Boek 3. Vermogensrecht in
het algemeen
Titel 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
Goederen zijn alle zaken en alle
vermogensrechten.
Artikel 2
Zaken zijn de voor menselijke beheersing
vatbare stoffelijke objecten.
Artikel 3
1.
Onroerend zijn de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen,
de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen
en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij
rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of
werken.
2.
Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.
Artikel 4
1. Al
hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak
uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.
2. Een
zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij
daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging
van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt
bestanddeel van de hoofdzaak.
Artikel 5
Inboedel is het geheel van tot huisraad en
tot stoffering en meubilering van een woning dienende roerende
zaken, met uitzondering van boekerijen en verzamelingen van
voorwerpen van kunst, wetenschap of geschiedkundige aard.
Artikel 6
Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij
tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe
strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen,
ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het
vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten.
Artikel 7
Een afhankelijk recht is een recht dat aan
een ander recht zodanig verbonden is, dat het niet zonder dat
andere recht kan bestaan.
Artikel 8
Een beperkt recht is een recht dat is
afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte
recht is bezwaard.
Artikel 9
1.
Natuurlijke vruchten zijn zaken die volgens
verkeersopvatting als vruchten van andere zaken worden
aangemerkt.
2.
Burgerlijke vruchten zijn rechten die volgens
verkeersopvatting als vruchten van goederen worden
aangemerkt.
3. De
afzonderlijke termijnen van een lijfrente gelden als
vruchten van het recht op de lijfrente.
4. Een
natuurlijke vrucht wordt een zelfstandige zaak door haar
afscheiding, een burgerlijke vrucht een zelfstandig recht
door haar opeisbaar worden.
Artikel 10
Registergoederen zijn goederen voor welker
overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde
openbare registers noodzakelijk is.
Artikel 11
Goede trouw van een persoon, vereist voor
enig rechtsgevolg, ontbreekt niet alleen, indien hij de feiten
of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben,
kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden
behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek belet niet dat
degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als
iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.
Artikel 12
Bij de vaststelling van wat redelijkheid
en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen
erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende
rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke
belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.
Artikel 13
1.
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet
inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
2. Een
bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te
oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met
een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men,
in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang
bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad,
naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
3. Uit
de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet
kan worden misbruikt.
Artikel 14
Een bevoegdheid die iemand krachtens het
burgerlijk recht toekomt, mag niet worden uitgeoefend in strijd
met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht.
Artikel 15
De artikelen 11-14 vinden buiten het
vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Afdeling 1A. Elektronisch
vermogensrechtelijk rechtsverkeer
Artikel 15a
1. Een
elektronische handtekening heeft dezelfde rechtsgevolgen als
een handgeschreven handtekening, indien de methode die
daarbij is gebruikt voor authentificatie voldoende
betrouwbaar is, gelet op het doel waarvoor de elektronische
gegevens werden gebruikt en op alle overige omstandigheden
van het geval.
2. Een
in lid 1 bedoelde methode wordt vermoed voldoende
betrouwbaar te zijn, indien een elektronische handtekening
voldoet aan de volgende eisen:
a. zij is op unieke wijze aan de
ondertekenaar verbonden;
b. zij maakt het mogelijk de
ondertekenaar te identificeren;
c. zij komt tot stand met middelen
die de ondertekenaar onder zijn uitsluitende controle
kan houden; en
d. zij is op zodanige wijze aan
het elektronisch bestand waarop zij betrekking heeft
verbonden, dat elke wijziging achteraf van de gegevens
kan worden opgespoord;
e. zij is gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet; en
f. zij is gegenereerd door een
veilig middel voor het aanmaken van elektronische
handtekeningen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel vv,
van de Telecommunicatiewet.
3. Een
in lid 1 bedoelde methode kan niet als onvoldoende
betrouwbaar worden aangemerkt op de enkele grond dat deze:
- niet is gebaseerd op een
gekwalificeerd certificaat als bedoeld in artikel 1.1,
onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet;
- niet is gebaseerd op een door
een certificatiedienstverlener als bedoeld in artikel
18.16, eerste lid, Telecommunicatiewet afgegeven
certificaat; of
- niet met een veilig middel voor
het aanmaken van elektronische handtekeningen is
aangemaakt als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel vv, van
de Telecommunicatiewet.
4. Onder
elektronische handtekening wordt een handtekening verstaan
die bestaat uit elektronische gegevens die zijn vastgehecht
aan of logisch geassocieerd zijn met andere elektronische
gegevens en die worden gebruikt als middel voor
authentificatie.
5. Onder
ondertekenaar wordt degene verstaan die een middel voor het
aanmaken van elektronische handtekeningen als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel uu, van de Telecommunicatiewet
gebruikt.
6.
Tussen partijen kan van lid 2 en 3 worden afgeweken.
