|
Boek 4. Erfrecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
Erfopvolging
heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste
wilsbeschikking.
2.
Van de erfopvolging bij
versterf kan worden afgeweken bij een uiterste
wilsbeschikking die een erfstelling of een
onterving inhoudt.
Artikel 2
1.
Wanneer de volgorde waarin
twee of meer personen zijn overleden niet kan
worden bepaald, worden die personen geacht
gelijktijdig te zijn overleden en valt aan de
ene persoon geen voordeel uit de nalatenschap
van de andere ten deel.
2.
Indien een belanghebbende ten
gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen
worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij
het bewijs van de volgorde van overlijden, kan
de rechter hem een of meermalen uitstel verlenen,
zulks voor zover redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van
het uitstel kan worden geleverd.
Artikel 3
1.
Van rechtswege zijn onwaardig
om uit een nalatenschap voordeel te trekken:
a. hij die
onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat
hij de overledene heeft omgebracht, heeft
getracht hem om te brengen, dat feit heeft
voorbereid of daaraan heeft deelgenomen;
b. hij die
onherroepelijk veroordeeld is wegens een
opzettelijk tegen de erflater gepleegd
misdrijf waarop naar de Nederlandse
wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf
is gesteld met een maximum van ten minste
vier jaren, dan wel wegens poging tot,
voorbereiding van, of deelneming aan een
dergelijk misdrijf;
c. hij van wie bij
onherroepelijke rechterlijke uitspraak is
vastgesteld dat hij tegen de erflater
lasterlijk een beschuldiging van een
misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de
Nederlandse wettelijke omschrijving een
vrijheidsstraf met een maximum van ten
minste vier jaren is gesteld;
d. hij die de
overledene door een feitelijkheid of door
bedreiging met een feitelijkheid heeft
gedwongen of belet een uiterste
wilsbeschikking te maken;
e. hij die de uiterste
wil van de overledene heeft verduisterd,
vernietigd of vervalst.
2.
Rechten door derden te goeder
trouw verkregen voordat de onwaardigheid is
vastgesteld worden geëerbiedigd. In geval echter
de goederen om niet zijn verkregen, kan de
rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van
hem die daardoor voordeel heeft genoten, een
naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.
3.
Een onwaardigheid vervalt,
wanneer de erflater aan de onwaardige op
ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft
vergeven.
Artikel 4
1.
Een voor het openvallen van
een nalatenschap verrichte rechtshandeling is
nietig, voor zover zij de strekking heeft een
persoon te belemmeren in zijn vrijheid om
bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens
dit Boek met betrekking tot die nalatenschap
toekomen.
2.
Overeenkomsten strekkende tot
beschikking over nog niet opengevallen
nalatenschappen in hun geheel of over een
evenredig deel daarvan, zijn nietig.
Artikel 5
1.
Op verzoek van de schuldenaar
kan de rechtbank wegens gewichtige redenen
bepalen dat een geldsom die krachtens dit Boek
of, in verband met de verdeling van de
nalatenschap, krachtens titel 7 van Boek 3 is
verschuldigd, al dan niet vermeerderd met een in
de beschikking te bepalen rente, eerst na
verloop van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij
in termijnen behoeft te worden voldaan. Hierbij
let de rechtbank op de belangen van beide
partijen; aan een inwilliging kan de voorwaarde
worden verbonden dat binnen een bepaalde tijd
een door de rechtbank goedgekeurde zakelijke of
persoonlijke zekerheid voor de voldoening van
hoofdsom en rente wordt gesteld.
2.
Een in het vorige lid
bedoelde beschikking kan op verzoek van een der
partijen, gegrond op ten tijde van die
beschikking niet voorziene omstandigheden, door
de in het vorige lid genoemde rechtbank worden
gewijzigd.
Artikel 6
In dit Boek wordt onder de
waarde van de goederen der nalatenschap verstaan de
waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk
na het overlijden van de erflater, waarbij geen
rekening wordt gehouden met het vruchtgebruik dat
daarop krachtens afdeling 1 of 2 van titel 3 kan
komen te rusten.
Artikel 7
1.
Schulden van de nalatenschap
zijn:
a. de schulden van de
erflater die niet met zijn dood tenietgaan,
voor zover niet begrepen in onderdeel i;
b. de kosten van
lijkbezorging, voor zover zij in
overeenstemming zijn met de omstandigheden
van de overledene;
c. de kosten van
vereffening van de nalatenschap, met
inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van
executele, met inbegrip van het loon van de
executeur;
e. de schulden uit
belastingen die ter zake van het openvallen
der nalatenschap worden geheven, voor zover
zij op de erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die
ontstaan door toepassing van afdeling 2 van
titel 3;
g. de schulden ter
zake van legitieme porties waarop krachtens
artikel 80 aanspraak wordt gemaakt;
h. de schulden uit
legaten welke op een of meer erfgenamen
rusten;
i. de schulden uit
giften en andere handelingen die ingevolge
artikel 126 worden aangemerkt als legaten.
2.
Bij de voldoening van de
schulden ten laste van de nalatenschap worden
achtereenvolgens met voorrang voldaan:
1°. de schulden,
bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;
2°. de schulden,
bedoeld in lid 1 onder f;
3°. de schulden,
bedoeld in lid 1 onder g.
Ontbreken schulden als
bedoeld in lid 1 onder f, dan worden eerst de
schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met c,
en vervolgens de schulden, bedoeld in lid 1
onder d, e en g, met voorrang voldaan.
3.
In de nalatenschap van de
langstlevende ouder, bedoeld in artikel 20, en
de stiefouder, bedoeld in artikel 22, wordt een
verplichting tot overdracht van goederen als
bedoeld in die artikelen met een schuld als
bedoeld in lid 1 onder a gelijkgesteld.
Artikel 8
1.
In dit Boek worden met
echtgenoten gelijkgesteld geregistreerde
partners.
2.
Voor de toepassing van lid 1
is mede begrepen onder:
a. huwelijk:
geregistreerd partnerschap;
b. gehuwd: als partner
geregistreerd;
c.
huwelijksgemeenschap: gemeenschap van een
geregistreerd partnerschap;
d. trouwbeloften:
beloften tot het aangaan van een
geregistreerd partnerschap;
e. echtscheiding:
beëindiging van een geregistreerd
partnerschap op de wijze als bedoeld in
artikel 80c onder c of d van Boek 1.
3.
Onder stiefkind van de
erflater wordt in dit Boek verstaan een kind van
de echtgenoot of geregistreerde partner van de
erflater, van welk kind de erflater niet zelf
ouder is. Zodanig kind blijft stiefkind, indien
het huwelijk of het geregistreerd partnerschap
is geëindigd.
Titel 2. Erfopvolging bij
versterf
Artikel 9
Ten einde als erfgenaam bij
versterf te kunnen optreden, moet men bestaan op het
ogenblik dat de nalatenschap openvalt.
Artikel 10
1.
De wet roept tot een
nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde
achtereenvolgens:
a. de niet van tafel
en bed gescheiden echtgenoot van de erflater
tezamen met diens kinderen;
b. de ouders van de
erflater tezamen met diens broers en zusters;
c. de grootouders van
de erflater;
d. de overgrootouders
van de erflater.
2.
De afstammelingen van een
kind, broer, zuster, grootouder of
overgrootouder worden bij plaatsvervulling
geroepen.
3.
Alleen zij die tot de
erflater in familierechtelijke betrekking
stonden, worden tot de in de vorige leden
genoemde bloedverwanten gerekend.
Artikel 11
1.
Degenen die tezamen uit eigen
hoofde tot een nalatenschap worden geroepen,
erven voor gelijke delen.
2.
In afwijking van lid 1 is het
erfdeel van een halfbroer of halfzuster de helft
van het erfdeel van een volle broer, een volle
zuster of een ouder.
3.
Wanneer het erfdeel van een
ouder door toepassing van de leden 1 en 2 minder
zou bedragen dan een kwart, wordt het verhoogd
tot een kwart en worden de erfdelen van de
overige erfgenamen naar evenredigheid verminderd.
Artikel 12
1.
Plaatsvervulling geschiedt
met betrekking tot personen die op het ogenblik
van het openvallen van de nalatenschap niet meer
bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn of
verwerpen of wier erfrecht is vervallen.
2.
Zij die bij plaatsvervulling
erven, worden staaksgewijze geroepen tot het
erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen.
3.
Degenen die de erflater
verder dan de zesde graad bestaan, erven niet.
Titel 3. Het erfrecht bij
versterf van de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot en van de kinderen alsmede andere
wettelijke rechten
Afdeling 1. Het erfrecht bij
versterf van de niet van tafel en bed gescheiden
echtgenoot en van de kinderen
Artikel 13
1.
De nalatenschap van de
erflater die een echtgenoot en een of meer
kinderen als erfgenamen achterlaat, wordt,
tenzij de erflater bij uiterste wilsbeschikking
heeft bepaald dat deze afdeling geheel buiten
toepassing blijft, overeenkomstig de volgende
leden verdeeld.
2.
De echtgenoot verkrijgt van
rechtswege de goederen van de nalatenschap. De
voldoening van de schulden van de nalatenschap
komt voor zijn rekening. Onder schulden van de
nalatenschap zijn hier tevens begrepen de ten
laste van de gezamenlijke erfgenamen komende
uitgaven ter voldoening aan testamentaire
lasten.
3.
Ieder van de kinderen
verkrijgt als erfgenaam van rechtswege een
geldvordering ten laste van de echtgenoot,
overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel.
Deze vordering is opeisbaar:
a. indien de
echtgenoot in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing is verklaard;
b. wanneer de
echtgenoot is overleden.
De vordering is ook
opeisbaar in door de erflater bij uiterste
wilsbeschikking genoemde gevallen.
4.
De in lid 3 bedoelde geldsom
wordt, tenzij de erflater, dan wel de echtgenoot
en het kind tezamen, anders hebben bepaald,
vermeerderd met een percentage dat overeenkomt
met dat van de wettelijke rente, voor zover dit
percentage hoger is dan zes, berekend per jaar
vanaf de dag waarop de nalatenschap is
opengevallen, bij welke berekening telkens
uitsluitend de hoofdsom in aanmerking wordt
genomen.
5.
Is de vordering, bedoeld in
lid 3, opeisbaar geworden doordat ten aanzien
van de echtgenoot de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, dan is de vordering, voor zover zij
onvoldaan is gebleven, door beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op grond van artikel 356
lid 2 van de Faillissementswet wederom niet
opeisbaar. Artikel 358 lid 1 van de
Faillissementswet vindt ten aanzien van de
vordering geen toepassing.
6.
In deze titel wordt onder
echtgenoot niet begrepen een van tafel en bed
gescheiden echtgenoot.
Artikel 14
1.
Indien de nalatenschap
overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, is de
echtgenoot van de erflater tegenover de
schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht
tot voldoening van de schulden der
nalatenschaip. In de onderlinge verhouding van
de echtgenoot en de kinderen komen de schulden
der nalatenschap voor rekening van de
echtgenoot.
2.
Voor schulden van de
nalatenschap, alsmede voor schulden van de
echtgenoot die konden worden verhaald op de
goederen van een gemeenschap waarvan de
echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren,
neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de
goederen die krachtens artikel 13 lid 2 aan de
echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die
verhaal nemen voor andere schulden van de
echtgenoot.
3.
Voor schulden van de
nalatenschap kunnen de goederen van een kind
niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de
in artikel 13 lid 3 bedoelde geldvordering.
Uitwinning van die goederen is wel mogelijk voor
zover de geldvordering van het kind is
verminderd door betaling of door overdracht van
goederen, tenzij het kind goederen van de
echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal
bieden.
4.
De uit lid 1, tweede zin,
voortvloeiende draagplicht van de echtgenoot
geldt mede wanneer de schulden van de
nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd
artikel 184 lid 2.
Artikel 15
1.
Voor zover de erfgenamen over
de vaststelling van de omvang van de in artikel
13 lid 3 bedoelde geldvordering niet tot
overeenstemming kunnen komen, wordt deze op
verzoek van de meest gerede partij door de
kantonrechter vastgesteld. De artikelen 677 tot
en met 679 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
2.
Indien bij de vaststelling
van de in artikel 13 lid 3 bedoelde
geldvordering:
a. omtrent de waarde
van de goederen en de schulden van de
nalatenschap is gedwaald en daardoor een
erfgenaam voor meer dan een vierde is
benadeeld,
b. het saldo van de
nalatenschap anderszins onjuist is berekend,
dan wel
c. de geldvordering
niet is berekend overeenkomstig het deel
waarop het kind aanspraak kon maken,
wordt de vaststelling op
verzoek van een kind of de echtgenoot
dienovereenkomstig door de kantonrechter
gewijzigd. Op de vaststelling is hetgeen omtrent
verdeling is bepaald in de artikelen 196 leden
2, 3 en 4, 199 en 200 van Boek 3 van
overeenkomstige toepassing.
3.
Bij de vaststelling van de
geldvordering zijn de artikelen 229 tot en met
233 van overeenkomstige toepassing.
4.
De artikelen 187 en 188 van
Boek 3 zijn op de vaststelling van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16
1.
De echtgenoot en ieder kind
kunnen verlangen dat een boedelbeschrijving
wordt opgemaakt. De boedelbeschrijving bevat een
waardering van de goederen en de schulden van de
nalatenschap.
2.
Heeft de echtgenoot of een
kind niet het vrije beheer over zijn vermogen,
dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger
binnen een jaar na het overlijden van de
erflater een ter bevestiging van haar
deugdelijkheid door hem ondertekende
boedelbeschrijving in ter griffie van de
rechtbank van de woonplaats van de echtgenoot
onderscheidenlijk het kind. De kantonrechter kan
bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële
akte dient te geschieden.
3.
Op de boedelbeschrijving en
de waardering zijn de artikelen 673 tot en met
676 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
De echtgenoot en ieder kind zijn voor de
toepassing van de in de vorige volzin genoemde
bepalingen partij bij de boedelbeschrijving.
4.
De echtgenoot en ieder kind
hebben jegens elkaar recht op inzage in en
afschrift van alle bescheiden en andere
gegevensdragers, die zij voor de vaststelling
van hun aanspraken behoeven. De daartoe
strekkende inlichtingen worden door hen
desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar
gehouden tot medewerking aan de verstrekking van
inlichtingen door derden.
Artikel 17
1.
De echtgenoot kan, behoudens
het bepaalde in de leden 2 en 3, de in artikel
13 lid 3 bedoelde geldvordering en de in lid 4
van dat artikel bedoelde verhoging te allen
tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een
betaling wordt in de eerste plaats in mindering
gebracht op de hoofdsom, vervolgens op de
verhoging, tenzij de erflater, dan wel de
echtgenoot en het kind tezamen, anders hebben
bepaald.
2.
Indien een kind een
bevoegdheid toekomt tot het doen van een verzoek
als bedoeld in artikel 19, 20, 21 of 22, gaan de
echtgenoot of diens erfgenamen niet over tot
voldoening dan na te hebben gehandeld
overeenkomstig artikel 25 lid 3.
3.
Is het in lid 2 bedoelde kind
minderjarig, of meerderjarig doch heeft dit niet
het vrije beheer over zijn vermogen, dan behoeft
de voldoening de goedkeuring van de
kantonrechter. Deze beslist naar de maatstaf van
artikel 26 lid 1.
Artikel 18
1.
De echtgenoot kan binnen drie
maanden vanaf de dag waarop de nalatenschap is
opengevallen, door middel van een verklaring bij
notariële akte, binnen die termijn gevolgd door
inschrijving in het boedelregister, de verdeling
overeenkomstig artikel 13 ongedaan maken. In
naam van de echtgenoot kan de verklaring slechts
krachtens uitdrukkelijke voor dit doel afgegeven
schriftelijke volmacht worden afgelegd.
2.
De verklaring werkt terug tot
het tijdstip van het openvallen der
nalatenschap. Voor het verstrijken van de in lid
1 genoemde termijn verkregen rechten van derden,
mede-erfgenamen daaronder begrepen, worden
geëerbiedigd. Indien de echtgenoot voor het
afleggen van de verklaring op de voet van
artikel 13 lid 2 betalingen heeft gedaan, worden
deze tussen de echtgenoot en de kinderen
verrekend.
3.
De omstandigheid dat de
echtgenoot onder curatele staat of dat de
goederen die deze uit de nalatenschap van de
erflater verkrijgt onder een bewind vallen,
staat aan uitoefening van de in lid 1 bedoelde
bevoegdheid niet in de weg. De bevoegdheid wordt
alsdan uitgeoefend overeenkomstig de regels die
voor de curatele onderscheidenlijk het
desbetreffende bewind gelden. Is de echtgenoot
in staat van faillissement verklaard, is ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend,
dan wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de
curator, door de bewindvoerder,
onderscheidenlijk door de echtgenoot met
medewerking van de bewindvoerder.
4.
Indien ten aanzien van de
erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1
is toegepast, loopt de in lid 1 genoemde termijn
van drie maanden vanaf de dag waarop de
beschikking, bedoeld in artikel 417 lid 1
onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek 1,
in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 19
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van
zijn eerst overleden ouder heeft verkregen, en die
ouder aangifte heeft gedaan van zijn voornemen
opnieuw een huwelijk te willen aangaan, is deze
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die
geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat
artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt,
tenzij de ouder daarvan afziet, plaats onder
voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 20
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van
zijn eerst overleden ouder heeft verkregen en de
langstlevende ouder bij diens overlijden gehuwd was,
is de stiefouder verplicht aan het kind op diens
verzoek goederen over te dragen met een waarde van
ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de in
lid 4 van dat artikel bedoelde verhoging. Wordt de
nalatenschap van de langstlevende ouder niet
overeenkomstig artikel 13 verdeeld, dan rust de in
de vorige zin bedoelde verplichting op de erfgenamen
van de langstlevende ouder.
Artikel 21
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn
overleden ouder heeft verkregen, is de stiefouder
verplicht aan het kind op diens verzoek goederen
over te dragen met een waarde van ten hoogste die
geldvordering, vermeerderd met de in lid 4 van dat
artikel bedoelde verhoging. De overdracht vindt,
tenzij de stiefouder daarvan afziet, plaats onder
voorbehoud van het vruchtgebruik van de goederen.
Artikel 22
Indien een kind overeenkomstig
artikel 13 lid 3 een geldvordering op zijn
stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn
overleden ouder heeft verkregen, en de stiefouder is
overleden, zijn diens erfgenamen verplicht aan het
kind op diens verzoek goederen over te dragen met
een waarde van ten hoogste die geldvordering,
vermeerderd met de in lid 4 van dat artikel bedoelde
verhoging.
Artikel 23
1.
Op het in de artikelen 19 en
21 bedoelde vruchtgebruik zijn de bepalingen van
titel 8 van Boek 3 van toepassing, met dien
verstande dat:
a. de echtgenoot is
vrijgesteld van de jaarlijkse opgave als
bedoeld in artikel 205 lid 4, alsmede van
het stellen van zekerheid als bedoeld in
artikel 206 lid 1, en artikel 206 lid 2 niet
van toepassing is;
b. een machtiging als
bedoeld in artikel 212 lid 3 ook gegeven kan
worden voor zover de verzorgingsbehoefte van
de echtgenoot of de nakoming van zijn
verplichtingen overeenkomstig artikel 13 lid
2 dit nodig maakt.
2.
De kantonrechter kan op de in
lid 1 onder b bedoelde grond, op verzoek van de
echtgenoot aan deze de bevoegdheid tot gehele of
gedeeltelijke vervreemding en vertering als
bedoeld in artikel 215 van Boek 3 toekennen. De
hoofdgerechtigde wordt in het geding geroepen.
Bij de beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.
3.
In afwijking van de eerste
zin van artikel 213 lid 1 van Boek 3 en van
artikel 215 lid 1 van Boek 3 verkrijgt de
hoofdgerechtigde, tenzij hij met de echtgenoot
anders overeenkomt, op het tijdstip van
vervreemding een vordering op de echtgenoot ter
grootte van de waarde die het goed op dat
tijdstip had. Op de vordering zijn de leden 3 en
4 van artikel 13 en lid 1 van artikel 15 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat de in artikel 13 lid 4 bedoelde
vermeerdering wordt berekend vanaf het tijdstip
van het ontstaan van de vordering.
4.
Bij de vestiging van het
vruchtgebruik of daarna kunnen nadere regelingen
worden getroffen door de echtgenoot en de
hoofdgerechtigde, dan wel door de kantonrechter
op verzoek van een van hen.
5.
De echtgenoot is niet bevoegd
het vruchtgebruik over te dragen of te bezwaren.
6.
Het vruchtgebruik kan niet
worden ingeroepen tegen schuldeisers die zich op
de daaraan onderworpen goederen verhalen ter
zake van schulden van de nalatenschap of
schulden van de echtgenoot die konden worden
verhaald op de goederen van een gemeenschap
waarvan de echtgenoot en de erflater de
deelgenoten waren. In geval van zodanige
uitwinning is artikel 282 van Boek 3 niet van
toepassing.
Artikel 24
1.
De in de artikelen 19, 20, 21
en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft goederen die deel hebben uitgemaakt van
de nalatenschap van de erflater of van de door
diens overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap.
In afwijking van de eerste zin heeft de in de
artikelen 21 en 22 bedoelde verplichting tot
overdracht geen betrekking op goederen die van
de zijde van de stiefouder in de
huwelijksgemeenschap met de erflater zijn
gevallen.
2.
De in de artikelen 19, 20, 21
en 22 bedoelde verplichting tot overdracht
betreft mede goederen die in de plaats zijn
gekomen voor goederen als bedoeld in lid 1,
eerste zin. Indien een goed is verkregen met
middelen die voor minder dan de helft afkomstig
zijn uit de in lid 1 bedoelde nalatenschap of
ontbonden huwelijksgemeenschap, valt het niet
onder de in de eerste zin bedoelde verplichting.
Is een goed mede met middelen uit een lening
verkregen, dan blijven deze middelen voor de
toepassing van de tweede zin buiten beschouwing.
3.
Een goed dat behoort tot het
vermogen van degene die tot overdracht is
verplicht of tot de huwelijksgemeenschap waarin
deze is gehuwd, wordt vermoed deel te hebben
uitgemaakt van de in lid 1, eerste zin, bedoelde
nalatenschap of ontbonden huwelijksgemeenschap
of voor zodanig goed in de plaats te zijn
gekomen.
Artikel 25
1.
De waarde van de over te
dragen goederen, vast te stellen naar het
tijdstip van de overdracht, wordt in de eerste
plaats in mindering gebracht op de aan het kind
verschuldigde hoofdsom en vervolgens op de
verhoging, tenzij door de erflater of bij de
overdracht anders is bepaald. Voor de toepassing
van de artikelen 19 en 21 wordt de waarde van de
goederen vastgesteld zonder daarbij het
vruchtgebruik in aanmerking te nemen.
