Verbintenissen kunnen slechts ontstaan,
indien dit uit de wet voortvloeit.
Artikel 2
1.
Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar
te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en
billijkheid.
2. Een
tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling
geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de
gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Artikel 3
1. Een
natuurlijke verbintenis is een rechtens niet- afdwingbare
verbintenis.
2. Een
natuurlijke verbintenis bestaat:
a. wanneer de wet of een
rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid
onthoudt;
b. wanneer iemand jegens een ander
een dringende morele verplichting heeft van zodanige
aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet
afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als
voldoening van een aan die ander toekomende prestatie
moet worden aangemerkt.
Artikel 4
Op natuurlijke verbintenissen zijn de
wettelijke bepalingen betreffende verbintenissen van
overeenkomstige toepassing, tenzij de wet of haar strekking
meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op een
niet-afdwingbare verbintenis.
Artikel 5
1. Een
natuurlijke verbintenis wordt omgezet in een rechtens
afdwingbare door een overeenkomst van de schuldenaar met de
schuldeiser.
2. Een
door de schuldenaar tot de schuldeiser gericht aanbod tot
een zodanige overeenkomst om niet, geldt als aanvaard,
wanneer het aanbod ter kennis van de schuldeiser is gekomen
en deze het niet onverwijld heeft afgewezen.
3. Op de
overeenkomst zijn de bepalingen betreffende schenkingen en
giften niet van toepassing.
Afdeling 2. Pluraliteit van schuldenaren
en hoofdelijke verbondenheid
Artikel 6
1. Is
een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd,
dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij
uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij
voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn.
2. Is de
prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of
rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van
een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn,
dan zijn zij hoofdelijk verbonden.
3. Uit
een overeenkomst van een schuldenaar met zijn schuldeiser
kan voortvloeien dat, wanneer de schuld op twee of meer
rechtsopvolgers overgaat, dezen voor ongelijke delen of
hoofdelijk verbonden zullen zijn.
Artikel 7
1.
Indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn,
heeft de schuldeiser tegenover ieder van hen recht op
nakoming voor het geheel.
2.
Nakoming door een der schuldenaren bevrijdt ook zijn
medeschuldenaren tegenover de schuldeiser. Hetzelfde geldt,
wanneer de schuld wordt gedelgd door inbetalinggeving of
verrekening, alsmede wanneer de rechter op vordering van een
der schuldenaren artikel 60 toepast, tenzij hij daarbij
anders bepaalt.
Artikel 8
Op de rechtsbetrekkingen tussen de
hoofdelijke schuldenaren onderling is artikel 2 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
1.
Iedere hoofdelijke schuldenaar is bevoegd namens de overige
schuldenaren een aanbod tot afstand om niet van het
vorderingsrecht te aanvaarden, voor zover de afstand ook de
andere schuldenaren betreft.
2.
Uitstel van betaling, door de schuldeiser aan een der
schuldenaren verleend, werkt ook ten aanzien van zijn
medeschuldenaren, voor zover blijkt dat dit de bedoeling van
de schuldeiser is.
Artikel 10
1.
Hoofdelijke schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelte van
de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat,
verplicht overeenkomstig de volgende leden in de schuld en
in de kosten bij te dragen.
2. De
verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van
een der hoofdelijke schuldenaren wordt gedelgd voor meer dan
het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar
te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten
hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar
aangaat.
3. In
door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemaakte
kosten moet iedere medeschuldenaar bijdragen naar
evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat,
tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk
betreffen.
Artikel 11
1. Een
uit hoofde van het vorige artikel tot bijdragen aangesproken
medeschuldenaar kan de verweermiddelen die hij op het
tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen
jegens de schuldeiser had, ook inroepen tegen de hoofdelijke
schuldenaar die de bijdrage van hem verlangt.
2.
Niettemin kan hij een zodanig verweermiddel niet tegen deze
schuldenaar inroepen, indien het na hun beider verbintenis
is ontstaan uit een rechtshandeling die de schuldeiser met
of jegens de aangesprokene heeft verricht.
3. Een
beroep op verjaring van de rechtsvordering van de
schuldeiser komt de tot bijdragen aangesprokene slechts toe,
indien op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting
tot bijdragen zowel hijzelf als degene die de bijdrage
verlangt, jegens de schuldeiser de voltooiing van de
verjaring had kunnen inroepen.
4. De
vorige leden zijn slechts van toepassing, voor zover uit de
rechtsverhouding tussen de schuldenaren niet anders
voortvloeit.
Artikel 12
1. Wordt
de schuld ten laste van een hoofdelijke schuldenaar gedelgd
voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, dan gaan de
rechten van de schuldeiser jegens de medeschuldenaren en
jegens derden krachtens subrogatie voor dit meerdere op die
schuldenaar over, telkens tot ten hoogste het gedeelte dat
de medeschuldenaar of de derde aangaat in zijn verhouding
tot die schuldenaar.
2. Door
de subrogatie wordt de vordering, indien zij een andere
prestatie dan geld betrof, omgezet in een geldvordering van
gelijke waarde.
Artikel 13
1.
Blijkt verhaal op een hoofdelijke schuldenaar voor een
vordering als bedoeld in de artikelen 10 en 12 geheel of
gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het onverhaalbaar
gebleken deel over al zijn medeschuldenaren omgeslagen naar
evenredigheid van de gedeelten waarvoor de schuld ieder van
hen in hun onderlinge verhouding aanging.
2. Werd
de schuld geheel of gedeeltelijk gedelgd ten laste van een
hoofdelijke schuldenaar wie de schuld zelf niet aanging en
blijkt op geen van de medeschuldenaren wie de schuld wel
aanging verhaal mogelijk, dan wordt het onverhaalbaar
gebleken deel over alle medeschuldenaren wie de schuld niet
aanging, omgeslagen naar evenredigheid van de bedragen
waarvoor ieder op het tijdstip van de delging van de schuld
jegens de schuldeiser aansprakelijk was.
3. Ieder
der in een omslag betrokkenen blijft gerechtigd het
bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te
vorderen.
Artikel 14
Afstand door de schuldeiser van zijn
vorderingsrecht jegens een hoofdelijke schuldenaar bevrijdt deze
niet van zijn verplichting tot bijdragen. De schuldeiser kan hem
niettemin van zijn verplichting tot bijdragen jegens een
medeschuldenaar bevrijden door zich jegens deze laatste te
verbinden zijn vordering op hem te verminderen met het bedrag
dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden.
Afdeling 3. Pluraliteit van schuldeisers
Artikel 15
1. Is
een prestatie aan twee of meer schuldeisers verschuldigd,
dan heeft ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk
deel, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling
voortvloeit dat de prestatie hun voor ongelijke delen
toekomt of dat zij gezamenlijk één vorderingsrecht hebben.
2. Is de
prestatie ondeelbaar of valt het recht daarop in een
gemeenschap, dan hebben zij gezamenlijk één vorderingsrecht.
3. Aan
de schuldenaar kan niet worden tegengeworpen dat het
vorderingsrecht in een gemeenschap valt, wanneer dit recht
voortspruit uit een overeenkomst die hij met de deelgenoten
heeft gesloten, maar hij niet wist noch behoefde te weten
dat dit recht van die gemeenschap ging deel uitmaken.
Artikel 16
Wanneer met de schuldenaar is
overeengekomen dat twee of meer personen als schuldeiser de
prestatie van hem voor het geheel kunnen vorderen, des dat de
voldoening aan de een hem ook jegens de anderen bevrijdt, doch
in de onderlinge verhouding van die personen de prestatie niet
aan hen allen gezamenlijk toekomt, zijn op hun rechtsverhouding
jegens de schuldenaar de in geval van gemeenschap geldende
regels van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Alternatieve verbintenissen
Artikel 17
1. Een
verbintenis is alternatief, wanneer de schuldenaar verplicht
is tot één van twee of meer verschillende prestaties ter
keuze van hemzelf, van de schuldeiser of van een derde.
2. De
keuze komt toe aan de schuldenaar, tenzij uit wet, gewoonte
of rechtshandeling anders voortvloeit.
Artikel 18
Een alternatieve verbintenis wordt
enkelvoudig door het uitbrengen van de keuze door de daartoe
bevoegde.
Artikel 19
1.
Wanneer de keuze aan een der partijen toekomt, gaat de
bevoegdheid om te kiezen op de andere partij over, indien
deze haar wederpartij een redelijke termijn heeft gesteld
tot bepaling van haar keuze en deze daarbinnen haar keuze
niet heeft uitgebracht.
2. De
bevoegdheid om te kiezen gaat echter niet over op de
schuldeiser voordat deze het recht heeft om nakoming te
vorderen, noch op de schuldenaar voordat deze het recht
heeft om te voldoen.
3.
Indien op de vordering een pandrecht of een beslag rust en
de aangevangen executie bij gebreke van een keuze niet kan
worden voortgezet, kan de pandhouder of de beslaglegger aan
beide partijen een redelijke termijn stellen om
overeenkomstig hun onderlinge rechtsverhouding een keuze uit
te brengen. Indien de keuze niet binnen deze termijn
geschiedt, gaat de bevoegdheid tot kiezen op de pandhouder
of beslaglegger over. Zij zijn gehouden niet nodeloos van
deze bevoegdheid gebruik te maken.
Artikel 20
1. De
onmogelijkheid om een of meer der prestaties te verrichten
doet geen afbreuk aan de bevoegdheid om te kiezen.
2.
Indien de keuze aan de schuldenaar toekomt, is deze echter
niet bevoegd een onmogelijke prestatie te kiezen, tenzij de
onmogelijkheid een gevolg is van een aan de schuldeiser toe
te rekenen oorzaak of deze met de keuze instemt.
Afdeling 5. Voorwaardelijke verbintenissen
Artikel 21
Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer
bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere
gebeurtenis afhankelijk is gesteld.
Artikel 22
Een opschortende voorwaarde doet de
werking der verbintenis eerst met het plaatsvinden der
gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de
verbintenis met het plaatsvinden der gebeurtenis vervallen.
Artikel 23
1.
Wanneer de partij die bij de niet-vervulling belang had, de
vervulling heeft belet, geldt de voorwaarde als vervuld,
indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
2.
Wanneer de partij die bij de vervulling belang had, deze
heeft teweeggebracht, geldt de voorwaarde als niet vervuld,
indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
Artikel 24
1. Nadat
een ontbindende voorwaarde is vervuld, is de schuldeiser
verplicht de reeds verrichte prestaties ongedaan te maken,
tenzij uit de inhoud of strekking van de rechtshandeling
anders voortvloeit.
2.
Strekt de verplichting tot ongedaanmaking tot teruggave van
een goed, dan komen de na de vervulling van de voorwaarde
afgescheiden natuurlijke of opeisbaar geworden burgerlijke
vruchten aan de schuldenaar toe en zijn de artikelen 120-124
van Boek 3 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
hetgeen daarin is bepaald omtrent de vergoeding van kosten
en van schade, voor zover die kosten en die schade na de
vervulling zijn ontstaan.
Artikel 25
Is een krachtens een verbintenis onder
opschortende voorwaarde verschuldigde prestatie vóór de
vervulling van de voorwaarde verricht, dan kan overeenkomstig
afdeling 2 van titel 4 ongedaanmaking van de prestatie worden
gevorderd, zolang de voorwaarde niet in vervulling is gegaan.
Artikel 26
Op voorwaardelijke verbintenissen zijn de
bepalingen betreffende onvoorwaardelijke verbintenissen van
toepassing, voor zover het voorwaardelijk karakter van de
betrokken verbintenis zich daartegen niet verzet.
Afdeling 6. Nakoming van verbintenissen
Artikel 27
Hij die een individueel bepaalde zaak moet
afleveren, is verplicht tot de aflevering voor deze zaak zorg te
dragen op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de
gegeven omstandigheden zou doen.
Artikel 28
Indien de verschuldigde zaak of zaken
slechts zijn bepaald naar de soort en binnen de aangeduide soort
verschil in kwaliteit bestaat, mag hetgeen de schuldenaar
aflevert, niet beneden goede gemiddelde kwaliteit liggen.
Artikel 29
De schuldenaar is zonder toestemming van
de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te
voldoen.
Artikel 30
1. Een
verbintenis kan door een ander dan de schuldenaar worden
nagekomen, tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen
verzet.
2. De
schuldeiser komt niet in verzuim, indien hij een door een
derde aangeboden voldoening weigert met goedvinden van de
schuldenaar.
Artikel 31
Betaling aan een onbekwame schuldeiser
bevrijdt de schuldenaar, voor zover het betaalde de onbekwame
tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht is gekomen
van diens wettelijke vertegenwoordiger.
Artikel 32
Betaling aan een ander dan de schuldeiser
of dan degene die met hem of in zijn plaats bevoegd is haar te
ontvangen, bevrijdt de schuldenaar, voor zover degene aan wie
betaald moest worden de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is
gebaat.
Artikel 33
Is de betaling gedaan in weerwil van een
beslag of terwijl de schuldeiser wegens een beperkt recht, een
bewind of een soortgelijk beletsel onbevoegd was haar te
ontvangen, en wordt de schuldenaar deswege genoodzaakt opnieuw
te betalen, dan heeft hij verhaal op de schuldeiser.
Artikel 34
1. De
schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd
was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald
moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald,
indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de
ontvanger der betaling als schuldeiser tot de prestatie
gerechtigd was of dat uit anderen hoofde aan hem moest
worden betaald.
2.
Indien iemand zijn recht om betaling te vorderen verliest,
in dier voege dat het met terugwerkende kracht aan een ander
toekomt, kan de schuldenaar een inmiddels gedane betaling
aan die ander tegenwerpen, tenzij hetgeen hij omtrent dit
verlies kon voorzien, hem van de betaling had behoren te
weerhouden.
Artikel 35
1. Is in
geval van betaling door een derde te zijnen aanzien aan de
vereiste van één der leden van het vorige artikel voldaan,
dan kan hij te zijnen behoeve de bevrijdende werking van die
betaling inroepen.
2. De
schuldenaar kan de bevrijdende werking van die betaling te
zijnen behoeve inroepen, indien, bij betaling door hemzelf,
ook wat hem betreft aan die vereisten zou zijn voldaan.
Artikel 36
In de gevallen, bedoeld in de twee
voorgaande artikelen, heeft de ware gerechtigde verhaal op
degene die de betaling zonder recht heeft ontvangen.
Artikel 37
De schuldenaar is bevoegd de nakoming van
zijn verbintenis op te schorten, indien hij op redelijke gronden
twijfelt aan wie de betaling moet geschieden.
Artikel 38
Indien geen tijd voor de nakoming is
bepaald, kan de verbintenis terstond worden nagekomen en kan
terstond nakoming worden gevorderd.
Artikel 39
1. Is
wel een tijd voor de nakoming bepaald, dan wordt vermoed dat
dit slechts belet dat eerdere nakoming wordt gevorderd.
2.
Betaling vóór de vervaldag geldt niet als onverschuldigd.
Artikel 40
De schuldenaar kan de tijdsbepaling niet
meer inroepen:
a. wanneer hij in staat van
faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard;
b. wanneer hij in gebreke blijft
de door hem toegezegde zekerheid te verschaffen;
c. wanneer door een aan hem toe te
rekenen oorzaak de voor de vordering gestelde zekerheid
verminderd is, tenzij het overgeblevene nog een
voldoende waarborg voor de voldoening oplevert.
Artikel 41
Indien geen plaats voor de nakoming is
bepaald, moet de aflevering van een verschuldigde zaak
geschieden:
a. in geval van een individueel
bepaalde zaak: ter plaatse waar zij zich bij het
ontstaan van de verbintenis bevond;
b. in geval van een naar de soort
bepaalde zaak: ter plaatse waar de schuldenaar zijn
beroep of bedrijf uitoefent of, bij gebreke daarvan,
zijn woonplaats heeft.
Artikel 42
Hij die ter nakoming van een verbintenis
een zaak heeft afgeleverd waarover hij niet bevoegd was te
beschikken, kan vorderen dat deze wordt afgegeven aan degene aan
wie zij toekomt, mits hij tegelijkertijd een andere, aan de
verbintenis beantwoordende zaak aanbiedt en het belang van de
schuldeiser zich niet tegen teruggave verzet.
Artikel 43
1.
Verricht de schuldenaar een betaling die zou kunnen worden
toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde
schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis
welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst.
2. Bij
gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening in
de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook
dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen
plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de
meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend,
op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan
geschiedt de toerekening naar evenredigheid.
Artikel 44
1.
Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen
geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de
kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en
ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
2. De
schuldeiser kan, zonder daardoor in verzuim te komen, een
aanbod tot betaling weigeren, indien de schuldenaar een
andere volgorde voor de toerekening aanwijst.
3. De
schuldeiser kan volledige aflossing van de hoofdsom
weigeren, indien daarbij niet tevens de verschenen en
lopende rente alsmede de kosten worden voldaan.
Artikel 45
Slechts met toestemming van de schuldeiser
kan een schuldenaar zich van zijn verbintenis bevrijden door een
andere prestatie dan de verschuldigde, al mocht zij van gelijke
of zelfs hogere waarde zijn.
Artikel 46
1.
Wanneer de schuldeiser een cheque, postcheque,
overschrijvingsorder of een ander hem bij wijze van betaling
aangeboden papier in ontvangst neemt, wordt vermoed dat dit
geschiedt onder voorbehoud van goede afloop.
2. Is de
schuldeiser bevoegd de nakoming van een op hem rustende
verplichting tot het tijdstip van de betaling op te
schorten, dan behoudt hij dit opschortingsrecht totdat
zekerheid van goede afloop bestaat of door hem had kunnen
worden verkregen.
Artikel 47
1. De
kosten van betaling komen ten laste van degene die de
verbintenis nakomt.
2. De
kosten van een kwitantie komen ten laste van degene ten
behoeve van wie het stuk wordt afgegeven.
Artikel 48
1. De
schuldeiser is verplicht voor iedere voldoening een
kwitantie af te geven, tenzij uit overeenkomst, gewoonte of
billijkheid anders voortvloeit.
2.
Indien de schuldeiser een ter zake van de schuld afgegeven
bewijsstuk heeft, kan de schuldenaar bij voldoening
bovendien de afgifte van dat bewijsstuk vorderen, tenzij de
schuldeiser een redelijk belang heeft bij het behoud van het
stuk en daarop de nodige aantekening tot bewijs van de
bevrijding van de schuldenaar stelt.
3. De
schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten,
indien de schuldeiser niet voldoet aan het voorschrift van
het eerste lid.
Artikel 49
1. Bij
voldoening van een vordering aan toonder of order kan de
schuldenaar eisen dat een kwijting op het papier wordt
gesteld en dat hem het papier wordt afgegeven.
2.
Indien de voldoening niet de gehele vordering betreft of de
schuldeiser het papier nog voor de uitoefening van andere
rechten nodig heeft, kan hij het papier behouden, mits hij
naast de kwijting die op het papier is gesteld, tevens een
afzonderlijke kwijting afgeeft.
3. Hij
kan, ongeacht of geheel of gedeeltelijk voldaan wordt
volstaan met de enkele afgifte van een kwijting, mits hij op
verlangen van de wederpartij aantoont dat het papier
vernietigd of waardeloos geworden is, of zekerheid stelt
voor twintig jaren of een zoveel kortere tijdsduur als
verwacht mag worden dat de wederpartij nog aan een vordering
uit hoofde van het papier bloot zal kunnen staan.
4. De
schuldenaar kan de nakoming van zijn verbintenis opschorten,
indien de schuldeiser niet aan de vorige leden voldoet.
Artikel 50
1.
Moeten op achtereenvolgende tijdstippen gelijksoortige
prestaties worden verricht, dan leveren de kwitanties van
twee achtereenvolgende termijnen het vermoeden op dat ook de
vroegere termijnen zijn voldaan.
2.
Indien de schuldeiser een kwitantie afgeeft voor de
hoofdsom, wordt vermoed dat ook de rente en de kosten zijn
voldaan.
Artikel 51
1.
Wanneer uit de wet voortvloeit dat iemand verplicht is tot
het stellen van zekerheid of dat het stellen van zekerheid
voorwaarde is voor het intreden van enig rechtsgevolg, heeft
hij die daartoe overgaat, de keuze tussen persoonlijke en
zakelijke zekerheid.