Artikel 15b
Een gekwalificeerd certificaat als bedoeld
in artikel 1.1, onderdeel ss, van de Telecommunicatiewet,
afgegeven aan het publiek door een certificatiedienstverlener
gevestigd in een derde land, heeft dezelfde geldigheid als een
gekwalificeerd certificaat afgegeven door een in de Europese
Gemeenschap dan wel een van de overige staten die partij zijn
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
gevestigde certificatiedienstverlener, indien:
a. de certificatiedienstverlener
voldoet aan de in richtlijn nr. 99/93/EG van het
Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999
betreffende een gemeenschappelijk kader voor
elektronische handtekeningen (PbEG L 13) gestelde eisen
en beschikt over een in het kader van een in een
lidstaat van de Europese Gemeenschap Gemeenschap dan wel
een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
afgegeven bewijs van toetsing als bedoeld in artikel
18.16, eerste lid Telecommunicatiewet, dan wel
b. een in de Europese Gemeenschap
of een van de overige staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte
gevestigde certificatiedienstverlener die voldoet aan de
eisen van richtlijn nr. 99/93/EG van het Europees
Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende
een gemeenschappelijk kader voor elektronische
handtekeningen (PbEG L 13) voor dat certificaat instaat,
dan wel
c. het certificaat of de
certificatiedienstverlener is erkend in het kader van
een bilaterale of multilaterale overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap dan wel een van de overige staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte en derde landen of
internationale organisaties.
Artikel 15c
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze afdeling overeenkomstige toepassing, voor
zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking
zich daartegen niet verzet.
Artikel 15d
1.
Degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleent,
maakt de volgende gegevens gemakkelijk, rechtstreeks en
permanent toegankelijk voor degenen die gebruik maken van
deze dienst, in het bijzonder om informatie te verkrijgen of
toegankelijk te maken:
a. zijn identiteit en adres van
vestiging;
b. gegevens die een snel contact
en een rechtstreekse en effectieve communicatie met hem
mogelijk maken, met inbegrip van zijn elektronische
postadres;
c. voor zover hij in een
handelsregister of een vergelijkbaar openbaar register
is ingeschreven: het register waar hij is ingeschreven
en zijn inschrijvingsnummer, of een vergelijkbaar middel
ter identificatie in dat register;
d. voor zover een activiteit aan
een vergunningsstelsel is onderworpen: de gegevens over
de bevoegde toezichthoudende autoriteit;
e. voor zover hij een
gereglementeerd beroep uitoefent:
– de beroepsvereniging of -organisatie
waarbij hij is ingeschreven,
– de beroepstitel en de
lidstaat van de Europese Unie of andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte waar die is toegekend,
– een verwijzing naar de
beroepsregels die in Nederland van toepassing zijn
en de wijze van toegang daartoe;
f. voor zover hij een aan de BTW
onderworpen activiteit uitoefent: het btw-identificatienummer
zoals bedoeld in artikel 2a, eerste lid, onder g, van de
Wet op de Omzetbelasting 1968.
2. De
dienstverlener geeft aanduidingen van prijzen in een dienst
van de informatiemaatschappij duidelijk en ondubbelzinnig
aan, met de uitdrukkelijke vermelding of, en zo mogelijk
welke, belasting en leveringskosten daarbij inbegrepen zijn.
3. Onder
dienst van de informatiemaatschappij wordt verstaan elke
dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische
weg, op afstand en op individueel verzoek van de afnemer van
de dienst wordt verricht zonder dat partijen gelijktijdig op
dezelfde plaats aanwezig zijn. Een dienst wordt langs
elektronische weg verricht indien deze geheel per draad, per
radio, of door middel van optische of andere
elektromagnetische middelen wordt verzonden, doorgeleid en
ontvangen met behulp van elektronische apparatuur voor de
verwerking, met inbegrip van digitale compressie, en de
opslag van gegevens.
Artikel 15e
1.
Indien commerciële communicatie deel uitmaakt van een dienst
van de informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormt,
zorgt degene in wiens opdracht de commerciële communicatie
geschiedt dat:
a. de commerciële communicatie
duidelijk als zodanig herkenbaar is;
b. de commerciële communicatie
zijn identiteit vermeldt;
c. de commerciële communicatie,
indien deze verkoopbevorderende aanbiedingen,
wedstrijden of spelen omvat, een duidelijke en
ondubbelzinnige vermelding bevat van de aard en de
voorwaarden van de aanbieding of de deelneming;
d. ongevraagde commerciële
communicatie door middel van elektronische post reeds
bij de ontvangst duidelijk en ondubbelzinnig als zodanig
herkenbaar is.
2. [vervallen.]
3. Onder
commerciële communicatie als bedoeld in dit artikel wordt
verstaan elke vorm van communicatie bestemd voor het
aanprijzen van de goederen, diensten of het imago van een
onderneming, instelling of persoon die een commerciële,
industriële of ambachtelijke activiteit of een
gereglementeerd beroep uitoefent, met uitzondering van
informatie die rechtstreeks toegang geeft tot de activiteit
van de onderneming, instelling of persoon, in het bijzonder
een domeinnaam of een elektronisch postadres. Mededelingen
over goederen of diensten of het imago van een onderneming,
instelling of persoon die onafhankelijk van deze en in het
bijzonder zonder financiële tegenprestatie zijn samengesteld,
zijn geen commerciële communicatie.
Artikel 15f
1.
Degenen die diensten van de informatiemaatschappij verlenen
of gebruiken kunnen zich richten tot een door Onze Minister
van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van
Economische Zaken aan te wijzen rechtspersoon teneinde:
a. algemene informatie te
verkrijgen over hun contractuele rechten en plichten
alsmede over klachtenprocedures en rechtsmiddelen in het
geval van een geschil;
b. nadere gegevens te verkrijgen
over de autoriteiten of organisaties waar zij nadere
informatie of praktische bijstand kunnen krijgen.