2.
Een kind dat voornemens is
een in de artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoeld
verzoek te doen, is gehouden de andere kinderen
die een dergelijk verzoek kunnen doen, op een
zodanig tijdstip van zijn voornemen in kennis te
stellen dat zij tijdig kunnen beslissen eveneens
een verzoek te doen.
3.
Degene die tot overdracht van
goederen verplicht kan worden, kan een kind een
redelijke termijn stellen waarbinnen een verzoek
als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 22 kan
worden gedaan. Gaat hij daartoe over, dan stelt
hij ook de andere kinderen die een zodanig
verzoek kunnen doen, daarvan in kennis.
4.
Bestaat tussen degene die tot
overdracht van goederen verplicht is en het
kind, of tussen twee of meer kinderen geen
overeenstemming over de overdracht van een goed,
dan beslist op verzoek van een hunner de
kantonrechter, rekening houdende naar
billijkheid met de belangen van ieder van hen.
5.
Voor zover een kind de in
artikel 13 lid 3 bedoelde vordering aan een
andere persoon overdraagt, gaat de in de
artikelen 19, 20, 21 en 22 bedoelde bevoegdheid
teniet.
6.
Bij uiterste wilsbeschikking
kan de erflater de verplichtingen, bedoeld in de
artikelen 19 tot en met 22, uitbreiden, beperken
of opheffen.
Artikel 26
1.
Indien een minderjarig kind
een bevoegdheid heeft als in de artikelen 19,
20, 21 en 22 bedoeld, dient zijn wettelijke
vertegenwoordiger binnen drie maanden na het
verkrijgen van de bevoegdheid aan de
kantonrechter schriftelijk zijn voornemen met
betrekking tot de uitoefening van die
bevoegdheid mede te delen. Heeft het kind geen
wettelijke vertegenwoordiger, dan loopt deze
termijn vanaf de dag van de benoeming. De
kantonrechter verleent zijn goedkeuring aan het
voornemen of onthoudt deze daaraan, rekening
houdende naar billijkheid met de belangen van
het kind, de andere kinderen aan wie de
bevoegdheid eveneens toekomt en van degene
jegens wie de bevoegdheid bestaat. Hij kan aan
de goedkeuring voorwaarden verbinden. Zo nodig
neemt de kantonrechter een eigen beslissing.
2.
Hetzelfde geldt indien het
kind meerderjarig is doch het vrije beheer over
zijn vermogen niet heeft. Staat de in artikel 13
lid 3 bedoelde geldvordering onder een bewind,
dan wordt een in lid 1 bedoelde bevoegdheid
uitgeoefend overeenkomstig de regels die voor
het desbetreffende bewind gelden. Is het kind in
staat van faillissement verklaard, is ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing verklaard
dan wel aan hem surseance van betaling verleend,
dan rust de verplichting op de curator, op de
bewindvoerder, onderscheidenlijk op het kind met
medewerking van de bewindvoerder.
3.
Indien met goedkeuring van de
kantonrechter is afgezien van het doen van een
verzoek als genoemd in de artikelen 19, 20, 21
en 22, kan zodanig verzoek nadien niet alsnog
worden gedaan. Bij zijn goedkeuring kan de
kantonrechter anders bepalen.
Artikel 27
Bij uiterste wilsbeschikking
kan de erflater bepalen dat een stiefkind in een
verdeling als bedoeld in artikel 13 als eigen kind
wordt betrokken. In dat geval is deze afdeling van
toepassing, behoudens voor zover de erflater anders
heeft bepaald. De afstammelingen van het stiefkind
worden bij plaatsvervulling geroepen.
Afdeling 2. Andere wettelijke
rechten
Artikel 28
1.
Indien de woning die de
echtgenoot van de erflater bij diens overlijden
bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoort of de erflater,
anders dan krachtens huur, ten gebruike toekwam,
is de echtgenoot jegens de erfgenamen bevoegd
tot voortzetting van de bewoning gedurende een
termijn van zes maanden onder gelijke
voorwaarden als tevoren. De echtgenoot is op
gelijke wijze en voor gelijke duur bevoegd tot
voortzetting van het gebruik van de inboedel,
voor zover die tot de nalatenschap of de
ontbonden huwelijksgemeenschap behoort of de
erflater ten gebruike toekwam.
2.
Jegens de erfgenamen en de
echtgenoot van de erflater hebben degenen die
tot diens overlijden met hem een duurzame
gemeenschappelijke huishouding hadden,
overeenkomstige bevoegdheden met betrekking tot
het gebruik van de woning en de inboedel die tot
de nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behoren.
Artikel 29
1.
Voor zover de echtgenoot van
de erflater tengevolge van uiterste
wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet
enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap
van de erflater behorende woning, die ten tijde
van het overlijden door de erflater en zijn
echtgenoot tezamen of door de echtgenoot alleen
bewoond werd, of op de tot de nalatenschap
behorende inboedel daarvan, zijn de erfgenamen
verplicht tot medewerking aan de vestiging van
een vruchtgebruik op die woning en die inboedel
ten behoeve van de echtgenoot, voor zover deze
dit van hen verlangt. De eerste zin geldt niet
voor zover de kantonrechter op een daartoe
strekkend verzoek artikel 33 lid 2, onder a,
heeft toegepast.
2.
Zolang de echtgenoot een
beroep op lid 1 toekomt, zijn de erfgenamen niet
bevoegd tot beschikking over die goederen, noch
tot verhuring of verpachting daarvan; gedurende
dat tijdsbestek kunnen die goederen slechts
worden uitgewonnen voor de in artikel 7 lid 1
onder a tot en met f genoemde schulden.
3.
De leden 1 en 2 zijn van
overeenkomstige toepassing op de legatarissen en
de door een testamentaire last bevoordeelden met
betrekking tot de goederen die zij als zodanig
uit de nalatenschap hebben verkregen.
Artikel 30
1.
De erfgenamen zijn verplicht
tot medewerking aan de vestiging van een
vruchtgebruik op andere goederen van de
nalatenschap dan bedoeld in artikel 29 ten
behoeve van de echtgenoot van de erflater, voor
zover de echtgenoot daaraan, de omstandigheden
in aanmerking genomen, voor zijn verzorging –
daaronder begrepen de nakoming van de
overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende
verplichtingen – behoefte heeft en die
medewerking van hen verlangt.
2.
Lid 1 is mede van toepassing
met betrekking tot hetgeen moet worden geacht in
de plaats te zijn gekomen van goederen van de
nalatenschap. Voorts is lid 1 mede van
toepassing op een geldvordering als bedoeld in
artikel 13 lid 3, indien de erflater bij
uiterste wilsbeschikking de gronden voor
opeisbaarheid heeft uitgebreid. Een
vruchtgebruik op een geldvordering als bedoeld
in de tweede zin eindigt in elk geval indien de
echtgenoot in staat van faillissement is
verklaard of ten aanzien van hem de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard. In het laatstbedoelde
geval herleeft door beëindiging van de
toepassing van de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen op grond van artikel 356
lid 2 van de Faillissementswet het vruchtgebruik
op de vordering, voorzover deze onvoldaan is
gebleven. Artikel 358 lid 1 van de
Faillissementswet vindt ten aanzien van de
vordering geen toepassing.
3.
De voorgaande leden zijn van
overeenkomstige toepassing op de legatarissen en
de door een testamentaire last bevoordeelden met
betrekking tot de goederen die zij als zodanig
uit de nalatenschap hebben verkregen. Onder
goederen als bedoeld in de eerste zin worden
mede begrepen ingevolge een legaat of een
testamentaire last verkregen geldsommen en
beperkte rechten op goederen van de
nalatenschap.
4.
De erflater kan bij uiterste
wilsbeschikking goederen aanwijzen die vóór of
na andere voor bezwaring met het vruchtgebruik
in aanmerking komen.
5.
Voor zover de erflater de in
het vorige lid toegekende bevoegdheid niet heeft
uitgeoefend, komen gelegateerde en krachtens een
testamentaire last verkregen goederen slechts
voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking,
indien de overige goederen der nalatenschap tot
verzorging van de echtgenoot onvoldoende zijn.
Voor zover een making is te beschouwen als
voldoening aan een natuurlijke verbintenis van
de erflater, komt zij pas na de andere makingen
voor bezwaring met vruchtgebruik in aanmerking.
6.
Voor zover de echtgenoot en
degenen die hun medewerking aan de vestiging van
het vruchtgebruik moeten verlenen, niet tot
overeenstemming kunnen komen over de goederen
waarop dit zal komen te rusten, gelast op
verzoek van een hunner de kantonrechter de
aanwijzing van die goederen of wijst hij deze
zelf aan, rekening houdende naar billijkheid met
de belangen van ieder van hen.
7.
Bij de bepaling van de
behoefte aan verzorging wordt op hetgeen de
echtgenoot toekomt, in mindering gebracht
hetgeen hij krachtens erfrecht aan goederen uit
de nalatenschap had kunnen verkrijgen met
uitzondering van het vruchtgebruik dat hij
ingevolge het vorige artikel had kunnen doen
vestigen. Voorts komt daarop in mindering
hetgeen hij had kunnen verkrijgen uit een
sommenverzekering die door het overlijden van de
erflater tot uitkering komt.
Artikel 31
1.
Op het vruchtgebruik
ingevolge de artikelen 29 en 30 zijn de leden 1,
2, 4 en 5 van artikel 23 van overeenkomstige
toepassing. Het vruchtgebruik kan niet worden
ingeroepen tegen schuldeisers die zich op de
daaraan onderworpen goederen verhalen ter zake
van schulden als bedoeld in artikel 7 lid 1
onder a tot en met f. De uitwinning is echter
niet toegelaten, indien de echtgenoot niet met
vruchtgebruik belaste goederen der nalatenschap
aanwijst die voldoende verhaal bieden.
2.
De mogelijkheid om aanspraak
te maken op vestiging van het vruchtgebruik
vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een
redelijke, hem door een belanghebbende gestelde
termijn, en uiterlijk voor de toepassing van
artikel 29 zes maanden en voor de toepassing van
artikel 30 een jaar na het overlijden van de
erflater heeft verklaard op de vestiging van het
vruchtgebruik aanspraak te maken.
3.
De rechtsvordering ingevolge
de artikelen 29 en 30 verjaart door verloop van
een jaar en drie maanden na het openvallen der
nalatenschap.
4.
Heeft de erflater bij
uiterste wilsbeschikking aan zijn echtgenoot de
bevoegdheid ontzegd om zich bij de overdracht
van een goed ingevolge de artikelen 19 en 21 een
vruchtgebruik voor te behouden, dan vervalt, in
afwijking van lid 2, de mogelijkheid om
ingevolge artikel 29 of 30 aanspraak te maken op
vestiging van het vruchtgebruik op dat goed door
verloop van drie maanden nadat op overdracht van
het goed aanspraak is gemaakt. In dat geval
verjaart de rechtsvordering tot vestiging van
het vruchtgebruik door verloop van een jaar en
drie maanden nadat op overdracht van het goed
aanspraak is gemaakt.
Artikel 32
De echtgenoot kan geen
aanspraak maken op vestiging van het vruchtgebruik
ingevolge de artikelen 29 en 30, wanneer een
procedure tot echtscheiding of tot scheiding van
tafel en bed van de erflater en de echtgenoot meer
dan een jaar voor het openvallen van de nalatenschap
was aangevangen en de echtscheiding of de scheiding
van tafel en bed ten gevolge van het overlijden van
de erflater niet meer tot stand heeft kunnen komen.
De eerste zin blijft buiten toepassing indien de
omstandigheid dat de echtscheiding of de scheiding
van tafel en bed niet meer tot stand heeft kunnen
komen, niet in overwegende mate de echtgenoot kan
worden aangerekend.
Artikel 33
1.
De kantonrechter kan op
verzoek van een hoofdgerechtigde, mits daardoor
een zwaarwegend belang van deze wordt gediend en
in vergelijking hiermede het belang van de
echtgenoot niet ernstig wordt geschaad:
a. aan die
hoofdgerechtigde een met vruchtgebruik
belast goed uit de nalatenschap, al dan niet
onder de last van het vruchtgebruik,
toedelen;
b. het vruchtgebruik
van een of meer goederen beëindigen;
c. aan het
vruchtgebruik verbonden bevoegdheden van de
echtgenoot beperken of hem deze ontzeggen;
d. het vruchtgebruik
in het belang van de hoofdgerechtigde onder
bewind stellen.
2.
De kantonrechter kan,
onverminderd lid 1, voor zover de echtgenoot aan
het vruchtgebruik, de omstandigheden in
aanmerking genomen, voor zijn verzorging,
daaronder begrepen de nakoming van de
overeenkomstig artikel 35 lid 2 op hem rustende
verplichtingen, geen behoefte heeft:
a. op verzoek van een
rechthebbende de verplichting tot
medewerking aan de vestiging van het
vruchtgebruik opheffen, of
b. op verzoek van een
hoofdgerechtigde het vruchtgebruik
beëindigen.
3.
De andere rechthebbenden
worden in het geding geroepen. Bij zijn
beschikking kan de kantonrechter nadere
regelingen treffen.
4.
Een rechthebbende kan te
allen tijde, ter afwering van een vordering of
andere rechtsmaatregel, gericht op de nakoming
van een verplichting tot medewerking aan de
vestiging van het vruchtgebruik, een beroep in
rechte doen op de in lid 2 genoemde grond voor
opheffing van die verplichting.
5.
De kantonrechter houdt bij de
toepassing van lid 2 in ieder geval rekening
met:
a. de leeftijd van de
echtgenoot;
b. de samenstelling
van de huishouding waartoe de echtgenoot
behoort;
c. de mogelijkheden
van de echtgenoot om zelf in de verzorging
te voorzien door middel van arbeid,
pensioen, eigen vermogen dan wel andere
middelen of voorzieningen;
d. hetgeen in de
gegeven omstandigheden als een passend
verzorgingsniveau voor de echtgenoot kan
worden beschouwd.
Artikel 34
1.
Voor zover de nalatenschap
niet toereikend is tot voldoening van hetgeen de
echtgenoot ingevolge de artikelen 29 en 30
toekomt, kan hij overgaan tot inkorting van de
daarvoor vatbare giften, met overeenkomstige
toepassing van artikel 89, leden 2 en 3, en
artikel 90, leden 1 en 3. De artikelen 66, 68 en
69 zijn van overeenkomstige toepassing.
Verkrijgt de echtgenoot ook door deze inkorting
niet hetgeen hem toekomt, dan kan hij zich
verhalen op hetgeen een legitimaris door
inkorting heeft verkregen.
2.
De echtgenoot verkrijgt door
uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in lid
1, het vruchtgebruik van de geldsom waarvoor de
inkorting is geschied of waarvoor hij verhaal
heeft genomen. Op het vruchtgebruik zijn de
leden 1, 2, 4 en 5 van artikel 23 van
overeenkomstige toepassing.
3.
Zo nodig kan het
vruchtgebruik van de echtgenoot zich uitstrekken
over alle goederen der nalatenschap en alle
geldsommen waarvoor de in lid 1 bedoelde giften
kunnen worden ingekort.
4.
Geschillen over de toepassing
van het onderhavige artikel en de artikelen 35
tot en met 37 worden op verzoek van de meest
gerede partij beslist door de kantonrechter.
Artikel 35
1.
Een kind van de erflater, een
kind als bedoeld in artikel 394 van Boek 1
daaronder begrepen, kan aanspraak maken op een
som ineens, voor zover deze nodig is voor:
a. zijn verzorging en
opvoeding tot het bereiken van de leeftijd
van achttien jaren; en voorts voor:
b. zijn
levensonderhoud en studie tot het bereiken
van de leeftijd van een en twintig jaren.
2.
De som ter zake van de
verzorging en opvoeding komt het kind niet toe,
voor zover de echtgenoot of een erfgenaam van de
erflater krachtens wet of overeenkomst is
gehouden om in de kosten daarvan te voorzien. De
som ter zake van levensonderhoud en studie komt
het kind niet toe, voor zover de echtgenoot van
de erflater krachtens artikel 395a van Boek 1
verplicht is om in de kosten daarvan te
voorzien.
3.
Op de som ineens komt in
mindering hetgeen de rechthebbende had kunnen
verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een
sommenverzekering die door het overlijden van de
erflater tot uitkering komt.
Artikel 36
1.
Een kind, stiefkind,
pleegkind, behuwdkind of kleinkind van de
erflater dat in diens huishouding of in het door
hem uitgeoefende beroep of bedrijf gedurende
zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht
zonder een voor die arbeid passende beloning te
ontvangen, kan aanspraak maken op een som
ineens, strekkend tot een billijke vergoeding.
2.
Op de som komt in mindering
hetgeen de rechthebbende van de erflater heeft
ontvangen of krachtens making of
sommenverzekering op het leven van de erflater
verkrijgt of had kunnen verkrijgen, voor zover
dat als een beloning voor zijn werkzaamheden kan
worden beschouwd.
Artikel 37
1.
Degene die krachtens de
artikelen 35 en 36 aanspraak maakt op een som
ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke
erfgenamen. De mogelijkheid om aanspraak te
maken op een som ineens vervalt, indien de
rechthebbende niet binnen een redelijke, hem
door een belanghebbende gestelde termijn, en
uiterlijk negen maanden na het overlijden van de
erflater, heeft verklaard dat hij de som ineens
wenst te ontvangen.
2.
De vordering is niet
opeisbaar totdat zes maanden zijn verstreken na
het overlijden van de erflater.
3.
De rechtsvordering verjaart
door verloop van een jaar na het overlijden van
de erflater. Indien die erflater een echtgenoot
achterlaat, wordt voor degene die krachtens
artikel 36 aanspraak op een som ineens heeft
gemaakt, deze termijn verlengd tot een jaar na
het overlijden van die echtgenoot.
4.
De sommen ineens bedragen
gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde
der nalatenschap; voor zoveel nodig ondergaan
zij elk een evenredige vermindering. Onder de
waarde der nalatenschap wordt in dit artikel
verstaan de waarde van de goederen der
nalatenschap, verminderd met de in artikel 7 lid
1 onder a tot en met e vermelde schulden.
5.
De voldoening van de sommen
ineens komt ten laste van het gedeelte der
nalatenschap waarover niet bij uiterste
wilsbeschikking is beschikt, en vervolgens, zo
dit onvoldoende is, van de makingen; artikel 87
lid 2, tweede zin, is op een inkorting van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 38
1.
Op verzoek van een kind of
stiefkind van de erflater kan de kantonrechter,
mits daardoor een zwaarwegend belang van het
kind of stiefkind wordt gediend en in
vergelijking hiermede het belang van de
rechthebbende niet ernstig wordt geschaad, de
rechthebbende verplichten tot overdracht tegen
een redelijke prijs aan het kind of stiefkind,
dan wel diens echtgenoot, van de tot de
nalatenschap of de ontbonden
huwelijksgemeenschap behorende goederen die
dienstbaar waren aan een door de erflater
uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind
of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt
voortgezet. Bij zijn beschikking kan de
kantonrechter nadere regelingen treffen.
2.
Het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van
aandelen in een naamloze vennootschap of een
besloten vennootschap met beperkte
aansprakelijkheid waarvan de erflater bestuurder
was en waarin deze alleen of met zijn
medebestuurders de meerderheid der aandelen
hield, indien het kind of stiefkind, dan wel
diens echtgenoot ten tijde van het overlijden
bestuurder van die vennootschap is of nadien die
positie van de erflater voortzet.
3.
Het vorige lid is slechts van
toepassing voor zover de statutaire regels
omtrent overdracht van aandelen zich daartegen
niet verzetten.
4.
Het recht om een verzoek als
bedoeld in de leden 1 en 2 te doen, vervalt na
verloop van een jaar na het overlijden van de
erflater.
5.
De leden 1 tot en met 4 zijn
van overeenkomstige toepassing ingeval de
echtgenoot van de erflater een door de erflater
uitgeoefend beroep of bedrijf voortzet, ook
indien de echtgenoot ingevolge deze afdeling het
vruchtgebruik van de desbetreffende goederen
heeft of kan verkrijgen.
Artikel 39
Degene aan wie een in de
artikelen 29 tot en met 33, 35, 36 en 38 bedoeld
recht toekomt en niet erfgenaam is, heeft dezelfde
bevoegdheden als in artikel 78 aan een legitimaris
worden toegekend.
Artikel 40
Indien ten aanzien van de
erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is
toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van
artikel 28, de leden 2 en 3 van artikel 31, de
tweede zin van het eerste lid, de eerste zin van het
tweede lid en de eerste zin van het derde lid van
artikel 37, alsmede het vierde lid van artikel 38
vanaf de dag waarop de beschikking, bedoeld in
artikel 417 lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid
1 van Boek 1, in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 41
Bij uiterste wilsbeschikking
kan van het in deze afdeling bepaalde niet worden
afgeweken.
Titel 4. Uiterste willen
Afdeling 1. Uiterste
wilsbeschikkingen in het algemeen
Artikel 42
1.
Een uiterste wilsbeschikking
is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een
erflater een beschikking maakt, die eerst werkt
na zijn overlijden en die in dit Boek is
geregeld of in de wet als zodanig wordt
aangemerkt.
2.
De erflater kan een uiterste
wilsbeschikking steeds eenzijdig herroepen.
3.
Een uiterste wilsbeschikking
kan alleen bij uiterste wil en slechts door de
erflater persoonlijk worden gemaakt en
herroepen.
Artikel 43
1.
Een uiterste wilsbeschikking
is niet vatbaar voor vernietiging op de grond
dat zij door misbruik van omstandigheden is tot
stand gekomen.
2.
Een uiterste wilsbeschikking,
gemaakt onder invloed van een onjuiste
beweegreden, is slechts dan vernietigbaar,
wanneer de door de erflater ten onrechte
veronderstelde omstandigheid die zijn
beweegreden tot de beschikking is geweest, in de
uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de
beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij
van de onjuistheid dier veronderstelling had
kennis gedragen.
3.
Een uiterste wilsbeschikking
kan niet op grond van bedreiging, bedrog of een
onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer
de erflater haar heeft bevestigd nadat de
invloed van de bedreiging heeft opgehouden te
werken of het bedrog of de onjuistheid van de
beweegreden is ontdekt.
Artikel 44
1.
Een uiterste wilsbeschikking
waarvan de inhoud in strijd is met de goede
zeden of de openbare orde, is nietig.
2.
Eveneens is een uiterste
wilsbeschikking nietig, wanneer voor deze een in
de uiterste wil vermelde beweegreden die in
strijd is met de goede zeden of de openbare
orde, beslissend is geweest.