2. De
aangeboden zekerheid moet zodanig zijn, dat de vordering en,
zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente en kosten
behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder
moeite verhaal zal kunnen nemen.
3. Is de
gestelde zekerheid door een niet aan de schuldeiser toe te
rekenen oorzaak onvoldoende geworden, dan is de schuldenaar
verplicht haar aan te vullen of te vervangen.
Afdeling 7. Opschortingsrechten
Artikel 52
1. Een
schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn
schuldeiser, is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op
te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt,
indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang
bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen.
2. Een
zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval
de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde
rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met
elkaar hebben gedaan.
Artikel 53
Een opschortingsrecht kan ook worden
ingeroepen tegen de schuldeisers van de wederpartij.
Artikel 54
Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat:
a. voor zover de nakoming van de
verbintenis van de wederpartij wordt verhinderd door
schuldeisersverzuim;
b. voor zover de nakoming van de
verbintenis van de wederpartij blijvend onmogelijk is;
c. voor zover op de vordering van
de wederpartij geen beslag is toegelaten.
Artikel 55
Zodra zekerheid is gesteld voor de
voldoening van de verbintenis van de wederpartij, vervalt de
bevoegdheid tot opschorting, tenzij deze voldoening daardoor
onredelijk zou worden vertraagd.
Artikel 56
Een bevoegdheid tot opschorting blijft ook
na verjaring van de rechtsvordering op de wederpartij in stand.
Artikel 57
Indien een bevoegdheid tot opschorting
voldoet aan de omschrijving van het retentierecht in artikel 290
van Boek 3, zijn de bepalingen van de onderhavige afdeling van
toepassing, voor zover daarvan in afdeling 4 van titel 10 van
Boek 3 niet is afgeweken.
Afdeling 8. Schuldeisersverzuim
Artikel 58
De schuldeiser komt in verzuim, wanneer
nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de
daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een
ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van
verhindering hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 59
De schuldeiser komt eveneens in verzuim,
wanneer hij ten gevolge van hem toe te rekenen omstandigheden
niet voldoet aan een verplichting zijnerzijds jegens de
schuldenaar en deze op die grond bevoegdelijk de nakoming van
zijn verbintenis jegens de schuldeiser opschort.
Artikel 60
Is de schuldeiser in verzuim, dan kan de
rechter op vordering van de schuldenaar bepalen dat deze van
zijn verbintenis bevrijd zal zijn, al dan niet onder door de
rechter te stellen voorwaarden.
Artikel 61
1.
Verzuim van de schuldeiser maakt een einde aan verzuim van
de schuldenaar.
2.
Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de schuldenaar niet
in verzuim geraken.
Artikel 62
Gedurende het verzuim van de schuldeiser
is deze niet bevoegd maatregelen tot executie te nemen.
Artikel 63
De schuldenaar heeft, binnen de grenzen
der redelijkheid, recht op vergoeding van de kosten, gevallen op
een aanbod of een inbewaringstelling als bedoeld in de artikelen
66-70 of op andere wijze als gevolg van het verzuim gemaakt.
Artikel 64
Komt tijdens het verzuim van de
schuldeiser een omstandigheid op, die behoorlijke nakoming
geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt, dan wordt dit niet aan
de schuldenaar toegerekend, tenzij deze door zijn schuld of die
van een ondergeschikte is tekortgeschoten in de zorg die in de
gegeven omstandigheden van hem mocht worden gevergd.
Artikel 65
Wanneer bij een verbintenis tot aflevering
van soortzaken de schuldenaar bepaalde, aan de verbintenis
beantwoordende zaken voor de aflevering heeft aangewezen en de
schuldeiser daarvan heeft verwittigd, dan is hij in geval van
verzuim van de schuldeiser nog slechts tot aflevering van deze
zaken verplicht. Hij blijft echter bevoegd tot aflevering van
andere zaken die aan de verbintenis beantwoorden.
Artikel 66
Strekt de verbintenis tot betaling van een
geldsom of tot aflevering van een zaak, dan is in geval van
verzuim van de schuldeiser de schuldenaar bevoegd het
verschuldigde ten behoeve van de schuldeiser in bewaring te
stellen.
Artikel 67
De inbewaringstelling van een geldsom
geschiedt door consignatie overeenkomstig de wet, die van een af
te leveren zaak door deze in bewaring te geven aan iemand die
zijn bedrijf maakt van het bewaren van zaken als de betrokkene
ter plaatse waar de aflevering moet geschieden. Op deze bewaring
zijn de regels betreffende gerechtelijke bewaring van
toepassing, voor zover uit de artikelen 68-71 niet anders
voortvloeit.
Artikel 68
Gedurende de bewaring loopt over een in
bewaring gestelde geldsom geen rente ten laste van de
schuldenaar.
Artikel 69
1.
Gedurende de bewaring kan de schuldeiser zijn verzuim
slechts zuiveren door het in bewaring gestelde te
aanvaarden.
2.
Zolang de schuldeiser het in bewaring gestelde niet heeft
aanvaard, is de bewaargever bevoegd het uit de bewaring
terug te nemen.
Artikel 70
De bewaarder mag de zaak slechts aan de
schuldeiser afgeven, indien deze hem alle kosten van de bewaring
voldoet. Hij is na de afgifte verplicht aan de bewaargever terug
te betalen, wat deze reeds had voldaan. Is de zaak afgegeven,
vóórdat de schuldeiser alle kosten voldeed, dan gaan de rechten
te dier zake door de betaling aan de bewaargever op de bewaarder
over.
Artikel 71
De rechtsvordering tegen de schuldenaar
verjaart niet later dan de rechtsvordering tot uitlevering van
het in bewaring gestelde.
Artikel 72
In geval van hoofdelijke verbondenheid
gelden de rechtsgevolgen van het verzuim van de schuldeiser
jegens ieder van de schuldenaren.
Artikel 73
Weigert de schuldeiser een aanbod van een
derde, dan zijn de artikelen 60, 62, 63 en 66-70 ten behoeve van
de derde van overeenkomstige toepassing, mits het aanbod aan de
verbintenis beantwoordt en de derde bij de voldoening een
gerechtvaardigd belang heeft.
Afdeling 9. De gevolgen van het niet
nakomen van een verbintenis
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 74
1.
Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis
verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser
daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de
schuldenaar niet kan worden toegerekend.
2. Voor
zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, vindt lid
1 slechts toepassing met inachtneming van hetgeen is bepaald
in de tweede paragraaf betreffende het verzuim van de
schuldenaar.
Artikel 75
Een tekortkoming kan de schuldenaar niet
worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn
schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer
geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
Artikel 76
Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van
een verbintenis gebruik van de hulp van andere personen, dan is
hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen
gedragingen aansprakelijk.
Artikel 77
Wordt bij de uitvoering van een
verbintenis gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt
is, dan wordt de tekortkoming die daardoor ontstaat de
schuldenaar toegerekend, tenzij dit, gelet op inhoud en
strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis
voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de
overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.
Artikel 78
1.
Indien een tekortkoming de schuldenaar niet kan worden
toegerekend, maar hij in verband met die tekortkoming een
voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou
hebben gehad, heeft de schuldeiser met toepassing van de
regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking recht op
vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van
dit voordeel.
2.
Bestaat dit voordeel uit een vordering op een derde, dan kan
de schuldenaar aan het vorige lid voldoen door overdracht
van die vordering.
Artikel 79
Is de schuldeiser wiens schuldenaar door
een hem niet toe te rekenen oorzaak verhinderd is na te komen,
desondanks in staat zelf zich door executie of verrekening het
verschuldigde te verschaffen, dan is hij daartoe bevoegd.
Artikel 80
1. De
gevolgen van niet-nakoming treden reeds in voordat de
vordering opeisbaar is:
a. indien vaststaat dat nakoming
zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn;
b. indien de schuldeiser uit een
mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in
de nakoming zal tekortschieten; of
c. indien de schuldeiser goede
gronden heeft te vrezen dat de schuldenaar in de
nakoming zal tekortschieten en deze niet voldoet aan een
schriftelijke aanmaning met opgave van die gronden om
zich binnen een bij die aanmaning gestelde redelijke
termijn bereid te verklaren zijn verplichtingen na te
komen.
2. Het
oorspronkelijke tijdstip van opeisbaarheid blijft gelden
voor de verschuldigdheid van schadevergoeding wegens
vertraging en de toerekening aan de schuldenaar van
onmogelijk worden van nakoming tijdens zijn verzuim.
§ 2. Verzuim van de schuldenaar
Artikel 81
De schuldenaar is in verzuim gedurende de
tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden
en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan, behalve
voor zover de vertraging hem niet kan worden toegerekend of
nakoming reeds blijvend onmogelijk is.
Artikel 82
1. Het
verzuim treedt in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt
gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een
redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en
nakoming binnen deze termijn uitblijft.
2.
Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn
houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de
ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke
mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de
nakoming aansprakelijk wordt gesteld.
Artikel 83
Het verzuim treedt zonder
ingebrekestelling in:
a. wanneer een voor de voldoening
bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is
nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere
strekking heeft.
b. wanneer de verbintenis
voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot
schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de
verbintenis niet terstond wordt nagekomen;
c. wanneer de schuldeiser uit een
mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in
de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
Artikel 84
Elke onmogelijkheid van nakoming, ontstaan
tijdens het verzuim van de schuldenaar en niet toe te rekenen
aan de schuldeiser, wordt aan de schuldenaar toegerekend; deze
moet de daardoor ontstane schade vergoeden, tenzij de
schuldeiser de schade ook bij behoorlijke en tijdige nakoming
zou hebben geleden.
Artikel 85
Tot vergoeding van schade wegens
vertraging in de nakoming is de schuldenaar slechts verplicht
over de tijd waarin hij in verzuim is geweest.
Artikel 86
De schuldeiser kan een na het intreden van
het verzuim aangeboden nakoming weigeren, zolang niet tevens
betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd
geworden schadevergoeding en van de kosten.
Artikel 87
1. Voor
zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is, wordt de
verbintenis omgezet in een tot vervangende schadevergoeding,
wanneer de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser hem
schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats
van nakoming vordert.
2. Geen
omzetting vindt plaats, die door de tekortkoming, gezien
haar ondergeschikte betekenis, niet wordt gerechtvaardigd.
§ 3. Verdere gevolgen van niet-nakoming
Artikel 88
1. De
schuldenaar die in de nakoming van zijn verbintenis is
tekort geschoten, kan aan de schuldeiser een redelijke
termijn stellen, waarbinnen deze moet mededelen welke van de
hem bij de aanvang van de termijn ten dienste staande
middelen hij wenst uit te oefenen, op straffe van slechts
aanspraak te kunnen maken:
a. op de schadevergoeding waarop
de tekortkoming recht geeft en, zo de verbintenis strekt
tot betaling van een geldsom, op die geldsom;
b. op ontbinding van de
overeenkomst waaruit de verbintenis voortspruit, indien
de schuldenaar zich erop beroept dat de tekortkoming hem
niet kan worden toegerekend.
2. Heeft
de schuldeiser nakoming verlangd, doch wordt daaraan niet
binnen een redelijke termijn voldaan, dan kan hij al zijn
rechten wederom doen gelden; het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 89
De schuldeiser kan op een gebrek in de
prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame
tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had
moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft
geprotesteerd.
Artikel 90
1. Bij
een verhindering tot aflevering van een zaak die aan snel
tenietgaan of achteruitgaan onderhevig is of waarvan om een
andere reden de verdere bewaring zo bezwaarlijk is dat zij
in de gegeven omstandigheden niet van de schuldenaar kan
worden gevergd, is deze bevoegd de zaak op een geschikte
wijze te doen verkopen. De schuldenaar is jegens de
schuldeiser tot een zodanige verkoop gehouden, wanneer diens
belangen deze verkoop onmiskenbaar eisen of de schuldeiser
te kennen geeft de verkoop te verlangen.
2. De
netto-opbrengst treedt voor de zaak in de plaats,
onverminderd de rechten van de schuldeiser wegens
tekortkomingen in de nakoming van de verbintenis.
§ 4. Boetebeding
Artikel 91
Als boetebeding wordt aangemerkt ieder
beding waarbij is bepaald dat de schuldenaar, indien hij in de
nakoming van zijn verbintenis tekortschiet, gehouden is een
geldsom of een andere prestatie te voldoen, ongeacht of zulks
strekt tot vergoeding van schade of enkel tot aansporing om tot
nakoming over te gaan.
Artikel 92
1. De
schuldeiser kan geen nakoming vorderen zowel van het
boetebeding als van de verbintenis waaraan het boetebeding
verbonden is.
2.
Hetgeen ingevolge een boetebeding verschuldigd is treedt in
de plaats van de schadevergoeding op grond van de wet.
3. De
schuldeiser kan geen nakoming vorderen van het boetebeding,
indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden
toegerekend.
Artikel 93
Voor het vorderen van nakoming van het
boetebeding is een aanmaning of een andere voorafgaande
verklaring nodig in dezelfde gevallen als deze is vereist voor
het vorderen van schadevergoeding op grond van de wet.
Artikel 94
1. Op
verlangen van de schuldenaar kan de rechter, indien de
billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete
matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake
van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de
schadevergoeding op grond van de wet.
2. Op
verlangen van de schuldeiser kan de rechter, indien de
billijkheid dit klaarblijkelijk eist, naast een bedongen
boete die bestemd is in de plaats te treden van de
schadevergoeding op grond van de wet, aanvullende
schadevergoeding toekennen.
3. Van
lid 1 afwijkende bedingen zijn nietig.
Afdeling 10. Wettelijke verplichtingen tot
schadevergoeding
Artikel 95
De schade die op grond van een wettelijke
verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat
in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de
wet op vergoeding hiervan recht geeft.
Artikel 96
1.
Vermogensschade omvat zowel geleden verlies als gederfde
winst.
2. Als
vermogensschade komen mede voor vergoeding in aanmerking:
a. redelijke kosten ter voorkoming
of beperking van schade die als gevolg van de
gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht
worden verwacht;
b. redelijke kosten ter
vaststelling van schade en aansprakelijkheid;
c. redelijke kosten ter
verkrijging van voldoening buiten rechte, wat de kosten
onder b en c betreft, behoudens voor zover
in het gegeven geval krachtens artikel 241 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de regels
betreffende proceskosten van toepassing zijn.
Artikel 97
De rechter begroot de schade op de wijze
die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de
omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan
wordt zij geschat.
Artikel 98
Voor vergoeding komt slechts in aanmerking
schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede
gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als
een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
Artikel 99
Kan de schade een gevolg zijn van twee of
meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon
aansprakelijk is, en staat vast dat de schade door ten minste
één van deze gebeurtenissen is ontstaan, dan rust de
verplichting om de schade te vergoeden op ieder van deze
personen, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een
gebeurtenis waarvoor hijzelf aansprakelijk is.
Artikel 100
Heeft een zelfde gebeurtenis voor de
benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet,
voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van
de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.
Artikel 101
1.
Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid
die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de
vergoedingsplicht verminderd door de schade over de
benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in
evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen
omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien
verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de
vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien
de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de
gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
2.
Betreft de vergoedingsplicht schade, toegebracht aan een
zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had, dan
worden bij toepassing van het vorige lid omstandigheden die
aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de
benadeelde.
Artikel 102
1. Rust
op ieder van twee of meer personen een verplichting tot
vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk
verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens
artikel 10 in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten
bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met
overeenkomstige toepassing van artikel 101, tenzij uit wet
of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit.
2.
Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid
die aan de benadeelde kan worden toegerekend, vindt artikel
101 toepassing op de vergoedingsplicht van ieder van de in
het vorige lid bedoelde personen afzonderlijk, met dien
verstande dat de benadeelde in totaal van hen niet meer kan
vorderen dan hem zou zijn toegekomen, indien voor de
omstandigheden waarop hun vergoedingsplichten berusten,
slechts één persoon aansprakelijk zou zijn geweest. Indien
verhaal op een der tot bijdragen verplichte personen niet
ten volle mogelijk blijkt, kan de rechter op verlangen van
een hunner bepalen dat bij toepassing van artikel 13 het
onvoldaan gebleven deel mede over de benadeelde omgeslagen
wordt.
Artikel 103
Schadevergoeding wordt voldaan in geld.
Nochthans kan de rechter op vordering van de benadeelde
schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom
toekennen. Wordt niet binnen redelijke termijn aan een zodanige
uitspraak voldaan, dan herkrijgt de benadeelde zijn bevoegdheid
om schadevergoeding in geld te verlangen.
Artikel 104
Indien iemand die op grond van
onrechtmatige daad of een tekortkoming in de nakoming van een
verbintenis jegens een ander aansprakelijk is, door die daad of
tekortkoming winst heeft genoten, kan de rechter op vordering
van die ander de schade begroten op het bedrag van die winst of
op een gedeelte daarvan.
Artikel 105
1. De
begroting van nog niet ingetreden schade kan door de rechter
geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na afweging van
goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het
laatste geval kan de rechter de schuldenaar veroordelen,
hetzij tot betaling van een bedrag ineens, hetzij tot
betaling van periodiek uit te keren bedragen, al of niet met
verplichting tot zekerheidstelling; deze veroordeling kan
geschieden onder door de rechter te stellen voorwaarden.
2. Voor
zover de rechter de schuldenaar veroordeelt tot betaling van
periodiek uit te keren bedragen, kan hij in zijn uitspraak
bepalen dat deze op verzoek van elk van de partijen door de
rechter die in eerste aanleg van de vordering tot
schadevergoeding heeft kennis genomen, kan worden gewijzigd,
indien zich na de uitspraak omstandigheden voordoen, die
voor de omvang van de vergoedingsplicht van belang zijn en
met de mogelijkheid van het intreden waarvan bij de
vaststelling der bedragen geen rekening is gehouden.
Artikel 106
1. Voor
nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de
benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen
schadevergoeding:
a. indien de aansprakelijke
persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
b. indien de benadeelde
lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede
naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is
aangetast;
c. indien het nadeel gelegen is in
aantasting van de nagedachtenis van een overledene en
toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot, de geregistreerde partner of een
bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene,
mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de
overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou
hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden
van zijn eer of goede naam.
2. Het
recht op een vergoeding, als in het vorige lid bedoeld, is
niet vatbaar voor overgang en beslag, tenzij het bij
overeenkomst is vastgelegd of ter zake een vordering in
rechte is ingesteld. Voor overgang onder algemene titel is
voldoende dat de gerechtigde aan de wederpartij heeft
medegedeeld op de vergoeding aanspraak te maken.
Artikel 107
1.
Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een
ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel
oploopt, is die ander behalve tot vergoeding van de schade
van de gekwetste zelf, ook verplicht tot vergoeding van de
kosten die een derde anders dan krachtens een verzekering
ten behoeve van de gekwetste heeft gemaakt en die deze
laatste, zo hij ze zelf zou hebben gemaakt, van die ander
had kunnen vorderen.
2. Hij
die krachtens het vorige lid door de derde tot
schadevergoeding wordt aangesproken kan hetzelfde verweer
voeren dat hem jegens de gekwetste ten dienste zou hebben
gestaan.
Artikel 107a
1.
Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een
ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel
oploopt, houdt de rechter bij de vaststelling van de
schadevergoeding waarop de gekwetste aanspraak kan maken
rekening met de aanspraak op loon die de gekwetste heeft
krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of krachtens
individuele of collectieve arbeidsovereenkomst.
2.
Indien een werkgever krachtens artikel 629, lid 1, van Boek
7 of krachtens individuele of collectieve
arbeidsovereenkomst verplicht is tijdens ziekte of
arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het loon door te
betalen, heeft hij, indien de ongeschiktheid tot werken van
de gekwetste het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een
ander aansprakelijk is, jegens deze ander recht op
schadevergoeding ten bedrage van de door hem betaalde loon,
doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor de aansprakelijke
persoon, bij het ontbreken van de
loondoorbetalingsverplichting aansprakelijk zou zijn,
verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de
schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke
persoon jegens de gekwetste is gehouden.
3.
Indien de aansprakelijke persoon een werknemer is, heeft de
werkgever slechts recht op schadevergoeding indien de
ongeschiktheid tot werken het gevolg is van diens opzet of
bewuste roekeloosheid.
Artikel 108
1.
Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een
ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander
verplicht tot vergoeding van schade door het derven van
levensonderhoud:
a. aan de niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner en de
minderjarige kinderen van de overledene, tot ten minste
het bedrag van het hun krachtens de wet verschuldigde
levensonderhoud;
b. aan andere bloed- of
aanverwanten van de overledene, mits deze reeds ten
tijde van het overlijden geheel of ten dele in hun
levensonderhoud voorzag of daartoe krachtens
rechterlijke uitspraak verplicht was;
c. aan degenen die reeds vóór de
gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met de
overledene in gezinsverband samenwoonden en in wier
levensonderhoud hij geheel of voor een groot deel
voorzag, voor zover aannemelijk is dat een en ander
zonder het overlijden zou zijn voortgezet en zij
redelijkerwijze niet voldoende in hun levensonderhoud
kunnen voorzien;
d. aan degene die met de
overledene in gezinsverband samenwoonde en in wiens
levensonderhoud de overledene bijdroeg door het doen van
de gemeenschappelijke huishouding, voor zover hij schade
lijdt doordat na het overlijden op andere wijze in de
gang van deze huishouding moet worden voorzien.
2.
Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens
laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen, deze kosten
te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de
omstandigheden van de overledene.
3. Hij
die krachtens de vorige leden tot schadevergoeding wordt
aangesproken, kan hetzelfde verweer voeren, dat hem
tegenover de overledene zou hebben ten dienste gestaan.
Artikel 109
1.
Indien toekenning van volledige schadevergoeding in de
gegeven omstandigheden waaronder de aard van de
aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande
rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk
onaanvaardbare gevolgen zou leiden, kan de rechter een
wettelijke verplichting tot schadevergoeding matigen.
2. De
matiging mag niet geschieden tot een lager bedrag dan
waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid door
verzekering heeft gedekt of verplicht was te dekken.
3. Ieder
beding in strijd met lid 1 is nietig.
Artikel 110
Opdat de aansprakelijkheid die ter zake
van schade kan ontstaan niet hetgeen redelijkerwijs door
verzekering kan worden gedekt, te boven gaat, kunnen bij
algemene maatregel van bestuur bedragen worden vastgesteld,
waarboven de aansprakelijkheid zich niet uitstrekt.
Afzonderlijke bedragen kunnen worden bepaald naar gelang van
onder meer de aard van de gebeurtenis, de aard van de schade en
de grond van de aansprakelijkheid.
Afdeling 11. Verbintenissen tot betaling
van een geldsom
Artikel 111
Een verbintenis tot betaling van een
geldsom moet naar haar nominale bedrag worden voldaan, tenzij
uit wet, gewoonte of rechtshandeling anders voortvloeit.
Artikel 112
Het geld dat ter voldoening van de
verbintenis wordt betaald, moet op het tijdstip van de betaling
gangbaar zijn in het land in welks geld de betaling geschiedt.
Bestaat in een land waar de betaling moet
of mag geschieden ten name van de schuldeiser een rekening,
bestemd voor girale betaling, dan kan de schuldenaar de
verbintenis voldoen door het verschuldigde bedrag op die
rekening te doen bijschrijven, tenzij de schuldeiser
betaling op die rekening geldig heeft uitgesloten.
2. In
het geval van het vorige lid geschiedt de betaling op het
tijdstip waarop de rekening van de schuldeiser wordt
gecrediteerd.
Artikel 115
De plaats waar de betaling moet geschieden
wordt bepaald door de artikelen 116-118, tenzij uit wet,
gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat op een andere plaats
moet of mag worden betaald.
Artikel 116
1. De
betaling moet worden gedaan aan de woonplaats van de
schuldeiser op het tijdstip van de betaling.
2. De
schuldeiser is bevoegd een andere plaats voor de betaling
aan te wijzen in het land van de woonplaats van de
schuldeiser op het tijdstip van de betaling of op het
tijdstip van het ontstaan van de verbintenis.
Artikel 117
Indien de betaling overeenkomstig artikel
116 moet geschieden op een andere plaats dan de woonplaats van
de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de
verbintenis en het voldoen aan de verbintenis daardoor voor de
schuldenaar aanmerkelijk bezwaarlijker zou worden, is deze
bevoegd de betaling op te schorten, totdat de schuldeiser in een
der in artikel 116, lid 2 bedoelde landen een andere plaats voor
de betaling heeft aangewezen, waaraan een zodanig bezwaar niet
is verbonden.
Artikel 118
Indien de verbintenis is ontstaan bij de
uitoefening van bedrijfs- of beroepsbezigheden van de
schuldeiser, geldt in de artikelen 116 en 117 de plaats van
vestiging waar die bezigheden worden uitgeoefend, als woonplaats
van de schuldeiser.
Artikel 119
1. De
schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de
voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente
van die som over de tijd dat de schuldenaar met de
voldoening daarvan in verzuim is geweest.
2.
Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat
jaar verschuldigde rente.
3. Een
bedongen rente die hoger is dan die welke krachtens de
vorige leden verschuldigd zou zijn, loopt in plaats daarvan
door nadat de schuldenaar in verzuim is gekomen.
Artikel 119a
1. De
schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de
voldoening van een geldsom, bestaat in het geval van een
handelsovereenkomst in de wettelijke rente van die som met
ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen
als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop de
schuldenaar de geldsom heeft voldaan. Onder
handelsovereenkomst wordt verstaan de overeenkomst om baat
die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of
te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer
natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een
beroep of bedrijf of rechtspersonen.
2.
Indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, is
de wettelijke rente van rechtswege verschuldigd:
a. vanaf 30 dagen na de aanvang
van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de
factuur heeft ontvangen, of
b. indien de datum van ontvangst
van de factuur niet vaststaat, of indien de schuldenaar
de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft
ontvangen, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de prestatie is ontvangen, of
c. indien de schuldenaar een
termijn heeft bedongen waarbinnen hij de ontvangen
prestatie kan aanvaarden dan wel kan beoordelen of deze
aan de overeenkomst beantwoordt, en indien hij de
factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft aanvaard
of beoordeeld, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de schuldenaar de prestatie heeft
aanvaard of beoordeeld, dan wel, indien hij zich niet
over goedkeuring of aanvaarding uitspreekt, vanaf 30
dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop de
termijn verstrijkt.
3.
Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat
jaar verschuldigde rente.
4. Geen
wettelijke rente is verschuldigd wanneer de schuldeiser zelf
in verzuim is.
5. De
wettelijke rente is verschuldigd behalve voor zover de
vertraging niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend.
6. Voor
de toepassing van dit artikel wordt met de wettelijke rente
gelijkgesteld een andere overeengekomen rente.
Artikel 120
1. De
wettelijke rente bedoeld in artikel 119 wordt bij algemene
maatregel van bestuur vastgesteld. Wettelijke rente die
loopt op het tijdstip van inwerkingtreding van een nieuwe
bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde rentevoet,
wordt met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe
rentevoet berekend.
2. De
wettelijke rente bedoeld in artikel 119a is gelijk aan de
herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is
vastgesteld voor haar meest recente
basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden
voor de eerste kalenderdag van het betreffende halfjaar,
vermeerderd met zeven procentpunten. Wettelijke rente die
loopt op de eerste dag van het betreffende halfjaar, wordt
met ingang van dat tijdstip volgens de nieuwe rentevoet
berekend gedurende een half jaar.
Artikel 121
1.
Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat
van het land waar de betaling moet geschieden, dan is de
schuldenaar bevoegd de verbintenis in het geld van de plaats
van betaling te voldoen.
2. Het
vorige lid geldt niet, indien uit wet, gewoonte of
rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaar verplicht is
tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de
verbintenis strekt.
Artikel 122
1.
Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat
van het land waar de betaling moet geschieden en is de
schuldenaar niet in staat of beweert hij niet in staat te
zijn in dit geld te voldoen, dan kan de schuldeiser
voldoening in het geld van de plaats van betaling vorderen.
2. Het
vorige lid geldt mede, indien de schuldenaar verplicht is
tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de
verbintenis strekt.
Artikel 123
1.
Ingeval in Nederland een rechtsvordering wordt ingesteld ter
verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in buitenlands geld,
kan de schuldeiser veroordeling vorderen tot betaling te
zijner keuze in dat buitenlandse geld of in Nederlands geld.
2. De
schuldeiser die een in buitenlands geld luidende
executoriale titel in Nederland kan executeren, kan het hem
verschuldigde bij deze executie opeisen in Nederlands geld.
3. De
vorige leden gelden mede, indien de schuldenaar verplicht is
tot betaling effectief in het geld tot betaling waarvan de
verbintenis strekt.
Artikel 124
Wordt de verbintenis als gevolg van
toepassing van de artikelen 121, 122 of 123 of van omzetting in
een vordering tot schadevergoeding overeenkomstig het bepaalde
in afdeling 9 van titel 1 voldaan in ander geld dan tot betaling
waarvan zij strekt, dan geschiedt de omrekening naar de koers
van de dag waarop de betaling plaatsvindt.
Artikel 125
1.
Artikel 119 laat onverlet het recht van de schuldeiser op
vergoeding van de schade die hij heeft geleden, doordat na
het intreden van het verzuim de koers van het geld tot
betaling waarvan de verbintenis strekt, zich ten opzichte
van die van het geld van een of meer andere landen heeft
gewijzigd.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing, indien de verbintenis
strekt tot betaling van Nederlands geld, de betaling in
Nederland moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip
van het ontstaan van de verbintenis zijn woonplaats in
Nederland had.
Artikel 126
Voor de toepassing van deze afdeling geldt
als koers de koers tegen welke de schuldeiser zich onverwijld
het geld kan verschaffen, zulks met inachtneming van hetgeen uit
wet, gewoonte en inhoud of strekking van de verbintenis mocht
voortvloeien.
Afdeling 12. Verrekening
Artikel 127
1.
Wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening
heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld
met een vordering verrekent, gaan beide verbintenissen tot
hun gemeenschappelijk beloop teniet.
2. Een
schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer
hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn
schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel
tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de
betaling van de vordering.
3. De
bevoegdheid tot verrekening bestaat niet ten aanzien van een
vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden
vermogens vallen.
Artikel 128
1. De
schuldeiser van een vordering aan toonder of order brengt
deze in verrekening door zijn verrekeningsverklaring op het
papier te stellen en dit aan de wederpartij af te geven.
2.
Indien de verrekening niet zijn gehele vordering betreft of
hij het papier nog voor de uitoefening van andere rechten
nodig heeft, kan hij het papier behouden, mits hij de
verklaring niet alleen op het papier stelt, maar haar ook
schriftelijk tot de wederpartij richt.
3. Hij
kan, ongeacht of de verrekening de gehele vordering betreft,
bij enkele, niet op het papier gestelde schriftelijke
verklaring verrekenen, mits hij op verlangen van de
wederpartij aantoont dat het papier vernietigd of waardeloos
geworden is, of zekerheid stelt voor twintig jaren of voor
een zoveel kortere tijdsduur als verwacht mag worden dat de
wederpartij nog aan een vordering uit hoofde van het papier
bloot zal kunnen staan.
Artikel 129
1. De
verrekening werkt terug tot het tijdstip, waarop de
bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.
2. Is
over één der vorderingen of over beide reeds opeisbare rente
betaald, dan werkt de verrekening niet verder terug dan tot
het einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan.
3.
Indien voor de bepaling van de werking van een verrekening
bij geldschulden een koersberekening nodig is, geschiedt
deze volgens dezelfde maatstaven als wanneer op de dag der
verrekening wederzijdse betaling had plaatsgevonden.
Artikel 130
1. Is
een vordering onder bijzondere titel overgegaan, dan is de
schuldenaar bevoegd ondanks de overgang ook een
tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in
verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit
dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering
voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen
en opeisbaar geworden.
2. Het
vorige lid is van overeenkomstige toepassing, wanneer op een
vordering beslag is gelegd of een beperkt recht is gevestigd
waarvan mededeling aan de schuldenaar is gedaan.
3. De
vorige leden zijn niet van toepassing, indien de overgang of
de vestiging van het beperkte recht een vordering aan
toonder of order betrof en is geschied overeenkomstig
artikel 93 van Boek 3.
Artikel 131
1. De
bevoegdheid tot verrekening eindigt niet door verjaring van
de rechtsvordering.
2.
Uitstel van betaling of van executie, bij wijze van gunst
door de schuldeiser verleend, staat aan verrekening door de
schuldeiser niet in de weg.
Artikel 132
Wordt een verrekeningsverklaring
uitgebracht door een daartoe bevoegde, dan kan niettemin de
wederpartij die grond had om nakoming van haar verbintenis te
weigeren, aan de verrekeningsverklaring haar werking ontnemen
door op de weigeringsgrond een beroep te doen, onverwijld nadat
die verklaring werd uitgebracht en zij tot dit beroep in staat
was.
Artikel 133
Nadat de ene partij een
verrekeningsverklaring heeft uitgebracht, kan de andere partij,
mits onverwijld, aan die verklaring haar werking ontnemen door
alsnog gebruik te maken van een eigen bevoegdheid tot
verrekening, doch alleen indien deze laatste verrekening verder
terugwerkt.
Artikel 134
De schuldenaar uit een wederkerige
overeenkomst, die tot verrekening bevoegd is, kan aan de
verklaring van zijn wederpartij, strekkende tot ontbinding van
de overeenkomst wegens niet-nakoming, haar werking ontnemen door
onverwijld van zijn bevoegdheid tot verrekening gebruik te
maken.
Artikel 135
Een schuldenaar is niet bevoegd tot
verrekening:
a. voor zover beslag op de
vordering van de wederpartij niet geldig zou zijn;
b. indien zijn verplichting strekt
tot vergoeding van schade die hij opzettelijk heeft
toegebracht.
Artikel 136
De rechter kan een vordering ondanks een
beroep van de gedaagde op verrekening toewijzen, indien de
gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te
stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.
Artikel 137
1. Voor
zover een verrekeningsverklaring onvoldoende aangeeft welke
verbintenissen in de verrekening zijn betrokken, geldt de
volgorde van toerekening, aangegeven in de artikelen 43 lid
2 en 44 lid 1.
2. De
wederpartijj van degene die heeft verklaard te verrekenen,
kan door een onverwijld protest aan die verklaring haar
werking ontnemen, indien de toerekening op de haar
verschuldigde hoofdsom, kosten en met inachtneming van
artikel 129 te berekenen rente in deze verklaring in een
andere volgorde is geschied dan die van artikel 44 lid 1.
Artikel 138
1. De
omstandigheid dat de plaats van voldoening der
verbintenissen niet dezelfde is, sluit verrekening niet uit.
Hij die verrekent, is in dit geval verplicht zijn
wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat
niet wederzijds te bestemder plaatse voldoening geschiedt.
2. De
wederpartij van degene die ondanks een verschil in de plaats
van nakoming heeft verrekend, kan door een onverwijld
protest aan de verklaring tot verrekening haar werking
ontnemen, als zij er een gerechtvaardigd belang bij heeft
dat geen verrekening, maar nakoming plaatsvindt.
Artikel 139
1. De
borg en degene wiens goed voor de schuld van een ander
verbonden is, kunnen de opschorting van hun
aansprakelijkheid inroepen, voor zover de schuldeiser
bevoegd is zijn vordering met een opeisbare schuld aan de
schuldenaar te verrekenen.
2. Zij
kunnen de bevrijding van hun aansprakelijkheid inroepen,
voor zover de schuldeiser een bevoegdheid tot verrekening
met een schuld aan de schuldenaar heeft doen verloren gaan,
tenzij hij daartoe een redelijke grond had of hem geen
schuld treft.
Artikel 140
1.
Moeten tussen twee partijen krachtens wet, gewoonte of
rechtshandeling geldvorderingen en geldschulden in één
rekening worden opgenomen, dan worden zij in de volgorde
waarin partijen volgens de voorgaande artikelen van deze
afdeling of krachtens hun onderlinge rechtsverhouding tot
verrekening bevoegd worden, dadelijk van rechtswege
verrekend en is op ieder tijdstip alleen het saldo
verschuldigd. Artikel 137 is niet van toepassing.
2. De
partij die de rekening bijhoudt, sluit deze jaarlijks af en
deelt het op dat tijdstip verschuldigde saldo mede aan de
wederpartij met opgave van de aan deze nog niet eerder
medegedeelde posten waaruit het is samengesteld.
3.
Indien de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het
ingevolge het vorige lid medegedeelde saldo protesteert,
geldt dit als tussen partijen vastgesteld.
4. Na
vaststelling van het saldo kan ten aanzien van de
afzonderlijke posten geen beroep meer worden gedaan op het
intreden van verjaring of op het verstrijken van een
vervaltermijn. De rechtsvordering tot betaling van het saldo
verjaart door verloop van vijf jaren na de dag, volgende op
die waarop de rekening is geëindigd en het saldo opeisbaar
is geworden.
5. Uit
de tussen partijen bestaande rechtsverhouding kan anders
voortvloeien dan in de vorige leden is bepaald.
Artikel 141
Indien een verbintenis geheel of
gedeeltelijk door verrekening tenietgaat, zijn de leden 1 en 2
van artikel 48 van overeenkomstige toepassing.
Titel 2. Overgang van vorderingen en
schulden en afstand van vorderingen
Afdeling 1. Gevolgen van overgang van
vorderingen
Artikel 142
1. Bij
overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser
verkrijgt deze de daarbij behorende nevenrechten, zoals
rechten van pand en hypotheek en uit borgtocht, voorrechten
en de bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de
nevenrechten bestaande executoriale titels ten uitvoer te
leggen.
2. Onder
de nevenrechten zijn tevens begrepen het recht van de vorige
schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom,
behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of
dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang.
Artikel 143
1. In
geval van overgang van een vordering is de vorige
schuldeiser verplicht de op de vordering en op de
nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken af te geven
aan de nieuwe schuldeiser. Behoudt hij zelf belang bij een
bewijsstuk, dan is hij slechts verplicht om aan de nieuwe
schuldeiser op diens verlangen en op diens kosten een
afschrift of uittreksel af te geven, waaruit met
overeenkomstige bewijskracht als uit het oorspronkelijke
stuk van de vordering blijkt.
2. De
vorige schuldeiser is tevens verplicht tot afgifte van de in
het vorige artikel bedoelde executoriale titels of, indien
hijzelf belang bij deze titels behoudt, om de nieuwe
schuldeiser tot tenuitvoerlegging daarvan in de gelegenheid
te stellen.
3. In
geval van overgang van de gehele vordering is de vorige
schuldeiser verplicht de zich in zijn handen bevindende
panden af te geven aan de nieuwe schuldeiser.
4. In
geval van overgang van een vordering waaraan hypotheek is
verbonden, is de vorige schuldeiser verplicht desverlangd
ertoe mede te werken dat uit de openbare registers van deze
overgang blijkt.
Artikel 144
1.
Brengt de overdracht van een vordering mee dat
verplichtingen die uit het schuldeiserschap of uit
nevenrechten voortvloeien, overgaan op de nieuwe
schuldeiser, dan staat de vorige schuldeiser in voor de
nakoming van deze verplichtingen.
2. Lid 1
is niet van toepassing in geval van overdracht van een
vordering aan toonder of order overeenkomstig artikel 93 van
Boek 3.
Artikel 145
Overgang van een vordering laat de
verweermiddelen van de schuldenaar onverlet.
Artikel 146
1. Na
een overdracht overeenkomstig artikel 93 van Boek 3 van een
vordering aan toonder of aan order kan de schuldenaar een
verweermiddel, gegrond op zijn verhouding tot een vorige
schuldeiser, niet tegenwerpen aan de verkrijger en diens
rechtsopvolgers, tenzij op het tijdstip van de overdracht
het verweermiddel bekend was aan de verkrijger of voor hem
kenbaar was uit het papier.
2. Een
beroep op onbekwaamheid of onbevoegdheid kan ook jegens een
daarmee niet bekende verkrijger worden gedaan, indien zij
ten tijde van zijn verkrijging kenbaar was uit een in een
openbaar register opgenomen inschrijving, bij of krachtens
de wet voorgeschreven teneinde kennisneming mogelijk te
maken van de feiten waarop de onbevoegdheid of onbekwaamheid
berust.