2. De
rechtspersoon, bedoeld in lid 1, werkt bij de uitoefening
van zijn taken samen met de overeenkomstige organisaties in
andere lidstaten van de Europese Unie en de overige staten
die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte.
3. De
controleurs van de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en
Opsporingsdienst – Economische Controle Dienst (Belastingdienst/FIOD-ECD)
worden aangewezen als ambtenaren, belast met de opsporing
van overtredingen van de voorschriften gesteld bij de
artikelen 15d en 15e lid 1.
Afdeling 1B. Het voeren van een
administratie
Artikel 15i
1. Een
ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent,
is verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles
betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat
bedrijf of beroep, op zodanige wijze een administratie te
voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere
gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen
tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
2. De
leden 2 tot en met 4 van artikel 10 van Boek 2 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 15j
Openlegging van tot een administratie
behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers kunnen,
voorzover zij daarbij een rechtstreeks en voldoende belang
hebben, vorderen:
a. erfgenamen, ten aanzien van de
boekhouding van de erflater;
b. deelgenoten in een gemeenschap,
ten aanzien van de boekhouding betreffende de
gemeenschap;
c. vennoten, ten aanzien van de
boekhouding van de vennootschap;
d. schuldeisers in het geval van
faillissement of toepassing van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, ten
aanzien van de boekhouding van de failliet
onderscheidenlijk degene ten aanzien van wie de
schuldsaneringsregeling van toepassing is.
Afdeling 2. Inschrijvingen betreffende
registergoederen
Artikel 16
1. Er
worden openbare registers gehouden, waarin feiten die voor
de rechtstoestand van registergoederen van belang zijn,
worden ingeschreven.
2. Welke
deze openbare registers zijn, waar en op welke wijze een
inschrijving in de registers kan worden verkregen, welke
stukken daartoe aan de bewaarder moeten worden aangeboden,
wat deze stukken moeten inhouden, hoe de registers worden
ingericht, hoe de inschrijvingen daarin geschieden, en hoe
de registers kunnen worden geraadpleegd, wordt geregeld bij
de wet.
Artikel 17
1.
Behalve die feiten waarvan inschrijving krachtens andere
wetsbepalingen mogelijk is, kunnen in deze registers de
volgende feiten worden ingeschreven:
a. rechtshandelingen die een
verandering in de rechtstoestand van registergoederen
brengen of in enig ander opzicht voor die rechtstoestand
van belang zijn;
b. erfopvolgingen die
registergoederen betreffen, daaronder begrepen de
opvolging door de Staat krachtens de artikelen 189 en
226 lid 4 van Boek 4, en de afgifte van registergoederen
aan de Staat krachtens artikel 226 leden 1 en 2 van Boek
4;
c. vervulling van de voorwaarde,
gesteld in een ingeschreven voorwaardelijke
rechtshandeling, en de verschijning van een onzeker
tijdstip, aangeduid in de aan een ingeschreven
rechtshandeling verbonden tijdsbepaling, alsmede de dood
van een vruchtgebruiker van een registergoed;
d. reglementen en andere
regelingen die tussen medegerechtigden in
registergoederen zijn vastgesteld;
e. rechterlijke uitspraken die de
rechtstoestand van registergoederen of de bevoegdheid
daarover te beschikken betreffen, mits zij uitvoerbaar
bij voorraad zijn of een verklaring van de griffier
wordt overgelegd, dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel
meer openstaat of dat hem drie maanden na de uitspraak
niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is
gebleken, benevens de tegen de bovenbedoelde uitspraken
ingestelde rechtsmiddelen;
f. instelling van
rechtsvorderingen en indiening van verzoekschriften ter
verkrijging van een rechterlijke uitspraak die de
rechtstoestand van een registergoed betreft;
g. executoriale en conservatoire
beslagen op registergoederen;
h. naamsveranderingen die tot
registergoederen gerechtigde personen betreffen;
i. verjaring die leidt tot
verkrijging van een registergoed of tenietgaan van een
beperkt recht dat een registergoed is;
j. beschikkingen en uitspraken,
waarbij een krachtens een bijzondere wetsbepaling
ingeschreven beschikking wordt vernietigd, ingetrokken
of gewijzigd;
k. de aanleg en verwijdering van
een net, bestaande uit een of meer kabels of leidingen,
bestemd voor transport van vaste, vloeibare of
gasvormige stoffen, van energie of van informatie.
2. Huur-
en pachtovereenkomsten en andere feiten die alleen
persoonlijke rechten geven of opheffen, kunnen slechts
worden ingeschreven, indien een bijzondere wetsbepaling dit
toestaat.
Artikel 18
Worden de bewaarder der registers stukken
ter inschrijving aangeboden, dan verstrekt hij de aanbieder een
bewijs van ontvangst, vermeldende de aard dier stukken alsmede
dag, uur en minuut van de aanbieding.
Artikel 19
1.