Artikel 45
1.
Een voorwaarde of een last
die onmogelijk te vervullen is, of die in strijd
is met de goede zeden, de openbare orde of een
dwingende wetsbepaling, wordt voor niet
geschreven gehouden. De beschikking waaraan de
voorwaarde of de last is toegevoegd, is nietig,
indien deze de beslissende beweegreden tot die
beschikking is geweest.
2.
Een voorwaarde of last die de
strekking heeft de bevoegdheid tot vervreemding
of bezwaring van goederen uit te sluiten, wordt
voor niet geschreven gehouden.
Artikel 46
1.
Bij de uitlegging van een
uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet
op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk
wenst te regelen, en op de omstandigheden
waaronder de uiterste wil is gemaakt.
2.
Daden of verklaringen van de
erflater buiten de uiterste wil mogen slechts
dan voor uitlegging van een beschikking worden
gebruikt, indien deze zonder die daden of
verklaringen geen duidelijke zin heeft.
3.
Wanneer een erflater zich
klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon
of een goed heeft vergist, wordt de beschikking
naar de bedoeling van de erflater ten uitvoer
gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig
met behulp van de uiterste wil of met andere
gegevens kan worden vastgesteld.
Artikel 47
Wanneer de uitvoering van een
beschikking, anders dan als gevolg van een na het
overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid,
blijvend onmogelijk is, vervalt de beschikking,
zonder dat een andere beschikking daarvoor in de
plaats mag worden gesteld, tenzij de wet het
tegendeel bepaalt, of uit de uiterste wil zelf is af
te leiden dat de erflater die andere beschikking zou
hebben gemaakt, wanneer hem de onmogelijkheid bekend
was geweest.
Artikel 48
Wanneer in eenzelfde uiterste
wil twee of meer personen tot hetzelfde, al of niet
voor bepaalde delen, zijn geroepen en de beschikking
ten opzichte van een geroepene geen gevolg heeft,
vindt ten behoeve van de overigen aanwas naar
evenredigheid van de hun toekomende delen plaats,
tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af
te leiden.
Artikel 49
1.
Een ten laste van een
erfgenaam gemaakt legaat van een bepaald goed,
of van een op een bepaald goed te vestigen
recht, vervalt indien het goed bij het
openvallen van de nalatenschap daartoe niet
behoort, tenzij uit de uiterste wil zelf is af
te leiden dat de erflater de beschikking
niettemin heeft gewild.
2.
Kan in laatstgenoemd geval
degene op wie de verplichting rust, zich het
gelegateerde goed niet of slechts ten koste van
een onevenredig grote opoffering verschaffen,
dan is hij gehouden de waarde van het goed uit
te keren.
3.
Voor de toepassing van het
eerste lid wordt een goed geacht niet tot de
nalatenschap te behoren, indien de erflater tot
overdracht van het goed verplicht was en deze
verbintenis niet met zijn dood is tenietgegaan.
Artikel 50
1.
Tenzij de erflater anders
heeft beschikt, wordt een gelegateerd goed
geleverd in de staat waarin het zich op het
ogenblik van overlijden van de erflater bevindt.
2.
Mitsdien is een erfgenaam
niet verplicht het vermaakte goed te bevrijden
van enig beperkt recht dat daarop is gevestigd.
3.
Is een vordering van de
erflater op een erfgenaam, een beperkt recht van
de erflater op een goed van een erfgenaam, of
een goed van de erflater waarop een beperkt
recht van een erfgenaam is gevestigd
gelegateerd, dan vindt geen vermenging plaats,
tenzij het legaat wordt verworpen.
Artikel 51
1.
Wanneer een echtgenoot ten
laste van zijn gezamenlijke erfgenamen een
bepaald goed uit de huwelijksgemeenschap heeft
vermaakt, kan de legataris levering van het
gehele goed van hen vorderen, doch zij kunnen,
voor zover het goed bij de verdeling van de
huwelijksgemeenschap aan de andere echtgenoot of
diens erfgenamen wordt toebedeeld, volstaan met
uitkering van de waarde van het goed. Deze
bevoegdheid komt ook toe aan de andere
echtgenoot die enig erfgenaam is, en diens
erfgenamen.
2.
Het vorige lid is alleen van
toepassing indien de huwelijksgemeenschap op het
ogenblik dat de beschikking werd gemaakt, nog
niet ontbonden was.
Artikel 52
Een beschikking, getroffen ten
voordele van degene met wie de erflater op het
tijdstip van het maken van de uiterste wil gehuwd
was of reeds trouwbeloften gewisseld had, vervalt
door een daarna ingetreden echtscheiding of
scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste
wil zelf het tegendeel is af te leiden.
Artikel 53
Een uiterste wilsbeschikking
ten voordele van de naaste bloedverwanten of het
naaste bloed van de erflater, zonder nadere
aanduiding, wordt vermoed gemaakt te zijn ten
voordele van de door de wet geroepen bloedverwanten
van de erflater naar evenredigheid van ieders
aandeel bij versterf.
Artikel 54
1.
Rechtsvorderingen tot
vernietiging van een uiterste wilsbeschikking
verjaren een jaar nadat de dood van de erflater
alsmede de uiterste wilsbeschikking en de
vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van
hem die een beroep op deze grond kan doen, dan
wel van zijn rechtsvoorganger.
2.
De bevoegdheid om ter
vernietiging van een uiterste wilsbeschikking
een beroep op een vernietigingsgrond te doen
vervalt buiten het geval bedoeld in artikel 51
lid 3 van Boek 3 uiterlijk drie jaren nadat de
dood van de erflater en de uiterste
wilsbeschikking ter kennis zijn gekomen van
degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, dan wel
van zijn rechtsvoorganger.
Afdeling 2. Wie uiterste
wilsbeschikkingen kunnen maken en wie daaruit
voordeel kunnen genieten
Artikel 55
1.
Behalve zij die
handelingsbekwaam zijn, kunnen ook minderjarigen
die de leeftijd van zestien jaren hebben
bereikt, en zij die op een andere grond dan
wegens een geestelijke stoornis onder curatele
zijn gesteld, uiterste wilsbeschikkingen maken.
2.
Hij die wegens een
geestelijke stoornis onder curatele staat, kan
slechts met toestemming van de kantonrechter
uiterste wilsbeschikkingen maken. De
kantonrechter kan aan zijn toestemming
voorwaarden verbinden.
3.
De bekwaamheid van de
erflater wordt beoordeeld naar de staat, waarin
hij zich bevond op het ogenblik dat de
beschikking werd gemaakt.
Artikel 56
1.
Om aan een making een recht
te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het
ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Rechten
uit een making ten voordele van een
rechtspersoon die voor dat ogenblik is
opgehouden te bestaan ten gevolge van een fusie
of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende
rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende
rechtspersoon waarvan de aan de akte van
splitsing gehechte beschrijving datbepaalt.
Indien aan de hand van de aan de akte van
splitsing gehechte beschrijving niet kan worden
bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de
rechten treedt van de gesplitste rechtspersoon,
is artikel 334s van Boek 2 van overeenkomstige
toepassing.
2.
Indien een erflater heeft
bepaald dat hetgeen hij aan een afstammeling van
een ouder van de erflater nalaat, bij het
overlijden van de bevoordeelde of op een eerder
tijdstip zal ten deel vallen aan diens alsdan
bestaande afstammelingen staaksgewijze, ontlenen
dezen aan de making een recht, ook al bestonden
zij nog niet bij het overlijden van de erflater.
3.
Heeft een erflater bepaald
dat hetgeen hij aan iemand nalaat, bij het
overlijden van de bevoordeelde of op een eerder
tijdstip zal ten deel vallen aan een
afstammeling van een ouder van de erflater, en
tevens dat indien die afstammeling dat tijdstip
niet overleeft, diens alsdan bestaande
afstammelingen staaksgewijze in diens plaats
zullen treden, dan verkrijgen dezen dit recht,
ook al bestonden zij nog niet bij het overlijden
van de erflater.
4.
Indien een erflater heeft
bepaald dat hetgeen de bevoordeelde van het hem
nagelatene bij zijn overlijden of op een eerder
tijdstip onverteerd zal hebben gelaten, alsdan
zal ten deel vallen aan een dan bestaande
bloedverwant van de erflater in de erfelijke
graad, verkrijgt deze dit recht, ook al bestond
hij nog niet bij het overlijden van de erflater.
Artikel 57
1.
Een erflater kan geen
uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van
degene die op het tijdstip van het maken van de
beschikking zijn voogd is.
2.
Hij die voogd van de erflater
is geweest, kan uit diens uiterste
wilsbeschikkingen geen voordeel genieten, indien
de erflater binnen het jaar na zijn meerderjarig
worden en voor het afleggen en sluiten van de
voogdijrekening is overleden.
3.
Het in de vorige leden
bepaalde is niet toepasselijk op bloedverwanten
van de erflater in de opgaande lijn, die zijn
voogden zijn of geweest zijn.
Artikel 58
Minderjarigen kunnen geen
uiterste wilsbeschikking maken ten voordele van hun
leermeesters, met wie zij tezamen wonen.
Artikel 59
1.
De beroepsbeoefenaren op het
gebied van de individuele gezondheidszorg, die
iemand gedurende de ziekte waaraan hij is
overleden, bijstand hebben verleend, alsmede de
geestelijk verzorgers die hem gedurende die
ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel
trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen die
zodanig persoon gedurende de behandeling of de
bijstand te hunnen behoeve heeft gemaakt.
2.
Ook kan degene die een voor
de verzorging of verpleging van bejaarden of
geestelijk gestoorden bestemde instelling
exploiteert of die daarvan de leiding heeft of
daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de
uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig
persoon gedurende een verblijf in die instelling
te zijnen behoeve heeft gemaakt.
Artikel 60
Van het in de twee voorgaande
artikelen bepaalde zijn uitgezonderd:
a. de beschikkingen
tot vergelding van bewezen diensten, bij
wijze van legaat gemaakt, met inachtneming
echter zowel van de gegoedheid van de maker,
als van de diensten die aan deze zijn
bewezen;
b. de beschikkingen
ten voordele van iemand die bloed- of
aanverwant tot de vierde graad of de
echtgenoot van de erflater is.
Artikel 61
De notaris of andere persoon,
die een uiterste wil of een akte van bewaargeving
van een niet gesloten aangeboden onderhandse
uiterste wil heeft verleden, en de getuigen die
daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niet bij
die uiterste wil worden bevoordeeld.
Artikel 62
1.
Een uiterste wilsbeschikking
die in strijd is met het in de artikelen 57–61
bepaalde, is vernietigbaar. De vernietiging
vindt slechts plaats voor zover deze nodig is
tot opheffing van het nadeel van degene die zich
op de vernietigingsgrond beroept.
2.
Een beschikking ten behoeve
van een tussenbeidekomende persoon is op gelijke
wijze vernietigbaar als een ten behoeve van de
uitgesloten persoon zelf.
3.
De vader, de moeder, de
afstammelingen en de echtgenoot van een
uitgesloten persoon worden geacht
tussenbeidekomende personen te zijn, behalve
wanneer zij bloedverwant in de rechte lijn of
echtgenoot van de erflater zijn.
4.
Indien een legataris in
verband met een krachtens de vorige leden
vernietigbaar legaat gehouden is een
tegenprestatie te verrichten, is artikel 54 van
Boek 3 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 3. Legitieme portie
Paragraaf 1. Algemene
bepalingen
Artikel 63
1.
De legitieme portie van een
legitimaris is het gedeelte van de waarde van
het vermogen van de erflater, waarop de
legitimaris in weerwil van giften en uiterste
wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan
maken.
2.
Legitimarissen zijn de
afstammelingen van de erflater die door de wet
als erfgenamen tot zijn nalatenschap worden
geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij bij
plaatsvervulling met betrekking tot personen die
op het ogenblik van het openvallen der
nalatenschap niet meer bestaan of die onwaardig
zijn.
3.
De legitimaris die de
nalatenschap verwerpt, verliest zijn recht op de
legitieme portie, tenzij hij bij het afleggen
van de verklaring bedoeld in artikel 191, tevens
verklaart dat hij zijn legitieme portie wenst te
ontvangen.
Artikel 64
1.
De legitieme portie van een
kind van de erflater bedraagt de helft van de
waarde waarover de legitieme porties worden
berekend, gedeeld door het aantal in artikel 10
lid 1 onder a genoemde, door de erflater
achtergelaten personen.
2.
Afstammelingen van een kind
van de erflater dat op het ogenblik van het
openvallen van de nalatenschap niet meer
bestaat, worden voor de toepassing van het
eerste lid tezamen als een door de erflater
achtergelaten kind geteld. Afstammelingen van
een kind van de erflater die legitimaris zijn,
kunnen ieder slechts voor hun deel opkomen.
Paragraaf 2. De omvang van de
legitieme portie
Artikel 65
De legitieme porties worden
berekend over de waarde van de goederen der
nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de
bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en
verminderd met de schulden, vermeld in artikel 7 lid
1 onder a tot en met c en f. Buiten beschouwing
blijven giften waaruit schulden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 onder i zijn ontstaan..
Artikel 66
1.
Voor de toepassing van deze
afdeling worden giften gewaardeerd naar het
tijdstip van de prestatie, behoudens het in de
volgende leden bepaalde. Met een mogelijkheid
dat de erflater de gift had kunnen herroepen
wordt geen rekening gehouden.
2.
Giften waarbij de erflater
zich het genot van het geschonkene gedurende
zijn leven heeft voorbehouden, en andere giften
van een voordeel bestemd om pas na zijn
overlijden ten volle te worden genoten, worden
geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn
overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van
prestaties die de erflater bij zijn overlijden
nog niet had verricht, met dien verstande dat
met deze giften, evenals met de uit dien hoofde
nagelaten schulden, geen rekening wordt gehouden
voor zover de nalatenschap niet toereikend is.
Een gift die bestaat in de aanwijzing van een
begunstigde bij sommenverzekering, wordt in
aanmerking genomen tot haar waarde
overeenkomstig artikel 188 leden 2 en 3 van Boek
7.
3.
Giften, bestaande in de
vervreemding van een goed door de erflater tegen
verschaffing door de wederpartij van een aan het
leven van de erflater gebonden recht, worden
gewaardeerd als een gift van dat goed,
verminderd met de waarde van de door de erflater
ontvangen of hem bij zijn overlijden nog
verschuldigde prestaties, voor zover deze niet
bestonden in genot van dat goed.
Artikel 67
Bij de berekening van de
legitieme porties worden de volgende door de
erflater gedane giften in aanmerking genomen:
a. giften die
kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het
vooruitzicht dat daardoor legitimarissen
worden benadeeld;
b. giften die de
erflater gedurende zijn leven te allen tijde
had kunnen herroepen of die hij bij de gift
voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
c. giften van een
voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden
ten volle te worden genoten;
d. giften, door de
erflater aan een afstammeling gedaan, mits
deze of een afstammeling van hem legitimaris
van de erflater is;
e. andere giften, voor
zover de prestatie binnen vijf jaren voor
zijn overlijden is geschied.
Artikel 68
Giften van de erflater aan
zijn echtgenoot worden voor de toepassing van deze
afdeling buiten beschouwing gelaten voor zover zich,
ten gevolge van een gemeenschap van goederen waarin
de erflater en de echtgenoot ten tijde van de gift
gehuwd waren of ten gevolge van een tussen hen op
dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen verrijking
ten koste van het vermogen van de gever heeft
voorgedaan.
Artikel 69
1.
Voor de toepassing van deze
afdeling worden niet als giften beschouwd:
a. giften aan personen
ten aanzien van wie de erflater moreel
verplicht was bij te dragen in hun onderhoud
tijdens zijn leven of na zijn dood, voor
zover zij als uitvloeisel van die
verplichting zijn aan te merken en in
overeenstemming waren met het inkomen en het
vermogen van de erflater;
b. gebruikelijke
giften voor zover zij niet bovenmatig waren.
2.
Lid 1 is niet van toepassing
op giften als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder
i.
Artikel 70
1.
De waarde van giften, door de
erflater aan een legitimaris gedaan, komt in
mindering van diens legitieme portie.
2.
Voor de toepassing van het
vorige lid worden giften aan een afstammeling
die legitimaris zou zijn geweest indien hij de
erflater had overleefd of niet onwaardig was
geweest, aangemerkt als giften aan de van hem
afstammende legitimarissen, naar evenredigheid
van hun legitieme portie.
3.
Met een gift wordt
gelijkgesteld hetgeen een legitimaris verkrijgt
of kan verkrijgen uit een door de erflater ter
nakoming van een natuurlijke verbintenis
gesloten sommenverzekering die geen
pensioenverzekering is en die door het
overlijden van de erflater tot uitkering komt.
Artikel 71
De waarde van al hetgeen een
legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in
mindering van zijn legitieme portie.
Artikel 72
De waarde van hetgeen een
legitimaris als erfgenaam kan verkrijgen, komt ook
in mindering van zijn legitieme portie wanneer hij
de nalatenschap verwerpt, tenzij
a. de goederen onder
een voorwaarde, een last of een bewind zijn
nagelaten, of
b. ten laste van de
legitimaris legaten zijn gemaakt die
verplichten tot iets anders dan betaling van
een geldsom of overdracht van goederen der
nalatenschap, en de verwerping binnen drie
maanden na het overlijden van de erflater
geschiedt.
Artikel 73
1.
De waarde van een legaat aan
een legitimaris van een bepaalde geldsom of van
niet in een vorderingsrecht bestaande goederen
der nalatenschap komt ook in mindering van zijn
legitieme portie wanneer hij het legaat
verwerpt, tenzij
a. het legaat onder
een voorwaarde, een last of een bewind is
gemaakt, of
b. ten laste van de
legitimaris sublegaten zijn gemaakt die
verplichten tot iets anders dan betaling van
een geldsom, of
c. het legaat later
dan zes maanden na het overlijden van de
erflater, of indien de legitimaris
mede-erfgenaam is, pas na de verdeling der
nalatenschap opeisbaar wordt, of
d. het legaat ten
laste komt van een of meer erfgenamen wier
erfdelen ontoereikend zijn om het legaat
daaruit te voldoen, en de verwerping binnen
drie maanden na het overlijden van de
erflater geschiedt.
2.
Heeft de erflater de in
artikel 125 lid 2 bedoelde bevoegdheid ontzegd
aan een legitimaris, dan kan deze het legaat
binnen drie maanden na het overlijden van de
erflater verwerpen, zonder dat de waarde ervan
in mindering komt van zijn legitieme portie.
Artikel 74
1.
De contante waarde van een
aan een legitimaris gemaakt legaat van een in
termijnen te betalen geldsom komt ook bij
verwerping in mindering van zijn legitieme
portie, indien in de uiterste wil is vermeld dat
zonder deze beschikking de voortzetting van een
beroep of bedrijf van de erflater in ernstige
mate zou worden bemoeilijkt. Met een beroep of
bedrijf van de erflater wordt gelijkgesteld een
onderneming, gedreven door een naamloze
vennootschap of een besloten vennootschap met
beperkte aansprakelijkheid waarvan de erflater
bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn
medebestuurders de meerderheid der aandelen
hield.
2.
Is de vermelde grond onjuist,
dan kan de legitimaris binnen drie maanden na
het overlijden van de erflater verklaren dat hij
betaling van de contante waarde ineens verlangt.
Degene die de juistheid van de grond staande
houdt, moet haar bewijzen. Is de opgegeven grond
juist, doch laat deze een snellere afbetaling
toe, dan kan de rechter de verbintenis uit het
legaat in die zin wijzigen.
3.
Indien de legitimaris zulks
binnen drie maanden na het overlijden van de
erflater verzoekt, kan de kantonrechter de met
het legaat belaste personen bevelen zekerheid te
stellen; de kantonrechter stelt het bedrag en de
aard van de zekerheid vast. Wordt daaraan niet
voldaan binnen de door de kantonrechter daarvoor
gestelde termijn, dan komt het legaat niet in
mindering van zijn legitieme portie indien de
legitimaris het alsnog verwerpt.
Artikel 75
1.
De waarde van hetgeen een
legitimaris krachtens erfrecht onder bewind kan
verkrijgen, komt ook bij verwerping in mindering
van zijn legitieme portie, indien het bewind is
ingesteld op de in de uiterste wil vermelde
grond:
a. dat de legitimaris
ongeschikt of onmachtig is in het beheer te
voorzien, of
b. dat zonder bewind
de goederen hoofdzakelijk diens schuldeisers
zouden ten goede komen.
2.
De legitimaris die de
nalatenschap of het legaat heeft aanvaard is
gedurende drie maanden na het overlijden van de
erflater bevoegd de juistheid van de opgegeven
grond te betwisten; alsdan moet degene die haar
staande houdt haar bewijzen. Is de opgegeven
grond juist, doch rechtvaardigt dit de door de
erflater vastgestelde regels van het bewind
niet, dan kan de rechter die regels wijzigen of
zelfs ten dele opheffen.
3.
Is vermelde grond onjuist,
dan kan de legitimaris binnen een maand nadat de
uitspraak waarbij de onjuistheid is vastgesteld,
in kracht van gewijsde is gegaan, schriftelijk
aan de bewindvoerder verklaren dat hij zijn
legitieme in geld wenst te ontvangen. De
bewindvoerder maakt daartoe het onder bewind
gestelde met overeenkomstige toepassing van
artikel 147 voor zover nodig te gelde; het
restant van de goederen keert hij uit aan
degenen aan wie deze zouden zijn toegekomen
indien de legitimaris de nalatenschap of het
legaat had verworpen.
4.
Staan goederen onder bewind
waarvan de waarde krachtens artikel 70 in
mindering van de legitieme komt en vermeldt de
akte waarbij het bewind is ingesteld een grond
als bedoeld in lid 1, dan zijn de leden 2 en 3
van overeenkomstige toepassing. Vermeldt de akte
niet een grond als bedoeld in lid 1, dan kan de
legitimaris aanspraak maken op ontvangst van
zijn legitieme in geld op de wijze als voorzien
in lid 3, met dien verstande dat de aldaar
bedoelde verklaring binnen drie maanden na het
overlijden van de erflater moet worden afgelegd.
5.
Bij de vaststelling van de op
de legitieme portie toe te rekenen waarde wordt
met het bewind slechts rekening gehouden, indien
de vermelde grond onjuist is verklaard doch de
legitimaris geen gebruik maakt van de hem in lid
3, eerste zin, verleende bevoegdheid.
Artikel 76
Bij de vaststelling van de
waarde van hetgeen overeenkomstig de artikelen 70
tot en met 75 op de legitieme portie in mindering
komt, wordt geen rekening gehouden met het
vruchtgebruik dat daarop krachtens afdeling 1 of 2
van titel 3 kan komen te rusten.
