt, tenzij de kosten van
herstel in geen verhouding zouden staan tot het belang van
de opdrachtgever bij herstel in plaats van schadevergoeding.
Artikel 760
1. De
gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk, die
te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van door de
aannemer gebruikte materialen of hulpmiddelen, komen voor
rekening van de aannemer.
2. Is de
ondeugdelijke uitvoering echter te wijten aan gebreken of
ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever,
daaronder begrepen de grond waarop hij een werk laat
uitvoeren, dan komen de gevolgen voor zijn rekening, voor
zover de aannemer niet zijn in artikel 754 bedoelde
waarschuwingsplicht heeft geschonden of anderszins met
betrekking tot deze gebreken in deskundigheid of
zorgvuldigheid tekort is geschoten.
3. Lid 2
is van overeenkomstige toepassing in geval van fouten of
gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen,
tekeningen, berekeningen, bestekken of
uitvoeringsvoorschriften.
Artikel 761
1. Elke
rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk
verjaart door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever
ter zake heeft geprotesteerd. Indien de opdrachtgever de
aannemer een termijn heeft gesteld waarbinnen deze het
gebrek zal kunnen wegnemen, begint de verjaring pas te lopen
bij het einde van die termijn, of zoveel eerder als de
aannemer te kennen heeft gegeven het gebrek niet te zullen
herstellen.
2. De
rechtsvordering verjaart in ieder geval door verloop van
twintig jaren na de oplevering in geval van aanneming van
bouwwerken en door verloop van tien jaren na de oplevering
in alle andere gevallen.
3.
Indien de rechtsvordering krachtens het bepaalde in de
vorige leden zou verjaren tussen het tijdstip waarop de
aannemer aan de opdrachtgever heeft medegedeeld dat hij het
gebrek zal onderzoeken of herstellen, en het tijdstip waarop
hij het onderzoek en de pogingen tot herstel kennelijk als
beëindigd beschouwt, wordt de verjaringstermijn verlengd
overeenkomstig artikel 320 van Boek 3.
4. De
leden 1–3 laten onverlet de bevoegdheid van de opdrachtgever
om aan een vordering tot betaling van de prijs zijn recht op
vermindering daarvan door gedeeltelijke ontbinding van de
overeenkomst of op schadevergoeding tegen te werpen.
Artikel 762
De aansprakelijkheid van de aannemer voor
hem bekende verborgen gebreken die hij heeft verzwegen, kan niet
worden uitgesloten of beperkt, noch kan zij aan kortere
verjaringstermijnen worden onderworpen dan die voorzien in
artikel 761. Verzwijging door degenen die de aannemer met de
leiding over de uitvoering van het werk heeft belast, wordt
gelijkgesteld met verzwijging door de aannemer.
Artikel 763
Indien de aannemer na het sluiten van de
overeenkomst overlijdt of duurzaam arbeidsongeschikt wordt, kan
ieder der partijen de overeenkomst beëindigen, voor zover zij,
gezien de aard van de overeenkomst, aan het overlijden of de
duurzame arbeidsongeschiktheid een redelijk belang bij
beëindiging kan ontlenen. Voor de reeds verrichte arbeid en
gemaakte kosten is de opdrachtgever een naar redelijkheid en met
inachtneming van alle omstandigheden te bepalen vergoeding
verschuldigd.
Artikel 764
1. De
opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst
geheel of gedeeltelijk op te zeggen.
2. In
geval van zulke opzegging zal hij de voor het gehele werk
geldende prijs moeten betalen, verminderd met de besparingen
die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen
aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk.
Indien de prijs afhankelijk was gesteld van de werkelijk
door de aannemer te maken kosten, wordt de door de
opdrachtgever verschuldigde prijs berekend op grondslag van
de gemaakte kosten, de verrichte arbeid en de winst die de
aannemer over het gehele werk zou hebben gemaakt.
Afdeling 2. Bijzondere bepalingen voor de
bouw van een woning in opdracht van een natuurlijk persoon die
niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf
Artikel 765
Deze afdeling is van toepassing op
aanneming van werk die strekt tot de bouw van een woning,
bestaande uit een onroerende zaak of bestanddeel daarvan, in
opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf.
Artikel 766
1. Een
overeenkomst als bedoeld in artikel 765 wordt schriftelijk
aangegaan.
2. De
tussen partijen opgemaakte akte of een afschrift daarvan
moet aan de opdrachtgever ter hand worden gesteld,
desverlangd tegen afgifte aan de aannemer van een gedateerd
ontvangstbewijs. Gedurende drie dagen na deze
terhandstelling heeft de opdrachtgever het recht de
overeenkomst te ontbinden. Komt, nadat de opdrachtgever van
dit recht gebruik gemaakt heeft, binnen zes maanden tussen
dezelfde partijen met betrekking tot dezelfde te bouwen
woning opnieuw een overeenkomst tot stand, dan ontstaat het
recht niet opnieuw.