Artikel 147
In geval van overdracht van een papier aan
toonder of aan order verliest degene die volgens dat papier
schuldenaar is, en aan wie is toe te rekenen dat het papier
tegen zijn wil in omloop is of dat zijn handtekening vals of het
papier vervalst is, de bevoegdheid zich daarop te beroepen
tegenover de verkrijger te goeder trouw en diens
rechtsopvolgers.
Artikel 148
De artikelen 146 en 147 zijn van
overeenkomstige toepassing in geval van vestiging van een
beperkt recht op een vordering aan toonder of aan order.
Artikel 149
1.
Oefent de schuldenaar na overgang van de vordering onder
bijzondere titel jegens de oorspronkelijke schuldeiser een
bevoegdheid uit tot vernietiging of ontbinding van de
rechtshandeling waaruit de vordering voortspruit, dan is hij
verplicht om de nieuwe schuldeiser zo spoedig mogelijk
daarvan mededeling te doen, tenzij de vernietiging of
ontbinding niet aan deze kan worden tegengeworpen.
2. Na
verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging of
ontbinding wordt een beroep op de vernietigings- of
ontbindingsgrond ter afwering van een op de rechtshandeling
steunende rechtsvordering of andere rechtsmaatregel gericht
tot de nieuwe schuldeiser en is de schuldenaar verplicht zo
spoedig mogelijk nadien mededeling daarvan aan de
oorspronkelijke schuldeiser te doen.
3. De
vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing ter zake
van de uitoefening van een bevoegdheid van de schuldenaar
tot vernietiging of ontbinding, nadat op de vordering met
mededeling aan hem een beperkt recht is gevestigd.
Afdeling 2. Subrogatie
Artikel 150
Een vordering gaat bij wijze van
subrogatie over op een derde:
a. indien een hem toebehorend goed
voor de vordering wordt uitgewonnen;
b. indien hij de vordering voldoet
omdat een hem toebehorend goed voor de vordering
verbonden is;
c. indien hij de vordering voldoet
om uitwinning te voorkomen van een hem niet toebehorend
goed, mits door de uitwinning een recht dat hij op het
goed heeft, verloren zou gaan of de voldoening van een
hem toekomend vorderingsrecht in gevaar zou worden
gebracht;
d. krachtens overeenkomst tussen
de derde die de vordering voldoet en de schuldenaar,
mits de schuldeiser op het tijdstip van de voldoening
deze overeenkomst kende of hem daarvan kennis was
gegeven.
Artikel 151
1.
Subrogatie overeenkomstig artikel 150 vindt niet plaats voor
zover de schuld de derde aangaat in zijn verhouding tot de
schuldenaar.
2. De
rechten van de schuldeiser jegens borgen en personen die
geen schuldenaar zijn, gaan slechts op de derde over tot ten
hoogste de bedragen, waarvoor de schuld ieder van hen
aangaat in hun verhouding tot de schuldenaar.
Artikel 152
1.
Blijkt verhaal krachtens subrogatie overeenkomstig artikel
150 geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan wordt het
onvoldaan gebleven deel over de gesubrogeerde en andere in
lid 2 van het vorige artikel genoemde derden omgeslagen naar
evenredigheid van de bedragen waarvoor ieder op het tijdstip
van de voldoening jegens de schuldeiser aansprakelijk was.
2. De
gesubrogeerde kan van geen der andere bij de omslag
betrokken derden een groter bedrag vorderen dan de
oorspronkelijke schuldeiser op het tijdstip van de
voldoening op deze had kunnen verhalen.
3. Ieder
der in de omslag betrokkenen blijft gerechtigd het
bijgedragene alsnog van hem die geen verhaal bood, terug te
vorderen.
Artikel 153
In het geval van subrogatie in de
hoofdvordering verkrijgt de gesubrogeerde het recht op bedongen
rente slechts voor zover deze betrekking heeft op het tijdvak na
de overgang.
Artikel 154
De schuldeiser is jegens degene die, zo
hij de vordering voldoet, zal worden gesubrogeerd, verplicht
zich te onthouden van elke gedraging die ten koste van deze
afbreuk doet aan de rechten waarin hij mag verwachten krachtens
de subrogatie te zullen treden.
Afdeling 3. Schuld- en contractsoverneming
Artikel 155
Een schuld gaat van de schuldenaar over op
een derde, indien deze haar van de schuldenaar overneemt. De
schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser, indien
deze zijn toestemming geeft nadat partijen hem van de overneming
kennis hebben gegeven.
Artikel 156
1. Heeft
de schuldeiser bij voorbaat zijn toestemming tot een
schuldoverneming gegeven, dan vindt de overgang plaats,
zodra de schuldenaar tot overeenstemming is gekomen met de
derde en partijen de schuldeiser schriftelijk van de
overneming kennis hebben gegeven.
2. De
schuldeiser kan een bij voorbaat gegeven toestemming niet
herroepen, tenzij hij zich de bevoegdheid daartoe bij de
toestemming heeft voorbehouden.
Artikel 157
1. De
bij de vordering behorende nevenrechten worden na het
tijdstip van de overgang tegen de nieuwe in plaats van tegen
de oude schuldenaar uitgeoefend.
2. Tot
zekerheid van de overgegane schuld strekkende rechten van
pand en hypotheek op een aan een der partijen toebehorend
goed blijven bestaan; die op een niet aan partijen
toebehorend goed en rechten uit borgtocht gaan door de
overgang teniet, tenzij de pand- of hypotheekgever of borg
tevoren in handhaving heeft toegestemd.
3.
Voorrechten op bepaalde goederen waarop de schuldeiser niet
tevens een verhaalsrecht jegens derden heeft, gaan door de
overgang teniet, tenzij de schuldoverneming plaatsvindt ter
uitvoering van de overdracht van een onderneming waartoe ook
het goed waarop het voorrecht rust, behoort. Voorrechten op
het vermogen van de schuldenaar gelden na de overgang als
voorrechten op het vermogen van de nieuwe schuldenaar.
4.
Bedongen rechten en boeten, alsmede dwangsommen die vóór de
overgang aan de schuldenaar werden opgelegd, worden door de
nieuwe in plaats van door de oude schuldenaar verschuldigd,
voor zover zij na het tijdstip van de overgang zijn
opeisbaar geworden of verbeurd.
Artikel 158
Indien de rechtsverhouding tussen de
vorige en de nieuwe schuldenaar op grond waarvan de schuld is
overgenomen, nietig, vernietigd of ontbonden is, kan de
schuldeiser de schuld weer op de vorige schuldenaar doen
overgaan door daartoe strekkende kennisgevingen aan de beide
betrokken partijen; elk van hen kan de schuldeiser daartoe een
redelijke termijn stellen.
Artikel 159
1. Een
partij bij een overeenkomst kan haar rechtsverhouding tot de
wederpartij met medewerking van deze laatste overdragen aan
een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte.
2.
Hierdoor gaan alle rechten en verplichtingen over op de
derde, voor zover niet ten aanzien van bijkomstige of reeds
opeisbaar geworden rechten of verplichtingen anders is
bepaald.
3.
Artikel 156 en de leden 1-3 van artikel 157 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Afstand en vermenging
Artikel 160
1. Een
verbintenis gaat teniet door een overeenkomst van de
schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn
vorderingsrecht afstand doet.
2. Een
door de schuldeiser tot de schuldenaar gericht aanbod tot
afstand om niet geldt als aanvaard, wanneer de schuldenaar
van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld
heeft afgewezen.
3. De
artikelen 48 leden 1 en 2 en 49 leden 1-3 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 161
1. Een
verbintenis gaat teniet door vermenging, wanneer door
overgang van de vordering of de schuld de hoedanigheid van
schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon
verenigen.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing:
a. zolang de vordering en de
schuld in van elkaar gescheiden vermogens vallen;
b. in geval van overdracht
overeenkomstig artikel 93 van Boek 3 van een vordering
aan toonder of order;
c. indien de voormelde vereniging
van hoedanigheden het gevolg is van een rechtshandeling
onder ontbindende voorwaarde, zolang niet vaststaat dat
de voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan.
3.
Tenietgaan van een verbintenis door vermenging laat de op de
vordering rustende rechten van derden onverlet.
Titel 3. Onrechtmatige daad
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 162
1. Hij
die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke
hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de
ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
2. Als
onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een
recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke
plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het
maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de
aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
3. Een
onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend,
indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak
welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende
opvattingen voor zijn rekening komt.
Artikel 163
Geen verplichting tot schadevergoeding
bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming
tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
Artikel 164
Een gedraging van een kind dat de leeftijd
van veertien jaren nog niet heeft bereikt, kan aan hem niet als
een onrechtmatige daad worden toegerekend.
Artikel 165
1. De
omstandigheid dat een als een doen te beschouwen gedraging
van een persoon van veertien jaren of ouder verricht is
onder invloed van een geestelijke of lichamelijke
tekortkoming, is geen beletsel haar als een onrechtmatige
daad aan de dader toe te rekenen.
2. Is
jegens de benadeelde tevens een derde wegens onvoldoende
toezicht aansprakelijk, dan is deze derde jegens de dader
verplicht tot bijdragen in de schadevergoeding voor het
gehele bedrag van zijn aansprakelijkheid jegens de
benadeelde.
Artikel 166
1.
Indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig
schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van
schade deze personen had behoren te weerhouden van hun
gedragingen in groepsverband, zijn zij hoofdelijk
aansprakelijk indien deze gedragingen hun kunnen worden
toegerekend.
2. Zij
moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding
bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de
billijkheid een andere verdeling vordert.
Artikel 167
1.
Wanneer iemand krachtens deze titel jegens een ander
aansprakelijk is ter zake van een onjuiste of door
onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van
feitelijke aard, kan de rechter hem op vordering van die
ander veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op
een door de rechter aan te geven wijze.
2.
Hetzelfde geldt, indien aansprakelijkheid ontbreekt, omdat
de publicatie aan de dader wegens diens onbekendheid met de
onjuistheid of onvolledigheid niet als een onrechtmatige
daad is toe te rekenen.
3. In
het geval van lid 2 kan de rechter die de vordering toewijst
bepalen dat de kosten van het geding en van de
openbaarmaking van de rectificatie geheel of gedeeltelijk
moeten worden gedragen door degene die de vordering heeft
ingesteld. Elk der partijen heeft voor het gedeelte van de
kosten van het geding en van de openbaarmaking van de
rectificatie dat ingevolge de uitspraak door hem moet worden
gedragen, verhaal op ieder die voor de door de publicatie
ontstane schade aansprakelijk is.
Artikel 168
1. De
rechter kan een vordering, strekkende tot verbod van een
onrechtmatige gedraging, afwijzen op de grond dat deze
gedraging op grond van zwaarwegende maatschappelijke
belangen behoort te worden geduld. De benadeelde behoudt
zijn recht op vergoeding van de schade overeenkomstig de
onderhavige titel.
2. In
het geval van artikel 170 is de ondergeschikte voor deze
schade niet aansprakelijk.
3. Wordt
aan een veroordeling tot schadevergoeding of tot het stellen
van zekerheid daarvoor niet voldaan, dan kan de rechter
alsnog een verbod van de gedraging opleggen.
Afdeling 2. Aansprakelijkheid voor
personen en zaken
Artikel 169
1. Voor
schade aan een derde toegebracht door een als een doen te
beschouwen gedraging van een kind dat nog niet de leeftijd
van veertien jaren heeft bereikt en aan wie deze gedraging
als een onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als
zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, is degene
die het ouderlijk gezag of de voogdij over het kind
uitoefent, aansprakelijk.
2. Voor
schade, aan een derde toegebracht door een fout van een kind
dat de leeftijd van veertien jaren al wel maar die van
zestien jaren nog niet heeft bereikt, is degene die het
ouderlijk gezag of de voogdij over het kind uitoefent,
aansprakelijk, tenzij hem niet kan worden verweten dat hij
de gedraging van het kind niet heeft belet.
Artikel 170
1. Voor
schade, aan een derde toegebracht door een fout van een
ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte
zijn taak vervult aansprakelijk, indien de kans op de fout
door de opdracht tot het verrichten van deze taak is
vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van
hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de
gedragingen waarin de fout was gelegen.
2. Stond
de ondergeschikte in dienst van een natuurlijke persoon en
was hij niet werkzaam voor een beroep of bedrijf van deze
persoon, dan is deze slechts aansprakelijk, indien de
ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter
vervulling van de hem opgedragen taak.
3. Zijn
de ondergeschikte en degene in wiens dienst hij stond,
beiden voor de schade aansprakelijk, dan behoeft de
ondergeschikte in hun onderlinge verhouding niet in de
schadevergoeding bij te dragen, tenzij de schade een gevolg
is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de
omstandigheden van het geval, mede gelet op de aard van hun
verhouding, kan anders voortvloeien dan in de vorige zin is
bepaald.
Artikel 171
Indien een niet ondergeschikte die in
opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens
bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk is voor een bij
die werkzaamheden begane fout, is ook die ander jegens de derde
aansprakelijk.
Artikel 172
Indien een gedraging van een
vertegenwoordiger ter uitoefening van de hem als zodanig
toekomende bevoegdheden een fout jegens een derde inhoudt, is
ook de vertegenwoordigde jegens de derde aansprakelijk.
Artikel 173
1. De
bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij, zo
zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven
omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar
voor personen of zaken oplevert, is, wanneer dit gevaar zich
verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op
grond van de vorige afdeling zou hebben ontbroken indien hij
dit gevaar op het tijdstip van ontstaan daarvan zou hebben
gekend.
2.
Indien de zaak niet aan de in het vorige lid bedoelde eisen
voldoet wegens een gebrek als bedoeld in afdeling 3 van
titel 3, bestaat geen aansprakelijkheid op grond van het
vorige lid voor schade als in die afdeling bedoeld, tenzij
a. alle omstandigheden in
aanmerking genomen, aannemelijk is dat het gebrek niet
bestond op het tijdstip waarop het produkt in het
verkeer is gebracht of dat het gebrek op een later
tijdstip is ontstaan; of
b. het betreft zaakschade ter zake
waarvan krachtens afdeling 3 van titel 3 geen recht op
vergoeding bestaat op grond van de in die afdeling
geregelde franchise.
3. De
vorige leden zijn niet van toepassing op dieren, schepen en
luchtvaartuigen.
Artikel 174
1. De
bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die
men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en
daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, is, wanneer
dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij
aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben
ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het
ontstaan ervan zou hebben gekend.
2. Bij
erfpacht rust de aansprakelijkheid op de bezitter van het
erfpachtsrecht. Bij openbare wegen rust zij op het
overheidslichaam dat moet zorgen dat de weg in goede staat
verkeert, bij leidingen op de leidingbeheerder, behalve voor
zover de leiding zich bevindt in een gebouw of werk en
strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dat gebouw of
werk.
3. Bij
ondergrondse werken rust de aansprakelijkheid op degene die
op het moment van het bekend worden van de schade het werk
in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt. Indien na het
bekend worden van de schade een ander gebruiker wordt,
blijft de aansprakelijkheid rusten op degene die ten tijde
van dit bekend worden gebruiker was. Indien de schade is
bekend geworden na beëindiging van het gebruik van het
ondergrondse werk, rust de aansprakelijkheid op degene die
de laatste gebruiker was.
4. Onder
opstal in dit artikel worden verstaan gebouwen en werken,
die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij
rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of
werken.
5.
Degene die in de openbare registers als eigenaar van de
opstal of van de grond staat ingeschreven, wordt vermoed de
bezitter van de opstal te zijn.
6. Voor
de toepassing van dit artikel wordt onder openbare weg mede
begrepen het weglichaam, alsmede de weguitrusting.
Artikel 175
1.
Degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een
stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof
bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een
bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken
oplevert, is aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich
verwezenlijkt. Onder degene die een bedrijf uitoefent, wordt
mede begrepen elke rechtspersoon die de stof in de
uitoefening van zijn taak gebruikt of onder zich heeft. Als
bijzonder gevaar van ernstige aard geldt in elk geval dat de
stof ontplofbaar, oxyderend, ontvlambaar, licht ontvlambaar
of zeer licht ontvlambaar, dan wel vergiftig of zeer
vergiftig is volgens de criteria en methoden, vastgesteld
krachtens artikel 34, derde lid, Wet milieugevaarlijke
stoffen (Stb. 1985, 639).
2.
Bevindt de stof zich in de macht van een bewaarder die er
zijn bedrijf van maakt zodanige stoffen te bewaren, dan rust
de aansprakelijkheid uit het eerste lid op deze. Met een
zodanige bewaarder wordt gelijkgesteld de vervoerder,
expediteur, stuwadoor, bewaarder of soortgelijke ondernemer,
die de stof ten vervoer of uit hoofde van een met het
vervoer samenhangende overeenkomst in ontvangst heeft
genomen, zulks voor de periode waarin de stof zich in zijn
macht bevindt zonder dat afdeling 4 van titel 6, 4 van titel
11, 1 van titel 14 of 4 van titel 19 van Boek 8 van
toepassing is.
3.
Bevindt de stof zich in een leiding, dan rust de
aansprakelijkheid uit het eerste lid op de leidingbeheerder,
behalve voor zover de leiding zich bevindt in een gebouw of
werk en strekt tot toevoer of afvoer ten behoeve van dit
gebouw of werk.
4. Is de
schade een gevolg van verontreiniging met de stof van lucht,
water of bodem, dan rust de aansprakelijkheid uit het eerste
lid op degene die bij de aanvang van de tot verontreiniging
leidende gebeurtenis door dit artikel als aansprakelijke
persoon werd aangewezen. Heeft de verontreiniging
plaatsgevonden doordat de stof in verpakte toestand in water
of bodem is gekomen of op de bodem is achtergelaten, dan
wordt die gebeurtenis geacht op dit tijdstip reeds te zijn
aangevangen.
5. Vormt
de stof, al of niet tezamen met andere bestanddelen, een
roerende zaak als bedoeld in artikel 173 lid 1, is zij in
een zodanige zaak verpakt of is zij opgeslagen in een
daartoe bestemd gebouw of werk als bedoeld in artikel 174,
vierde lid, dan rust de aansprakelijkheid uit de artikelen
173 en 174, voor wat betreft de schade die door
verwezenlijking van het aan de stof verbonden gevaar is
veroorzaakt, op dezelfde persoon als op wie krachtens de
voorgaande leden aansprakelijkheid ter zake van de stof
rust.
6. Een
stof wordt geacht aan de omschrijving van de eerste zin van
het eerste lid te voldoen, wanneer zij bij algemene
maatregel van bestuur als zodanig is aangewezen. Een stof
kan in elk geval worden aangewezen, als zij volgens de
criteria en methoden, vastgesteld krachtens artikel 34,
derde lid, Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985,
639), behoort tot een der categorieën bedoeld in het tweede
lid van dat artikel. De aanwijzing kan worden beperkt tot
bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de
algemene maatregel van bestuur te omschrijven gevaren die
aan de stof verbonden zijn, en tot bepaalde daarin te
omschrijven situaties waarin de stof zich bevindt.
Artikel 176
1. De
exploitant van een stortplaats is aansprakelijk voor de
schade die voor of na de sluiting van de stortplaats
ontstaat als gevolg van verontreiniging van lucht, water of
bodem met de daar voor die sluiting gestorte stoffen.
2. In
dit artikel wordt onder exploitant van een stortplaats
verstaan:
a. degene voor wie een vergunning
geldt als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer
om op het in lid 6 bedoelde terrein een stortplaats op
te richten, te veranderen of de werking daarvan te
veranderen of in werking te hebben;
b. een ieder die de stortplaats
exploiteert zonder dat voor hem een zodanige vergunning
geldt.
3.
Indien na het bekend worden van de schade een ander
exploitant van de stortplaats wordt, blijft de
aansprakelijkheid voor die schade rusten op degene die
tijdens dit bekend worden exploitant was.
4.
Indien de schade is bekend geworden na de sluiting van de
stortplaats, rust de aansprakelijkheid op degene die de
laatste exploitant was. Geen aansprakelijkheid op grond van
dit artikel bestaat, wanneer op het tijdstip waarop de
schade bekend wordt, meer dan twintig jaren waren verstreken
nadat de stortplaats was gesloten met inachtneming van de
geldende overheidsvoorschriften, of de schade een gevolg is
van gebruik van de grond in strijd met hetgeen wegens de
aanwezigheid van de gesloten stortplaats omtrent dit gebruik
is voorgeschreven.