Artikel 77
De in de artikelen 72, 73 lid
1, laatste zinsnede, en lid 2, 74 leden 2 en 3 en 75
leden 2 en 4 bedoelde termijnen kunnen door de
kantonrechter een of meermalen op grond van
bijzondere omstandigheden worden verlengd, zelfs
nadat de termijn reeds was verlopen.
Artikel 78
1.
Een legitimaris die niet
erfgenaam is, kan tegenover de erfgenamen en met
het beheer der nalatenschap belaste executeurs
aanspraak maken op inzage en een afschrift van
alle bescheiden die hij voor de berekening van
zijn legitieme portie behoeft; zij verstrekken
hem desverlangd alle daartoe strekkende
inlichtingen.
2.
Op zijn verzoek kan de
kantonrechter een of meer der erfgenamen en met
het beheer der nalatenschap belaste executeurs
doen oproepen ten einde de deugdelijkheid van de
boedelbeschrijving in tegenwoordigheid van de
verzoeker onder ede te bevestigen.
Paragraaf 3. Het geldend maken
van de legitieme portie
Artikel 79
Terzake van zijn legitieme
portie kan de legitimaris een vordering verkrijgen:
a. op de gezamenlijke
erfgenamen dan wel de echtgenoot van de
erflater, door daarop aanspraak te maken
overeenkomstig artikel 80 lid 1, dan wel
b. op een begiftigde,
door inkorting als bedoeld in artikel 89.
Artikel 80
1.
Een legitimaris die daarop
aanspraak maakt, heeft terzake van hetgeen hem
met inachtneming van de artikelen 70 tot en met
76 als legitieme portie toekomt, een vordering
in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel,
wanneer de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, op de als erfgenaam
achtergelaten echtgenoot van de erflater.
2.
De erfgenamen en, na
verdeling overeenkomstig artikel 13, de
echtgenoot zijn niet verplicht de vorderingen te
voldoen, voor zover deze tezamen de waarde der
nalatenschap te boven gaan; voor zover nodig
ondergaan de vorderingen elk een evenredige
vermindering. Onder de waarde van de
nalatenschap wordt hier verstaan de waarde van
de goederen van de nalatenschap, verminderd met
de in artikel 7 lid 1 onder a, b, c en f
vermelde schulden.
Artikel 81
1.
De vordering is niet
opeisbaar voordat zes maanden zijn verstreken na
het overlijden van de erflater.
2.
Voor zover nodig in afwijking
van lid 1 is de vordering, indien de
nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel
13, opeisbaar indien:
a. de echtgenoot in
staat van faillissement is verklaard of ten
aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is
verklaard;
b. de echtgenoot is
overleden.
Voorzover de vordering ten
laste komt van een legaat aan een ander dan de
echtgenoot, leidt de eerste zin niet tot een
later tijdstip van opeisbaarheid dan voortvloeit
uit lid 1.
3.
Zolang goederen der
nalatenschap kunnen worden belast met een
vruchtgebruik krachtens artikel 29 of artikel
30, is de vordering niet opeisbaar. Bij de
toepassing van de eerste zin blijft artikel 31
lid 4, eerste zin, buiten beschouwing.
4.
Zolang een vruchtgebruik
krachtens artikel 29 of artikel 30 bestaat, is
de vordering niet opeisbaar, voor zover de
echtgenoot daarvoor is verbonden. In geval van
faillissement van de echtgenoot of het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
wordt de vordering opeisbaar, voor zover de
echtgenoot daarvoor is verbonden.
5.
Voor zover voor de vordering
anderen dan de echtgenoot zijn verbonden, kan,
zolang een vruchtgebruik krachtens artikel 29 of
artikel 30 bestaat, van elk van die anderen
slechts het gedeelte van de vordering worden
opgeëist dat overeenkomt met het gedeelte dat
zijn aandeel in de niet met vruchtgebruik
belaste goederen van de nalatenschap uitmaakt
van de goederen van de nalatenschap.
6.
Is de vordering, bedoeld in
artikel 80 lid 1, opeisbaar geworden doordat ten
aanzien van de echtgenoot de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, dan is de vordering,
voor zover zij onvoldaan is gebleven, door
beëindiging van de toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op
grond van artikel 356 lid 2 van de
Faillissementswet wederom niet opeisbaar.
Artikel 358 lid 1 van de Faillissementswet vindt
ten aanzien van de vordering geen toepassing.
Artikel 82
Een erflater kan aan een
uiterste wilsbeschikking ten behoeve van zijn niet
van tafel en bed gescheiden echtgenoot de voorwaarde
verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor
zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot,
eerst opeisbaar is na diens overlijden. Een
voorwaarde als bedoeld in de vorige zin kan op
overeenkomstige wijze worden verbonden aan een
making ten behoeve van een andere levensgezel,
indien deze met de erflater een gemeenschappelijke
huishouding voert en een notarieel verleden
samenlevingsovereenkomst is aangegaan.
Artikel 83
Bij uiterste wilsbeschikking
kan de erflater de opeisbaarheid van de vordering
van de legitimaris, voorzover deze ten laste zou
komen van de echtgenoot of de in artikel 82, tweede
zin, bedoelde andere levensgezel, ook doen afhangen
van andere omstandigheden dan die welke genoemd zijn
in de artikelen 81 lid 2 en 82.
Artikel 84
De vorderingen worden verhoogd
met een percentage dat overeenkomt met dat van de
wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is
dan zes, berekend per jaar vanaf de dag waarop
aanspraak op de legitieme portie is gemaakt, bij
welke berekening telkens uitsluitend de hoofdsom in
aanmerking wordt genomen.
Artikel 85
1.
De mogelijkheid om aanspraak
te maken op de legitieme portie vervalt, indien
de legitimaris niet binnen een hem door een
belanghebbende gestelde redelijke termijn, en
uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de
erflater, heeft verklaard dat hij zijn legitieme
portie wenst te ontvangen.
2.
Indien negen maanden na het
overlijden van de erflater niet vaststaat in
hoeverre diens echtgenoot aanspraak zal maken op
vestiging van een vruchtgebruik krachtens
artikel 30, vervalt het deel van de vordering
dat ten laste van de echtgenoot zou komen,
tenzij de legitimaris binnen die termijn aan de
echtgenoot heeft verklaard dat hij zijn
legitieme portie wenst te ontvangen. Artikel 77
is op deze termijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 86
Indien ten aanzien van de
erflater afdeling 2 of 3 van titel 18 van Boek 1 is
toegepast, lopen de termijnen, genoemd in lid 1 van
artikel 81 en de leden 1 en 2 van artikel 85 vanaf
de dag waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417
lid 1 onderscheidenlijk artikel 427 lid 1 van Boek
1, in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 87
1.
De voldoening van de schulden
aan de legitimarissen komt als eerste ten laste
van het gedeelte der nalatenschap waarover de
erflater niet door erfstellingen of legaten
heeft beschikt. Erft een afstammeling van een
onterfde legitimaris bij plaatsvervulling, dan
wordt voor de vordering van die legitimaris als
eerste het aan de afstammeling toekomende
gedeelte van de nalatenschap ingekort, tenzij
uit de uiterste wil iets anders voortvloeit.
2.
Indien inkorting
overeenkomstig lid 1 onvoldoende is, worden de
makingen ingekort. Tenzij uit de uiterste wil
iets anders voortvloeit, komen alle
erfstellingen en legaten gelijkelijk naar
evenredigheid van hun waarde voor inkorting in
aanmerking, met dien verstande dat voor zover
een making is te beschouwen als voldoening aan
een natuurlijke verbintenis van de erflater, zij
pas na de andere makingen voor inkorting in
aanmerking komt.
3.
Het gedeelte van de
nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en
zijn legitieme portie niet te boven gaat, kan in
afwijking van de leden 1 en 2 pas als laatste
worden ingekort. De inkorting van dat gedeelte
geschiedt alsdan, met vermindering van de
vordering waarvoor wordt ingekort, zodanig dat
beide legitimarissen een zelfde evenredig deel
van hun legitieme porties verkrijgen.
4.
Inkorting van een legaat
geschiedt door een verklaring aan de legataris
door de met het legaat belaste erfgenamen of,
indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig artikel 13, de echtgenoot van de
erflater. Artikel 120 lid 4, tweede zin, is van
overeenkomstige toepassing.
5.
Voor zover de schuld aan een
legitimaris ten laste komt van het erfdeel van
de echtgenoot of andere levensgezel van de
erflater en haar voldoening eerst kan worden
verlangd op een met toepassing van artikel 81
lid 2, 82 of 83 vast te stellen tijdstip, is de
echtgenoot of andere levensgezel daarvoor met
zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook als hij
de nalatenschap beneficiair had aanvaard.
6.
Voor zover de schuld aan een
legitimaris ten laste komt van een aan de
echtgenoot of andere levensgezel gemaakt legaat
waaraan een voorwaarde als bedoeld in artikel 82
of 83 is verbonden, komt zij, onder de bedoelde
voorwaarde, door voldoening van het legaat en
een verklaring overeenkomstig lid 4 op de
echtgenoot of andere levensgezel te rusten.
7.
Voor de toepassing van dit
artikel wordt een last die strekt tot een
uitgave van geld of een goed uit de
nalatenschap, gelijkgesteld met een legaat.
Artikel 88
Voor zover de vordering van de
legitimaris ingevolge artikel 81 lid 2 of een
voorwaarde als bedoeld in artikel 82 niet opeisbaar
is, is de echtgenoot of de andere levensgezel,
bedoeld in artikel 82, op verzoek van de legitimaris
verplicht tot voldoening voor hem van de belasting,
geheven ter zake van de verkrijging van zijn
vordering. De vordering van de legitimaris wordt
verminderd met het ingevolge de eerste zin voor de
legitimaris voldane bedrag.
Artikel 89
1.
Is hetgeen een legitimaris op
grond van zijn in artikel 80 lid 1 bedoelde
vordering kan verkrijgen onvoldoende om hem zijn
legitieme portie te verschaffen, dan kan hij de
daarvoor vatbare giften inkorten, voor zover zij
aan zijn legitieme portie afbreuk doen. Bij de
bepaling van de vordering, bedoeld in de eerste
zin, wordt rekening gehouden met een eventuele
vermindering ingevolge de artikelen 80 lid 2 en
87 lid 3. Buiten beschouwing blijven de
verhoging, bedoeld in artikel 84, alsmede het
deel van de vordering dat ingevolge artikel 85
lid 2 is vervallen.
2.
Voor inkorting vatbaar zijn
de in artikel 67 bedoelde giften.
3.
Een gift komt voor inkorting
slechts in aanmerking, voor zover de legitimaris
zijn legitieme portie niet door inkorting van
jongere giften kan verkrijgen. Giften van een
voordeel bestemd om pas na het overlijden van de
erflater ten volle te worden genoten, worden
hierbij beschouwd als giften op het tijdstip van
zijn overlijden.
Artikel 90
1.
Inkorting van een gift
geschiedt door een verklaring aan de begiftigde.
Deze is verplicht de waarde van het ingekorte
gedeelte van de gift aan de legitimaris te
vergoeden, voor zover dit niet, alle
omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk
is.
2.
Een gift kan niet worden
ingekort voor zover zij in mindering van de
legitieme portie van een mede-legitimaris komt.
3.
De bevoegdheid van een
legitimaris tot inkorting van een gift vervalt
na verloop van een hem daarvoor door de
begiftigde gestelde redelijke termijn, en
uiterlijk vijf jaren na het overlijden van de
erflater.
Artikel 91
1.
Indien de erflater makingen
of giften heeft gedaan aan een stiefkind, wordt
in afwijking van de artikelen 80 tot en met 89
op die makingen en giften niet ingekort,
behoudens voorzover de waarde daarvan hoger is
dan twee maal hetgeen de legitieme portie van
een kind van de erflater had belopen, indien de
door de erflater aldus bevoordeelde
stiefkinderen diens eigen kinderen waren
geweest. De in de eerste zin bedoelde waarde
wordt vermeerderd met de waarde van hetgeen
alsdan overeenkomstig artikel 70 lid 3 met een
gift gelijkgesteld zou worden.
2.
Voorzover voor de in artikel
80 bedoelde vordering van de legitimaris in
verband met lid 1 niet overeenkomstig artikel 87
kan worden ingekort, wordt deze verminderd.
3.
De erflater kan bij een gift
aan een stiefkind of bij uiterste
wilsbeschikking bepalen dat lid 1 geheel of ten
dele buiten toepassing blijft.
Artikel 92
1.
Na het overlijden van de
legitimaris komen zijn bevoegdheden toe aan hen
die tot zijn nalatenschap gerechtigd zijn.
2.
In het geval van
faillissement van de legitimaris of het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
kunnen zijn bevoegdheden worden uitgeoefend door
de curator in het faillissement
onderscheidenlijk de bewindvoerder in de
schuldsaneringsregeling.
3.
De bevoegdheden van een
legitimaris kunnen slechts tezamen met zijn
erfdeel worden overgedragen.
Afdeling 4. Vorm van uiterste
willen
Artikel 93
Een uiterste wil die bij
dezelfde akte door twee of meer personen is gemaakt,
is nietig.
Artikel 94
Behoudens hetgeen in de
artikelen 97-107 is bepaald, kan een uiterste wil
alleen worden gemaakt bij een notariële akte of bij
een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse
akte.
Artikel 95
1.
Een onderhandse uiterste wil
kan niet geldig worden gemaakt door hem die door
onkunde of door andere oorzaken niet in staat is
geweest de uiterste wil te lezen.
2.
Een bij onderhandse akte
gemaakte uiterste wil moet door de erflater zijn
ondertekend. Is de uiterste wil door een ander
dan de erflater of met mechanische middelen
geschreven, en bestaat de wil uit meer dan één
bladzijde, dan moet iedere bladzijde zijn
genummerd en door de handtekening van de
erflater zijn gewaarmerkt.
3.
Een onderhandse uiterste wil
wordt door de erflater aan een notaris ter hand
gesteld. De erflater moet daarbij verklaren dat
het aangeboden stuk zijn uiterste wil bevat en
dat aan de vereisten van het vorige lid is
voldaan. Indien het stuk gesloten wordt
aangeboden, kan de erflater bij de aanbieding
tevens verklaren dat het stuk slechts mag worden
geopend, indien bepaalde door hem genoemde
voorwaarden op de dag van zijn overlijden zijn
vervuld.
4.
Van de bewaargeving en de
verklaringen van de erflater maakt de notaris
een akte op die door de erflater en de notaris
wordt ondertekend.
5.
Wanneer de erflater verklaart
dat hij door een met name door hem genoemde, na
de ondertekening van de uiterste wil opgekomen
oorzaak verhinderd wordt de akte van
bewaargeving te ondertekenen, vervangt die
verklaring zijn ondertekening van de akte van
bewaargeving, mits zij daarin wordt opgenomen.
6.
De onderhandse uiterste wil
blijft berusten onder de minuten van de notaris
die deze akte heeft ontvangen.
Artikel 96
Op degene die de geldigheid
van een in bewaring gegeven uiterste wil bestrijdt
op grond dat de erflater de wil niet eigenhandig
heeft ondertekend of geschreven of de bladzijden
waaruit de wil bestaat niet eigenhandig heeft
gewaarmerkt, rust de bewijslast daarvan.
Artikel 97
Bij een onderhands, door de
erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend
en ondertekend stuk kunnen zonder verdere
formaliteiten beschikkingen worden gemaakt tot:
a. het maken van
legaten van:
1°. kleren,
lijfstoebehoren en bepaalde
lijfsieraden;
2°. bepaalde tot
de inboedel behorende zaken en bepaalde
boeken;
b. bepaling dat
goederen, bedoeld onder a, buiten een
huwelijksgemeenschap vallen;
c. aanwijzing van een
persoon als bedoeld in artikel 25, tweede en
vierde lid, van de Auteurswet 1912 en
artikel 5, tweede lid, van de Wet op de
naburige rechten.
Artikel 98
1.
In geval van oorlog of
burgeroorlog kunnen militairen en andere tot de
krijgsmacht behorende personen een uiterste wil
maken ten overstaan van een officier van de
krijgsmacht.
2.
Ook buiten het geval van
oorlog of burgeroorlog kan op deze wijze een
uiterste wil worden gemaakt door militairen en
andere personen, die behoren tot een gedeelte
van de krijgsmacht dat is aangewezen:
a. ter deelneming aan
een militaire expeditie;
b. ter bestrijding van
een vijandelijke macht;
c. ter handhaving van
de onzijdigheid van de Staat;
d. tot enig optreden
hetzij tot collectieve of individuele
zelfverdediging, hetzij tot handhaving of
herstel van de internationale orde en
veiligheid; of
e. ter voldoening aan
een vordering van het bevoegde gezag in
geval van oproerige beweging.
3.
In krijgsgevangenschap kan in
plaats van een officier ook een onderofficier
optreden.
4.
Officieren en onderofficieren
mogen hun medewerking slechts verlenen, indien
de erflater zich niet tot een bevoegde notaris
of consulaire ambtenaar kan wenden.
Niet-inachtneming van dit voorschrift schaadt de
geldigheid van de uiterste wil niet.
Artikel 99 [Vervallen per
01-05-2004]
Artikel 100
1.
De in artikel
98 lid 1 vermelde mogelijkheid blijft bestaan,
totdat de Koning heeft vastgesteld dat voor de
toepassing van die bepaling de oorlog of de
burgeroorlog als geëindigd moet worden
beschouwd.
2.
De in artikel 98 lid 2
vermelde mogelijkheid blijft bestaan, totdat op
de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
wijze is bekendgemaakt dat de aanwijzing is
geëindigd.
Artikel 101
Zij die zich op een reis aan
boord van een zeeschip of luchtvaartuig bevinden,
kunnen een uiterste wil maken ten overstaan van de
gezagvoerder of de eerste officier, of bij gebreke
van deze personen ten overstaan van hem die hun
plaats vervult.
Artikel 102
Op plaatsen waar voor de
erflater het normale verkeer met een notaris of
bevoegde consulaire ambtenaar verboden of verbroken
is als gevolg van rampen, gevechtshandelingen,
besmettelijke ziekten of andere buitengewone
omstandigheden, kan hij een uiterste wil maken ten
overstaan van een Nederlandse consulaire ambtenaar,
ook indien deze niet krachtens de gewone regelen
bevoegd is, of de burgemeester, de secretaris of een
wethouder der gemeente, een kandidaat-notaris, een
advocaat, een procureur, een officier van de
krijgsmacht of van een gemeentelijke of regionale
brandweer, of een daartoe door de minister van
justitie bevoegd verklaarde ambtenaar.
Artikel 103
1.
De uiterste willen, bedoeld
in de artikelen 98, 101 en 102, worden verleden
in tegenwoordigheid van twee getuigen. Zij
worden op behoorlijke wijze op schrift gesteld
en door de erflater, alsmede door de getuigen en
degene te wiens overstaan zij zijn verleden,
ondertekend.
2.
De getuigen moeten
meerderjarig zijn en de taal verstaan, waarin de
uiterste wil is opgesteld. In de gevallen van de
artikelen 98 en 102 geldt het vereiste van
meerderjarigheid niet voor getuigen die
militairen zijn of deelnemen aan het bestrijden
van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in
artikel 1 van de Wet rampen en zware ongevallen.
3.
Indien de erflater of een van
de getuigen verklaart door onkunde of een andere
met name door hem genoemde oorzaak niet te
kunnen ondertekenen, vervangt die verklaring
zijn ondertekening, mits zij in de akte wordt
opgenomen.
Artikel 104
1.
De erflater is in de gevallen
van de artikelen 98, 101 en 102 ook bevoegd een
door hem ondertekende onderhandse uiterste wil
te maken, die hij in tegenwoordigheid van twee
getuigen in bewaring geeft aan een persoon te
wiens overstaan hij ingevolge die artikelen een
uiterste wil kan doen verlijden. Deze persoon
maakt daarvan onmiddellijk een akte van
bewaargeving op, hetzij op het papier van de
uiterste wil, hetzij op de omslag daarvan,
hetzij op een afzonderlijk papier; het vorige
artikel is op die akte van overeenkomstige
toepassing.
2.
De artikelen 98 lid 4 en 100
zijn van overeenkomstige toepassing.
3.
Op degene die de geldigheid
van de in bewaring gegeven uiterste wil
bestrijdt op grond dat de erflater de wil niet
eigenhandig heeft ondertekend, rust de
bewijslast daarvan.
Artikel 105
Indien in een geval, bedoeld
in het vorige artikel, de onderhandse uiterste wil
is gedagtekend en de erflater overlijdt zonder dat
de uiterste wil overeenkomstig de wet in bewaring is
gegeven, is de uiterste wil niettemin geldig, tenzij
de erflater redelijkerwijze alsnog een uiterste wil
overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze
afdeling had kunnen maken.
Artikel 106
1.
Hij die een akte van uiterste
wil, van bewaargeving of van terugneming, als
bedoeld in de artikelen 98, 100 tot en met 105
en 113, onder zich heeft, zendt de akte zo
spoedig mogelijk in gesloten omslag naar het
testamentenregister te 's-Gravenhage.
2.
Het vorige lid geldt niet
voor akten, opgemaakt door of ten overstaan van
een volgens de gewone regelen bevoegde notaris
of consulaire ambtenaar, en voor de door dezen
in bewaring genomen akten van uiterste wil.
Artikel 107
1.
De uiterste willen, bedoeld
in de artikelen 98 en 100 tot en met 104, zijn
vernietigbaar, indien de erflater overlijdt meer
dan zes maanden nadat voor hem de mogelijkheid
is geëindigd, een uiterste wil te maken op een
van de in die artikelen genoemde wijzen.
2.
De termijn wordt telkens met
een maand verlengd, indien de erflater
redelijkerwijze niet in staat is geweest in de
laatstverstreken maand een uiterste wil te
maken.
Artikel 108
Een uiterste wil die op een in
een der artikelen 98, 101, 102 en 104 vermelde
wijze, doch niet onder de daar aangegeven
omstandigheden is gemaakt, is, indien de erflater
binnen zes maanden daarna overlijdt, niet van
rechtswege nietig, doch vernietigbaar.
Artikel 109
1.
Een uiterste wil is nietig,
indien aan de akte van uiterste wil of aan de
akte van bewaargeving, zo deze voorgeschreven
is, de vereiste ondertekening door de erflater
ontbreekt.
2.
Een uiterste wil die ten
overstaan van een notaris moet worden gemaakt is
nietig, indien de akte van uiterste wil niet
door een notaris is ondertekend. Een uiterste
wil, die aan een notaris in bewaring moet worden
gegeven, is nietig, indien een door een notaris
ondertekende akte van bewaargeving ontbreekt. Is
echter, in dit laatste geval, de akte van
uiterste wil door een notaris ondertekend, dan
is de uiterste wil vernietigbaar.