3. De
leden 1–2 zijn niet van toepassing indien de overeenkomst
strekt tot de bouw van een woning op grond die de
opdrachtgever reeds toebehoort, en de overeenkomst niet met
de koop van deze grond in verband staat.
Artikel 767
De opdrachtgever kan slechts worden
verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij
benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw of met
de waarde van de aan hem overgedragen goederen, behoudens dat
kan worden bedongen dat hij ter verzekering van de nakoming van
zijn verplichtingen een bedrag dat niet hoger is dan 10% van de
aanneemsom, in depot stort bij een notaris dan wel voor dit
bedrag vervangende zekerheid stelt. Het teveel betaalde geldt
als onverschuldigd betaald.
Artikel 768
1. De
opdrachtgever kan, zonder beroep te doen op artikel 262 van
Boek 6 en onder behoud van zijn recht op oplevering,
maximaal 5% van de aanneemsom inhouden op de laatste termijn
of laatste termijnen en dit bedrag in plaats van aan de
aannemer te betalen, in depot storten bij een notaris.
2. De
notaris brengt het bedrag in de macht van de aannemer nadat
drie maanden zijn verstreken na het tijdstip van oplevering,
tenzij de opdrachtgever van de in artikel 262 van Boek 6
toegekende bevoegdheid wenst gebruik te maken. In dat geval
deelt de opdrachtgever aan de notaris mee tot welk bedrag
het depot moet worden gehandhaafd.
3. De
notaris brengt het bedrag voorts in de macht van de aannemer
voor zover de opdrachtgever daarin toestemt, de aannemer
vervangende zekerheid stelt of bij een uitspraak die
partijen bindt, is beslist dat een depot niet of niet langer
gerechtvaardigd is.
4.
Indien de opdrachtgever aan de aannemer schadevergoeding
verschuldigd is wegens de in lid 1 bedoelde depotstorting of
de door de aannemer gestelde vervangende zekerheid, wordt
deze gesteld op de wettelijke rente bedoeld in artikel 119
van Boek 6. Gedurende de drie maanden bedoeld in lid 2, is
zij niet verschuldigd, zelfs niet indien geen gebreken
worden geconstateerd.
Artikel 769
Van deze afdeling en voor zover voor de
toepassing van artikel 768 nodig, van artikel 262 van Boek 6,
kan niet ten nadele van de opdrachtgever worden afgeweken,
behoudens bij een standaardregeling als bedoeld in artikel 214
van Boek 6.
Titel 14. Borgtocht
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 850
1.
Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg,
zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt
tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de
hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal
krijgen.
2. Voor
de geldigheid van een borgtocht is niet vereist dat de
hoofdschuldenaar deze kent.
3. Op
borgtocht zijn de bepalingen omtrent hoofdelijke
verbintenissen van toepassing, voor zover daarvan in deze
titel niet wordt afgeweken.
Artikel 851
1. De
borgtocht is afhankelijk van de verbintenis van de
hoofdschuldenaar, waarvoor zij is aangegaan.
2.
Borgtocht kan slechts voor toekomstige verbintenissen van de
hoofdschuldenaar worden aangegaan, voor zover zij voldoende
bepaalbaar zijn.
Artikel 852
1.
Verweermiddelen die de hoofdschuldenaar jegens de
schuldeiser heeft, kunnen ook door de borg worden
ingeroepen, indien zij het bestaan, de inhoud of het
tijdstip van nakoming van de verbintenis van de
hoofdschuldenaar betreffen.
2.
Indien de hoofdschuldenaar bevoegd is om ter vernietiging
van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit,
een beroep op een vernietigingsgrond te doen en hem door de
borg of door de schuldeiser een redelijke termijn is gesteld
ter uitoefening van die bevoegdheid, is de borg gedurende
die termijn bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te
schorten.
3.
Zolang de hoofdschuldenaar bevoegdelijk de nakoming van zijn
verbintenis jegens de schuldeiser opschort, is ook de borg
bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten.
Artikel 853
Door voltooiing van de verjaring van de
rechtsvordering tot nakoming van de verbintenis van de
hoofdschuldenaar, gaat de borgtocht teniet.
Artikel 854
Strekt de verbintenis van de
hoofdschuldenaar tot iets anders dan tot betaling van een
geldsom, dan geldt de borgtocht voor de vordering tot
schadevergoeding in geld, verschuldigd op grond van
niet-nakoming van die verbintenis, tenzij uitdrukkelijk anders
is bedongen.