5.
Indien de exploitatie als stortplaats wettelijk is
toegelaten, zijn degenen die de stoffen waardoor de
verontreiniging is opgetreden, daar hebben gestort of doen
storten, noch aansprakelijk krachtens artikel 175, noch
krachtens afdeling 4 van titel 6, 4 van titel 11, 1 van
titel 14 of 4 van titel 19 van Boek 8. Indien op de
stortplaats een zaak als bedoeld in artikel 173 of een stof
als bedoeld in artikel 175 is gestort, rust de
aansprakelijkheid uit die artikelen op degene die krachtens
de voorgaande leden als exploitant van de stortplaats
aansprakelijk is.
6. Onder
stortplaats is begrepen elk terrein dat door de exploitant
daarvan is bestemd voor het storten van al of niet verpakte,
geheel of ten dele van anderen afkomstige stoffen met als
doel dat de exploitant of die anderen zich van die stoffen
ontdoen door ze daar op of in de bodem te brengen. Onder
storten wordt mede begrepen elke vorm van deponeren of
afgeven van de stof op de stortplaats.
Artikel 177
1. De
exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1,
onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de
schade die ontstaat door:
a. uitstroming van delfstoffen als
bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Mijnbouwwet
als gevolg van het niet beheersen van de ondergrondse
natuurkrachten die door de aanleg of bij de exploitatie
van het werk zijn ontketend;
b. beweging van de bodem als
gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat werk.
2. In
dit artikel wordt onder exploitant van een mijnbouwwerk
verstaan:
a. de houder van een vergunning
als bedoeld in artikel 6 of 25 van de Mijnbouwwet, die
een mijnbouwwerk aanlegt of doet aanleggen dan wel in
gebruik heeft;
b. een ieder die, anders dan als
ondergeschikte, een mijnbouwwerk aanlegt of doet
aanleggen dan wel in gebruik heeft zonder dat hij houder
is van een vergunning als bedoeld in onderdeel a, tenzij
hij in opdracht van een ander handelt die houder is van
een vergunning als vorenbedoeld dan wel, indien die
ander dat niet is, hij daarmee niet bekend was of
behoorde te zijn.
3. Voor
schade door uitstroming van delfstoffen is aansprakelijk
degene die ten tijde van de gebeurtenis waardoor de
uitstroming plaatsvindt, exploitant van een mijnbouwwerk is.
Indien na deze gebeurtenis een ander exploitant wordt van
het mijnbouwwerk, blijft de aansprakelijkheid voor deze
schade rusten op degene die ten tijde van die gebeurtenis
exploitant was. Indien de gebeurtenis plaatsvindt nadat het
mijnbouwwerk is verlaten, rust de aansprakelijkheid op
degene die de laatste exploitant van het werk was, tenzij op
het tijdstip van die gebeurtenis meer dan vijf jaren waren
verstreken nadat het werk was verlaten met inachtneming van
de geldende overheidsvoorschriften.
4. Voor
schade door beweging van de bodem is aansprakelijk degene
die ten tijde van het bekend worden van deze schade
exploitant is. Indien na het bekend worden een ander
exploitant wordt, blijft de aansprakelijkheid rusten op
degene die ten tijde van dit bekend worden exploitant was.
Indien deze schade bekend wordt na sluiting van het
mijnbouwwerk, rust de aansprakelijkheid op degene die de
laatste exploitant was.
5.
Indien op de gebeurtenis waardoor de uitstroming of de
beweging van de bodem is ontstaan, tevens een
aansprakelijkheid uit artikel 173, 174 of 175 kan worden
gegrond, rust die aansprakelijkheid, wat betreft de door die
uitstroming of beweging van de bodem veroorzaakte schade, op
dezelfde persoon als op wie de aansprakelijkheid ter zake
van het mijnbouwwerk rust.
Artikel 178
Geen aansprakelijkheid krachtens artikel
175, 176 of 177 bestaat indien:
a. de schade is veroorzaakt door
gewapend conflict, burgeroorlog, opstand, binnenlandse
onlusten, oproer of muiterij;
b. de schade is veroorzaakt door
een natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke
en onweerstaanbare aard, behoudens de in artikel 177 lid
1 bedoelde ondergrondse natuurkrachten in het geval van
dat artikel;
c. de schade is veroorzaakt
uitsluitend door voldoening aan een bevel of dwingend
voorschrift van de overheid;
d. de schade is veroorzaakt bij
een handeling met een stof als bedoeld in artikel 175 in
het belang van de benadeelde zelf, waarbij het jegens
deze redelijk was hem aan het gevaar voor schade bloot
te stellen;
e. de schade is veroorzaakt
uitsluitend door een handelen of nalaten van een derde,
geschied met het opzet schade te veroorzaken, zulks
onverminderd het bepaalde in de artikelen 170 en 171;
f. het gaat om hinder,
verontreiniging of andere gevolgen, ter zake waarvan
aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou
hebben ontbroken, zo zij door de aangesprokene bewust
zouden zijn veroorzaakt.
Artikel 179
De bezitter van een dier is aansprakelijk
voor de door het dier aangerichte schade, tenzij
aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling zou hebben
ontbroken indien hij de gedraging van het dier waardoor de
schade werd toegebracht, in zijn macht zou hebben gehad.
Artikel 180
1. In de
gevallen van de artikelen 173, 174 en 179 zijn medebezitters
hoofdelijk aansprakelijk.
2. In
geval van overdracht van een zaak onder opschortende
voorwaarde van voldoening van een tegenprestatie rust de
aansprakelijkheid die de artikelen 173, 174 en 179 op de
bezitter leggen, vanaf het tijdstip van deze overdracht op
de verkrijger.
Artikel 181
1.
Worden de in de artikelen 173, 174 en 179 bedoelde zaken,
opstallen of dieren gebruikt in de uitoefening van een
bedrijf, dan rust de aansprakelijkheid uit de artikelen 173
lid 1, 174 lid 1 en lid 2, eerste zin, en 179 op degene die
dit bedrijf uitoefent, tenzij het een opstal betreft en het
ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het
bedrijf in verband staat.
2.
Wanneer de zaken, opstallen of dieren in de uitoefening van
een bedrijf worden gebruikt door ze ter beschikking te
stellen voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van
een ander, dan wordt die ander als de uit hoofde van het
vorige lid aansprakelijke persoon aangemerkt.
3.
Wanneer een stof als bedoeld in artikel 175 in de
uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt door deze stof
ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening
van het beroep of bedrijf van een ander, wordt die ander als
de uit hoofde van artikel 175 lid 1 aansprakelijke persoon
aangemerkt.
Artikel 182
Indien er in de gevallen van de artikelen
176 en 177 tegelijkertijd twee of meer al of niet gezamenlijk
handelende exploitanten zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.
Artikel 183
1. Ter
zake van aansprakelijkheid op grond van deze afdeling kan de
aangesprokene geen beroep doen op zijn jeugdige leeftijd of
geestelijke of lichamelijke tekortkoming.
2.
Degene die het ouderlijk gezag of voogdij uitoefent over een
kind dat nog niet de leeftijd van veertien jaren heeft
bereikt, is in zijn plaats uit de artikelen 173 en 179 voor
de daar bedoelde zaken en dieren aansprakelijk, tenzij deze
worden gebruikt in de uitoefening van een bedrijf.
Artikel 184
1. Onder
de schade waarvoor op grond van de artikelen 173-182
aansprakelijkheid bestaat, vallen ook:
a. de kosten van iedere redelijke
maatregel ter voorkoming of beperking van schade door
wie dan ook genomen, nadat een ernstige en onmiddellijke
dreiging is ontstaan dat schade zal worden veroorzaakt
die krachtens die artikelen voor vergoeding in
aanmerking komt;
b. schade en verlies veroorzaakt
door zulke maatregelen.
2.
Indien de maatregelen, bedoeld in het vorige lid, door een
ander worden genomen dan degene die de schade zou hebben
geleden ter zake waarvan de ernstige en onmiddellijke
dreiging is ontstaan, kan deze ander slechts vergoeding van
de in het vorige lid bedoelde kosten, schaden en verliezen
vorderen, voor zover zij gevorderd hadden kunnen worden door
degene die de dreigende schade zou hebben geleden, en kan de
aangesprokene jegens die ander hetzelfde verweer voeren als
hem jegens deze ten dienste zou hebben gestaan.
Afdeling 3. Produktenaansprakelijkheid
Artikel 185
1. De
producent is aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door
een gebrek in zijn produkt, tenzij:
a. hij het produkt niet in het
verkeer heeft gebracht;
b. het, gelet op de
omstandigheden, aannemelijk is dat het gebrek dat de
schade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip
waarop hij het produkt in het verkeer heeft gebracht,
dan wel dat dit gebrek later is ontstaan;
c. het produkt noch voor de
verkoop of voor enige andere vorm van verspreiding met
een economisch doel van de producent is vervaardigd,
noch is vervaardigd of verspreid in het kader van de
uitoefening van zijn beroep of bedrijf;
d. het gebrek een gevolg is van
het feit dat het produkt in overeenstemming is met
dwingende overheidsvoorschriften;
e. het op grond van de stand van
de wetenschappelijke en technische kennis op het
tijdstip waarop hij het produkt in het verkeer bracht,
onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken;
f. wat de producent van een
grondstof of fabrikant van een onderdeel betreft, het
gebrek is te wijten aan het ontwerp van het produkt
waarvan de grondstof of het onderdeel een bestanddeel
vormt, dan wel aan de instructies die door de fabrikant
van het produkt zijn verstrekt.
2. De
aansprakelijkheid van de producent wordt verminderd of
opgeheven rekening houdende met alle omstandigheden, indien
de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek in het
produkt als door schuld van de benadeelde of een persoon
voor wie de benadeelde aansprakelijk is.
3. De
aansprakelijkheid van de producent wordt niet verminderd,
indien de schade is veroorzaakt zowel door een gebrek in het
produkt als door de gedraging van een derde.
Artikel 186
1. Een
produkt is gebrekkig, indien het niet de veiligheid biedt
die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in
aanmerking genomen en in het bijzonder
a. de presentatie van het produkt;
b. het redelijkerwijs te
verwachten gebruik van het produkt;
c. het tijdstip waarop het produkt
in het verkeer werd gebracht.
2. Een
produkt mag niet als gebrekkig worden beschouwd uitsluitend
omdat nadien een beter produkt in het verkeer is gebracht.
Artikel 187
1. Onder
product wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan
een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan
vormen van een andere roerende of onroerende zaak, alsmede
elektriciteit.
2. Onder
"producent" wordt voor de toepassing van artikel 185 tot en
met 193 verstaan de fabrikant van een eindprodukt, de
producent van een grondstof of de fabrikant van een
onderdeel, alsmede een ieder die zich als producent
presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander
onderscheidingsteken op het produkt aan te brengen.
3.
Onverminderd de aansprakelijkheid van de producent, wordt
een ieder die een produkt in de Europese Economische Ruimte
invoert om dit te verkopen, te verhuren, te leasen of
anderszins te verstrekken in het kader van zijn commerciële
activiteiten, beschouwd als producent; zijn
aansprakelijkheid is dezelfde als die van de producent.
4.
Indien niet kan worden vastgesteld wie de producent van het
produkt is, wordt elke leverancier als producent ervan
beschouwd, tenzij hij de benadeelde binnen een redelijke
termijn de identiteit meedeelt van de producent of van
degene die hem het produkt heeft geleverd. Indien ten
aanzien van een in de Europese Economische Ruimte
geïmporteerd produkt niet kan worden vastgesteld wie de
importeur van dat produkt is, wordt eveneens elke
leverancier als producent ervan beschouwd, tenzij hij de
benadeelde binnen een redelijke termijn de identiteit
meedeelt van de importeur in de Europese Economische Ruimte
of van een leverancier binnen de Europese Economische Ruimte
die hem het produkt heeft geleverd.
Artikel 188
De benadeelde moet de schade, het gebrek
en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade
bewijzen.
Artikel 189
Indien verschillende personen op grond van
artikel 185, eerste lid, aansprakelijk zijn voor dezelfde
schade, is elk hunner voor het geheel aansprakelijk.
Artikel 190
1. De
aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 185, eerste lid,
bestaat voor
a. schade door dood of lichamelijk
letsel;
b. schade door het produkt
toegebracht aan een andere zaak die gewoonlijk voor
gebruik of verbruik in de privésfeer is bestemd en door
de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer is
gebruikt of verbruikt, met toepassing van een franchise
ten belope van € 500.
2. Het
bedrag genoemd in het eerste lid wordt bij algemene
maatregel van bestuur aangepast, indien op grond van artikel
18, tweede lid, van de EEG-richtlijn van 25 juli 1985 (PbEG
nr. L 210) de in die richtlijn genoemde bedragen worden
herzien.
Artikel 191
1. De
rechtsvordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen
de producent ingevolge artikel 185, eerste lid, verjaart
door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de benadeelde met de schade, het
gebrek en de identiteit van de producent bekend is geworden
of had moeten worden.
2. Het
recht op schadevergoeding van de benadeelde jegens de
producent ingevolge artikel 185, eerste lid, vervalt door
verloop van tien jaren na de aanvang van de dag, volgende op
die waarop de producent de zaak die de schade heeft
veroorzaakt, in het verkeer heeft gebracht. Hetzelfde geldt
voor het recht van een derde die mede voor de schade
aansprakelijk is, terzake van regres jegens de producent.
Artikel 192
1. De
aansprakelijkheid van de producent uit hoofde van deze
afdeling kan jegens de benadeelde niet worden uitgesloten of
beperkt.
2. Is
jegens de benadeelde tevens een derde aansprakelijk die het
produkt niet gebruikt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, dan kan niet ten nadele van die derde worden
afgeweken van de regels inzake het regres.
Artikel 193
Het recht op schadevergoeding jegens de
producent uit hoofde van deze afdeling komt de benadeelde toe,
onverminderd alle andere rechten of vorderingen.
Afdeling 4. Misleidende en vergelijkende
reclame
Artikel 194
Hij die omtrent goederen of diensten die
door hem of degene ten behoeve van wie hij handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf worden aangeboden, een
mededeling openbaar maakt of laat openbaar maken, handelt
onrechtmatig, indien deze mededeling in een of meer opzichten
misleidend is, zoals ten aanzien van:
a. de aard, samenstelling,
hoeveelheid, hoedanigheid, eigenschappen of
gebruiksmogelijkheden;
b. de herkomst, de wijze op het
tijdstip van vervaardigen;
c. de omvang van de voorraad;
d. de prijs of de wijze van
berekenen daarvan;
e. de aanleiding of het doel van
de aanbieding;
f. de toegekende onderscheidingen,
getuigschriften of andere door derden uitgebrachte
beoordelingen of gedane verklaringen, of de gebezigde
wetenschappelijke of vaktermen, technische bevindingen
of statistische gegevens;
g. de voorwaarden, waaronder
goederen worden geleverd of diensten worden verricht of
de betaling plaatsvindt;
h. de omvang, inhoud of tijdsduur
van de garantie;
i. de identiteit, hoedanigheden,
bekwaamheid of bevoegdheid en degene door wie, onder
wiens leiding of toezicht of met wiens medewerking de
goederen zijn of worden vervaardigd of aangeboden of de
diensten worden verricht.
Artikel 194a
1. Onder
vergelijkende reclame wordt verstaan elke vorm van reclame
waarbij een concurrent dan wel door een concurrent
aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet
worden genoemd.
2.
Vergelijkende reclame is, wat de vergelijking betreft,
geoorloofd op voorwaarde dat deze:
a. niet misleidend is;
b. goederen of diensten vergelijkt
die in dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde
doel zijn bestemd;
c. op objectieve wijze een of meer
wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve
kenmerken van deze goederen en diensten, zoals de prijs,
met elkaar vergelijkt;
d. er niet toe leidt dat op de
markt de adverteerder wordt verward met een concurrent,
of de merken, handelsnamen, andere onderscheidende
kenmerken, goederen of diensten van de adverteerder met
die van een concurrent;
e. niet de goede naam schaadt van
of zich niet kleinerend uitlaat over de merken,
handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken,
goederen, diensten, activiteiten of omstandigheden van
een concurrent;
f. voor producten met een benaming
van oorsprong in elk geval betrekking heeft op producten
met dezelfde benaming;
g. geen oneerlijk voordeel
oplevert ten gevolge van de bekendheid van een merk,
handelsnaam of andere onderscheidende kenmerken van een
concurrent dan wel van de oorsprongsbenamingen van
concurrerende producten; en
h. niet goederen of diensten
voorstelt als een imitatie of namaak van goederen of
diensten met een beschermd merk of beschermde
handelsnaam.
3. Elke
vergelijking die verwijst naar een speciale aanbieding, moet
duidelijk en ondubbelzinnig het einde en, zo de speciale
aanbieding nog niet loopt, het begin aangeven van de periode
gedurende welke de speciale prijs of andere specifieke
voorwaarden gelden dan wel vermelden dat de speciale
aanbieding loopt zo lang de voorraad strekt of de diensten
kunnen worden verleend.
Artikel 195
1.
Indien een vordering ingevolge artikel 194 of artikel 194a
wordt ingesteld tegen iemand die inhoud en inkleding van de
mededeling geheel of ten dele heeft bepaald of doen bepalen,
rust op hem de bewijslast ter zake van de juistheid of
volledigheid van de feiten die in de mededeling zijn vervat
of daardoor worden gesuggereerd en waarop het beweerde
misleidende karakter van de mededeling berust
onderscheidenlijk waarop de ongeoorloofdheid van de
vergelijkende reclame berust. Ingeval van vergelijkende
reclame dient degene die inhoud en inkleding van de
mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen
bepalen binnen korte termijn de bewijzen aan te dragen
waarop de materiële juistheid en volledigheid van de
feitelijke gegevens in de reclame rust.
2.
Indien volgens artikel 194 en artikel 194a onrechtmatig is
gehandeld door iemand die inhoud en inkleding van de
mededeling geheel of ten dele zelf heeft bepaald of doen
bepalen, is hij voor de dientengevolge ontstane schade
aansprakelijk, tenzij hij bewijst dat zulks noch aan zijn
schuld is te wijten noch op andere grond voor zijn rekening
komt.
Artikel 196
1.
Indien iemand door het openbaar maken of laten openbaar
maken van een in artikel 194 omschreven mededeling of een
ongeoorloofde vergelijkende reclame aan een ander schade
heeft toegebracht of dreigt toe te brengen, kan de rechter
hem op vordering van die ander niet alleen het openbaar
maken of laten openbaar maken van zodanige mededeling of
zodanige ongeoorloofde vergelijkende reclame verbieden, maar
ook hem laten veroordelen tot het op een door de rechter
aangegeven wijze openbaar maken of laten openbaar maken van
een rectificatie van die mededeling of die ongeoorloofde
vergelijkende reclame.
2.
Indien een vordering als in het vorige lid bedoeld wordt
toegewezen jegens iemand die niet tevens aansprakelijk is
voor de in artikel 195 lid 2 bedoelde schade, is artikel 167
lid 3 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4A. Aansprakelijkheid bij
elektronisch rechtsverkeer
Artikel 196b
1.
Indien een certificatiedienstverlener een certificaat aan
het publiek afgeeft als een gekwalificeerd certificaat als
bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ss, van de
Telecommunicatiewet, of indien hij voor een zodanig
certificaat publiekelijk instaat, en een persoon op grond
daarvan handelt in redelijk vertrouwen op:
a. de juistheid, op het tijdstip
van afgifte, van alle in het certificaat opgenomen
gegevens en de opneming van alle voor dit certificaat
voorgeschreven gegevens;
b. het feit dat, op het tijdstip
van uitgifte, degene die in het certificaat is aangeduid
als ondertekenaar de houder was van de gegevens voor het
aanmaken van elektronische handtekeningen die behoren
bij de in het certificaat vermelde gegevens voor het
verifiëren van elektronische handtekeningen;
c. het feit dat de gegevens voor
het aanmaken van elektronische handtekeningen en de
gegevens voor het verifiëren van elektronische
handtekeningen, indien zij beide door de
certificatiedienstverlener zijn gegenereerd,
complementair kunnen worden gebruikt;
is de certificatiedienstverlener
aansprakelijk voor de dientengevolge door deze persoon
geleden schade, tenzij de certificatiedienstverlener bewijst
dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
2. Een
certificatiedienstverlener die een certificaat aan het
publiek heeft afgegeven als een gekwalificeerd certificaat
of voor een zodanig certificaat publiekelijk instaat, en
nalaat de intrekking van dat certificaat te registreren, is,
indien een persoon in redelijk vertrouwen daarop handelt,
aansprakelijk voor de door deze persoon dientengevolge
geleden schade, tenzij de certificatiedienstverlener bewijst
dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld.