3.
Het vorige lid is van
overeenkomstige toepassing op een uiterste wil
die ten overstaan van een in de artikelen 98,
101 en 102 genoemde persoon moet worden gemaakt
of aan een aldaar genoemde persoon in bewaring
moet worden gegeven.
4.
Het niet inachtnemen van
andere door de wet voor de geldigheid van de
uiterste wil gestelde vormvereisten maakt de
uiterste wil vernietigbaar.
Artikel 110
Het bepaalde in artikel 54 is
van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot
vernietiging van een uiterste wil.
Afdeling 5. Herroeping van
uiterste wilsbeschikkingen
Artikel 111
Voor het herroepen van een
uiterste wilsbeschikking gelden dezelfde
vormvoorschriften als voor het maken van die
beschikking.
Artikel 112
Een latere uiterste
wilsbeschikking die een vroegere niet uitdrukkelijk
herroept, doet deze vervallen voor zover zij door de
latere beschikking onuitvoerbaar is geworden of
vervangen is.
Artikel 113
Een erflater kan te allen
tijde zijn onderhandse, in bewaring gegeven uiterste
wil terugvorderen, mits hij ter verantwoording van
de notaris of andere persoon die de akte krachtens
wettelijk voorschrift onder zich heeft, van de
teruggave doet blijken bij een ten overstaan van die
notaris of, met overeenkomstige toepassing van
artikel 103, ten overstaan van die persoon verleden
akte. Door de teruggave wordt de onderhandse
uiterste wil herroepen.
Artikel 114
Een uiterste wilsbeschikking
die geldig bij een onderhands en niet in bewaring
gegeven stuk getroffen is, wordt herroepen wanneer
de erflater dit stuk vernietigt. Is het stuk
vernietigd, dan wordt dit vermoed door de erflater
te zijn geschied.
Titel 5. Onderscheiden soorten
van uiterste wilsbeschikkingen
Afdeling 1. Erfstellingen
Artikel 115
Een erfstelling is een
uiterste wilsbeschikking, krachtens welke de
erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen
zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin
nalaat.
Artikel 116
Bij uiterste wilsbeschikking
ingestelde erfgenamen hebben gelijke rechten en
verplichtingen als erfgenamen bij versterf.
Afdeling 2. Legaten
Paragraaf 1. Algemene
bepalingen
Artikel 117
1.
Een legaat is een uiterste
wilsbeschikking waarin de erflater aan een of
meer personen een vorderingsrecht toekent.
2.
Een legaat komt, tenzij het
aan een of meer bepaalde erfgenamen of
legatarissen is opgelegd, ten laste van de
gezamenlijke erfgenamen.
3.
Is de prestatie deelbaar, dan
zijn de belaste erfgenamen ieder voor een deel,
evenredig aan zijn erfdeel, verbonden, tenzij de
erflater anders heeft beschikt.
Artikel 118
1.
Is een bepaalde persoon die
als erfgenaam met een legaat is belast, niet
erfgenaam geworden of is zijn erfrecht
vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin
niet, dan rust de hem opgelegde verplichting,
tenzij uit haar aard iets anders voortvloeit, op
degenen aan wie zijn erfdeel toevalt; zij kunnen
echter volstaan met uitkering aan de legataris
van hetgeen zij in de plaats van de belaste
persoon uit de nalatenschap genieten of van de
waarde daarvan.
2.
Is een met een sublegaat
belaste persoon niet legataris geworden of is
zijn recht uit het hem gemaakte legaat
vervallen, en voorziet de uiterste wil hierin
niet, dan rust de hem opgelegde verplichting,
tenzij uit haar aard iets anders voortvloeit, op
degenen die met het hem gemaakte legaat waren
belast; zij kunnen echter volstaan met
voldoening aan de sublegataris van het aan de
belaste persoon gelegateerde of van de waarde
daarvan.
Artikel 119
Degenen op wie een legaat
rust, alsmede de executeur, dragen zorg dat de
legataris zo spoedig mogelijk van het legaat wordt
kennis gegeven. Is het adres van een legataris hun
onbekend gebleven, dan delen zij dit mede aan de
kantonrechter, die hun het doen van nasporingen of
een bepaalde wijze van oproeping kan gelasten.
Artikel 120
1.
Schulden van de nalatenschap
uit een legaat worden slechts ten laste van de
nalatenschap voldaan, indien alle andere
schulden van de nalatenschap daaruit ten volle
kunnen worden voldaan.
2.
Voor zover de nalatenschap
niet toereikend is om de schulden uit legaten te
voldoen uit de erfdelen van de erfgenamen op wie
zij rusten, worden zij verminderd.
3.
Tenzij uit de uiterste wil
een andere wijze van vermindering voortvloeit,
ondergaan deze verplichtingen alle een
evenredige vermindering, met dien verstande dat,
voor zover de prestatie is te beschouwen als
voldoening aan een natuurlijke verbintenis van
de erflater, die verplichting pas na de andere
voor vermindering in aanmerking komt.
4.
Vermindering geschiedt door
een verklaring aan de legataris door de met het
legaat belaste erfgenamen of, indien de
nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel
13, de echtgenoot van de erflater. Voor zover de
prestatie reeds is verricht, blijft de
rechtsgrond daarvoor in stand, behoudens de
mogelijkheid van terugvordering en verhaal als
bedoeld in de artikelen 216 en 220 lid 3.
5.
Ondanks de vermindering
blijven de erfgenamen die met hun gehele
vermogen aansprakelijk zijn, gehouden tot
voldoening voor het geheel.
Artikel 121
1.
Een legataris is bevoegd de
hem opgelegde sublegaten en tot een uitgave in
geld of goed verplichtende lasten te
verminderen, voor zover de waarde van het hem
gelegateerde ontoereikend is of door inkorting
of vermindering ontoereikend wordt om aan de hem
opgelegde verplichtingen te voldoen.
2.
Tenzij uit de uiterste wil
een andere wijze van vermindering voortvloeit,
ondergaan deze verplichtingen alle een
evenredige vermindering, met dien verstande dat
voor zover de prestatie is te beschouwen als
voldoening aan een natuurlijke verbintenis van
de erflater, die verplichting pas na de andere
voor vermindering in aanmerking komt.
Artikel 122
1.
Een legataris wiens legaat
wordt ingekort of verminderd, is bevoegd
volledige voldoening van het legaat te
verlangen, mits hij het bedrag van de inkorting
of vermindering in geld oplegt.
2.
Maakt de legataris geen
gebruik van deze bevoegdheid, dan kan de
wederpartij ermede volstaan hem de waarde van
het ingekorte of verminderde legaat uit te
keren.
Artikel 123
1.
De rechter kan op verzoek van
de legataris of van hem die met het legaat
belast is, de verbintenissen uit een legaat
wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op
grond van na het overlijden van de erflater
ingetreden omstandigheden welke van dien aard
zijn, dat de andere partij naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid ongewijzigde
instandhouding van die verbintenissen niet mag
verwachten.
2.
Bij een wijziging of
opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de
bedoeling van de erflater in acht.
3.
De artikelen 258 leden 1,
tweede zin, 2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1 en
2 van Boek 6 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 124
Tenzij de erflater anders
heeft beschikt, heeft een legataris aan wie een
bepaald goed der nalatenschap of het vruchtgebruik
van een zodanig goed, van de gehele nalatenschap of
van een aandeel daarin is vermaakt, recht op
uitkering van de vruchten van het hem vermaakte die
de erfgenamen hebben geïnd nadat zijn vordering
opeisbaar is geworden. De rechtsvordering tot
uitkering van deze vruchten verjaart door verloop
van drie jaren nadat zij zijn geïnd.
Artikel 125
1.
Een legaat van een geldsom
wordt zes maanden na het overlijden van de
erflater opeisbaar, tenzij hij anders heeft
beschikt.
2.
Nochtans kan een erfgenaam
aan wie een goed der nalatenschap is gelegateerd
tegen vergoeding van de waarde of een gedeelte
daarvan, de betaling van die vergoeding
opschorten tot de verdeling van de nalatenschap,
tenzij de erflater anders heeft beschikt.
3.
Degene op wie de schuld uit
een legaat van een geldsom rust, komt niet in
verzuim door het enkele verstrijken van een voor
de voldoening bepaalde termijn.
4.
Op legaten van een geldsom is
artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 2. Giften en andere
handelingen die worden aangemerkt als legaten
Artikel 126
1.
Een schenking of andere gift
wordt, voor zover deze de strekking heeft dat
zij pas na het overlijden van de schenker of
gever wordt uitgevoerd, en zij niet reeds
tijdens het leven van de schenker of gever is
uitgevoerd, voor de toepassing van hetgeen in
dit Boek is bepaald betreffende inkorting en
vermindering aangemerkt als een legaat ten laste
van de gezamenlijke erfgenamen. In afwijking van
de artikelen 87 lid 2 en 120 lid 3 komt de
schenking of andere gift, indien daarbij niet
anders is bepaald, als laatste voor inkorting en
vermindering in aanmerking. Kan de schenking of
andere gift tot aan het overlijden van de
schenker of gever worden herroepen, dan mist de
tweede zin toepassing.
2.
Lid 1 is van overeenkomstige
toepassing op:
a. een beding dat een
goed van een der partijen onder opschortende
voorwaarde of onder opschortende
tijdsbepaling zonder redelijke
tegenprestatie op een ander overgaat of kan
overgaan, voor zover het beding wordt
toegepast in geval van overlijden van degene
aan wie het goed toebehoort; wederkerigheid
van het beding geldt niet als
tegenprestatie;
b. een begunstiging
bij een sommenverzekering, voor zover de
uitkering die door het overlijden van de
verzekeringnemer verschuldigd wordt, als een
gift geldt;
c. een omzetting van
een natuurlijke verbintenis in een rechtens
afdwingbare, voor zover deze de strekking
heeft dat de verbintenis pas na het
overlijden van de schuldenaar zal worden
nagekomen, en deze verbintenis niet reeds
tijdens diens leven is nagekomen.
3.
De artikelen 66 en 68 zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 127
Betreft de inkorting of de
vermindering een begunstiging bij een
sommenverzekering of een andere begunstiging bij een
beding ten behoeve van een derde, dan heeft zij tot
gevolg dat de begunstigde verplicht is tot
vergoeding van de waarde van het ingekorte of in
mindering komende gedeelte aan de gezamenlijke
erfgenamen, voor zover dit niet, alle omstandigheden
in aanmerking genomen, onredelijk is. Indien de
nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13,
is de in de eerste zin bedoelde vergoeding
verschuldigd aan de echtgenoot van de erflater. Een
begunstiging als bedoeld in de eerste zin kan
slechts worden ingekort of verminderd binnen drie
jaar nadat de begunstigde de prestatie heeft
ontvangen.
Artikel 128
Hetgeen met betrekking tot
legatarissen is bepaald in de artikelen 29 lid 3 en
30 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op
degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als
bedoeld in artikel 126. Met gelegateerde goederen
als bedoeld in artikel 30 lid 5 worden gelijkgesteld
goederen die zijn verkregen krachtens een handeling
als bedoeld in artikel 126. Hetgeen met betrekking
tot legatarissen is bepaald in de artikelen 216 en
220 lid 3 is van overeenkomstige toepassing op
degenen die zijn bevoordeeld door een handeling als
bedoeld in artikel 126 leden 1 en 2, onder c,
alsmede, voor zover dit niet, alle omstandigheden in
aanmerking genomen, onredelijk is, door een
handeling als bedoeld in artikel 126 lid 2, onder b.
Artikel 129
Bij uiterste wilsbeschikking
kan een voorwaarde als bedoeld in artikel 82 worden
verbonden aan een handeling als bedoeld in artikel
126.
Afdeling 3. Testamentaire
lasten
Artikel 130
1.
Een testamentaire last is een
uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan
de gezamenlijke erfgenamen of aan een of meer
bepaalde erfgenamen of legatarissen een
verplichting oplegt, die niet bestaat in de
uitvoering van een legaat.
2.
Een testamentaire last kan
ook worden opgelegd aan een executeur. De hem
opgelegde verplichting rust mede op de
gezamenlijke erfgenamen, tenzij uit haar aard of
uit de uiterste wil iets anders voortvloeit.
3.
Artikel 120 is van
overeenkomstige toepassing op een last die
strekt tot een uitgave van geld of van een goed
uit de nalatenschap; deze wordt tegelijk met een
legaat en in gelijke mate verminderd.
Artikel 131
1.
Een erfgenaam of legataris op
wie een testamentaire last rust, verkrijgt zijn
recht onder de ontbindende voorwaarde dat het
wegens niet-uitvoering van de last wordt
vervallen verklaard door de rechter.
2.
De vervallenverklaring kan
door de rechter worden uitgesproken op verzoek
van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring
belanghebbende.
3.
Een erfgenaam die met zijn
gehele vermogen jegens schuldeisers van de
erflater en legatarissen aansprakelijk was,
blijft jegens hen na de vervallenverklaring van
zijn recht tot voldoening gehouden, onverminderd
zijn recht van verhaal op degenen aan wie het
door hem geërfde opkomt.
Artikel 132
Is een last aan een bepaalde
persoon als erfgenaam of legataris opgelegd en is
hij niet erfgenaam of legataris geworden of is zijn
recht vervallen, dan rust de hem opgelegde
verplichting, tenzij uit haar aard of uit de
uiterste wil iets anders voortvloeit, op degenen aan
wie zijn erfdeel toevalt of die met het hem gemaakte
legaat waren belast.
Artikel 133
1.
Is de vervulling van een aan
een testamentaire last toegevoegde opschortende
voorwaarde belet door degene op wie de last
rust, dan geldt de voorwaarde als vervuld,
indien de redelijkheid en billijkheid dit
verlangen.
2.
Is de vervulling van een aan
een testamentaire last toegevoegde ontbindende
voorwaarde teweeggebracht door degene op wie de
last rust, dan geldt de voorwaarde als niet
vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid
dit verlangen.
3.
Artikel 140 lid 1 is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 134
1.
De rechter kan op verzoek van
degene op wie de last rust of van het openbaar
ministerie de last wijzigen of geheel of
gedeeltelijk opheffen:
a. op grond van na het
overlijden van de erflater ingetreden
omstandigheden welke van dien aard zijn dat
de ongewijzigde instandhouding van de last
uit een oogpunt van de daarbij betrokken
persoonlijke en maatschappelijke belangen
ongerechtvaardigd zou zijn;
b. op grond dat de
last door inkorting of vermindering van de
last, of van de making waaraan hij is
verbonden, bezwaarlijk of onmogelijk
uitvoerbaar is geworden;
c. in geval de last
ingevolge artikel 132 op een ander is komen
te rusten dan degenen aan wie hij bij de
uiterste wilsbeschikking is opgelegd.
2.
Bij een wijziging of
opheffing neemt de rechter zoveel mogelijk de
bedoeling van de erflater in acht.
3.
De artikelen 258 leden 1,
tweede zin, 2 en 3 van Boek 6 en 260 leden 1 en
2 van Boek 6 zijn van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 4. Stichtingen
Artikel 135
1.
Wanneer een erflater iets
heeft vermaakt aan een stichting die hij in een
bij notariële akte gemaakte uiterste
wilsbeschikking heeft in het leven geroepen, is
de stichting erfgenaam of legataris, naar gelang
het haar vermaakte aan een erfstelling of aan
een legaat beantwoordt.
2.
Heeft hij bij een in andere
vorm gemaakte uiterste wil verklaard een
stichting in het leven te roepen, dan wordt deze
beschikking aangemerkt als een aan de
gezamenlijke erfgenamen opgelegde last om die
stichting op te richten.
3.
Degene op wie een last om een
stichting op te richten rust, kan daartoe op
vordering van het openbaar ministerie worden
veroordeeld door de rechtbank van het sterfhuis
of, indien de erflater zijn laatste woonplaats
niet in Nederland had, door de rechtbank te
's-Gravenhage. De rechter kan bepalen dat het
vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in
wettige vorm opgemaakte akte van hem die tot de
rechtshandeling gehouden is, of dat een door de
rechter aan te wijzen vertegenwoordiger de
handeling zal verrichten.
Afdeling 5. Makingen onder
tijdsbepaling en onder voorwaarde
Artikel 136
1.
Bevat een uiterste wil een
erfstelling onder tijdsbepaling, dan wordt deze
beschikking aangemerkt als een dadelijk ingaande
erfstelling van degene die, bij uitvoering van
de uiterste wil zoals deze luidt, het laatst tot
het erfdeel zou zijn geroepen, belast met een
legaat van vruchtgebruik van het erfdeel voor de
gestelde tijd ten behoeve van degene die het
eerst tot het erfdeel zou zijn geroepen.
2.
In geval van een erfstelling
onder een ontbindende tijdsbepaling zonder een
daarbij aansluitende erfstelling onder
opschortende tijdsbepaling komt de
eerstgeroepene vruchtgebruik met bevoegdheid tot
vervreemding en vertering toe, voor zover de
erflater deze bevoegdheid niet heeft
uitgesloten.
Artikel 137
Om aan een making onder
opschortende voorwaarde een recht te kunnen
ontlenen, moet men nog bestaan op het ogenblik dat
de voorwaarde wordt vervuld, tenzij uit de uiterste
wil of uit de aard van de beschikking het tegendeel
voortvloeit.
Artikel 138
1.
Wanneer een erfstelling onder
een voorwaarde is gemaakt, wordt degene aan wie
het vermaakte tot de vervulling der voorwaarde
toekomt, als de uitsluitend rechthebbende
aangemerkt voor zover het betreft de door en
tegen derden uit te oefenen rechten en
rechtsvorderingen.
2.
Voor het overige vinden,
zolang de vervulling der voorwaarden onzeker is,
de wettelijke voorschriften betreffende het
vruchtgebruik, zoals geregeld in titel 8 van
Boek 3, overeenkomstige toepassing.
Dientengevolge is hij verplicht het vermaakte
gelijk een vruchtgebruiker te bewaren en in
stand te houden, tenzij de erflater hem de
bevoegdheid heeft toegekend om de goederen te
verteren en onvoorwaardelijk te vervreemden.
3.
In geval van een erfstelling
onder een ontbindende voorwaarde zonder een
daarbij aansluitende erfstelling onder
opschortende voorwaarde is hij jegens degene aan
wie het vermaakte bij vervulling van de
voorwaarde toekomt, bevoegd de goederen te
vervreemden en te verteren op dezelfde voet als
een vruchtgebruiker aan wie deze bevoegdheid is
gegeven, voor zover de erflater niet anders
heeft bepaald.
Artikel 139
1.
Is de vervulling van een aan
een erfstelling toegevoegde voorwaarde belet
door iemand aan wie het vermaakte toekomt zolang
de voorwaarde niet is vervuld, dan geldt zij als
vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid
dit verlangen.
2.
Is de vervulling van de
voorwaarde teweeggebracht door iemand aan wie
het vermaakte bij vervulling van de voorwaarde
toekomt, dan geldt zij als niet vervuld, indien
de redelijkheid en billijkheid dit verlangen.
Artikel 140
1.
Is een aan een erfstelling
toegevoegde voorwaarde dertig jaren na het
overlijden van de erflater nog niet vervuld, dan
vervalt de beschikking, wanneer het een
opschortende voorwaarde is; is het een
ontbindende voorwaarde, dan vervalt de
voorwaarde. Hiermede strijdige beschikkingen van
de erflater zijn nietig.
2.
Het vorige lid vindt mede
toepassing op een legaat van een bepaald goed
der nalatenschap of van een beperkt recht op een
zodanig goed.
Artikel 141
Het voorgaande artikel vindt
geen toepassing op een making onder een ontbindende
voorwaarde en een daarbij aansluitende making onder
opschortende voorwaarde, volgens welke het vermaakte
of het onverteerde deel daarvan op het tijdstip van
overlijden van de bezwaarde of op een eerder
tijdstip zal ten deel vallen aan de verwachter,
indien deze het aangewezen tijdstip overleeft.
Afdeling 6. Executeurs
Artikel 142
1.
Een erflater kan bij uiterste
wilsbeschikking een of meer executeurs benoemen.
Hij kan aan een executeur de bevoegdheid
toekennen een of meer andere executeurs aan zich
toe te voegen of in zijn plaats te stellen; hij
kan ook beschikken dat wanneer een benoemde
executeur komt te ontbreken, de kantonrechter
bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een
vervanger te benoemen.
2.
Zijn er twee of meer
executeurs, dan kan, tenzij de erflater anders
heeft beschikt, ieder van hen alle werkzaamheden
alleen verrichten.
3.
Bij verschil van mening
tussen de executeurs beslist op verzoek van een
van hen de kantonrechter. Deze kan een verdeling
van de werkzaamheden of van het hun toekomende
loon vaststellen.
Artikel 143
1.
Men wordt executeur door
aanvaarding van zijn benoeming na het overlijden
van de erflater. De kantonrechter kan op verzoek
van een belanghebbende een termijn stellen, na
afloop waarvan de benoeming niet meer kan worden
aanvaard.
2.
Handelingsonbekwamen, zij van
wie één of meer goederen onder een bewind als
bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, en
zij die in staat van faillissement verkeren of
ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, kunnen niet executeur worden.
Artikel 144
1.
Onverminderd de testamentaire
lasten die de erflater aan de executeur mocht
hebben opgelegd, heeft deze, voor zover de
erflater niet anders heeft beschikt, tot taak de
goederen der nalatenschap te beheren en de
schulden der nalatenschap te voldoen, die
tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te
worden voldaan.
2.
Tenzij bij uiterste wil
anders is geregeld, komt de executeur, of als er
meer dan een executeur is, hun tezamen, een ten
honderd van de waarde van het vermogen van de
erflater op diens sterfdag toe.
3.
Artikel 159 leden 2 en 3 is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 145
1.
Is een executeur benoemd, die
tot taak heeft goederen der nalatenschap te
beheren, dan kunnen de erfgenamen, tenzij hij
zijn benoeming niet aanvaardt, niet zonder zijn
medewerking of machtiging van de kantonrechter
over die goederen of hun aandeel daarin
beschikken, voordat zijn bevoegdheid tot beheer
is geëindigd.
2.
Gedurende zijn beheer
vertegenwoordigt hij bij de vervulling van zijn
taak de erfgenamen in en buiten rechte.
Artikel 146
1.
De executeur die met het
beheer van de nalatenschap is belast, kan een
boedelnotaris aanwijzen; deze geeft van de
aanvaarding van zijn opdracht kennis aan de
erfgenamen.
2.
Hij moet met bekwame spoed
een boedelbeschrijving met inbegrip van een
voorlopige staat van de schulden der
nalatenschap opmaken en de hem bekende
schuldeisers oproepen tot indiening van hun
vorderingen bij de boedelnotaris of, indien deze
ontbreekt, bij een der executeurs. De aanmelding
van een vordering stuit de verjaring.