Artikel 855
1. De
borg is niet gehouden tot nakoming voordat de
hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is
tekort geschoten.
2. De
schuldeiser die de hoofdschuldenaar overeenkomstig artikel
82 van Boek 6 in gebreke stelt, is verplicht hiervan
tegelijkertijd de borg mededeling te doen.
Artikel 856
1. De
borg is slechts wettelijke rente verschuldigd over het
tijdvak dat hijzelf in verzuim is, tenzij de
hoofdschuldenaar in verzuim is krachtens artikel 83 onder
b van Boek 6.
2. De
borg is gehouden de kosten van rechtsvervolging van de
hoofdschuldenaar te vergoeden, indien hij tijdig door
mededeling van het voornemen tot rechtsvervolging in de
gelegenheid is gesteld deze kosten te voorkomen.
Afdeling 2. Borgtocht, aangegaan buiten
beroep of bedrijf
Artikel 857
De bepalingen van deze afdeling zijn van
toepassing op borgtochten die zijn aangegaan door een natuurlijk
persoon die noch handelde in de uitoefening van zijn beroep of
bedrijf, noch ten behoeve van de normale uitoefening van het
bedrijf van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap
met beperkte aansprakelijkheid, waarvan hij bestuurder is en
alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen
heeft.
Artikel 858
1.
Indien het bedrag van de verbintenis van de hoofdschuldenaar
op het tijdstip van het aangaan van de borgtocht niet
vaststaat, is de borgtocht slechts geldig, voor zover een in
geld uitgedrukt maximum-bedrag is overeengekomen.
2.
Overeenkomstig artikel 856 verschuldigde rente en kosten
kunnen ongeacht dit maximum worden gevorderd.
Artikel 859
1.
Tegenover de borg wordt de borgtocht slechts door een door
hem ondertekend geschrift bewezen.
2. De
borgtocht kan door alle middelen worden bewezen, indien
vaststaat dat de borg de verbintenis van de hoofdschuldenaar
geheel of gedeeltelijk is nagekomen.
3. Voor
het bewijs van de overeenkomst die tot het aangaan van de
borgtocht verplicht, geldt dezelfde eis als gesteld in lid 1
en in het geval van lid 2 dezelfde vrijheid.
Artikel 860
De borg is niet gebonden, voor zover voor
zijn verbintenis meer bezwarende voorwaarden zouden gelden dan
die waaronder de hoofdschuldenaar gebonden is, behoudens voor
zover het betreft de wijze waarop tegenover de borg het bewijs
van bestaan en omvang van de verbintenis van de hoofdschuldenaar
geleverd kan worden.
Artikel 861
1. Een
borgtocht die voor toekomstige verbintenissen is aangegaan,
kan:
a. te allen tijde worden opgezegd,
indien zij niet voor een bepaalde duur geldt;
b. na vijf jaren worden opgezegd,
indien zij wel voor een bepaalde duur geldt.
2. Na de
opzegging duurt de borgtocht voor de reeds ontstane
verbintenissen voort.
3. Een
borg is niet verbonden voor toekomstige verbintenissen tot
vergoeding van schade, waarvoor de hoofdschuldenaar jegens
de schuldeiser aansprakelijk is, voor zover de schuldeiser
de schade had kunnen voorkomen door een toezicht als
redelijkerwijs van hem gevergd kon worden.
4. Een
borg is evenmin verbonden voor toekomstige verbintenissen
uit een rechtshandeling die de schuldeiser onverplicht heeft
verricht, nadat hij bekend was geworden met omstandigheden
die de mogelijkheid van verhaal op de hoofdschuldenaar
aanmerkelijk hebben verminderd, zulks tenzij de borg
uitdrukkelijk met de rechtshandeling heeft ingestemd of deze
handeling geen uitstel kon lijden.
Artikel 862
Niet kan ten nadele van de borg worden
afgeweken:
a. van de artikelen 852-856 en
858-861;
b. van de verplichtingen die de
schuldeiser krachtens artikel 154 van Boek 6 jegens de
borg heeft met het oog op diens mogelijke subrogatie.
Artikel 863
De bepalingen van deze afdeling zijn van
overeenkomstige toepassing op overeenkomsten, waarbij iemand als
bedoeld in artikel 857 zich verbindt tot een bepaalde prestatie
voor het geval een derde een bepaalde verbintenis met een andere
inhoud jegens de schuldeiser niet nakomt.
Artikel 864
1.
Indien in opdracht en voor rekening van iemand als bedoeld
in artikel 857 ter zake van de verbintenis van een ander een
borgtocht of een overeenkomst als bedoeld in artikel 863
wordt aangegaan, heeft de opdrachtnemer voor hetgeen hij aan
de schuldeiser heeft voldaan, geen recht op vergoeding
jegens de opdrachtgever voor zover de onderhavige afdeling
aan diens aansprakelijkheid als borg in de weg gestaan zou
hebben. Artikel 861 is tussen opdrachtgever en opdrachtnemer
van overeenkomstige toepassing.