Indien de voor een inschrijving nodige stukken worden
aangeboden, de aangeboden stukken aan de wettelijke eisen
voldoen en andere wettelijke vereisten voor inschrijving
zijn vervuld, dan geschiedt de inschrijving terstond na de
aanbieding.
2. Als
tijdstip van inschrijving geldt het tijdstip van aanbieding
van de voor de inschrijving vereiste stukken.
3. Op
verlangen van de aanbieder tekent de bewaarder de verrichte
inschrijving op het ontvangstbewijs aan of doet hij in de
gevallen en op een wijze bij of krachtens de wet, bedoeld in
artikel 16, tweede lid, vast te stellen, daarvan mededeling
aan de aanbieder.
4.
Indien de bewaarder vermoedt dat de in de aangeboden stukken
vermelde kenmerken niet overeenstemmen met die welke met
betrekking tot het registergoed behoren te worden vermeld,
of dat de in te schrijven rechtshandeling door een
onbevoegde is verricht of onverenigbaar is met een andere
rechtshandeling, ter inschrijving waarvan hem de nodige
stukken zijn aangeboden, is hij bevoegd de aanbieder en
andere belanghebbenden daarop opmerkzaam te maken.
Artikel 20
1. De
bewaarder der registers weigert een inschrijving te doen,
indien niet is voldaan aan de eisen, bedoeld in artikel 19,
eerste lid. Hij boekt de aanbieding in het register van
voorlopige aantekeningen met vermelding van de gerezen
bedenkingen.
2.
Wanneer de weigering ten onrechte is geschied, beveelt de
voorzieningenrechter van de rechtbank, rechtdoende in kort
geding, op vordering van de belanghebbende de bewaarder de
inschrijving alsnog te verrichten, zulks onverminderd de
bevoegdheid van de gewone rechter. De voorzieningenrechter
kan de oproeping van door hem aan te wijzen andere
belanghebbenden gelasten. Het bevel van de
voorzieningenrechter is van rechtswege uitvoerbaar bij
voorraad.
3. Wordt
de geweigerde inschrijving alsnog bevolen, dan verricht de
bewaarder haar terstond nadat de eiser haar opnieuw heeft
verzocht.
4.
Indien de belanghebbende binnen twee weken na de
oorspronkelijke aanbieding aan de bewaarder een dagvaarding
in kort geding ter verkrijging van het in lid 2 bedoelde
bevel heeft doen uitbrengen en de aanvankelijk geweigerde
inschrijving alsnog is verricht op een hernieuwde aanbieding
van dezelfde stukken, gedaan binnen een week na een in
eerste aanleg gegeven bevel, wordt de inschrijving geacht te
zijn geschied op het tijdstip waarop de oorspronkelijke
aanbieding plaatsvond. Hetzelfde geldt, indien de bewaarder
op een hernieuwde aanbieding alsnog overgaat tot
inschrijving binnen twee weken hetzij na de oorspronkelijke
aanbieding, hetzij na een hem tijdig uitgebrachte
dagvaarding hangende het geding in eerste aanleg.
5. Een
feit waarvan slechts blijkt uit een overeenkomstig lid 1,
tweede zin, geboekt stuk wordt geacht niet door raadpleging
van de registers kenbaar te zijn, tenzij het krachtens het
vorige lid geacht moet worden reeds ten tijde van de
raadpleging ingeschreven te zijn geweest.
6. Een
voorlopige aantekening wordt door de bewaarder doorgehaald,
zodra hem is gebleken dat de voorwaarden voor toepassing van
het vierde lid niet meer kunnen worden vervuld, of de
inschrijving met inachtneming van het tijdstip van
oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft plaatsgevonden.
Artikel 21
1. De
rangorde van inschrijvingen die op een zelfde registergoed
betrekking hebben, wordt bepaald door de volgorde der
tijdstippen van inschrijving, tenzij uit de wet een andere
rangorde voortvloeit.
2.
Vinden twee inschrijvingen op één zelfde tijdstip plaats en
zouden deze leiden tot onderling onverenigbare rechten van
verschillende personen op dat goed, dan wordt de rangorde
bepaald:
a. ingeval de ter inschrijving
aangeboden akten op verschillende dagen zijn opgemaakt:
door de volgorde van die dagen;
b. ingeval beide akten op dezelfde
dag zijn opgemaakt en het notariële akten, daaronder
begrepen notariële verklaringen, betreft: door de
volgorde van de tijdstippen waarop ieder van die akten
of verklaringen is opgemaakt.
Artikel 22
Wanneer een feit in de registers is
ingeschreven, kan daarna de geldigheid van de inschrijving niet
meer worden betwist op grond dat de formaliteiten die voor de
inschrijving worden vereist, niet zijn in acht genomen.
Artikel 23
Het beroep van een verkrijger van een
registergoed op goede trouw wordt niet aanvaard, wanneer dit
beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door
raadpleging van de registers zouden zijn gekend.
Artikel 24
1.
Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling tot
verkrijging van een recht op een registergoed onder
bijzondere titel in de registers wordt ingeschreven, een
eveneens voor inschrijving in de registers vatbaar feit niet
met betrekking tot dat registergoed ingeschreven was, kan
dit feit aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij
hij het kende.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van:
a. feiten die naar hun aard
vatbaar zijn voor inschrijving in een register van de
burgerlijke stand, een huwelijksgoederenregister of een
boedelregister, ook indien het feit in een gegeven geval
daarin niet kan worden ingeschreven, omdat daarop de
Nederlandse wet niet van toepassing is;
b. in het curateleregister
ingeschreven ondercuratelestelling en opheffing van
curatele;
c. in het faillissementsregister,
het surséanceregister en het register
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
ingeschreven rechterlijke uitspraken;
d. aanvaarding en verwerping van
een nalatenschap;
e. verjaring.
3. Het
eerste lid is evenmin van toepassing ten aanzien van
erfopvolgingen en uiterste wilsbeschikkingen die op het
tijdstip van de inschrijving van de rechtshandeling nog niet
ingeschreven waren, doch daarna, mits binnen drie maanden na
de dood van de erflater, alsnog in de registers zijn
ingeschreven.
Artikel 25
Indien op het tijdstip waarop een
rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een
registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, een feit
met betrekking tot dat registergoed in de registers was
ingeschreven krachtens een authentieke akte waarin het feit door
een ambtenaar met kracht van authenticiteit werd vastgesteld,
kan de onjuistheid van dit feit aan de verkrijger niet worden
tegengeworpen, tenzij hij deze onjuistheid kende of door
raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen
kennen.
Artikel 26
Indien op het tijdstip waarop een
rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een
registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, met
betrekking tot dat registergoed een onjuist feit in de registers
ingeschreven was, kan de onjuistheid van dit feit door hem die
redelijkerwijze voor overeenstemming van de registers met de
werkelijkheid had kunnen zorgdragen, aan de verkrijger niet
worden tegengeworpen, tenzij deze de onjuistheid kende of door
raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen
kennen.
Artikel 27
1. Hij
die beweert enig recht op een registergoed te hebben, kan
alle belanghebbenden bij openbare oproeping, en daarnaast
hen die als rechthebbende of beslaglegger op dat goed
ingeschreven staan, ieder bij name dagvaarden om te horen
verklaren dat hem het recht waarop hij aanspraak maakt,
toekomt. Alvorens een zodanige eis toe te wijzen, kan de
rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen,
welke hij in het belang van mogelijke niet-verschenen
rechthebbenden nuttig oordeelt. Een krachtens dit artikel
verkregen verklaring wordt niet in de registers ingeschreven,
voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Tegen
het vonnis is geen verzet toegelaten. Hoger beroep en
cassatie staan volgens de gewone regels open, behoudens de
volgende uitzonderingen. Artikel 335 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering is niet van toepassing. De
dagvaarding waarbij het rechtsmiddel wordt ingesteld, moet
op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen
worden ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 433
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De termijn
voor hoger beroep begint voor niet-verschenen
belanghebbenden te lopen vanaf de betekening van de
uitspraak aan hen bij name, voor zover zij ingeschreven
waren, of bij openbaar exploit, zo zij niet ingeschreven
waren. Cassatie staat alleen open voor verschenen
belanghebbenden.
3. De
krachtens lid 1 ingeschreven verklaring wordt ten aanzien
van niet-verschenen belanghebbenden die niet bij name zijn
gedagvaard, vermoed juist te zijn, zolang het tegendeel niet
bewezen is.
Op de onjuistheid kan echter geen
beroep worden gedaan ten nadele van hen die, daarmee
onbekend, de verkrijger van het vonnis onder bijzondere
titel zijn opgevolgd.
4. Een
openbare oproeping als bedoeld in lid 1 geschiedt
overeenkomstig artikel 54, tweede en derde lid van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een openbaar
exploit als bedoeld in lid 2 geschiedt op dezelfde wijze,
tenzij de rechter nadere maatregelen voorschrijft als
bedoeld in lid 1. De in lid 1 bedoelde maatregelen kunnen
bestaan in het voorschrijven van al of niet herhaalde
aankondigingen van een door de rechter vast te stellen
inhoud in één of meer binnen- of buitenlandse dagbladen.
Artikel 28
1. Is
een inschrijving waardeloos, dan zijn degenen te wier
behoeve zij anders zou hebben gestrekt, verplicht van deze
waardeloosheid aan hem die daarbij een onmiddellijk belang
heeft, op diens verzoek een schriftelijke verklaring af te
geven. De verklaringen vermelden de feiten waarop de
waardeloosheid berust, tenzij de inschrijving een hypotheek
of een beslag betreft.
2.
Verklaringen als in lid 1 bedoeld kunnen in de registers
worden ingeschreven. Indien de inschrijving een hypotheek of
een beslag betreft, machtigen deze verklaringen na
inschrijving gezamenlijk de bewaarder tot doorhaling daarvan.
Artikel 29
1.
Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan
verklaart de rechtbank de inschrijving waardeloos op
vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt ter
verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat
ingeschreven gedagvaard, dan worden daarmee tevens
gedagvaard al zijn rechtverkrijgenden die geen nieuwe
inschrijving hebben genomen.
2.
Alvorens een zodanige verklaring uit te spreken kan de
rechter de maatregelen bevelen en de bewijsopdrachten doen,
welke hij in het belang van mogelijk niet-verschenen
rechthebbenden nuttig oordeelt.
3.
Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van niet-
ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het
rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers, bedoeld in
artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Zo voor een ingeschreven gedaagde geen verzet, maar hoger
beroep openstaat, geldt hetzelfde voor zijn
rechtverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben
genomen. In afwijking van artikel 143 van dat wetboek begint
de termijn van verzet in elk geval te lopen vanaf de
betekening van het vonnis aan de ingeschreven gedaagde, ook
als de betekening niet aan hem in persoon geschiedt, zulks
mede ten opzichte van zijn rechtverkrijgenden die geen
nieuwe inschrijving hebben genomen, tenzij de rechter
hiertoe nadere maatregelen heeft bevolen en aan dat bevel
niet is voldaan. Cassatie staat alleen open voor verschenen
belanghebbenden.
4. Het
vonnis dat de verklaring bevat, kan niet worden ingeschreven,
voordat het in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de
waardeloze inschrijving een hypotheek of beslag betreft,
machtigt het vonnis na inschrijving de bewaarder tot
doorhaling daarvan.
Artikel 30
Onverminderd de aansprakelijkheden van de
Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in
artikel 117, eerste en tweede lid, van de Kadasterwet, is de
Staat aansprakelijk, wanneer iemand ten gevolge van
omstandigheden die naar redelijkheid en billijkheid niet voor
zijn rekening komen, door toepassing van een der artikelen 24,
25 of 27 zijn recht verliest.
Artikel 31
Waar een wetsbepaling die betrekking heeft
op registergoederen, een notariële akte of een notariële
verklaring voorschrijft, is een akte of verklaring van een
Nederlandse notaris vereist.
Titel 2. Rechtshandelingen
Artikel 32
1.
Iedere natuurlijke persoon is bekwaam tot het verrichten van
rechtshandelingen, voor zover de wet niet anders bepaalt.
2. Een
rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een
eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot
een of meer bepaalde personen gericht was, is echter nietig.
Artikel 33
Een rechtshandeling vereist een op een
rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft
geopenbaard.
Artikel 34
1. Heeft
iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn
gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring
overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis
een redelijke waardering der bij de handeling betrokken
belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van
die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder
invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de
rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was,
tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling
redelijkerwijze niet was te voorzien.
2. Een
zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling
vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot
een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het
ontbreken van wil echter nietig.
Artikel 35
Tegen hem die eens anders verklaring of
gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de
gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft
opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van
een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het
ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.
Artikel 36
Tegen hem die als derde op grond van een
verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan
onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen,
het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde
rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen op
de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld, kan door
degene om wiens verklaring of gedraging het gaat, met betrekking
tot deze handeling op de onjuistheid van die veronderstelling
geen beroep worden gedaan.
Artikel 37
1.
Tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen, met inbegrip
van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij
in een of meer gedragingen besloten liggen.
2.
Indien bepaald is dat een verklaring schriftelijk moet
worden gedaan, kan zij, voor zover uit de strekking van die
bepaling niet anders volgt, ook bij exploit geschieden.
3. Een
tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar
werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans
heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht,
niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit
niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen
handeling, van de handeling van personen voor wie hij
aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn
persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel
draagt.
4.
Wanneer een door de afzender daartoe aangewezen persoon of
middel een tot een ander gerichte verklaring onjuist heeft
overgebracht, geldt het ter kennis van de ontvanger gekomene
als de verklaring van de afzender, tenzij de gevolgde wijze
van overbrenging door de ontvanger was bepaald.
5.
Intrekking van een tot een bepaalde persoon gerichte
verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon
eerder dan of gelijktijdig met de ingetrokken verklaring
bereiken.
Artikel 38
1.
Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling
anders voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een
tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht.
2. De
vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende
kracht.
Artikel 39
Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn
rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn
verricht, nietig.
Artikel 40
1. Een
rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is
met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.
2.
Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid
van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend
strekt ter bescherming van één der partijen bij een
meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid,
een en ander voor zover niet uit de strekking van de
bepaling anders voortvloeit.
3. Het
vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet
de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige
rechtshandelingen aan te tasten.
Artikel 41
Betreft een grond van nietigheid slechts
een deel van een rechtshandeling, dan blijft deze voor het
overige in stand, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking
van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige
deel staat.
Artikel 42
Beantwoordt de strekking van een nietige
rechtshandeling in een zodanige mate aan die van een andere, als
geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden
dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, indien van de
eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, dan komt
haar de werking van die andere rechtshandeling toe, tenzij dit
onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de
rechtshandeling als partij heeft medegewerkt.
Artikel 43
1.
Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door
tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door:
a. rechters, leden van het
openbaar ministerie, gerechtsauditeurs, griffiers,
advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen van
goederen waarover een geding aanhangig is voor het
gerecht, onder welks rechtsgebied zij hun bediening
uitoefenen;
b. ambtenaren, van goederen die
door hen of te hunnen overstaan worden verkocht, of
c. personen met openbaar gezag
bekleed, van goederen die toebehoren aan het Rijk,
provincies, gemeenten of andere openbare instellingen en
aan hun beheer zijn toevertrouwd,
zijn nietig en verplichten de
verkrijgers tot schadevergoeding.
2. Lid 1
onder a heeft geen betrekking op uiterste
wilsbeschikkingen, door een erflater ten voordele van zijn
wettelijke erfgenamen gemaakt, noch op rechtshandelingen
krachtens welke deze erfgenamen goederen der nalatenschap
verkrijgen.