Artikel 147
1.
De executeur is bevoegd door
hem beheerde goederen te gelde te maken, voor
zover dit nodig is voor de tot zijn taak
behorende voldoening van schulden der
nalatenschap en de nakoming der hem opgelegde
lasten.
2.
Tenzij de erflater anders
heeft beschikt, treedt de executeur omtrent de
keuze van de te gelde te maken goederen en de
wijze van tegeldemaking zoveel mogelijk in
overleg met de erfgenamen en stelt hij, zo bij
een erfgenaam bezwaar bestaat tegen een
voorgenomen tegeldemaking, die erfgenaam in de
gelegenheid de beslissing van de kantonrechter
in te roepen.
3.
De erflater kan bepalen dat
de executeur voor de tegeldemaking van een goed
de toestemming van de erfgenamen behoeft. Deze
toestemming kan echter vervangen worden door een
machtiging van de kantonrechter.
4.
Het in de vorige leden ten
aanzien van de erfgenamen bepaalde geldt mede
ten aanzien van hen aan wie het vruchtgebruik
van de nalatenschap of van een aandeel daarin is
vermaakt.
Artikel 148
De executeur moet aan een
erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen
omtrent de uitoefening van zijn taak geven.
Artikel 149
1.
De taak van een executeur
eindigt:
a. wanneer hij zijn
werkzaamheden als zodanig heeft voltooid;
b. door tijdverloop,
indien hij voor een bepaalde tijd was
benoemd;
c. door zijn dood, het
ten aanzien van hem van toepassing verklaren
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, zijn faillietverklaring, zijn
ondercuratelestelling of door de instelling
van een bewind als bedoeld in titel 19 van
Boek 1 over een of meer van zijn goederen;
d. wanneer de
nalatenschap overeenkomstig de derde
afdeling van de zesde titel moet worden
vereffend;
e. in de bij de
uiterste wil bepaalde gevallen;
f. door ontslag dat de
kantonrechter hem met ingang van een
bepaalde dag verleent.
2.
Het ontslag wordt hem
verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om
gewichtige redenen, zulks op verzoek van een
mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar
ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het
onderzoek kan de kantonrechter voorlopige
voorzieningen treffen en de executeur schorsen.
3.
Een gewezen executeur blijft
verplicht te doen wat niet zonder nadeel voor de
afwikkeling van de nalatenschap kan worden
uitgesteld, totdat degene die na hem tot het
beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft
aanvaard.
4.
Eindigt de hoedanigheid van
executeur door diens faillissement of
ondercuratelestelling dan rust de in het vorige
lid bedoelde verplichting op de curator, indien
deze van de executele kennis draagt; eindigt de
hoedanigheid van executeur door het ten aanzien
van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of
de onderbewindstelling van een of meer van zijn
goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die
gevallen optredende bewindvoerder. Eindigt de
hoedanigheid van executeur door diens dood, dan
zijn de erfgenamen verplicht, indien zij van de
executele kennis dragen, het overlijden van de
executeur mede te delen aan de erfgenamen van
degene die hem heeft benoemd.
Artikel 150
1.
Een executeur die zijn taak,
met het oog waarop hem het beheer was
opgedragen, heeft volgebracht, is bevoegd zijn
beheer te beëindigen door de goederen ter
beschikking van de erfgenamen te stellen.
2.
De erfgenamen kunnen de
bevoegdheid van een executeur tot beheer
beëindigen:
a. na voldoening van
de schulden der nalatenschap en nakoming der
lasten, waarvan de afwikkeling reeds tot
zijn taak behoort of nog binnen het jaar na
het overlijden van de erflater tot zijn taak
zou kunnen gaan behoren;
b. wanneer een jaar en
zes maanden is verlopen sedert een of meer
der executeurs de nalatenschap in beheer
hebben kunnen nemen. De kantonrechter kan
deze termijn, ook na het verstrijken
daarvan, op verzoek van een executeur een of
meer malen verlengen.
3.
Wanneer de erfgenamen de
nodige middelen voor de in lid 2 onder a
bedoelde afwikkeling ter beschikking van de
executeur stellen, kunnen zij zijn
beheersbevoegdheid voor het overige beëindigen.
4.
Zijn niet alle erfgenamen
bekend of niet allen bereid de goederen in
ontvangst te nemen, dan zijn de artikelen 225 en
226 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 151
Een executeur wiens
bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is
geëindigd, is verplicht aan degene die na hem tot
het beheer bevoegd is, rekening en verantwoording af
te leggen, op de wijze als voor bewindvoerders is
bepaald.
Artikel 152
Voor de toepassing van de
bepalingen van deze afdeling wordt de echtgenoot van
de erflater die een recht van vruchtgebruik heeft
krachtens afdeling 2 van titel 3, als een erfgenaam
aangemerkt. De bevoegdheden, bedoeld in artikel 150
leden 2 en 3, komen mede aan die echtgenoot toe.
Afdeling 7. Testamentair
bewind
Paragraaf 1. Algemene
bepalingen
Artikel 153
1.
Een erflater kan bij uiterste
wilsbeschikking bewind instellen over een of
meer door hem nagelaten of vermaakte goederen.
2.
Tenzij de erflater anders
heeft bepaald, treedt het bewind in werking op
het tijdstip van zijn overlijden.
Artikel 154
Tenzij bij de instelling
anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen
die geacht moeten worden in de plaats van een onder
bewind staand goed te treden, benevens de vruchten
en andere voordelen die zulk een goed oplevert,
zolang de vruchten niet zijn uitgekeerd aan degene
die daarop recht heeft ingevolge artikel 162.
Artikel 155
1.
Het bewind over een erfdeel
of een legaat wordt vermoed te zijn ingesteld in
het belang van de rechthebbende, tenzij een der
volgende leden van toepassing is.
2.
Het bewind over een
vruchtgebruik wordt vermoed zowel in het belang
van de vruchtgebruiker als van de
hoofdgerechtigde te zijn ingesteld. Hetzelfde
geldt voor het bewind over de rechten van
gebruik en bewoning.
3.
Het bewind over een
voorwaardelijke making wordt vermoed te zijn
ingesteld in het belang van zowel degene die het
goed bij vervulling der voorwaarde verkrijgt,
als van degene die het alsdan verliest.
4.
Het bewind over goederen of
aandelen in goederen die gemeenschappelijk
beheerd dienen te worden, wordt vermoed te zijn
ingesteld in een gemeenschappelijk belang.
Artikel 156
Is het bewind uitsluitend of
mede ingesteld in het belang van een ander dan de
rechthebbende op de onder bewind gestelde goederen,
dan wordt die ander, zolang niet vaststaat wie hij
is, voor de toepassing van deze afdeling aangemerkt
als iemand die niet in staat is zijn wil te bepalen.
Paragraaf 2. De bewindvoerder
Artikel 157
1.
Indien de uiterste wil niet
voorziet in de regeling der benoeming van een
bewindvoerder, wijst de kantonrechter een of
meer bewindvoerders aan op verzoek van de
rechthebbende, een erfgenaam, legataris of
andere belanghebbende dan wel van de executeur.
De kantonrechter vergewist zich van de
bereidheid van de door hem te benoemen personen.
2.
Handelingsonbekwamen, zij van
wie een of meer goederen onder een bewind als
bedoeld in titel 19 van Boek 1 zijn gesteld, zij
die in staat van faillissement verkeren of ten
aanzien van wie de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is
verklaard, alsmede de personen genoemd in
artikel 59 kunnen niet tot bewindvoerder worden
benoemd.
3.
Rechtspersonen met volledige
rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder
worden benoemd.
4.
Zo nodig kan een tijdelijke
bewindvoerder worden benoemd.
5.
De door de rechter benoemde
wordt bewindvoerder daags nadat de griffier hem
van zijn benoeming mededeling heeft gedaan,
tenzij de beschikking een later tijdstip
vermeldt.
6.
De niet door de rechter
benoemde wordt bewindvoerder daags nadat hij de
benoeming heeft aanvaard.
Artikel 158
1.
Zijn er twee of meer
bewindvoerders, dan kan ieder van hen alle
werkzaamheden die tot het bewind behoren alleen
verrichten, tenzij de uiterste wil of de
kantonrechter anders bepaalt.
2.
Bij verschil van mening
tussen de bewindvoerders beslist op verzoek van
een van hen de kantonrechter, tenzij bij
uiterste wil een andere regeling is getroffen.
3.
De kantonrechter kan
desverzocht, indien daartoe een gewichtige reden
bestaat, een verdeling van de werkzaamheden
vaststellen of wijzigen.
Artikel 159
1.
Tenzij bij uiterste wil
anders is geregeld, komt de bewindvoerder, of
als er meer dan een bewindvoerder is, hun
tezamen, per jaar een ten honderd van de waarde
aan het einde van dat jaar van het onder bewind
staande vermogen toe.
2.
Zijn er twee of meer
bewindvoerders en bevat de uiterste wil geen
regeling omtrent de verdeling van hun beloning,
dan ontvangt elk van hen een gelijke beloning,
tenzij de kantonrechter anders bepaalt of zij
tezamen anders overeenkomen.
3.
Op grond van onvoorziene
omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij
ambtshalve, hetzij op verzoek van de
bewindvoerder, van de rechthebbende of iemand in
wiens belang het bewind is ingesteld, voor
bepaalde of voor onbepaalde tijd de beloning
anders regelen dan bij de uiterste wil of de wet
is aangegeven.
Artikel 160
1.
De bewindvoerder moet zo
spoedig mogelijk een beschrijving opmaken van de
goederen waarop het bewind betrekking heeft. Is
hij door de rechter benoemd, dan moet hij een
afschrift van de beschrijving tegen
ontvangstbewijs inleveren ter griffie van de
rechtbank van de woonplaats van de
rechthebbende. Tot het stellen van zekerheid is
hij slechts verplicht, indien dit bij de
instelling van het bewind is bepaald.
2.
Tenzij bij de instelling van
het bewind anders is bepaald, moet de
bewindvoerder het bewind en zijn benoeming doen
inschrijven:
a. in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1
van Boek 3, indien het bewind betrekking
heeft op registergoederen;
b. in het register van
aandeelhouders, bedoeld in de artikelen 85
en 194 van Boek 2, indien het bewind
betrekking heeft op aandelen op naam in een
naamloze vennootschap of een besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;
c. in het
handelsregister indien het bewind betrekking
heeft op een onderneming of een aandeel in
een vennootschap.
Artikel 161
1.
De bewindvoerder legt, tenzij
andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en
aan het einde van zijn bewind rekening en
verantwoording af aan de rechthebbende en aan
degenen in wier belang het bewind is ingesteld.
Aan het einde van zijn bewind legt hij rekening
en verantwoording mede af aan degene die hem in
het beheer van de goederen opvolgt. Is de
bewindvoerder benoemd door de rechter, dan legt
hij ten overstaan van deze de rekening en
verantwoording af.
2.
Indien de rechthebbende of
een belanghebbende niet in staat is tot het
opnemen van de rekening, of het onzeker is wie
de rechthebbende of belanghebbende is, wordt de
rekening en verantwoording aan de kantonrechter
afgelegd, tenzij de uiterste wil iets anders
bepaalt. Goedkeuring van deze rekening en
verantwoording door de kantonrechter belet niet
dat de rechthebbende of belanghebbende na het
einde van het bewind nogmaals over dezelfde
tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt,
voor zover dit niet onredelijk is.
3.
De kantonrechter kan de
bewindvoerder – hetzij op diens verzoek, hetzij
ambtshalve – vrijstelling van de verplichting
tot het afleggen van de periodieke rekening en
verantwoording te zijnen overstaan verlenen; hij
kan ook beschikken dat de bewindvoerder de
rekening en verantwoording op deze wijze slechts
eens in een bepaald aantal jaren zal afleggen.
4.
Voor het overige vindt het
bepaalde aangaande de voogdijrekening in de
paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14
van Boek 1 overeenkomstige toepassing.
Artikel 162
1.
Voor zover bij de instelling
van het bewind niet anders is bepaald, wordt
telkens bij het afleggen van de rekening en
verantwoording hetgeen de goederen netto aan
vruchten hebben opgebracht, onder aftrek van de
verschuldigde beloning, uitgekeerd aan degene
die daarop recht heeft. Op verzoek van deze kan
de kantonrechter andere tijdstippen voor de
uitkering vaststellen.
2.
Zolang er onzekerheid bestaat
wie de rechthebbende is of de rechthebbende niet
tot ontvangst in staat is, blijft de
netto-opbrengst onder het bewind van de
bewindvoerder, tenzij de uiterste wil of de
kantonrechter anders bepaalt.
Artikel 163
De bewindvoerder is jegens de
rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg
van een goed bewindvoerder tekortschiet, tenzij de
tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Artikel 164
1.
De hoedanigheid van
bewindvoerder eindigt:
a. bij het einde van
het bewind;
b. door tijdsverloop,
indien hij voor een bepaalde tijd was
benoemd;
c. door zijn dood, het
ten aanzien van hem van toepassing verklaren
van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, zijn faillietverklaring, zijn
ondercuratelestelling of door de instelling
van een bewind als bedoeld in titel 19 van
Boek 1 over een of meer van zijn goederen;
d. in de bij de
uiterste wil bepaalde gevallen;
e. door ontslag dat de
kantonrechter hem met ingang van een
bepaalde dag verleent.
2.
Het ontslag wordt hem
verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens
gewichtige redenen, zulks op verzoek van een
medebewindvoerder, van de rechthebbende, van
iemand in wiens belang het bewind is ingesteld
of van het openbaar ministerie, dan wel
ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de
kantonrechter voorlopige voorzieningen in het
bewind treffen en de bewindvoerder schorsen.
Artikel 165
1.
De gewezen bewindvoerder
draagt de goederen die hij wegens het bewind
beheert af aan degene die na hem tot het beheer
daarover bevoegd is. Hij mag de afdracht
opschorten tot de voldoening van een hem
toekomend saldo.
2.
De gewezen bewindvoerder
blijft voorts al datgene doen, wat niet zonder
nadeel voor de rechthebbende of de
belanghebbende kan worden uitgesteld, totdat
degene die na hem tot het beheer der goederen
bevoegd is, dit heeft aanvaard.
3.
Eindigt de hoedanigheid van
bewindvoerder door diens faillissement of
ondercuratelestelling dan rust de in lid 2
bedoelde verplichting op de curator, indien deze
van het bewind kennis draagt; eindigt de
hoedanigheid van bewindvoerder door het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of
de onderbewindstelling van een of meer van zijn
goederen, dan geldt hetzelfde voor de in die
gevallen optredende bewindvoerder. Eindigt de
hoedanigheid van bewindvoerder door diens dood,
dan zijn de erfgenamen verplicht, indien zij van
het bewind kennis dragen, de kantonrechter te
verzoeken een andere bewindvoerder te benoemen.
Paragraaf 3. De gevolgen van
het bewind
Artikel 166
De rechthebbende is naast de
bewindvoerder bevoegd tot handelingen dienende tot
gewoon onderhoud van de goederen die hij in gebruik
heeft en tot handelingen die geen uitstel kunnen
lijden. Voor het overige komt het beheer uitsluitend
toe aan de bewindvoerder.
Artikel 167
1.
Indien het bewind is
ingesteld in het belang van de rechthebbende, is
deze slechts met medewerking of toestemming van
de bewindvoerder bevoegd tot andere handelingen
dan die in het vorige artikel bedoeld, welke een
onder bewind staand goed rechtstreeks betreffen.
Hetzelfde geldt voor de bevoegdheden van een
vruchtgebruiker met betrekking tot de goederen
waarop onder bewind gesteld vruchtgebruik rust
en die verder gaan dan het gebruik daarvan.
2.
Indien het bewind is
ingesteld in het belang van een ander dan de
rechthebbende of in een gemeenschappelijk
belang, is de rechthebbende slechts onder
voorbehoud van het bewind bevoegd tot het
verrichten van een handeling als bedoeld in lid
1.
3.
Indien het bewind zowel in
het belang van de rechthebbende als van een of
meer anderen of in een gemeenschappelijk belang
is ingesteld, dan is de rechthebbende slechts
met medewerking of toestemming van de
bewindvoerder en onder voorbehoud van dat bewind
bevoegd tot het verrichten van een handeling als
bedoeld in lid 1.
Artikel 168
1.
Een rechtshandeling die
ondanks zijn uit de artikelen 166 en 167
voortvloeiende onbevoegdheid is verricht door of
gericht tot de rechthebbende is niettemin
geldig, indien de wederpartij het bewind kende
noch behoorde te kennen. Niettemin is geen
veroordeling mogelijk tot nakoming van een uit
de rechtshandeling voortvloeiende verbintenis
tot vervreemding of bezwaring van een onder het
bewind staand goed.
2.
De uit het bewind
voortvloeiende ongeldigheid van beschikking door
de rechthebbende over een goed als bedoeld in
artikel 88 van Boek 3, staat niet in de weg aan
de geldigheid van een latere overdracht daarvan
indien de derde verkrijger te goeder trouw is.
De vorige zin is van overeenkomstige toepassing
op de vestiging, overdracht en afstand van een
beperkt recht op zulk een goed.
Artikel 169
1.
De bewindvoerder mag met
toestemming van de rechthebbende:
a. de in artikel 167
lid 1 bedoelde handelingen verrichten;
b. geld lenen of de
rechthebbende als borg of hoofdelijk
schuldenaar verbinden;
c. een overeenkomst
tot beëindiging van een geschil aangaan; hij
behoeft deze toestemming niet in het geval
van artikel 87 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, of indien het
voorwerp van het geschil een waarde van €
700 niet te boven gaat.
2.
Is het bewind uitsluitend of
mede in het belang van een ander dan de
rechthebbende of in hun gemeenschappelijk belang
ingesteld, dan is ook toestemming van die ander
vereist.
3.
Verleent iemand wiens
toestemming is vereist deze niet, dan kan de
kantonrechter haar desverzocht door zijn
machtiging vervangen. De kantonrechter kan de
machtiging verlenen onder zodanige voorwaarden
als hij geraden acht.
Artikel 170
1.
Behoren de goederen die onder
het bewind staan of die met een onder het bewind
staand beperkt recht zijn belast tot een
gemeenschap, dan is de bewindvoerder bevoegd tot
het vorderen van verdeling en is hij, met
toestemming van de rechthebbende, bevoegd tot
het aangaan van een overeenkomst tot uitsluiting
van verdeling voor een bepaalde tijd.
2.
De bewindvoerder is met
toestemming van de rechthebbende bevoegd tot
medewerking aan de verdeling.
3.
De leden 2 en 3 van artikel
169 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 171
1.
Bij de uiterste wil kunnen de
bevoegdheden en verplichtingen van de
bewindvoerder nader worden geregeld; zij kunnen
daarbij ruimer of beperkter worden vastgesteld
dan uit de voorgaande bepalingen van deze
afdeling voortvloeit.
2.
De kantonrechter kan op
verzoek van de bewindvoerder, de rechthebbende
of een persoon in wiens belang het bewind
uitsluitend of mede is ingesteld, de regels
omtrent het voeren van het bewind wijzigen op
grond van onvoorziene omstandigheden. De
kantonrechter kan het verzoek toewijzen onder
door hem te stellen voorwaarden.
Artikel 172
1.
De bewindvoerder die, anders
dan in de vorm van medewerking of toestemming,
zijn taak uitoefent, is bevoegd daarbij de
rechthebbende te vertegenwoordigen of in eigen
naam te zijnen behoeve op te treden.
2.
De bepalingen van titel 3 van
Boek 3 zijn in geval van vertegenwoordiging van
overeenkomstige toepassing op de rechten en
verplichtingen van een wederpartij. Regels die
de bevoegdheid van de bewindvoerder betreffen,
en feiten die voor een oordeel omtrent zijn
bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de
wederpartij worden tegengeworpen, indien deze
met die regels of feiten niet bekend was of
behoorde te zijn.
Artikel 173
De bewindvoerder
vertegenwoordigt de rechthebbende in gedingen ter
zake van onder het bewind staande goederen. Hij kan
zich, alvorens in rechte op te treden, te zijner
verantwoording doen machtigen door de rechthebbende
en degenen in wier belang het bewind uitsluitend of
mede is ingesteld. Wordt de machtiging niet
verleend, dan kan de kantonrechter haar door zijn
machtiging vervangen.
Artikel 174
1.
De rechthebbende is,
onverminderd het bepaalde in artikel 172 van
Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die
voortspruiten uit rechtshandelingen die de
bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van
de rechthebbende verricht.
2.
Voor zover de rechthebbende
onder het bewind staande goederen aanwijst die
voldoende verhaal bieden, kunnen zijn overige
goederen niet worden uitgewonnen voor de in lid
1 bedoelde schulden.
Artikel 175
1.
Tijdens het bewind kunnen de
onder het bewind staande goederen ten laste van
de rechthebbende slechts worden uitgewonnen
voor:
a. de schulden van de
nalatenschap, voor zover die schulden ten
laste van die goederen kunnen worden
gebracht;
b. de schulden die de
goederen betreffen;
c. de schulden
voortvloeiend uit rechtshandelingen die door
de rechthebbende binnen de grenzen van zijn
in de artikelen 166 en 167 bedoelde
bevoegdheid zijn verricht;
d. de schulden
voortvloeiend uit rechtshandelingen die
ondanks onbevoegdheid van de rechthebbende
krachtens artikel 168 lid 1 geldig zijn,
tenzij de bewindvoerder goederen van de
rechthebbende aanwijst die niet onder bewind
staan en die geheel of gedeeltelijk verhaal
bieden;
e. de schulden
waarvoor de rechthebbende overeenkomstig
artikel 174 wegens gedragingen van de
bewindvoerder aansprakelijk is.
2.
De goederen kunnen voor de in
lid 1 onder e bedoelde schulden ook worden
uitgewonnen, nadat ze onder last van het bewind
op een andere rechthebbende zijn overgegaan.
3.
De goederen worden vrij van
het bewind uitgewonnen, tenzij dit uitsluitend
of mede in het belang van een ander dan de
rechthebbende of in een gemeenschappelijk belang
is ingesteld.
Artikel 176
Indien het bewind uitsluitend
is ingesteld in het belang van een ander dan de
rechthebbende, dan wel in een gemeenschappelijk
belang, kunnen de onder bewind gestelde goederen ten
laste van de rechthebbende ook voor andere schulden
worden uitgewonnen, doch dan slechts onder de last
van het bewind.
Paragraaf 4. Einde van het
bewind
Artikel 177
1.
Het bewind eindigt door het
verstrijken van de termijn waarvoor het werd
ingesteld.
2.