3. Een
certificatiedienstverlener kan in een gekwalificeerd
certificaat beperkingen ten aanzien van het gebruik daarvan
opnemen, mits die beperkingen voor derden duidelijk zijn.
Een certificatiedienstverlener is niet aansprakelijk voor
schade die het gevolg is van het gebruik van een
gekwalificeerd certificaat in strijd met daarin
overeenkomstig de vorige volzin opgenomen beperkingen.
4. Een
certificatiedienstverlener kan in een gekwalificeerd
certificaat een grens aangeven voor de waarde van de
transacties waarvoor het certificaat kan worden gebruikt,
mits deze grens voor derden duidelijk is. Een
certificatiedienstverlener is niet aansprakelijk voor schade
die het gevolg is van een overschrijding van een
overeenkomstig de vorige volzin opgenomen grens.
Artikel 196c
1.
Degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht
als bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3, bestaande uit
het doorgeven van van een ander afkomstige informatie of het
verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk is niet
aansprakelijk voor de doorgegeven informatie, indien hij:
a. niet het initiatief tot het
doorgeven van de informatie neemt;
b. niet degene is die bepaalt aan
wie de informatie wordt doorgegeven; en
c. hij de doorgegeven informatie
niet heeft geselecteerd of gewijzigd.
2. Voor
de toepassing van lid 1 wordt onder het enkele doorgeven van
van een ander afkomstige informatie en het enkele
verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk mede
verstaan de geautomatiseerde, tussentijdse en tijdelijke
opslag van de doorgegeven informatie, voor zover deze opslag
uitsluitend geschiedt ten behoeve van het doorgeven van die
informatie en de duur van deze opslag niet langer is dan
daarvoor redelijkerwijs noodzakelijk is.
3.
Degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht
als bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3, bestaande uit
het geautomatiseerd, tussentijds en tijdelijk opslaan van
van een ander afkomstige informatie voor zover het opslaan
enkel geschiedt om het later doorgeven van die informatie
aan anderen op hun verzoek doeltreffender te maken, is niet
aansprakelijk voor het geautomatiseerd, tussentijds en
tijdelijk opslaan van de informatie indien hij:
a. de informatie niet wijzigt;
b. de toegangsvoorwaarden voor de
informatie in acht neemt;
c. de in de bedrijfstak geldende
of gebruikelijke regels betreffende de bijwerking van de
informatie naleeft;
d. niet de in de bedrijfstak
geldende of gebruikelijke technologie voor het
verkrijgen van gegevens over het gebruik van de
informatie wijzigt, en
e. prompt de nodige maatregelen
neemt om de informatie te verwijderen of de toegang
daartoe onmogelijk te maken, zodra hij weet dat de
informatie is verwijderd van de plaats waar deze zich
oorspronkelijk in het communicatienetwerk bevond of de
toegang daartoe onmogelijk is gemaakt, of dat een
bevoegde autoriteit heeft bevolen de informatie te
verwijderen van de plaats waar deze zich oorspronkelijk
in het communicatienetwerk bevond of de toegang daartoe
heeft verboden.
4.
Degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht
als bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3, bestaande uit
het op verzoek opslaan van van een ander afkomstige
informatie, is niet aansprakelijk voor de opgeslagen
informatie, indien hij:
a. niet weet van de activiteit of
informatie met een onrechtmatig karakter en, in geval
van een schadevergoedingsvordering, niet redelijkerwijs
behoort te weten van de activiteit of informatie met een
onrechtmatig karakter, dan wel
b. zodra hij dat weet of
redelijkerwijs behoort te weten, prompt de informatie
verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt.
5. Het
hiervoor bepaalde staat niet in de weg aan het verkrijgen
van een rechterlijk verbod of bevel.
Afdeling 5. Tijdelijke regeling
verhaalsrechten
Artikel 197
1. De
artikelen 165, 166, 169, 171, 173, 174, 175, 176, 177 en
185, alsmede de afdelingen 4 van titel 6, 4 van titel 11, 1
van titel 14 en 4 van titel 19 van Boek 8 blijven buiten
toepassing:
a. bij de vaststelling van het
totale bedrag waarvoor aansprakelijkheid naar burgerlijk
recht zou bestaan, vereist voor de berekening van het
bedrag waarvoor verhaal bestaat krachtens artikel 107a
en de artikelen 99 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, 90 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, 68 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 60 van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten, 52a van de Ziektewet, 61 van de
Algemene nabestaandenwet, 65b van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten en 8 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
b. bij de vaststelling van het
bedrag, bedoeld in artikel 3 van de Verhaalswet
ongevallen ambtenaren waarboven de gehoudenheid
krachtens die wet of krachtens artikel 70 van de Wet
privatisering ABP zich niet uitstrekt.
2.
Rechten uit de artikelen 165, 166, 169, 171, 173, 174, 175,
176, 177 en 185, alsmede de afdelingen 4 van titel 6, 4 van
titel 11, 1 van titel 14 en 4 van titel 19 van Boek 8 zijn
niet vatbaar voor subrogatie:
a. krachtens artikel 962 van Boek
7, behoudens voor zover de uitkering door de verzekeraar
de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een
ander krachtens deze artikelen mede aansprakelijk was;
b. krachtens artikel 6, derde lid,
van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
3.
Degene wiens verhaal of subrogatie door de vorige leden
wordt uitgesloten, kan de in het tweede lid bedoelde rechten
evenmin krachtens overeenkomst verkrijgen of te zijnen
behoeve door de gerechtigde op diens naam doen uitoefenen.
Titel 4. Verbintenissen uit andere bron
dan onrechtmatige daad of overeenkomst
Afdeling 1. Zaakwaarneming
Artikel 198
Zaakwaarneming is het zich willens en
wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens
anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een
rechtshandeling of een elders in de wet geregelde
rechtsverhouding te ontlenen.
Artikel 199
1. De
zaakwaarnemer is verplicht bij de waarneming de nodige zorg
te betrachten en, voor zover dit redelijkerwijze van hem kan
worden verlangd, de begonnen waarneming voort te zetten.
2. De
zaakwaarnemer doet, zodra dit redelijkerwijze mogelijk is,
aan de belanghebbende verantwoording van hetgeen hij heeft
verricht. Heeft hij voor de belanghebbende gelden uitgegeven
of ontvangen, dan doet hij daarvan rekening.
Artikel 200
1. De
belanghebbende is, voor zover zijn belang naar behoren is
behartigd, gehouden de zaakwaarnemer de schade te vergoeden,
die deze als gevolg van de waarneming heeft geleden.
2. Heeft
de zaakwaarnemer in de uitoefening van een beroep of bedrijf
gehandeld, dan heeft hij, voor zover dit redelijk is,
bovendien recht op een vergoeding voor zijn verrichtingen,
met inachtneming van de prijzen die daarvoor ten tijde van
de zaakwaarneming gewoonlijk werden berekend.
Artikel 201
Een zaakwaarnemer is bevoegd
rechtshandelingen te verrichten in naam van de belanghebbende,
voor zover diens belang daardoor naar behoren wordt behartigd.
Artikel 202
Heeft iemand die is opgetreden ter
behartiging van eens anders belang, zich zonder redelijke grond
daarmede ingelaten of dit belang niet naar behoren behartigd,
dan kan de belanghebbende door goedkeuring van het optreden zijn
bevoegdheid prijsgeven jegens hem het gebrek in te roepen. Aan
de belanghebbende kan door hem een redelijke termijn voor de
goedkeuring worden gesteld.
Afdeling 2. Onverschuldigde betaling
Artikel 203
1.
Degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft
gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger als
onverschuldigd betaald terug te vorderen.
2.
Betreft de onverschuldigde betaling een geldsom, dan strekt
de vordering tot teruggave van een gelijk bedrag.
3.
Degene die zonder rechtsgrond een prestatie van andere aard
heeft verricht, heeft eveneens jegens de ontvanger recht op
ongedaanmaking daarvan.
Artikel 204
1. Heeft
de ontvanger in een periode waarin hij redelijkerwijze met
een verplichting tot teruggave van het goed geen rekening
behoefde te houden, niet als een zorgvuldig schuldenaar voor
het goed zorg gedragen, dan wordt hem dit niet toegerekend.
2.
Degene die namens een ander, maar onbevoegd een niet aan die
ander verschuldigde geldsom heeft ontvangen, is van zijn
verplichting tot teruggave bevrijd, voor zover hij die
geldsom aan die ander heeft doorbetaald in een periode
waarin hij redelijkerwijze met die verplichting geen
rekening behoefde te houden.
Artikel 205
Heeft de ontvanger het goed te kwader
trouw aangenomen, dan is hij zonder ingebrekestelling in
verzuim.
Artikel 206
De artikelen 120, 121, 123 en 124 van Boek
3 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen
daarin is bepaald omtrent de afgifte van vruchten en de
vergoeding van kosten en schade.
Artikel 207
De ontvanger heeft, tenzij hij het goed te
kwader trouw heeft aangenomen, binnen de grenzen van de
redelijkheid ook recht op vergoeding van de kosten van het
ontvangen en teruggeven van het goed, alsmede van uitgaven in de
in artikel 204 bedoelde periode die zouden zijn uitgebleven als
hij het goed niet had ontvangen.
Artikel 208
De ontvanger verliest zijn recht op de in
de beide vorige artikelen bedoelde vergoedingen, indien de
wederpartij afstand doet van haar recht op terugvordering en,
voor zover nodig, het onverschuldigd betaalde ter bevrijding van
deze vergoedingen op haar kosten aan de ontvanger overdraagt. De
ontvanger is verplicht aan een zodanige overdracht mede te
werken.
Artikel 209
Op de onbekwame die een onverschuldigde
betaling heeft ontvangen, rusten de in deze afdeling omschreven
verplichtingen slechts, voor zover het ontvangene hem tot
werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht van zijn
wettelijke vertegenwoordiger is gekomen.
Artikel 210
1. Op de
ongedaanmaking van prestaties die niet in het geven van een
goed hebben bestaan, zijn de artikelen 204-209 van
overeenkomstige toepassing.
2. Sluit
de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt,
dan treedt, voor zover dit redelijk is, vergoeding van de
waarde van de prestatie op het ogenblik van ontvangst
daarvoor in de plaats, indien de ontvanger door de prestatie
is verrijkt, indien het aan hem is toe te rekenen dat de
prestatie is verricht, of indien hij erin had toegestemd een
tegenprestatie te verrichten.
Artikel 211
1. Kan
een prestatie die op grond van een nietige overeenkomst is
verricht, naar haar aard niet ongedaan worden gemaakt en
behoort zij ook niet in rechte op geld te worden
gewaardeerd, dan is een tot ongedaanmaking van een
tegenprestatie of tot vergoeding van de waarde daarvan
strekkende vordering, voor zover deze deswege in strijd met
redelijkheid en billijkheid zou zijn, eveneens uitgesloten.
2. Is
ingevolge het vorige lid terugvordering van een overgedragen
goed uitgesloten, dan brengt de nietigheid van de
overeenkomst niet de nietigheid van de overdracht mede.
Afdeling 3. Ongerechtvaardigde verrijking
Artikel 212
1. Hij
die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander,
is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te
vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
2. Voor
zover de verrijking is verminderd als gevolg van een
omstandigheid die niet aan de verrijkte kan worden
toegerekend, blijft zij buiten beschouwing.
3. Is de
verrijking verminderd in de periode waarin de verrijkte
redelijkerwijze met een verplichting tot vergoeding van de
schade geen rekening behoefde te houden, dan wordt hem dit
niet toegerekend. Bij de vaststelling van deze vermindering
wordt mede rekening gehouden met uitgaven die zonder de
verrijking zouden zijn uitgebleven.
Titel 5. Overeenkomsten in het algemeen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 213
1. Een
overeenkomst in de zin van deze titel is een meerzijdige
rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of
meer andere een verbintenis aangaan.
2. Op
overeenkomsten tussen meer dan twee partijen zijn de
wettelijke bepalingen betreffende overeenkomsten niet
toepasselijk, voor zover de strekking van de betrokken
bepalingen in verband met de aard van de overeenkomst zich
daartegen verzet.
Artikel 214
1. Een
overeenkomst door een der partijen gesloten in de
uitoefening van haar bedrijf of beroep, is behalve aan de
wettelijke bepalingen ook onderworpen aan een
standaardregeling, wanneer voor de bedrijfstak waartoe het
bedrijf behoort, of voor het beroep ten aanzien van zodanige
overeenkomst een standaardregeling geldt. De bijzondere
soorten van overeenkomsten waarvoor standaardregelingen
kunnen worden vastgesteld en de bedrijfstak of het beroep,
waarvoor elk dezer regelingen bestemd is te gelden, worden
bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
2. Een
standaardregeling wordt vastgesteld, gewijzigd en
ingetrokken door een daartoe door Onze Minister van Justitie
te benoemen commissie. Bij de wet worden nadere regelen
gesteld omtrent de wijze van samenstelling en de werkwijze
van de commissies.
3. De
vaststelling, wijziging of intrekking van een
standaardregeling wordt niet van kracht voordat zij door Ons
is goedgekeurd en met Ons goedkeuringsbesluit in de
Nederlandse Staatscourant is afgekondigd.
4. Bij
een standaardregeling kan worden afgeweken van wettelijke
bepalingen, voor zover daarvan ook afwijking bij
overeenkomst, al of niet met inachtneming van een bepaalde
vorm, is toegelaten. De vorige zin lijdt uitzondering,
wanneer uit een wettelijke bepaling iets anders voortvloeit.
5.
Partijen kunnen in hun overeenkomst van een
standaardregeling afwijken. Een standaardregeling kan echter
voor afwijking een bepaalde vorm voorschrijven.
Artikel 215
Voldoet een overeenkomst aan de
omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere
soorten van overeenkomsten, dan zijn de voor elk van die soorten
gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van
toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel
verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard
van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.
Artikel 216
Hetgeen in deze en de volgende drie
afdelingen is bepaald, vindt overeenkomstige toepassing op
andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, voor
zover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de
aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet.
Afdeling 2. Het tot stand komen van
overeenkomsten
Artikel 217
1. Een
overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de
aanvaarding daarvan.
2. De
artikelen 219-225 zijn van toepassing, tenzij iets anders
voortvloeit uit het aanbod, uit een andere rechtshandeling
of uit een gewoonte.
Artikel 218
Een aanbod is geldig, nietig of
vernietigbaar overeenkomstig de regels voor meerzijdige
rechtshandelingen.
Artikel 219
1. Een
aanbod kan worden herroepen, tenzij het een termijn voor de
aanvaarding inhoudt of de onherroepelijkheid ervan op andere
wijze uit het aanbod volgt.
2. De
herroeping kan slechts geschieden, zolang het aanbod niet is
aanvaard en evenmin een mededeling, houdende de aanvaarding
is verzonden. Bevat het aanbod de mededeling dat het
vrijblijvend wordt gedaan, dan kan de herroeping nog
onverwijld na de aanvaarding geschieden.
3. Een
beding waarbij één der partijen zich verbindt om, indien de
wederpartij dit wenst, met haar een bepaalde overeenkomst te
sluiten, geldt als een onherroepelijk aanbod.
Artikel 220
1. Een
bij wijze van uitloving voor een bepaalde tijd gedaan aanbod
kan wegens gewichtige redenen worden herroepen of gewijzigd.
2. In
geval van herroeping of wijziging van een uitloving kan de
rechter aan iemand die op grond van de uitloving met de
voorbereiding van een gevraagde prestatie is begonnen, een
billijke schadeloosstelling toekennen.
Artikel 221
1. Een
mondeling aanbod vervalt, wanneer het niet onmiddellijk
wordt aanvaard, een schriftelijk aanbod, wanneer het niet
binnen een redelijke tijd wordt aanvaard.
2. Een
aanbod vervalt, doordat het wordt verworpen.
Artikel 222
Een aanbod vervalt niet door de dood of
het verlies van handelingsbekwaamheid van een der partijen, noch
doordat een der partijen de bevoegdheid tot het sluiten van de
overeenkomst verliest als gevolg van een bewind.
Artikel 223
1. De
aanbieder kan een te late aanvaarding toch als tijdig gedaan
laten gelden, mits hij dit onverwijld aan de wederpartij
mededeelt.
2.
Indien een aanvaarding te laat plaatsvindt, maar de
aanbieder begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de
wederpartij niet duidelijk was, geldt de aanvaarding als
tijdig gedaan, tenzij hij onverwijld aan de wederpartij
mededeelt dat hij het aanbod als vervallen beschouwt.
Artikel 224
Indien een aanvaarding de aanbieder niet
of niet tijdig bereikt door een omstandigheid op grond waarvan
zij krachtens artikel 37 lid 3, tweede zin, van Boek 3 niettemin
haar werking heeft, wordt de overeenkomst geacht tot stand te
zijn gekomen op het tijdstip waarop zonder de storende
omstandigheid de verklaring zou zijn ontvangen.
Artikel 225
1. Een
aanvaarding die van het aanbod afwijkt, geldt als een nieuw
aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke.
2. Wijkt
een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod daarvan
slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt dit antwoord
als aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze
aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld
bezwaar maakt tegen de verschillen.
3.
Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene
voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing geen werking
toe, wanneer daarbij niet tevens de toepasselijkheid van de
in de eerste verwijzing aangegeven algemene voorwaarden
uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen.
Artikel 226
Stelt de wet voor de totstandkoming van
een overeenkomst een vormvereiste, dan is dit voorschrift van
overeenkomstige toepassing op een overeenkomst waarbij een
partij in wier belang het strekt, zich tot het aangaan van een
zodanige overeenkomst verbindt, tenzij uit de strekking van het
voorschrift anders voortvloeit.
Artikel 227
De verbintenissen die partijen op zich
nemen, moeten bepaalbaar zijn.
Artikel 227a
1.
Indien uit de wet voortvloeit dat een overeenkomst slechts
in schriftelijke vorm geldig of onaantastbaar tot stand
komt, is aan deze eis tevens voldaan indien de overeenkomst
langs elektronische weg is totstandgekomen en
a. raadpleegbaar door partijen is;
b. de authenticiteit van de
overeenkomst in voldoende mate gewaarborgd is;
c. het moment van totstandkoming
van de overeenkomst met voldoende zekerheid kan worden
vastgesteld; en
d. de identiteit van de partijen
met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld.
2. Lid 1
is niet van toepassing op:
a. overeenkomsten die rechten doen
ontstaan of overdragen ten aanzien van onroerende zaken,
met uitzondering van huurrechten;
b. overeenkomsten waarbij
persoonlijke of zakelijke zekerheden worden verstrekt
door personen die niet handelen in de uitoefening van
een beroep of bedrijf; voor zover de aard van de
overeenkomst of van de rechtsbetrekking waarvan zij deel
uitmaakt zich daartegen verzet.
3. Lid 1
is niet van toepassing op:
a. overeenkomsten waarvoor de wet
de tussenkomst voorschrijft van de rechter, een
overheidsorgaan of een beroepsbeoefenaar die een
publieke taak uitoefent; en
b. overeenkomsten die onder het
familierecht of het erfrecht vallen.
Artikel 227b
1.
Voordat een overeenkomst langs elektronische weg tot stand
komt verstrekt degene die een dienst van de
informatiemaatschappij verleent als bedoeld in artikel 15d
lid 3 van Boek 3 de wederpartij ten minste op duidelijke,
begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze informatie over:
a. de wijze waarop de overeenkomst
tot stand zal komen en in het bijzonder welke
handelingen daarvoor nodig zijn;
b. het al dan niet archiveren van
de overeenkomst nadat deze tot stand zal zijn gekomen,
alsmede, indien de overeenkomst wordt gearchiveerd, op
welke wijze deze voor de wederpartij te raadplegen zal
zijn;
c. de wijze waarop de wederpartij
van door hem niet gewilde handelingen op de hoogte kan
geraken, alsmede de wijze waarop hij deze kan herstellen
voordat de overeenkomst tot stand komt;
d. de talen waarin de overeenkomst
kan worden gesloten;
e. de gedragscodes waaraan hij
zich heeft onderworpen en de wijze waarop deze
gedragscodes voor de wederpartij langs elektronische weg
te raadplegen zijn.