3. In
het geval bedoeld in het eerste lid onder c is de
rechtshandeling geldig, indien zij met Onze goedkeuring is
geschied of het een verkoop in het openbaar betreft. Indien
de rechtshandeling strekt tot verkrijging door een lid van
de gemeenteraad of een wethouder, onderscheidenlijk de
burgemeester komt de in de vorige zin bedoelde bevoegdheid
tot goedkeuring toe aan gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk de Commissaris van de Koningin.
Artikel 44
1. Een
rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door
bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden
is tot stand gekomen.
2.
Bedreiging is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het
verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door
onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of
goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een
redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed.
3.
Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het
verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door
enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door
het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de
verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere
kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al
zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op.
4.
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die
weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere
omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid,
lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid,
bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling,
het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert,
ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou
behoren te weerhouden.
5.
Indien een verklaring is tot stand gekomen door bedreiging,
bedrog of misbruik van omstandigheden van de zijde van
iemand die geen partij bij de rechtshandeling is, kan op dit
gebrek geen beroep worden gedaan jegens een wederpartij die
geen reden had het bestaan ervan te veronderstellen.
Artikel 45
1.
Indien een schuldenaar bij het verrichten van een
onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat
daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun
verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de
rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond
worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in
zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser,
onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is
ontstaan.
2. Een
rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig
is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen
gericht, kan wegens benadeling slechts worden vernietigd,
indien ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de
rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat
daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg
zou zijn.
3. Wordt
een rechtshandeling om niet wegens benadeling vernietigd,
dan heeft de vernietiging ten aanzien van de bevoordeelde
die wist noch behoorde te weten dat van de rechtshandeling
benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn,
geen werking, voor zover hij aantoont dat hij ten tijde van
de verklaring of het instellen van de vordering tot
vernietiging niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat
was.
4. Een
schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling
opkomt, vernietigt deze slechts te zijnen behoeve en niet
verder dan nodig is ter opheffing van de door hem
ondervonden benadeling.
5.
Rechten, door derden te goeder trouw anders dan om niet
verkregen op goederen die het voorwerp waren van de
vernietigde rechtshandeling, worden geëerbiedigd. Ten
aanzien van de derde te goeder trouw die om niet heeft
verkregen, heeft de vernietiging geen werking voor zover hij
aantoont dat hij op het ogenblik dat het goed van hem wordt
opgeëist, niet ten gevolge van de rechtshandeling gebaat is.
Artikel 46
1.
Indien de rechtshandeling waardoor een of meer schuldeisers
zijn benadeeld, is verricht binnen één jaar voor het
inroepen van de vernietigingsgrond en de schuldenaar zich
niet reeds voor de aanvang van die termijn tot die
rechtshandeling had verplicht, wordt vermoed dat men aan
beide zijden wist of behoorde te weten dat een zodanige
benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn:
1°. bij overeenkomsten, waarbij de
waarde der verbintenis aan de zijde van de schuldenaar
aanmerkelijk die der verbintenis aan de andere zijde
overtreft;
2°. bij rechtshandelingen ter
voldoening van of zekerheidstelling voor een niet
opeisbare schuld;
3°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die een natuurlijk persoon is, verricht met
of jegens:
a. zijn echtgenoot, zijn
pleegkind of een bloed- of aanverwant tot in de
derde graad;
b. een rechtspersoon waarin
hij, zijn echtgenoot, zijn pleegkind of een bloed-
of aanverwant tot in de derde graad bestuurder of
commissaris is, dan wel waarin deze personen,
afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft
van het geplaatste kapitaal deelnemen;
4°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens
een natuurlijk persoon:
a. die bestuurder of
commissaris van de rechtspersoon is, dan wel met of
jegens diens echtgenoot, pleegkind of bloed- of
aanverwant tot in de derde graad;
b. die al dan niet tezamen met
zijn echtgenoot, zijn pleegkinderen en zijn bloed-
of aanverwanten tot in de derde graad, als
aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor ten
minste de helft van het geplaatste kapitaal
deelneemt;
c. wiens echtgenoot,
pleegkinderen of bloed- of aanverwanten tot in de
derde graad, afzonderlijk of tezamen, als
aandeelhouder rechtstreeks of middellijk voor
tenminste de helft van het geplaatste kapitaal
deelnemen;
5°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens
een andere rechtspersoon, indien
a. een van deze rechtspersonen
bestuurder is van de andere;
b. een bestuurder, natuurlijk
persoon, van een van deze rechtspersonen, of diens
echtgenoot, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in
de derde graad, bestuurder is van de andere;
c. een bestuurder, natuurlijk
persoon, of een commissaris van een van deze
rechtspersonen, of diens echtgenoot, pleegkind of
bloed- of aanverwant tot in de derde graad,
afzonderlijk of tezamen, als aandeelhouder
rechtstreeks of middellijk voor ten minste de helft
van het geplaatste kapitaal deelneemt in de andere;
d. in beide rechtspersonen
voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal
rechtstreeks of middellijk wordt deelgenomen door
dezelfde rechtspersoon, dan wel dezelfde natuurlijke
persoon, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot,
zijn pleegkinderen en zijn bloed- of aanverwanten
tot in de derde graad;
6°. bij rechtshandelingen, door de
schuldenaar die rechtspersoon is, verricht met of jegens
een groepsmaatschappij.