Het bewind eindigt door
verwerping van de nalatenschap of het legaat
waarbij de goederen zijn vermaakt, indien het
door het bewind gediende belang daarmede
vervalt. De beëindiging door verwerping heeft
geen terugwerkende kracht.
Artikel 178
1.
Het bewind eindigt door het
overlijden van de rechthebbende indien het
uitsluitend in diens belang was ingesteld. Is
deze een rechtspersoon, dan eindigt het door
diens ontbinding, en voorts door diens opzegging
wanneer dertig jaren na het overlijden van de
erflater zijn verlopen.
2.
De rechtbank kan een zodanig
bewind ook opheffen op verzoek van de
bewindvoerder op grond van onvoorziene
omstandigheden en voorts indien aannemelijk is
dat de rechthebbende de onder bewind staande
goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen
besturen. Na verloop van vijf jaren na het
overlijden van de erflater kan het bewind op
deze laatste grond ook worden opgeheven op
verzoek van de rechthebbende. Bij afwijzing van
een verzoek tot opheffing kan de rechtbank
desverzocht de regels omtrent het bewind, al dan
niet onder door haar te stellen voorwaarden,
wijzigen.
Artikel 179
1.
Voor zover het bewind is
ingesteld in het belang van een ander dan de
rechthebbende, eindigt het, wanneer dat belang
vervalt, alsmede wanneer de rechthebbende en
degene in wiens belang de instelling geschiedde,
een gemeenschappelijk besluit tot opheffing
schriftelijk ter kennis van de bewindvoerder
brengen. Het besluit tot opheffing kan ook
slechts een of meer der onder bewind gestelde
goederen betreffen.
2.
Is het bewind ingesteld in
het belang van degene die is bevoordeeld bij een
legaat onder opschortende tijdsbepaling of
opschortende voorwaarde of bij een testamentaire
last, dan kan het, wanneer dertig jaren na het
overlijden van de erflater zijn verstreken, door
opzegging worden beëindigd.
Artikel 180
1.
Voor zover het bewind is
ingesteld in het gemeenschappelijk belang van de
rechthebbende en een of meer anderen, eindigt
het wanneer dat belang vervalt.
2.
Het bewind kan eveneens
worden beëindigd door opzegging, wanneer vijf
jaren na het overlijden van de erflater zijn
verstreken.
Artikel 181
1.
De in de vorige artikelen
bedoelde opzegging kan slechts geschieden door
de rechthebbende, en dat wel schriftelijk en met
inachtneming van een termijn van een maand.
2.
De opzegging moet worden
gericht tot de bewindvoerder en tot de
belanghebbenden zo die er zijn.
Titel 6. Gevolgen van de
erfopvolging
Afdeling 1. Algemene
bepalingen
Artikel 182
1.
Met het overlijden van de
erflater volgen zijn erfgenamen van rechtswege
op in zijn voor overgang vatbare rechten en in
zijn bezit en houderschap. De eerste zin geldt
niet wanneer de nalatenschap ingevolge artikel
13 wordt verdeeld; in dat geval volgt de
echtgenoot van rechtswege op in het bezit en
houderschap van de erflater.
2.
Zij worden van rechtswege
schuldenaar van de schulden van de erflater die
niet met zijn dood tenietgaan. Is een prestatie
deelbaar, dan is ieder van hen verbonden voor
een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij
hoofdelijk zijn verbonden.
Artikel 183
Een erfgenaam kan de goederen
van de nalatenschap met inbegrip van die welke de
erflater op het tijdstip van zijn overlijden voor
derden hield, opvorderen van iedere derde die deze
goederen zonder recht houdt. Is de nalatenschap
verdeeld overeenkomstig artikel 13, dan komt de in
de vorige zin bedoelde bevoegdheid uitsluitend toe
aan de echtgenoot van de erflater.
Artikel 184
1.
Schuldeisers van de
nalatenschap kunnen hun vorderingen op de
goederen der nalatenschap verhalen.
2.
Een erfgenaam is niet
verplicht een schuld der nalatenschap ten laste
van zijn overig vermogen te voldoen, tenzij hij:
a. zuiver aanvaardt,
behalve voor zover de schuld niet op hem
rust en onverminderd de artikelen 14 lid 3
en 87 lid 5;
b. de voldoening van
de schuld verhindert en hem daarvan een
verwijt kan worden gemaakt;
c. opzettelijk
goederen der nalatenschap zoek maakt,
verbergt of op andere wijze aan het verhaal
van schuldeisers der nalatenschap onttrekt;
of
d. vereffenaar is, in
de vervulling van zijn verplichtingen als
zodanig in ernstige mate tekortschiet, en
hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
3.
In ieder geval kunnen,
wanneer uit de nalatenschap een uitkering heeft
plaatsgevonden aan een erfgenaam die de
nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, de
schuldeisers van de nalatenschap zich op het
vermogen van die erfgenaam verhalen tot de
waarde van hetgeen hij uit de nalatenschap heeft
verkregen. Artikel 223 lid 1 vindt daarbij
overeenkomstige toepassing.
4.
Hij die ingevolge lid 2 onder
b of c met zijn gehele vermogen aansprakelijk is
geworden, blijft dit ook na verwerping van de
nalatenschap.
5.
Lid 2 is van overeenkomstige
toepassing op de verplichting van een erfgenaam
tot nakoming van een last die bestaat uit een
uitgave van geld of van een goed dat niet tot de
nalatenschap behoort.
Artikel 185
1.
Gedurende drie maanden na het
overlijden van de erflater kan op goederen van
een nalatenschap die niet door alle erfgenamen
zuiver is aanvaard, geen verhaal worden genomen,
tenzij de schuldeiser hiertoe ook in geval van
faillissement van de erflater had kunnen
overgaan.
2.
Gedurende die tijd kan de
kantonrechter op verzoek van een belanghebbende
de maatregelen voorschrijven die hij in diens
belang nodig acht.
3.
De termijn kan voor de afloop
daarvan door de kantonrechter ten aanzien van
bepaalde schuldeisers een of meer malen op grond
van bijzondere omstandigheden worden verlengd.
De verlenging wordt in het boedelregister
ingeschreven.
Artikel 186
1.
De griffiers van de
rechtbanken houden een openbaar boedelregister,
waarin krachtens wettelijk voorschrift feiten
worden ingeschreven, die voor de rechtstoestand
van opengevallen nalatenschappen van belang
zijn.
2.
Een notaris die is betrokken
bij de afwikkeling van de nalatenschap, doet
zich in het boedelregister inschrijven.
3.
De wijze van inrichting en
raadpleging van het boedelregister worden bij
algemene maatregel van bestuur geregeld.
4.
Bij algemene maatregel van
bestuur kan worden bepaald dat de openbare
boedelregisters, bedoeld in het eerste lid, in
afwijking van het eerste lid door een ander of
door anderen dan de griffiers van de rechtbanken
worden gehouden. Bij algemene maatregel van
bestuur kan eveneens worden bepaald dat de
verstrekking van gegevens ter inschrijving in
het openbaar boedelregister door degenen die
daartoe bevoegd of die daartoe gehouden zijn,
uitsluitend op een in die maatregel aan te geven
wijze plaats vindt.
Artikel 187
1.
Hij die is afgegaan op de in
een verklaring van erfrecht vermelde feiten,
geldt te dezen aanzien als te goeder trouw.
2.
Een schuldenaar die, afgaande
op de in een verklaring van erfrecht vermelde
feiten, heeft betaald aan iemand die niet
bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan
degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen
dat hij bevrijdend heeft betaald.
3.
Het in de vorige leden
bepaalde lijdt uitzondering, indien van degene
die op de verklaring is afgegaan, op grond van
bijzondere omstandigheden een nader onderzoek
kon worden gevergd, dat hem de onjuistheid van
de verklaring zou hebben doen blijken.
Artikel 188
1.
Een verklaring van erfrecht
is een notariële akte waarin een notaris een of
meer van de volgende feiten vermeldt:
a. dat een of meer in
de verklaring genoemde personen, al dan niet
voor bepaalde erfdelen, erfgenaam zijn of de
enige erfgenamen zijn, met vermelding of zij
de nalatenschap reeds hebben aanvaard;
b. dat al dan niet aan
de echtgenoot van de erflater het
vruchtgebruik van een of meer tot de
nalatenschap behorende goederen krachtens
afdeling 2 van titel 3 toekomt, met
vermelding of aan hem een machtiging tot
vervreemden of bezwaren of een bevoegdheid
tot vervreemding en vertering is verleend,
alsmede of en tot welk tijdstip de
echtgenoot een beroep toekomt op artikel 29
leden 1 en 3;
c. dat de nalatenschap
is verdeeld overeenkomstig artikel 13, met
vermelding of en tot welk moment de
echtgenoot de bevoegdheid toekomt als
bedoeld in artikel 18 lid 1;
d. dat al dan niet het
beheer van de nalatenschap aan executeurs,
bewindvoerders of krachtens de derde
afdeling van deze titel benoemde
vereffenaars is opgedragen, met vermelding
van hun bevoegdheden; of
e. dat een of meer in
de verklaring genoemde personen executeur,
bewindvoerder of vereffenaar zijn.
2.
Bij algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere voorschriften omtrent de
inhoud en de opstelling van deze verklaringen
worden vastgesteld.
Artikel 189
Indien en voor zover een
erflater geen erfgenamen heeft, worden de goederen
der nalatenschap op het ogenblik van zijn overlijden
door de Staat onder algemene titel verkregen.
Afdeling 2. Aanvaarding en
verwerping van nalatenschappen en van legaten
Artikel 190
1.
Een erfgenaam kan een
nalatenschap aanvaarden of verwerpen. Een
aanvaarding kan zuiver geschieden of onder
voorrecht van boedelbeschrijving.
2.
De erflater kan de erfgenamen
in hun keuze niet beperken. Evenmin kan een
erfgenaam dienaangaande vóór het openvallen der
nalatenschap een beslissing nemen.
3.
De keuze kan alleen
onvoorwaardelijk en zonder tijdsbepaling
geschieden. Zij kan niet een deel van het
erfdeel betreffen. Hetgeen aan een erfgenaam die
reeds aanvaard heeft, opkomt door de vervulling
van een door de erflater aan een erfstelling
toegevoegde voorwaarde kan evenwel nog
afzonderlijk aanvaard of verworpen worden.
4.
Een eenmaal gedane keuze is
onherroepelijk en werkt terug tot het ogenblik
van het openvallen der nalatenschap. Een
aanvaarding of verwerping kan niet op grond van
dwaling, noch op grond van benadeling van een of
meer schuldeisers worden vernietigd.
Artikel 191
1.
De in het vorige artikel
bedoelde keuze wordt gedaan door het afleggen
van een daartoe strekkende verklaring ter
griffie van de rechtbank van het sterfhuis. De
verklaring wordt in het boedelregister
ingeschreven.
2.
Zolang de nalatenschap niet
door alle erfgenamen is aanvaard, kan de
kantonrechter de maatregelen voorschrijven die
hij tot behoud van de goederen nodig acht.
Artikel 192
1.
Een erfgenaam die zich
ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een
zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt,
aanvaardt daardoor de nalatenschap zuiver,
tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan.
2.
Indien een erfgenaam zijn
keuze nog niet heeft gedaan, kan de
kantonrechter hem daarvoor op verzoek van een
belanghebbende een termijn stellen, die ingaat
op de dag nadat de belanghebbende deze
beschikking aan de erfgenaam heeft doen
betekenen en de beschikking onder vermelding van
de gedane betekening heeft doen inschrijven in
het boedelregister. De kantonrechter kan op
verzoek van de erfgenaam de termijn voor de
afloop daarvan een of meer malen verlengen; de
verlenging wordt in het boedelregister
ingeschreven.
3.
Laat de erfgenaam de termijn
verlopen zonder inmiddels een keuze te hebben
gedaan, dan wordt hij geacht de nalatenschap
zuiver te aanvaarden.
4.
Een erfgenaam die nog geen
keuze heeft gedaan, wordt geacht beneficiair te
aanvaarden, wanneer een of meer zijner
mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair
aanvaarden, tenzij hij alsnog de nalatenschap
zuiver aanvaardt of verwerpt binnen drie maanden
nadat hij van die beneficiaire aanvaarding
kennis heeft gekregen of, indien voor hem op het
tijdstip van die beneficiaire aanvaarding een
overeenkomstig het tweede lid gestelde of
verlengde termijn liep, binnen die termijn. De
zuivere aanvaarding kan slechts geschieden op de
wijze als bepaald in het eerste lid van het
vorige artikel.
Artikel 193
1.
Een wettelijke
vertegenwoordiger van een erfgenaam kan voor
deze niet zuiver aanvaarden en behoeft voor
verwerping een machtiging van de kantonrechter.
Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire
aanvaarding of van verwerping af te leggen
binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de
nalatenschap, of een aandeel daarin, de
erfgenaam toekomt. Deze termijn kan
overeenkomstig artikel 192 lid 2, tweede zin,
worden verlengd.
2.
Heeft hij de termijn laten
verlopen, dan geldt de nalatenschap als door de
erfgenaam beneficiair aanvaard. De kantonrechter
kan hiervan aantekening doen houden in het
boedelregister.
3.
De leden 1 en 2 zijn niet van
toepassing in het geval, bedoeld in artikel 41
van de Faillissementswet.
Artikel 194
1.
Een erfgenaam die na zuivere
aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil,
volgens welke de legaten en lasten die hij moet
voldoen, tot een geringer bedrag uit zijn
erfdeel kunnen worden bestreden dan zonder die
uiterste wil het geval zou zijn geweest, wordt,
indien hij binnen drie maanden na die ontdekking
het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter
gemachtigd om alsnog beneficiair te aanvaarden.
Nochtans komen de schulden der nalatenschap met
uitzondering van de hem tevoren niet bekende
legaten, alsmede de hem tevoren reeds bekende
lasten, ten laste van zijn gehele vermogen voor
zover hij deze ook zonder die uiterste wil niet
uit zijn erfdeel had kunnen bestrijden.
2.
Een erfgenaam die na zuivere
aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil,
volgens welke zijn erfdeel groter is dan het
zonder die uiterste wil zou zijn geweest, of met
een na zijn aanvaarding voorgevallen gebeurtenis
waardoor zijn erfdeel is vergroot, wordt, indien
hij binnen drie maanden na die ontdekking het
verzoek daartoe doet, door de kantonrechter
gemachtigd alsnog beneficiair te aanvaarden.
Nochtans moet hij de schulden der nalatenschap
en de lasten met zijn gehele vermogen voldoen,
voor zover dat ook zonder die uiterste wil of
zonder die gebeurtenis het geval zou zijn
geweest
Artikel 195
1.
Is een nalatenschap door een
of meer erfgenamen beneficiair aanvaard en moet
zij uit dien hoofde overeenkomstig de volgende
afdeling van deze titel worden vereffend, dan
zijn alle erfgenamen vereffenaar.
2.
Voor de toepassing van de
bepalingen van deze en de volgende afdeling
inzake vereffening wordt de echtgenoot van de
erflater die een recht van vruchtgebruik heeft
krachtens afdeling 2 van titel 3, als een
erfgenaam aangemerkt, tenzij uit de strekking
van de bepalingen anders voortvloeit.
Artikel 196
De kantonrechter kan, op
verzoek van een belanghebbende of ambtshalve, de
erfgenamen gelasten de beneficiaire aanvaarding
bekend te maken in de Staatscourant en in een of
meer door hem aangewezen nieuwsbladen.
Artikel 197
1.
Een notaris die op verzoek
van een erfgenaam als boedelnotaris voor de
beneficiair aanvaarde nalatenschap optreedt,
doet zich als zodanig inschrijven in het
boedelregister en geeft daarvan zo spoedig
mogelijk kennis aan de overige erfgenamen.
2.
Op een verzoek, uiterlijk een
maand na die kennisgeving gedaan door de
meerderheid van de erfgenamen of door een of
meer erfgenamen die samen voor meer dan de helft
gerechtigd zijn in de nalatenschap, kan de
kantonrechter een andere notaris, die daartoe
bereid is, als boedelnotaris aanwijzen. Deze
doet de vervanging inschrijven en brengt haar zo
spoedig mogelijk ter kennis van de
eerstaangewezene en de erfgenamen.
3.
In geval van bekendmaking van
de beneficiaire aanvaarding overeenkomstig het
vorige artikel, wordt de aanwijzing van een
boedelnotaris op dezelfde wijze, onder
vermelding van zijn naam en adres,
bekendgemaakt.
Artikel 198
Tenzij de kantonrechter anders
bepaalt, oefenen de erfgenamen hun bevoegdheden als
vereffenaars van de beneficiair aanvaarde
nalatenschap tezamen uit, doch kunnen daden van
gewoon onderhoud en tot behoud van de goederen, en
in het algemeen daden die geen uitstel kunnen
lijden, door ieder van hen zo nodig zelfstandig
worden verricht.
Artikel 199
1.
Op verzoek van een
belanghebbende of van de boedelnotaris kan de
kantonrechter een of meer erfgenamen van een
nalatenschap die beneficiair aanvaard is,
gelasten zekerheid te stellen voor hun beheer en
de nakoming van hun overige verplichtingen. De
kantonrechter stelt het bedrag en de aard van de
zekerheid vast.
2.
Wanneer een erfgenaam blijkt
dat de schulden der beneficiair aanvaarde
nalatenschap de baten overtreffen, doet hij
hiervan ten spoedigste mededeling aan de
kantonrechter.
Artikel 200
1.
Met betrekking tot een
erfgenaam die onder voorrecht van
boedelbeschrijving heeft aanvaard, geldt tot het
einde van de vereffening het in de volgende
leden bepaalde, tenzij hij voor de op hem
rustende schulden der nalatenschap met zijn
gehele vermogen aansprakelijk is.
2.
Vorderingen van de erflater
op de erfgenaam en beperkte rechten van de
erflater op een goed van de erfgenaam, alsmede
vorderingen van de erfgenaam op de erflater en
beperkte rechten van de erfgenaam op een goed
van de erflater gaan niet door vermenging
teniet.
3.
Heeft de erfgenaam een schuld
der nalatenschap uit zijn overig vermogen
voldaan, dan treedt hij op als schuldeiser van
de nalatenschap voor het bedrag van die schuld
in de rang die zij had. De vorige zin is van
overeenkomstige toepassing op een last die
verplicht tot een uitgave in geld ten laste van
de nalatenschap welke de erfgenaam uit zijn
overige vermogen heeft gedaan.
Artikel 201
1.
Een legaat wordt verkregen
zonder dat een aanvaarding nodig is, behoudens
de bevoegdheid van de legataris om het legaat te
verwerpen zolang hij het niet aanvaard heeft.
2.
De kantonrechter kan op
verzoek van een belanghebbende aan de legataris
een termijn stellen, waarbinnen deze moet
verklaren of hij al dan niet verwerpt; bij
gebreke van een verklaring binnen de gestelde
termijn verliest de legataris de bevoegdheid om
te verwerpen.
3.
De verwerping van een legaat
moet op ondubbelzinnige wijze geschieden, maar
is aan geen vorm gebonden.
Afdeling 3. Vereffening van de
nalatenschap
Artikel 202
1.
Een nalatenschap wordt,
behoudens het in artikel 221 bepaalde,
overeenkomstig de in deze afdeling gegeven
voorschriften vereffend:
a. wanneer zij door
een of meer erfgenamen onder voorrecht van
boedelbeschrijving is aanvaard, tenzij er
een tot voldoening van de opeisbare schulden
en legaten bevoegde executeur is en deze kan
aantonen dat de goederen der nalatenschap
ruimschoots toereikend zijn om alle schulden
der nalatenschap te voldoen; geschillen
dienaangaande worden door de kantonrechter
beslist;
b. wanneer de
rechtbank een vereffenaar heeft benoemd.
2.
Indien het saldo van de
nalatenschap positief is kan de wettelijke
vertegenwoordiger van een erfgenaam die voor
deze beneficiair heeft aanvaard de kantonrechter
verzoeken om ontheffing van de verplichting om
te vereffenen volgens de wet.
3.
Een nalatenschap die
overeenkomstig artikel 13 is verdeeld, wordt in
afwijking van lid 1 onder a slechts vereffend
volgens de wet wanneer de echtgenoot van de
erflater haar beneficiair heeft aanvaard.
Artikel 203
1.
Na een aanvaarding onder
voorrecht van boedelbeschrijving kan de
rechtbank een vereffenaar benoemen:
a. op verzoek van een
erfgenaam;
b. op verzoek van een
belanghebbende of van het openbaar
ministerie, wanneer hij die met het beheer
der nalatenschap belast is in ernstige mate
in de vervulling van zijn verplichtingen
tekortschiet, daartoe ongeschikt is of niet
voldoet aan een last tot zekerheidstelling,
wanneer de schulden der nalatenschap de
baten blijken te overtreffen, of wanneer tot
een verdeling van de nalatenschap wordt
overgegaan voordat deze vereffend is.
2.
De door de rechter benoemde
persoon treedt als vereffenaar in de plaats van
de erfgenamen.
Artikel 204
1.
Is een nalatenschap niet
onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard,
dan kan de rechtbank een vereffenaar benoemen:
a. op verzoek van een
belanghebbende of van het openbaar
ministerie, wanneer er geen erfgenamen zijn,
wanneer het niet bekend is of er erfgenamen
zijn, of wanneer de nalatenschap niet door
een executeur wordt beheerd en de erfgenamen
die bekend zijn haar geheel of ten dele
onbeheerd laten;
b. op verzoek van een
schuldeiser van de nalatenschap, wanneer tot
een verdeling van de nalatenschap wordt
overgegaan voordat de opeisbare schulden
daarvan zijn voldaan, of wanneer voor hem
het gevaar bestaat dat hij niet ten volle of
niet binnen redelijke tijd zal worden
voldaan, hetzij omdat de nalatenschap niet
toereikend is of niet behoorlijk beheerd en
afgewikkeld wordt, hetzij omdat een
schuldeiser zich op de goederen van de
nalatenschap gaat verhalen;
c. op verzoek van een
of meer andere schuldeisers van een
erfgenaam, wanneer hun belangen door een
gedraging van de erfgenamen of van de
executeur ernstig worden geschaad.
2.
Indien de nalatenschap is
verdeeld overeenkomstig artikel 13, is lid 1,
onder b en c, van overeenkomstige toepassing op
het geheel van de goederen die hebben behoord
tot de huwelijksgemeenschap van de erflater en
zijn echtgenoot, de in die gemeenschap gevallen
of daarop verhaalbare schulden, alsmede hetgeen
daarvoor in de plaats is getreden.
Artikel 205
Wanneer een schuldeiser van
een erfgenaam die de nalatenschap verworpen heeft,
hierdoor klaarblijkelijk is benadeeld, kan de
rechtbank op zijn verzoek bepalen dat de
nalatenschap mede in het belang van de schuldeisers
van degene die verworpen heeft zal worden vereffend,
en kan zij zo nodig een vereffenaar benoemen.