2. De
dienstverlener stelt voor of bij het sluiten van de
overeenkomst de voorwaarden daarvan, niet zijnde algemene
voorwaarden als bedoeld in artikel 231, op zodanige wijze
aan de wederpartij ter beschikking, dat deze door hem kunnen
worden opgeslagen zodat deze voor hem toegankelijk zijn ten
behoeve van latere kennisneming.
3. Lid 1
is niet van toepassing op overeenkomsten die uitsluitend
door middel van de uitwisseling van elektronische post of
een soortgelijke vorm van individuele communicatie tot stand
zijn gekomen.
4. Een
overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van het
niet naleven door de dienstverlener van zijn in lid 1,
aanhef en onder a, c of d, genoemde verplichtingen, is
vernietigbaar. Indien de dienstverlener zijn in lid 1,
aanhef en onder a of c genoemde verplichting niet is
nagekomen, wordt vermoed dat een overeenkomst onder invloed
daarvan tot stand is gekomen.
5.
Gedurende de tijd dat de dienstverlener de informatie,
bedoeld in lid 1, onder b en e en lid 2, niet heeft
verstrekt, kan de wederpartij de overeenkomst ontbinden.
6.
Tussen partijen die handelen in de uitoefening van een
beroep of bedrijf kan van lid 1 worden afgeweken.
Artikel 227c
1.
Degene die een dienst van de informatiemaatschappij als
bedoeld in artikel 15d lid 3 van Boek 3 verleent, stelt de
wederpartij passende, doeltreffende en toegankelijke
middelen ter beschikking waarmee de wederpartij voor de
aanvaarding van de overeenkomst van door hem niet gewilde
handelingen op de hoogte kan geraken en waarmee hij deze kan
herstellen.
2.
Indien een wederpartij van een dienstverlener langs
elektronische weg een verklaring uitbrengt die door de
dienstverlener mag worden opgevat hetzij als een aanvaarding
van een door hem langs elektronische weg gedaan aanbod,
hetzij als een aanbod naar aanleiding van een door hem langs
elektronische weg gedane uitnodiging om in onderhandeling te
treden, bevestigt de dienstverlener zo spoedig mogelijk
langs elektronische weg de ontvangst van deze verklaring.
Zolang de ontvangst van een aanvaarding niet is bevestigd,
kan de wederpartij de overeenkomst ontbinden. Het niet
tijdig bevestigen van de ontvangst van een aanbod geldt als
verwerping daarvan.
3. Een
verklaring als bedoeld in lid 2 en de ontvangstbevestiging
worden geacht te zijn ontvangen, wanneer deze toegankelijk
zijn voor de partijen tot wie zij zijn gericht.
4. De
leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de overeenkomst
uitsluitend door middel van de uitwisseling van
elektronische post of een soortgelijke vorm van individuele
communicatie tot stand komt.
5. Een
overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van het
niet naleven door de dienstverlener van zijn in lid 1
genoemde verplichting, is vernietigbaar. Indien de
dienstverlener zijn in lid 1 genoemde verplichting niet is
nagekomen, wordt vermoed dat een overeenkomst onder invloed
daarvan tot stand is gekomen.
6. Van
dit artikel kan slechts worden afgeweken tussen partijen die
handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Artikel 228
1. Een
overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van
dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou
zijn gesloten, is vernietigbaar:
a. indien de dwaling te wijten is
aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht
aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting
zou worden gesloten;
b. indien de wederpartij in
verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of
behoorde te weten, de dwalende had behoren in te
lichten;
c. indien de wederpartij bij het
sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste
veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij
zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had
behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het
sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.
2. De
vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een
uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in
verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer
geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor
rekening van de dwalende behoort te blijven.
Artikel 229
Een overeenkomst die de strekking heeft
voort te bouwen op een reeds tussen partijen bestaande
rechtsverhouding, is vernietigbaar, indien deze rechtsverhouding
ontbreekt, tenzij dit in verband met de aard van de
overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de
omstandigheden van het geval voor rekening van degene die zich
op dit ontbreken beroept, behoort te blijven.
Artikel 230
1. De
bevoegdheid tot vernietiging op grond van de artikelen 228
en 229 vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een wijziging
van de gevolgen van de overeenkomst voorstelt, die het
nadeel dat de tot vernietiging bevoegde bij intstandhouding
van de overeenkomst lijdt, op afdoende wijze opheft.
2.
Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen,
in plaats van de vernietiging uit te spreken, de gevolgen
van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel wijzigen.
Afdeling 3. Algemene voorwaarden
Artikel 231
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. algemene voorwaarden: een of
meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal
overeenkomsten te worden opgenomen, met uitzondering van
bedingen die de kern van de prestaties aangeven, voor
zover deze laatstgenoemde bedingen duidelijk en
begrijpelijk zijn geformuleerd;
b. gebruiker: degene die algemene
voorwaarden in een overeenkomst gebruikt;
c. wederpartij: degene die door
ondertekening van een geschrift of op andere wijze de
gelding van algemene voorwaarden heeft aanvaard.
Artikel 232
Een wederpartij is ook dan aan de algemene
voorwaarden gebonden als bij het sluiten van de overeenkomst de
gebruiker begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan
niet kende.
Artikel 233
Een beding in algemene voorwaarden is
vernietigbaar
a. indien het, gelet op de aard en
de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop
de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds
kenbare belangen van partijen en de overige
omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is
voor de wederpartij; of
b. indien de gebruiker aan de
wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft
geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Artikel 234
1. De
gebruiker heeft aan de wederpartij de in artikel 233 onder
b bedoelde mogelijkheid geboden, indien hij
a. hetzij de algemene voorwaarden
voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de
wederpartij ter hand heeft gesteld,
b. hetzij, indien dit
redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de totstandkoming
van de overeenkomst aan de wederpartij heeft bekend
gemaakt dat de voorwaarden bij hem ter inzage liggen of
bij een door hem opgegeven Kamer van Koophandel en
Fabrieken of een griffie van een gerecht zijn
gedeponeerd, alsmede dat zij op verzoek zullen worden
toegezonden,
c. hetzij, indien de overeenkomst
langs elektronische weg tot stand komt, de algemene
voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst
aan de wederpartij langs elektronische weg ter
beschikking heeft gesteld op een zodanige wijze dat deze
door hem kunnen worden opgeslagen en voor hem
toegankelijk zijn ten behoeve van latere kennisneming
of, indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, voor de
totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij
heeft bekend gemaakt waar van de voorwaarden langs
elektronische weg kan worden kennisgenomen, alsmede dat
zij op verzoek langs elektronische weg of op andere
wijze zullen worden toegezonden.
2.
Indien de voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de
overeenkomst aan de wederpartij zijn ter hand gesteld, zijn
de bedingen tevens vernietigbaar indien de gebruiker de
voorwaarden niet op verzoek van de wederpartij onverwijld op
zijn kosten aan haar toezendt.
3. Het
in de leden 1 onder b en 2 omtrent de verplichting
tot toezending bepaalde is niet van toepassing, voor zover
deze toezending redelijkerwijze niet van de gebruiker kan
worden gevergd.
Artikel 235
1. Op de
vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234 kan
geen beroep worden gedaan door
a. een rechtspersoon bedoeld in
artikel 360 van Boek 2, die ten tijde van het sluiten
van de overeenkomst laatstelijk zijn jaarrekening
openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat
tijdstip laatstelijk artikel 403 lid 1 van Boek 2 is
toegepast;
b. een partij op wie het onder
a bepaalde niet van toepassing is, indien op
voormeld tijdstip bij haar vijftig of meer personen
werkzaam zijn of op dat tijdstip uit een opgave
krachtens de Handelsregisterwet 1996 blijkt dat bij haar
vijftig of meer personen werkzaam zijn.
2. Op de
vernietigingsgrond bedoeld in artikel 233 onder a ,
kan mede een beroep worden gedaan door een partij voor wie
de algemene voorwaarden door een gevolmachtigde zijn
gebruikt, mits de wederpartij meermalen overeenkomsten sluit
waarop dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden
van toepassing zijn.
3. Op de
vernietigingsgronden bedoeld in de artikelen 233 en 234, kan
geen beroep worden gedaan door een partij die meermalen
dezelfde of nagenoeg dezelfde algemene voorwaarden in haar
overeenkomsten gebruikt.
4. De
termijn bedoeld in artikel 52 lid 1 onder d van Boek
3, begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop
een beroep op het beding is gedaan.
Artikel 236
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker
en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk
bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend
beding
a. dat de wederpartij geheel en
onvoorwaardelijk het recht ontneemt de door de gebruiker
toegezegde prestatie op te eisen;
b. dat de aan de wederpartij
toekomende bevoegdheid tot ontbinding, zoals deze in
afdeling 5 van titel 5 is geregeld, uitsluit of beperkt;
c. dat een de wederpartij volgens
de wet toekomende bevoegdheid tot opschorting van de
nakoming uitsluit of beperkt of de gebruiker een
verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan
hem volgens de wet toekomt;
d. dat de beoordeling van de vraag
of de gebruiker in de nakoming van een of meer van zijn
verbintenissen is te kort geschoten aan hem zelf
overlaat, of dat de uitoefening van de rechten die de
wederpartij ter zake van een zodanige tekortkoming
volgens de wet toekomen, afhankelijk stelt van de
voorwaarde dat deze eerst een derde in rechte heeft
aangesproken;
e. krachtens hetwelk de
wederpartij aan de gebruiker bij voorbaat toestemming
verleent zijn uit de overeenkomst voortvloeiende
verplichtingen op een der in afdeling 3 van titel 2
bedoelde wijzen op een derde te doen overgaan, tenzij de
wederpartij te allen tijde de bevoegdheid heeft de
overeenkomst te ontbinden, of de gebruiker jegens de
wederpartij aansprakelijk is voor de nakoming door de
derde, of de overgang plaatsvindt in verband met de
overdracht van een onderneming waartoe zowel die
verplichtingen als de daartegenover bedongen rechten
behoren;
f. dat voor het geval uit de
overeenkomst voor de gebruiker voortvloeiende rechten op
een derde overgaan, ertoe strekt bevoegdheden of
verweermiddelen die de wederpartij volgens de wet jegens
die derde zou kunnen doen gelden, uit te sluiten of te
beperken;
g. dat een wettelijke verjarings-
of vervaltermijn waarbinnen de wederpartij enig recht
moet geldend maken, tot een verjarings-
onderscheidenlijk vervaltermijn van minder dan een jaar
verkort;
h. dat voor het geval bij de
uitvoering van de overeenkomst schade aan een derde
wordt toegebracht door de gebruiker of door een persoon
of zaak waarvoor deze aansprakelijk is, de wederpartij
verplicht deze schade hetzij aan de derde te vergoeden,
hetzij in haar verhouding tot de gebruiker voor een
groter deel te dragen dan waartoe zij volgens de wet
verplicht zou zijn;
i. dat de gebruiker de bevoegdheid
geeft de door hem bedongen prijs binnen drie maanden na
het sluiten van de overeenkomst te verhogen, tenzij de
wederpartij bevoegd is in dat geval de overeenkomst te
ontbinden;
j. dat in geval van een
overeenkomst tot het geregeld afleveren van zaken,
elektriciteit daaronder begrepen, of tot het geregeld
doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende
verlenging of vernieuwing van meer dan een jaar;
k. dat de bevoegdheid van de
wederpartij om bewijs te leveren uitsluit of beperkt, of
dat de uit de wet voortvloeiende verdeling van de
bewijslast ten nadele van de wederpartij wijzigt, hetzij
doordat het een verklaring van haar bevat omtrent de
deugdelijkheid van de haar verschuldigde prestatie,
hetzij doordat het haar belast met het bewijs dat een
tekortkoming van de gebruiker aan hem kan worden
toegerekend;
l. dat ten nadele van de
wederpartij afwijkt van artikel 37 van Boek 3, tenzij
het betrekking heeft op de vorm van door de wederpartij
af te leggen verklaringen of bepaalt dat de gebruiker
het hem door de wederpartij opgegeven adres als zodanig
mag blijven beschouwen totdat hem een nieuw adres is
meegedeeld;
m. waarbij een wederpartij die bij
het aangaan van de overeenkomst werkelijke woonplaats in
een gemeente in Nederland heeft, woonplaats kiest anders
dan voor het geval zij te eniger tijd geen bekende
werkelijke woonplaats in die gemeente zal hebben, tenzij
de overeenkomst betrekking heeft op een registergoed en
woonplaats ten kantore van een notaris wordt gekozen;
n. dat voorziet in de beslechting
van een geschil door een ander dan hetzij de rechter die
volgens de wet bevoegd zou zijn, hetzij een of meer
arbiters, tenzij het de wederpartij een termijn gunt van
tenminste een maand nadat de gebruiker zich schriftelijk
jegens haar op het beding heeft beroepen, om voor
beslechting van het geschil door de volgens de wet
bevoegde rechter te kiezen.
Artikel 237
Bij een overeenkomst tussen een gebruiker
en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk
bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend
beding
a. dat de gebruiker een, gelet op
de omstandigheden van het geval, ongebruikelijk lange of
onvoldoende bepaalde termijn geeft om op een aanbod of
een andere verklaring van de wederpartij te reageren;
b. dat de inhoud van de
verplichtingen van de gebruiker wezenlijk beperkt ten
opzichte van hetgeen de wederpartij, mede gelet op de
wettelijke regels die op de overeenkomst betrekking
hebben, zonder dat beding redelijkerwijs mocht
verwachten;
c. dat de gebruiker de bevoegdheid
verleent een prestatie te verschaffen die wezenlijk van
de toegezegde prestatie afwijkt, tenzij de wederpartij
bevoegd is in dat geval de overeenkomst te ontbinden;
d. dat de gebruiker van zijn
gebondenheid aan de overeenkomst bevrijdt of hem de
bevoegdheid daartoe geeft anders dan op in de
overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn
dat deze gebondenheid niet meer van hem kan worden
gevergd;
e. dat de gebruiker een
ongebruikelijk lange of onvoldoende bepaalde termijn
voor de nakoming geeft;
f. dat de gebruiker of een derde
geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke
verplichting tot schadevergoeding;
g. dat een de wederpartij volgens
de wet toekomende bevoegdheid tot verrekening uitsluit
of beperkt of de gebruiker een verdergaande bevoegdheid
tot verrekening verleent dan hem volgens de wet toekomt;
h. dat als sanctie op bepaalde
gedragingen van de wederpartij, nalaten daaronder
begrepen, verval stelt van haar toekomende rechten of
van de bevoegdheid bepaalde verweren te voeren,
behoudens voor zover deze gedragingen het verval van die
rechten of verweren rechtvaardigen;
i. dat voor het geval de
overeenkomst wordt beëindigd anders dan op grond van het
feit dat de wederpartij in de nakoming van haar
verbintenis is tekort geschoten, de wederpartij
verplicht een geldsom te betalen, behoudens voor zover
het betreft een redelijke vergoeding voor door de
gebruiker geleden verlies of gederfde winst;
j. dat de wederpartij verplicht
tot het sluiten van een overeenkomst met de gebruiker of
met een derde, tenzij dit, mede gelet op het verband van
die overeenkomst met de in dit artikel bedoelde
overeenkomst, redelijkerwijze van de wederpartij kan
worden gevergd;
k. dat voor een overeenkomst als
bedoeld in artikel 236 onder j een duur bepaalt
van meer dan een jaar, tenzij de wederpartij de
bevoegdheid heeft de overeenkomst telkens na een jaar op
te zeggen;
l. dat de wederpartij aan een
opzegtermijn bindt die langer is dan drie maanden of
langer dan de termijn waarop de gebruiker de
overeenkomst kan opzeggen;
m. dat voor de geldigheid van een
door de wederpartij te verrichten verklaring een
strengere vorm dan het vereiste van een onderhandse akte
stelt;
n. dat bepaalt dat een door de
wederpartij verleende volmacht onherroepelijk is of niet
eindigt door haar dood of ondercuratelestelling, tenzij
de volmacht strekt tot levering van een registergoed.
Artikel 238
1. Bij
een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237, kan
jegens de wederpartij geen beroep worden gedaan
a. op het feit dat de overeenkomst
in naam van een derde is gesloten, indien dit beroep
berust op het enkele feit dat een beding van deze
strekking in de algemene voorwaarden voorkomt;
b. op het feit dat de algemene
voorwaarden beperkingen bevatten van de bevoegdheid van
een gevolmachtigde van de gebruiker, die zo
ongebruikelijk zijn dat de wederpartij ze zonder het
beding niet behoefde te verwachten, tenzij zij ze kende.
2. Bij
een overeenkomst als bedoeld in de artikelen 236 en 237
moeten de bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld.
Bij twijfel over de betekenis van een beding, prevaleert de
voor de wederpartij gunstigste uitleg.
Artikel 239
1. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen de onderdelen a-n
van artikel 237 worden gewijzigd en kan hun
toepassingsgebied worden beperkt.
2.
Alvorens een voordracht tot vaststelling, wijziging of
intrekking van een maatregel als bedoeld in het eerste lid
te doen, kan Onze Minister van Justitie de naar zijn oordeel
representatieve organisaties van hen die bij het sluiten van
de overeenkomsten waarop de maatregel betrekking heeft,
algemene voorwaarden plegen te gebruiken en van hen die bij
die overeenkomsten als hun wederpartij plegen op te treden,
horen.
3. Een
besluit als in het eerste lid bedoeld wordt zodra het is
vastgesteld toegezonden aan de voorzitters van de beide
Kamers van de Staten-Generaal. Een dergelijk besluit treedt
niet in werking dan nadat twee maanden zijn verstreken sinds
de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het
is geplaatst.
Artikel 240
1. Op
vordering van een rechtspersoon als bedoeld in lid 3 kunnen
bepaalde bedingen in bepaalde algemene voorwaarden
onredelijk bezwarend worden verklaard; de artikelen 233
onder a , 236 en 237 zijn van overeenkomstige
toepassing. Voor de toepassing van de vorige zin wordt een
beding in algemene voorwaarden dat in strijd is met een
dwingende wetsbepaling, als onredelijk bezwarend aangemerkt.
Bij de beoordeling van een beding blijft de uitlegregel van
artikel 238 lid 2, tweede zin, buiten toepassing.
2. De
vordering kan worden ingesteld tegen de gebruiker, alsmede
tegen een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die
ten doel heeft de behartiging van de belangen van personen
die een beroep of bedrijf uitoefenen, indien hij het gebruik
van de algemene voorwaarden door die personen bevordert.
3. De
vordering komt toe aan rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid die ten doel hebben de behartiging van
belangen van personen die een beroep of bedrijf uitoefenen
of van eindgebruikers van niet voor een beroep of bedrijf
bestemde goederen of diensten. Zij kan slechts betrekking
hebben op algemene voorwaarden die worden gebruikt of
bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten met
personen wier belangen door de rechtspersoon worden
behartigd.
4. De
eiser is niet ontvankelijk indien niet blijkt dat hij,
alvorens de vordering in te stellen, de gebruiker of, in het
geval bedoeld in artikel 1003 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, de aldaar bedoelde vereniging,
de gelegenheid heeft geboden om in onderling overleg de
algemene voorwaarden zodanig te wijzigen dat de bezwaren die
grond voor de vordering zouden opleveren, zijn weggenomen.
Een termijn van twee weken na de ontvangst van een verzoek
tot overleg onder vermelding van de bezwaren, is daartoe in
elk geval voldoende.
5. Voor
zover een rechtspersoon met het gebruik van bedingen in
algemene voorwaarden heeft ingestemd, komt hem geen
vordering als bedoeld in lid 1 toe.
6. Met
een rechtspersoon als bedoeld in lid 3 wordt gelijk gesteld
een organisatie of openbaar lichaam met zetel buiten
Nederland welke geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel
4 lid 3 van richtlijn nr. 98/27/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998
betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de
bescherming van consumentenbelangen (PbEG L 166), mits de
vordering betrekking heeft op algemene voorwaarden die
worden gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt in
overeenkomsten met personen die hun gewone verblijfplaats
hebben in het land waar de organisatie of het openbaar
lichaam gezeteld is, en de organisatie deze belangen
ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het openbaar
lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.