2. Van
het eerste lid kan slechts worden afgeweken, indien dit
geschiedt bij een door de opdrachtgever ondertekend
geschrift waarin de aard van de afwijking wordt omschreven,
en het een opdracht betreft aan een bank of andere
instelling die haar bedrijf van het verstrekken van
borgtochten maakt.
Afdeling 3. De gevolgen van de borgtocht
tussen de hoofdschuldenaar en de borg en tussen borgen en voor
de verbintenis aansprakelijke niet-schuldenaren onderling
Artikel 865
Op de rechtsbetrekkingen tussen
hoofdschuldenaar en borg en op die tussen borgen en voor de
verbintenis aansprakelijke niet-schuldenaren onderling is
artikel 2 van Boek 6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 866
1. De
borg heeft voor het gehele bedrag dat hij aan hoofdsom,
rente en kosten aan de schuldeiser heeft moeten voldoen,
krachtens artikel 10 van Boek 6 een vordering op de
hoofdschuldenaar.
2. De
borg kan noch aan artikel 10, noch aan artikel 12 van Boek 6
een vordering op de hoofdschuldenaar ontlenen voor
wettelijke rente over de periode waarin hij door hem
persoonlijk betreffende omstandigheden in verzuim is geweest
of voor kosten die hem persoonlijk betreffen of door hem in
redelijkheid niet behoefden te worden gemaakt.
3. Heeft
iemand zich ter zake van dezelfde verbintenis borg gesteld
voor twee of meer hoofdelijk verbonden hoofdschuldenaren,
dan zijn deze in afwijking van artikel 10 lid 1 en artikel
12 lid 1 van Boek 6, jegens de borg hoofdelijk verbonden
voor hetgeen deze aan hoofdsom, rente en kosten op hen kan
verhalen.
4. Uit
de rechtsverhouding tussen de borg en een of meer
hoofdschuldenaren kan iets anders voortvloeien dan de leden
1-3 meebrengen.
Artikel 867
Indien de borg de verbintenis is nagekomen
zonder de hoofdschuldenaar daarvan mededeling te doen en deze
daarna zijnerzijds de schuldeiser heeft betaald, kan de
hoofdschuldenaar tegenover de borg volstaan met overdracht aan
deze van zijn vordering wegens onverschuldigde betaling op de
schuldeiser.
Artikel 868
Een krachtens artikel 10 van Boek 6
aangesproken hoofdschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op
het tijdstip van het ontstaan van de verhaalsvordering jegens de
schuldeiser had, ook inroepen tegen de borg; de leden 2 en 4 van
artikel 11 van Boek 6 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 869
De borg te wiens laste de schuld is
gedelgd, kan met overeenkomstige toepassing van artikel 152 van
Boek 6 het onverhaalbaar gebleken gedeelte omslaan over zich
zelf, zijn medeborgen en de niet-schuldenaren die voor de
verbintenis aansprakelijk waren.
Artikel 870
De achterborg die de verbintenis van de
borg is nagekomen, kan ten behoeve van zich zelf het verhaal
uitoefenen dat de borg, indien hij zelf de verbintenis was
nagekomen, zou hebben gehad jegens de hoofdschuldenaar of jegens
medeborgen of niet-schuldenaren die voor de verbintenis
aansprakelijk waren.
Titel 15. Vaststellingsovereenkomst
Artikel 900
1. Bij
een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter
beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil
omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens
elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te
gelden voor zover zij van de tevoren bestaande
rechtstoestand mocht afwijken.
2. De
vaststelling kan tot stand komen krachtens een beslissing
van partijen gezamenlijk of krachtens een aan één van hen of
aan een derde opgedragen beslissing.
3. Een
bewijsovereenkomst staat met een vaststellingsovereenkomst
gelijk voor zover zij een uitsluiting van tegenbewijs
meebrengt.
4. Deze
titel is niet van toepassing op de overeenkomst van
arbitrage.
Artikel 901
1. De
totstandkoming van de vaststelling is gebonden aan de
vereisten waaraan moet worden voldaan om de met de
beslissing beoogde rechtstoestand, uitgaande van die waarvan
zij mogelijk afwijkt, tot stand te brengen.
2. Ieder
van de partijen is jegens de andere verplicht te verrichten
hetgeen van haar zijde nodig is om aan de vereisten voor de
totstandkoming van de vaststelling te voldoen.
3. Voor
zover aan deze vereisten kan worden voldaan door een
verklaring van partijen of een hunner, wordt deze ver
|