Artikel 206
1.
De rechtbank beslist niet op
het verzoek tot benoeming van een vereffenaar
dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de
verzoeker, alsmede voor zover zij bestaan en
bekend zijn, van de erfgenamen, de boedelnotaris
en de executeur.
2.
De rechtbank kan als
vereffenaar onder de nodige door haar te bepalen
waarborgen een erfgenaam, een executeur of een
andere persoon aanwijzen. Benoemt zij twee of
meer vereffenaars, dan kan, tenzij bij de
benoeming of later door de kantonrechter anders
wordt bepaald, ieder van hen alle werkzaamheden
alleen verrichten.
3.
Een door de rechter benoemde
vereffenaar heeft recht op het loon dat door de
kantonrechter vóór het opmaken van de
uitdelingslijst wordt vastgesteld.
4.
Hij wordt vereffenaar op de
dag, waarop de beslissing die de benoeming
inhoudt in kracht van gewijsde is gegaan, of –
zo deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard –
daags nadat de griffier hem van zijn benoeming
mededeling heeft gedaan.
5.
Hij kan worden ontslagen
hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige
redenen, zulks op verzoek van een
medevereffenaar, een erfgenaam, een schuldeiser
van de nalatenschap of het openbaar ministerie,
dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan
de rechtbank voorlopige voorzieningen treffen en
de vereffenaar schorsen. De taak van de
vereffenaar eindigt door zijn dood, het ten
aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen,
zijn faillietverklaring, zijn
ondercuratelestelling of indien een bewind als
bedoeld in titel 19 van Boek 1 over een of meer
van zijn goederen wordt ingesteld. De rechter
benoemt een of meer vereffenaars waar dezen
ontbreken voordat de vereffening is geëindigd;
hij kan een opengevallen plaats doen bezetten.
6.
De griffier doet de benoeming
van een vereffenaar, alsmede het eindigen van
zijn hoedanigheid onverwijld in het
boedelregister inschrijven. De vereffenaar maakt
haar bekend in de Staatscourant en in een of
meer bij de benoeming voorgeschreven
nieuwsbladen.
Artikel 207
Hij die als vereffenaar door
een ander is opgevolgd, is verplicht aan zijn
opvolger rekening en verantwoording af te leggen op
de wijze als voor bewindvoerders is bepaald.
Artikel 208
1.
Bij de benoeming van een
vereffenaar of bij een latere beschikking kan de
rechtbank een harer leden tot
rechter-commissaris benoemen.
2.
Indien een
rechter-commissaris is benoemd, worden
a. de overeenkomstig
deze afdeling aan de kantonrechter
toekomende taken en bevoegdheden door de
rechter-commissaris uitgeoefend, tenzij de
wet anders bepaalt;
b. de in de artikelen
211 lid 3, 214 lid 5 en 218 lid 1 bedoelde
stukken, zo een boedelnotaris ontbreekt, ter
griffie van de rechtbank neergelegd.
Artikel 209
1.
Indien de geringe waarde der
baten van een nalatenschap daartoe aanleiding
geeft, kan de kantonrechter op verzoek van de
vereffenaar of een belanghebbende hetzij de
kosteloze vereffening van de nalatenschap,
hetzij de opheffing van de vereffening bevelen.
Op een verzoek tot opheffing wordt de verzoeker
gehoord of behoorlijk opgeroepen, alsmede voor
zover zij bestaan en bekend zijn, de erfgenamen,
de vereffenaar en de boedelnotaris. Indien een
rechter-commissaris is benoemd, komt de in de
eerste zin bedoelde bevoegdheid, op voordracht
van de rechter-commissaris, aan de rechtbank
toe.
2.
Bij het bevel tot opheffing
van de vereffening stelt de kantonrechter
onderscheidenlijk de rechtbank tevens het bedrag
der reeds gemaakte vereffeningskosten vast, en
brengt dat ten laste van de boedel of, wanneer
de boedel daartoe onvoldoende is, ten laste van
de erfgenamen, voor zover dezen met hun gehele
vermogen aansprakelijk zijn.
3.
Na de opheffing is artikel
226 van overeenkomstige toepassing.
4.
De opheffing wordt op
dezelfde wijze als de benoeming van een
vereffenaar ingeschreven en bekend gemaakt.
5.
Indien na de opheffing van
een vereffening de benoeming van een vereffenaar
wordt verzocht, is de verzoeker verplicht aan te
tonen dat er voldoende baten aanwezig zijn om de
kosten van de vereffening te bestrijden.
Artikel 210
1.
Vereffenaars geven aan de
kantonrechter alle door deze gewenste
inlichtingen en zijn verplicht diens
aanwijzingen bij vereffening te volgen.
2.
Indien een
rechter-commissaris is benoemd, is deze bevoegd
ter opheldering van alle omstandigheden, de
vereffening betreffende, getuigen en deskundigen
te horen op dezelfde wijze als voor een
rechter-commissaris in geval van faillissement
is bepaald.
Artikel 211
1.
Een vereffenaar heeft tot
taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te
beheren en te vereffenen. Voor de vereffening
wordt een last die tot een uitgave van geld of
van een goed uit de nalatenschap verplicht,
gelijkgesteld met een legaat.
2.
Hij vertegenwoordigt bij de
vervulling van zijn taak de erfgenamen in en
buiten rechte. Zij zijn niet bevoegd zonder zijn
medewerking of machtiging van de kantonrechter
over de goederen der nalatenschap of hun aandeel
daarin te beschikken.
3.
Hij moet met bekwame spoed
een onderhandse of notariële boedelbeschrijving
opmaken of doen opmaken, waarin de schulden der
nalatenschap in de vorm van een voorlopige staat
zijn opgenomen. Hij moet deze ten kantore van de
boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, ter
griffie van de rechtbank neerleggen, ter inzage
van de erfgenamen en de schuldeisers der
nalatenschap; andere schuldeisers van een
erfgenaam, ook indien deze de nalatenschap
verworpen heeft, kunnen tot inzage gemachtigd
worden door de kantonrechter.
4.
De kantonrechter kan in geval
van aanvaarding onder voorrecht van
boedelbeschrijving de erfgenamen ontheffen van
de verplichting om de boedelbeschrijving ter
inzage te leggen.
5.
Een door de rechter benoemde
vereffenaar kan een boedelnotaris aanwijzen,
indien dit nog niet is geschied. De notaris die
deze opdracht heeft aanvaard, geeft daarvan
kennis aan de erfgenamen en doet zich
inschrijven in het boedelregister.
Artikel 212
Wanneer de wettelijke
vertegenwoordiger van een erfgenaam of een door de
rechter benoemde vereffenaar aan schuldeisers der
nalatenschap schade heeft toegebracht, doordat hij
opzettelijk goederen der nalatenschap aan het
verhaal van de schuldeisers heeft onttrokken, kunnen
zij van hem de voldoening van hun vordering eisen,
voor zover hij niet bewijst dat hun schade op een
lager bedrag moet worden gesteld.
Artikel 213
Is de erflater gehuwd geweest
in een gemeenschap van goederen, dan kan de
rechtbank op verzoek van de vereffenaar van de
nalatenschap een vereffenaar van de ontbonden
huwelijksgemeenschap benoemen, in welk geval zij met
overeenkomstige toepassing van het in deze afdeling
bepaalde wordt vereffend. De eerste zin is niet van
toepassing indien de huwelijksgemeenschap reeds voor
het overlijden van de erflater was verdeeld.
Artikel 214
1.
Een vereffenaar roept de
schuldeisers der nalatenschap, zo dit nog niet
is geschied, openlijk op om hun vorderingen vóór
een door de kantonrechter bepaalde datum bij de
boedelnotaris of, indien deze ontbreekt, bij
hemzelf in te dienen. De oproeping geschiedt op
dezelfde wijze als de bekendmaking van de
beneficiaire aanvaarding of de benoeming van de
vereffenaar en zoveel mogelijk tegelijkertijd.
2.
De vereffenaar moet bovendien
de hem bekende schuldeisers der nalatenschap per
brief oproepen. Is hem het adres van een
schuldeiser der nalatenschap onbekend gebleven,
dan deelt hij dit mede aan de kantonrechter.
3.
Aanmelding van een vordering
stuit de verjaring.
4.
De vereffenaar geeft, indien
hij zich met een ingediende vordering of een
ingeroepen voorrang niet kan verenigen, daarvan
onverwijld onder opgave van redenen kennis aan
hem die de vordering heeft ingediend.
5.
Zo spoedig mogelijk na het
verstrijken van de bij de oproep der
schuldeisers gestelde termijn legt de
vereffenaar een lijst van de door hem erkende en
betwiste vorderingen en aanspraken op voorrang
ten kantore van de boedelnotaris of, indien deze
ontbreekt, ter griffie van de rechtbank neer,
ter inzage van de erfgenamen, de legatarissen en
allen die zich als schuldeiser hebben aangemeld.
Hij geeft ieder van hen van deze neerlegging
kennis.
Artikel 215
1.
De vereffenaar maakt de
goederen der nalatenschap te gelde, voor zover
dit voor de voldoening van de schulden der
nalatenschap nodig is. Goederen die een
schuldeiser der nalatenschap te vorderen heeft,
worden zoveel mogelijk in de laatste plaats te
gelde gemaakt.
2.
Omtrent de keuze van de te
gelde te maken goederen en de wijze van
tegeldemaking treedt de vereffenaar zoveel
mogelijk in overleg met de erfgenamen. Bestaat
tegen de voorgenomen tegeldemaking van een goed
bezwaar bij een erfgenaam of een schuldeiser die
het goed te vorderen heeft dan stelt de
vereffenaar hem in de gelegenheid de beslissing
van de kantonrechter in te roepen.
3.
Het in het vorige lid ten
aanzien van de erfgenamen bepaalde geldt mede
ten aanzien van hen aan wie het vruchtgebruik
van de nalatenschap of van een aandeel daarin is
vermaakt.
4.
Artikel 68 van Boek 3 is op
de vereffenaar van overeenkomstige toepassing.
5.
Met betrekking tot door de
erflater gesloten sommenverzekeringen zonder
onherroepelijk geworden aanwijzing van een derde
als begunstigde, is artikel 22a
Faillissementswet van overeenkomstige
toepassing, waarbij dient te worden gelezen
voor:
a. de curator: de
vereffenaar
b. de
rechter-commissaris: de kantonrechter
c. de
verzekeringnemer: de erfgenamen dan wel,
indien de nalatenschap is verdeeld
overeenkomstig afdeling 1 van titel 3, de
echtgenoot van de erflater.
Artikel 216
Een door de rechter benoemde
vereffenaar kan hetgeen uit de nalatenschap aan een
legataris is uitgekeerd, binnen drie jaar daarna
terugvorderen, voor zover dit nodig is om schulden
als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met g
te voldoen. Artikel 122 lid 1 is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 217
1.
Indien iemand zowel
schuldenaar als schuldeiser van de nalatenschap
is, zijn de bepalingen van de Faillissementswet
omtrent de bevoegdheid tot verrekening van
overeenkomstige toepassing.
2.
Indien iemand met de erflater
deelgenoot was in een gemeenschap die tijdens de
vereffening wordt verdeeld, is artikel 56 van de
Faillissementswet van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 218
1.
Een vereffenaar is verplicht
binnen zes maanden nadat de voor het indienen
van vorderingen gestelde tijd is verstreken, een
rekening en verantwoording benevens een
uitdelingslijst ten kantore van de boedelnotaris
of, indien deze ontbreekt, ter griffie van de
rechtbank ter kennisneming van een ieder neer te
leggen. De kantonrechter kan deze termijn
verlengen.
2.
De vereffenaar maakt de
neerlegging op dezelfde wijze openlijk bekend
als de oproep tot aanmelding van vorderingen en
bovendien per brief aan de erfgenamen, de
legatarissen en allen die zich als schuldeiser
hebben aangemeld.
3.
Binnen een maand na deze
openlijke bekendmaking kan iedere belanghebbende
tegen de rekening en verantwoording of tegen de
uitdelingslijst bij de kantonrechter of, indien
een rechter-commissaris is benoemd, bij de
rechtbank in verzet komen.
4.
Verbintenissen die tot
levering van een goed der nalatenschap of tot
vestiging van een beperkt recht op een zodanig
goed verplichten, worden in een geldschuld
omgezet, voor zover een tekort dit nodig maakt.
Andere verbintenissen die niet in geld luiden,
en verbintenissen onder een opschortende
voorwaarde worden in de uitdelingslijst slechts
op verzoek van de schuldeiser opgenomen; in dat
geval worden zij omgezet in een geldschuld. De
vordering van een legitimaris wordt, indien zij
ingevolge artikel 81 lid 2, een voorwaarde als
bedoeld in artikel 82 of een beschikking als
bedoeld in artikel 83 niet opeisbaar is, niet in
de uitdelingslijst opgenomen.
5.
Voor het overige vinden bij
de berekening van ieders vordering, het opmaken
van de uitdelingslijst en het verzet daartegen
de dienaangaande in de Faillissementswet
voorkomende voorschriften zoveel mogelijk
overeenkomstige toepassing.
Artikel 219
Wanneer de rechter heeft
bepaald dat de nalatenschap mede in het belang van
de schuldeisers van iemand die haar verworpen heeft,
wordt vereffend, kunnen ook deze schuldeisers hun
vorderingen indienen. Zij worden in de
uitdelingslijst opgenomen, doch slechts batig
gerangschikt voor zover een overschot aan hun
schuldenaar zou zijn toegekomen, indien deze niet
verworpen had; te dien einde kan de vereffenaar voor
zoveel nodig verdeling van de nalatenschap vorderen
en aan de verdeling deelnemen.
Artikel 220
1.
Na het verbindend worden van
een uitdelingslijst is de vereffenaar verplicht
een ieder het hem volgens de uitdelingslijst
toekomende uit te keren. Geldsbedragen waarover
niet binnen zes maanden is beschikt of die
gereserveerd zijn, geeft een door de rechter
benoemde vereffenaar in bewaring ter plaatse tot
het ontvangen van gerechtelijke consignatiën
aangewezen.
2.
Schuldeisers van de
nalatenschap die pas na het verbindend worden
van een uitdelingslijst opkomen, hebben,
onverminderd hun verhaal op de goederen van
erfgenamen die met hun gehele vermogen
aansprakelijk zijn, alleen recht van verhaal op
de alsdan nog onverkochte goederen en op het
saldo der nalatenschap. Zij worden daaruit
voldaan naar gelang zij zich aanmelden.
3.
Bovendien hebben schuldeisers
als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en
met g die niet voldaan zijn, nog een recht van
verhaal tegen legatarissen, voor zover dezen een
uitkering hebben ontvangen en niet voldoende
goederen voor verhaal als bedoeld in het vorige
lid aanwijzen. Het recht van verhaal tegen een
legataris vervalt drie jaren na het verbindend
worden van de uitdelingslijst, volgens welke de
uitkering aan hem is geschied.
4.
Wanneer een ingevolge artikel
218 lid 4, derde zin, niet in de uitdelingslijst
opgenomen vordering van een legitimaris
opeisbaar wordt, kan de legitimaris,
onverminderd zijn verhaal overeenkomstig de
leden 2 en 3, voor het gedeelte van de schuld
aan hem dat overeenkomstig artikel 87 leden 5 en
6 op een erfgenaam of legataris rust, deze
erfgenaam of legataris aanspreken.
Artikel 221
1.
De in de artikelen 214,
eerste en vijfde lid, en 218 omschreven
verplichtingen rusten op de erfgenamen die uit
hoofde van aanvaarding onder voorrecht van
boedelbeschrijving vereffenaar zijn, slechts
indien de kantonrechter dit bepaalt.
2.
Een door de rechter benoemde
vereffenaar behoeft een rekening en
verantwoording en een uitdelingslijst niet neer
te leggen, wanneer alle hem voor de afloop van
de in artikel 218, eerste lid, bedoelde termijn
bekend geworden schulden ten volle worden
voldaan, of wanneer de kantonrechter hem van
deze neerlegging vrijstelt. Deze vrijstelling
wordt niet verleend, wanneer een schuldeiser
daartegen bezwaar maakt.
3.
Wordt de rekening en
verantwoording niet neergelegd, dan geschiedt
zij aan hen die een recht op het overschot
hebben, op de wijze als voor bewindvoerders is
bepaald.
Artikel 222
Gedurende de vereffening zijn
van titel 7 van Boek 3 slechts van toepassing de
artikelen 166, 167, 169, 170 lid 1 en 194 lid 2.
Artikel 223
1.
Gedurende de vereffening is
een schuldeiser alleen bevoegd zijn vordering op
goederen der nalatenschap ten uitvoer te leggen,
indien deze bevoegdheid hem ook in geval van
faillissement van de erflater zou zijn
toegekomen. De artikelen 57 tot en met 60 van de
Faillissementswet zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de in de
artikelen 58 lid 1, 59a leden 3 en 5 en 60 lid 3
bedoelde bevoegdheden van de
rechter-commissaris, zo ter zake van de
vereffening geen rechter-commissaris is benoemd,
uitgeoefend worden door de kantonrechter.
2.
Ook tijdens de vereffening
kan een schuldeiser van de nalatenschap zijn
vorderingsrecht, of de voorrang die zijn
vordering toekomt, bij vonnis doen vaststellen.
Een vonnis waarbij een vordering tegen een
vereffenaar is vastgesteld, kan op de
persoonlijke goederen van een erfgenaam die met
zijn gehele vermogen aansprakelijk is, alleen
worden ten uitvoer gelegd, indien deze in het
geding partij is geweest.
3.
Op verzoek van een
vereffenaar kunnen reeds gelegde beslagen, voor
zover dat voor de vereffening nodig is, door de
kantonrechter worden opgeheven.
Artikel 224
Eerst nadat de bekende
schuldeisers van de vereffende nalatenschap volledig
zijn voldaan, hebben de overige schuldeisers van een
erfgenaam recht van verhaal op de goederen der
nalatenschap.
Artikel 225
1.
Wanneer niet alle erfgenamen
bekend zijn of daaromtrent onzekerheid bestaat,
is een vereffenaar verplicht door oproepingen in
veel gelezen dagbladen of door andere doelmatige
middelen de erfgenamen op te sporen.
2.
Is een vereffenaar benoemd
omdat de nalatenschap geheel of ten dele
onbeheerd werd gelaten, dan neemt de vereffening
een einde, zodra alle erfgenamen het beheer
hebben aanvaard en de reeds gemaakte kosten van
vereffening hebben voldaan.
Artikel 226
1.
Is de vereffening voltooid en
met een overschot geëindigd, dan geeft een door
de rechter benoemde vereffenaar de overgebleven
goederen af aan de erfgenamen dan wel, indien de
nalatenschap ingevolge artikel 13 is verdeeld,
aan de echtgenoot van de erflater. Zijn er geen
erfgenamen, is het niet bekend of er erfgenamen
zijn, of zijn de erfgenamen niet bereid de
goederen in ontvangst te nemen, dan geeft hij
deze aan de Staat af.
2.
Zijn de erfgenamen die zich
tot de inontvangstneming bereid tonen, slechts
tot een deel van de nalatenschap gerechtigd, dan
draagt de vereffenaar zorg dat de nalatenschap
eerst wordt verdeeld. Daarna geeft hij hetgeen
is toegedeeld aan erfgenamen die onbekend zijn
of hebben nagelaten tot de verdeling mede te
werken, aan de Staat af.
3.
De Staat is bevoegd de hem
afgegeven goederen te verkopen; registergoederen
mag hij slechts in het openbaar verkopen, tenzij
de kantonrechter hem tot onderhandse verkoop
machtigt.
4.
Is een goed van de
nalatenschap of hetgeen daarvoor in de plaats is
gekomen binnen twintig jaren nadat de
nalatenschap is opengevallen door niemand
opgeëist, dan vervalt het aan de Staat.
Afdeling 4. Verdeling van de
nalatenschap
Artikel 227
Onverminderd de voorschriften
die voor de verdeling van iedere gemeenschap gelden,
zijn op de verdeling van een nalatenschap de
navolgende bepalingen van toepassing.
Artikel 228
1.
Tot de schulden van een
erfgenaam, die bij de verdeling op verlangen van
een of meer der overige erfgenamen op zijn
aandeel worden toegerekend, behoort hetgeen hij
aan de erflater schuldig is gebleven.
2.
Ook schulden als bedoeld in
artikel 7 lid 1 onder f tot en met h van een
erfgenaam aan een mede-erfgenaam worden, voor
zover zij bij de verdeling opeisbaar zijn, op
verlangen en ten behoeve van de mede-erfgenaam
toegerekend op het aandeel van de schuldenaar.
Artikel 229
1.
Erfgenamen zijn verplicht ten
behoeve van hun mede-erfgenamen de waarde van de
hun door de erflater gedane giften in te brengen,
voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift
hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft
voorgeschreven.
2.
Een bij de gift opgelegde
verplichting tot inbreng kan bij uiterste
wilsbeschikking worden ongedaan gemaakt.
Artikel 230
Erfgenamen die bij
plaatsvervulling opkomen, moeten behalve de door
henzelf ontvangen giften, ieder naar de mate van
zijn erfdeel de giften inbrengen, die hij wiens
plaats zij innemen, had moeten inbrengen, was hij
erfgenaam geweest.
Artikel 231
Ook als de begiftigde in een
gemeenschap van goederen of deelgenootschap is
gehuwd, komt de gehele gift voor inbreng in
aanmerking, tenzij de erflater het tegendeel heeft
bepaald.
Artikel 232
1.
De aansprakelijkheid van de
erfgenamen jegens de schuldeisers van de
nalatenschap wordt door een verplichting tot
inbreng niet gewijzigd.
2.
Bij overgang van het erfdeel
van een erfgenaam gaat zijn recht op of
verplichting tot inbreng mede over.
Artikel 233
1.
Verplichting tot inbreng
betekent dat bij de verdeling van de
nalatenschap de waarde van de gift in mindering
komt van het aandeel van de tot inbreng
verplichte erfgenaam in het hem en de erfgenamen,
te wier behoeve de inbreng verplicht is, uit de
nalatenschap toekomende gedeelte, vermeerderd
met de onderling in te brengen bedragen. De
waarde van de giften wordt berekend op de wijze
als uit artikel 66 voortvloeit; deze waarde
wordt verhoogd met een rente van zes procent per
jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is
opengevallen. De artikelen 68 en 70 lid 3 zijn
van overeenkomstige toepassing.
2.
Inbreng is niet verplicht
voor zover de waarde van de gift groter is dan
het aandeel van de erfgenaam.
|
|
|