Artikel 241
1. Het
Gerechtshof te 's-Gravenhage is bij uitsluiting bevoegd tot
kennisneming van vorderingen als in het vorige artikel
bedoeld.
2. De in
het vorige artikel bedoelde rechtspersonen hebben de
bevoegdheden, geregeld in de artikelen 217 en 376 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; artikel 379 van dat
wetboek is niet van toepassing.
3. Op
vordering van de eiser kan aan de uitspraak worden verbonden
a. een verbod van het gebruik van
de door de uitspraak getroffen bedingen of van het
bevorderen daarvan;
b. een gebod om een aanbeveling
tot het gebruik van deze bedingen te herroepen;
c. een veroordeling tot het
openbaar maken of laten openbaar maken van de uitspraak,
zulks op door de rechter te bepalen wijze en op kosten
van de door de rechter aan te geven partij of partijen.
4. De
rechter kan in zijn uitspraak aangeven op welke wijze het
onredelijk bezwarend karakter van de bedingen waarop de
uitspraak betrekking heeft, kan worden weggenomen.
5.
Geschillen terzake van de tenuitvoerlegging van de in lid 3
bedoelde veroordelingen, alsmede van de veroordeling tot
betaling van een dwangsom, zo deze is opgelegd, worden bij
uitsluiting door het Gerechtshof te 's-Gravenhage beslist.
6. Tot
kennisneming van vorderingen in kort geding strekkende tot
veroordelingen als bedoeld in lid 3, ingesteld door
rechtspersonen als bedoeld in artikel 240 lid 3, is de
voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage bij
uitsluiting bevoegd. Lid 5, alsmede de artikelen 62, 116 lid
2, 1003, 1005, 1006 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 242
1. Op
vordering van een of meer van degenen tegen wie de in
artikel 240 lid 1 bedoelde uitspraak is gedaan, kan de
rechter die uitspraak wijzigen of opheffen op grond dat zij
tengevolge van een wijziging in de omstandigheden niet
langer gerechtvaardigd is. De vordering wordt ingesteld
tegen de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak was
gedaan.
2.
Indien de rechtspersoon op wiens vordering de uitspraak was
gedaan, is ontbonden, wordt de zaak met een verzoekschrift
ingeleid. Voor de toepassing van artikel 279 lid 1 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden
rechtspersonen als bedoeld in artikel 240 lid 3 als
belanghebbenden aangemerkt.
3.
Artikel 241 leden 1, 2, 3 onder c en 5 is van
overeenkomstige toepassing.
4. De
vorige leden zijn niet van toepassing voor zover de
uitspraak betrekking had op een beding dat door de wet als
onredelijk bezwarend wordt aangemerkt.
Artikel 243
Een beding in algemene voorwaarden dat
door degene jegens wie een verbod tot gebruik ervan is
uitgesproken, in strijd met het verbod in een overeenkomst wordt
opgenomen, is vernietigbaar. Artikel 235 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 244
1. Een
persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of
bedrijf, kan geen beroep doen op een beding in een
overeenkomst met een partij die terzake van de goederen of
diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft, met
gebruikmaking van algemene voorwaarden overeenkomsten met
haar afnemers heeft gesloten, voor zover een beroep op dat
beding onredelijk zou zijn wegens zijn nauwe samenhang met
een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat
krachtens deze afdeling is vernietigd of door een uitspraak
als bedoeld in artikel 240 lid 1 is getroffen.
2. Is
tegen de gebruiker een vordering als bedoeld in artikel 240
lid 1 ingesteld, dan is hij bevoegd die persoon in het
geding te roepen teneinde voor recht te horen verklaren dat
een beroep als bedoeld in het vorige lid onredelijk zou
zijn. Artikel 241 leden 2, 3 onder c, 4 en 5 alsmede
de artikelen 210, 211 en 215 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Op de
uitspraak is artikel 242 van overeenkomstige toepassing.
4. Op
eerdere overeenkomsten met betrekking tot de voormelde
goederen en diensten zijn de leden 1-3 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 245
Deze afdeling is noch van toepassing op
arbeidsovereenkomsten, noch op collectieve
arbeidsovereenkomsten.
Artikel 246
Noch van de artikelen 231-244, noch van de
bepalingen van de in artikel 239 lid 1 bedoelde algemene
maatregelen van bestuur kan worden afgeweken. De bevoegdheid om
een beding krachtens deze afdeling door een buitengerechtelijke
verklaring te vernietigen, kan niet worden uitgesloten.
Artikel 247
1. Op
overeenkomsten tussen partijen die handelen in de
uitoefening van een beroep of bedrijf en die beide in
Nederland gevestigd zijn, is deze afdeling van toepassing,
ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.
2. Op
overeenkomsten tussen partijen die handelen in de
uitoefening van een beroep of bedrijf en die niet beide in
Nederland gevestigd zijn, is deze afdeling niet van
toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.
3. Een
partij is in de zin van de leden 1 en 2 in Nederland
gevestigd, indien haar hoofdvestiging, of, zo de prestatie
volgens de overeenkomst door een andere vestiging dan de
hoofdvestiging moet worden verricht, deze andere vestiging
zich in Nederland bevindt.
4. Op
overeenkomsten tussen een gebruiker en een wederpartij,
natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, is, indien de wederpartij haar gewone
verblijfplaats in Nederland heeft, deze afdeling van
toepassing, ongeacht het recht dat de overeenkomst beheerst.
Afdeling 4. Rechtsgevolgen van
overeenkomsten
Artikel 248
1. Een
overeenkomst heeft niet alleen de door partijen
overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de
aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de
eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.
2. Een
tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende
regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven
omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Artikel 249
De rechtsgevolgen van een overeenkomst
gelden mede voor de rechtverkrijgenden onder algemene titel,
tenzij uit de overeenkomst iets anders voortvloeit. In het geval
van verdeling van een nalatenschap ingevolge artikel 13 van Boek
4 gelden de rechtsgevolgen van de overeenkomst niet mede voor de
kinderen van de erflater, tenzij uit de overeenkomst anders
voortvloeit.
Artikel 250
Bij overeenkomst kan worden afgeweken van
de volgende artikelen van deze afdeling, met uitzondering van de
artikelen 251 lid 3, 252 lid 2 voor zover het de eis van een
notariële akte betreft, en lid 3, 253 lid 1, 257, 258, 259 en
260.
Artikel 251
1. Staat
een uit een overeenkomst voortvloeiende, voor overgang
vatbaar recht in een zodanig verband met een aan de
schuldeiser toebehorend goed, dat hij bij dat recht slechts
belang heeft, zolang hij het goed behoudt, dan gaat dat
recht over op degene die dat goed onder bijzondere titel
verkrijgt.
2. Is
voor het recht een tegenprestatie overeengekomen, dan gaat
de verplichting tot het verrichten van die tegenprestatie
mede over, voor zover deze betrekking heeft op de periode na
de overgang. De vervreemder blijft naast de verkrijger
jegens de wederpartij aansprakelijk, behoudens voor zover
deze zich na de overgang in geval van uitblijven van de
tegenprestatie van haar verbintenis kan bevrijden door
ontbinding of beëindiging van de overeenkomst.
3. Het
in de vorige leden bepaalde geldt niet, indien de verkrijger
van het goed tot de wederpartij bij de overeenkomst een
verklaring richt dat hij de overgang van het recht niet
aanvaardt.
4. Uit
de rechtshandeling waarbij het goed wordt overgedragen, kan
voortvloeien dat geen overgang plaatsvindt.
Artikel 252
1. Bij
een overeenkomst kan worden bedongen dat de verplichting van
een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten
aanzien van een haar toebehorend registergoed, zal overgaan
op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen
verkrijgen, en dat mede gebonden zullen zijn degenen die van
de rechthebbende een recht tot gebruik van het goed zullen
verkrijgen.
2. Voor
de werking van het in lid 1 bedoelde beding is vereist dat
van de overeenkomst tussen partijen een notariële akte wordt
opgemaakt, gevolgd door inschrijving daarvan in de openbare
registers. Degene jegens wie de verplichting bestaat, waarop
het beding betrekking heeft, moet in de akte ter zake van de
inschrijving woonplaats kiezen in Nederland.
3. Ook
na inschrijving heeft het beding geen werking:
a. jegens hen die voor de
inschrijving onder bijzondere titel een recht op het
goed of tot gebruik van het goed hebben verkregen;
b. jegens een beslaglegger op het
goed of een recht daarop, indien de inschrijving op het
tijdstip van de inschrijving van het proces-verbaal van
inbeslagneming nog niet had plaats gevonden;
c. jegens hen die hun recht hebben
verkregen van iemand die ingevolge het onder a of
b bepaalde niet aan de bedongen verplichting
gebonden was.
4. Is
voor de verplichting een tegenprestatie overeengekomen, dan
gaat bij de overgang van de verplichting het recht op de
tegenprestatie mee over, voor zover deze betrekking heeft op
de periode na de overgang en ook het beding omtrent deze
tegenprestatie in de registers ingeschreven is.
5. Dit
artikel is niet van toepassing op verplichtingen die een
rechthebbende beperken in zijn bevoegdheid het goed te
vervreemden of te bezwaren.
Artikel 253
1. Een
overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie
van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens
een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de
overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de
derde dit beding aanvaardt.
2. Tot
de aanvaarding kan het beding door degene die het heeft
gemaakt, worden herroepen.
3. Een
aanvaarding of herroeping van het beding geschiedt door een
verklaring, gericht tot een van de beide andere betrokkenen.
4. Is
het beding onherroepelijk en jegens de derde om niet
gemaakt, dan geldt het als aanvaard, indien het ter kennis
van de derde is gekomen en door deze niet onverwijld is
afgewezen.
Artikel 254
1. Nadat
de derde het beding heeft aanvaard, geldt hij als partij bij
de overeenkomst.
2. Hij
kan, indien dit met de strekking van het beding in
overeenstemming is, daaraan ook rechten ontlenen over de
periode vóór de aanvaarding.
Artikel 255
1. Heeft
een beding ten behoeve van een derde ten opzichte van die
derde geen gevolg, dan kan degene die het beding heeft
gemaakt, hetzij zichzelf, hetzij een andere derde als
rechthebbende aanwijzen.
2. Hij
wordt geacht zichzelf als rechthebbende te hebben
aangewezen, wanneer hem door degene van wie de prestatie is
bedongen, een redelijke termijn voor de aanwijzing is
gesteld en hij binnen deze termijn geen aanwijzing heeft
uitgebracht.
Artikel 256
De partij die een beding ten behoeve van
een derde heeft gemaakt, kan nakoming jegens de derde vorderen,
tenzij deze zich daartegen verzet.
Artikel 257
Kan een partij bij een overeenkomst ter
afwering van haar aansprakelijkheid voor een gedraging van een
aan haar ondergeschikte aan de overeenkomst een verweermiddel
jegens haar wederpartij ontlenen, dan kan ook de ondergeschikte,
indien hij op grond van deze gedraging door de wederpartij wordt
aangesproken, dit verweermiddel inroepen, als ware hijzelf bij
de overeenkomst partij.
Artikel 258
1. De
rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen
van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk
ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van
dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van
de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of
ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.
2. Een
wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover
de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of
de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen
van degene die zich erop beroept.
3. Voor
de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht
of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met
een partij bij die overeenkomst gelijk.
Artikel 259
1.
Indien een overeenkomst ertoe strekt een rechthebbende op of
een gebruiker van een registergoed als zodanig te
verplichten tot een prestatie die niet bestaat in of gepaard
gaat met het dulden van voortdurend houderschap, kan de
rechter op zijn verlangen de gevolgen van de overeenkomst
wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden:
a. indien ten minste tien jaren na
het sluiten van de overeenkomst zijn verlopen en het
ongewijzigd voortduren van de verplichting in strijd is
met het algemeen belang;
b. indien de schuldeiser bij de
nakoming van de verplichting geen redelijk belang meer
heeft en het niet aannemelijk is dat dit belang zal
terugkeren.
2. Voor
de termijn vermeld in lid 1 onder a telt mee de
gehele periode waarin rechthebbende op of gebruikers van het
goed aan een beding van dezelfde strekking gebonden zijn
geweest. De termijn geldt niet, voor zover de strijd met het
algemeen belang hierin bestaat dat het beding een beletsel
vormt voor verwerkelijking van een geldend bestemmingsplan.
Artikel 260
1. Een
wijziging of ontbinding als bedoeld in de artikelen 258 en
259 kan worden uitgesproken onder door de rechter te stellen
voorwaarden.
2.
Indien hij op grond van die artikelen de overeenkomst
wijzigt of gedeeltelijk ontbindt, kan hij bepalen dat een of
meer der partijen de overeenkomst binnen een bij de
uitspraak vast te stellen termijn door een schriftelijke
verklaring geheel zal kunnen ontbinden. De wijziging of
gedeeltelijke ontbinding treedt niet in, voordat deze
termijn is verstreken.
3. Is de
overeenkomst die op grond van de artikelen 258 en 259 wordt
gewijzigd of geheel of gedeeltelijk ontbonden, ingeschreven
in de openbare registers, dan kan ook de uitspraak waarbij
de wijziging of ontbinding plaatsvond, daarin worden
ingeschreven, mits deze uitspraak in kracht van gewijsde is
gegaan of uitvoerbaar bij voorraad is.
4. Wordt
iemand te dier zake gedagvaard aan zijn overeenkomstig
artikel 252 lid 2, eerste zin, gekozen woonplaats, dan zijn
daarmee tevens gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die
geen nieuwe inschrijving hebben genomen. Artikel 29 lid 2 en
lid 3, tweede tot en met vierde zin, van Boek 3 zijn van
overeenkomstige toepassing.
5.
Andere rechtsfeiten die een ingeschreven overeenkomst
wijzigen of beëindigen, zijn eveneens inschrijfbaar, voor
zover het rechterlijke uitspraken betreft mits zij in kracht
van gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar bij voorraad zijn.
Afdeling 5. Wederkerige overeenkomsten
Artikel 261
1. Een
overeenkomst is wederkerig, indien elk van beide partijen
een verbintenis op zich neemt ter verkrijging van de
prestatie waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens
haar verbindt.
2. De
bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten zijn van
overeenkomstige toepassing op andere rechtsbetrekkingen die
strekken tot het wederzijds verrichten van prestaties, voor
zover de aard van die rechtsbetrekkingen zich daartegen niet
verzet.
Artikel 262
1. Komt
een der partijen haar verbintenis niet na, dan is de
wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenover
staande verplichtingen op te schorten.
2. In
geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is
opschorting slechts toegelaten, voor zover de tekortkoming
haar rechtvaardigt.
Artikel 263
1. De
partij die verplicht is het eerst te presteren, is niettemin
bevoegd de nakoming van haar verbintenis op te schorten,
indien na het sluiten van de overeenkomst te harer kennis
gekomen omstandigheden haar goede grond geven te vrezen dat
de wederpartij haar daartegenover staande verplichtingen
niet zal nakomen.
2. In
geval er goede grond bestaat te vrezen dat slechts
gedeeltelijk of niet behoorlijk zal worden nagekomen, is de
opschorting slechts toegelaten voor zover de tekortkoming
haar rechtvaardigt.
Artikel 264
In geval van opschorting op grond van de
artikelen 262 en 263 zijn de artikelen 54 onder b en c
en 55 niet van toepassing.
Artikel 265
1.
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een
van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de
bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te
ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere
aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen
niet rechtvaardigt.
2. Voor
zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is,
ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de
schuldenaar in verzuim is.
Artikel 266
1. Geen
ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de
nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de
schuldeiser zelf in verzuim is.
2. Wordt
echter tijdens het verzuim van de schuldeiser behoorlijke
nakoming geheel of gedeeltelijk onmogelijk, dan kan de
overeenkomst ontbonden worden, indien door schuld van de
schuldenaar of zijn ondergeschikte is tekortgeschoten in de
zorg die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden
gevergd.
Artikel 267
1. De
ontbinding vindt plaats door een schriftelijke verklaring
van de daartoe gerechtigde. Indien de overeenkomst langs
elektronische weg is totstandgekomen, kan deze tevens door
een langs elektronische weg uitgebrachte verklaring worden
ontbonden. Artikel 227a lid 1 is van overeenkomstige
toepassing.
2. Zij
kan ook op zijn vordering door de rechter worden
uitgesproken.
Artikel 268
De bevoegdheid tot buitengerechtelijke
ontbinding vervalt door verjaring van de rechtsvordering tot
ontbinding. De verjaring staat niet in de weg aan gerechtelijke
of buitengerechtelijke ontbinding ter afwering van een op de
overeenkomst steunende rechtsvordering of andere
rechtsmaatregel.
Artikel 269
De ontbinding heeft geen terugwerkende
kracht, behoudens dat een aanbod tot nakoming, gedaan nadat de
ontbinding is gevorderd, geen werking heeft, indien de
ontbinding wordt uitgesproken.
Artikel 270
Een gedeeltelijke ontbinding houdt een
evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties in
hoeveelheid of hoedanigheid.
Artikel 271
Een ontbinding bevrijdt de partijen van de
daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn
nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand,
maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking
van de reeds door hen ontvangen prestaties.
Artikel 272
1. Sluit
de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt,
dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope
van haar waarde op het tijdstip van de ontvangst.
2. Heeft
de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt
deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de
prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven
omstandigheden werkelijk heeft gehad.
Artikel 273
Een partij die een prestatie heeft
ontvangen, is vanaf het tijdstip dat zij redelijkerwijze met een
ontbinding rekening moet houden, verplicht er als een zorgvuldig
schuldenaar zorg voor te dragen dat de ingevolge die ontbinding
verschuldigde ongedaanmaking van de prestatie mogelijk zal zijn.
Artikel 78 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 274
Heeft een partij in weerwil van een
dreigende ontbinding te kwader trouw een prestatie ontvangen,
dan wordt zij na de ontbinding geacht vanaf de ontvangst van de
prestatie in verzuim geweest te zijn.
Artikel 275
De artikelen 120-124 van Boek 3 zijn van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is
bepaald omtrent de afgifte van vruchten en de vergoeding van
kosten en schade.
Artikel 276
Op de onbekwame die een prestatie heeft
ontvangen, rusten de in deze afdeling omschreven verplichtingen
slechts, voor zover het ontvangene hem tot werkelijk voordeel
heeft gestrekt of in de macht van zijn wettelijke
vertegenwoordiger is gekomen.
Artikel 277
1. Wordt
een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden, dan is de
partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft
opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te
vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming
doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.
2.
Indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden
toegerekend, is het vorige lid slechts van toepassing binnen
de grenzen van het in artikel 78 bepaalde.
Artikel 278
1. De
partij die ontbinding kiest van een reeds uitgevoerde
overeenkomst, nadat de verhouding in waarde tussen hetgeen
wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht,
zich te haren gunste heeft gewijzigd, is verplicht door
bijbetaling de oorspronkelijke waardeverhouding te
herstellen, indien aannemelijk is dat zij zonder deze
wijziging geen ontbinding zou hebben gekozen.
2. Het
vorige lid is van overeenkomstige toepassing ingeval de
partij te wier gunste de wijziging is ingetreden, op andere
grond dan ontbinding de stoot tot ongedaanmaking geeft en
aannemelijk is dat zij daartoe zonder deze wijziging niet
zou zijn overgegaan.
Artikel 279
1. Op
overeenkomsten waaruit tussen meer dan twee partijen
verbintenissen voortvloeien, vinden de bepalingen
betreffende wederkerige overeenkomsten met inachtneming van
de volgende leden overeenkomstige toepassing, voor zover de
aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet.
2. De
partij die een verbintenis op zich heeft genomen ter
verkrijging van een daartegenover van een of meer der andere
partijen bedongen prestatie, kan haar recht op ontbinding
gronden op een tekortkoming in de nakoming van de
verbintenis jegens haarzelf.
3.
Schiet een partij met samenhangende
rechten en verplichtingen zelf tekort in de nakoming van
haar verbintenis, dan kunnen in ieder geval de overige
partijen gezamenlijk de overeenkomst ontbinden.