2. Met
een echtgenoot wordt een geregistreerde partner of een
andere levensgezel gelijkgesteld.
3. Onder
pleegkind wordt verstaan hij die duurzaam als eigen kind is
verzorgd en opgevoed.
4. Onder
bestuurder, commissaris of aandeelhouder wordt mede verstaan
hij die minder dan een jaar vóór de rechtshandeling
bestuurder, commissaris of aandeelhouder is geweest.
5.
Indien de bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder zelf
een rechtspersoon is, wordt deze rechtspersoon met de
rechtspersoon-bestuurder gelijkgesteld.
Artikel 47
In geval van benadeling door een
rechtshandeling om niet, die de schuldenaar heeft verricht
binnen één jaar vóór het inroepen van de vernietigingsgrond,
wordt vermoed dat hij wist of behoorde te weten dat benadeling
van een of meer schuldeisers het gevolg van de rechtshandeling
zou zijn.
Artikel 48
Onder schuldenaar in de zin van de drie
vorige artikelen is begrepen hij op wiens goed voor de schuld
van een ander verhaal kan worden genomen.
Artikel 49
Een vernietigbare rechtshandeling wordt
vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring,
hetzij door een rechterlijke uitspraak.
Artikel 50
1. Een
buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling
vernietigt, wordt door hem in wiens belang de
vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die partij bij
de rechtshandeling zijn.
2. Een
buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met
betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een
inschrijving in de openbare registers of tot een tot
levering van een registergoed, bestemde akte, slechts
vernietigen indien alle partijen in de vernietiging
berusten.
Artikel 51
1. Een
rechterlijke uitspraak vernietigt een rechtshandeling,
doordat zij een beroep in rechte op een vernietigingsgrond
aanvaardt.
2. Een
rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling
wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling
zijn.
3. Een
beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen
tijde worden gedaan ter afwering van een op de
rechtshandeling steunende vordering of andere
rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is verplicht om zo
spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen
bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn
verschenen.
Artikel 52
1.
Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling
verjaren:
a. in geval van onbekwaamheid:
drie jaren nadat de onbekwaamheid is geëindigd, of,
indien de onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger
heeft, drie jaren nadat de handeling ter kennis van de
wettelijke vertegenwoordiger is gekomen;
b. in geval van bedreiging of
misbruik van omstandigheden: drie jaren nadat deze
invloed heeft opgehouden te werken;
c. in geval van bedrog, dwaling of
benadeling: drie jaren nadat het bedrog, de dwaling of
de benadeling is ontdekt;
d. in geval van een andere
vernietigingsgrond: drie jaren nadat de bevoegdheid om
deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie
deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.
2. Na de
verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de
rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde
vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring
worden vernietigd.
Artikel 53
1. De
vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de
rechtshandeling is verricht.
2.
Indien de reeds ingetreden gevolgen van een rechtshandeling
bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kan de rechter
desgevraagd aan een vernietiging geheel of ten dele haar
werking ontzeggen. Hij kan aan een partij die daardoor
onbillijk wordt bevoordeeld, de verplichting opleggen tot
een uitkering in geld aan de partij die benadeeld wordt.
Artikel 54
1. De
bevoegdheid om ter vernietiging van een meerzijdige
rechtshandeling een beroep te doen op misbruik van
omstandigheden vervalt, wanneer de wederpartij tijdig een
wijziging van de gevolgen van de rechtshandeling voorstelt,
die het nadeel op afdoende wijze opheft.
2.
Bovendien kan de rechter op verlangen van een der partijen,
in plaats van een vernietiging wegens misbruik van
omstandigheden uit te spreken, ter opheffing van dit nadeel
de gevolgen van de rechtshandeling wijzigen.
Artikel 55
1. De
bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een
beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer
hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling
heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de
rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang
heeft genomen.
2.
Eveneens vervalt de bevoegdheid om een beroep op een
vernietigingsgrond te doen, wanneer een onmiddellijk
belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn aan
hem aan wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn
heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en
vernietiging en deze binnen deze termijn geen keuze heeft
gedaan.
Artikel 56
Voor de toepassing van de artikelen 50-55
gelden mede als partij:
a. in geval van eenzijdige tot een
of meer bepaalde personen gerichte rechtshandeling: die
personen;
b. in geval van andere eenzijdige
rechtshandelingen: zij die onmiddellijk belanghebbenden
zijn bij de instandhouding van die handeling.
Artikel 57
Behoeft een rechtshandeling om het beoogde
gevolg te hebben goedkeuring, machtiging, vergunning of enige
andere vorm van toestemming van een overheidsorgaan of van een
andere persoon, die geen partij bij de rechtshandeling is, dan
kan iedere onmiddellijk belanghebbende aan hen die partij bij de
rechtshandeling zijn geweest, aanzeggen dat, indien niet binnen
een redelijke, bij die aanzegging gestelde termijn die
toestemming wordt verkregen, de handeling te zijnen aanzien
zonder gevolg zal blijven.
Artikel 58
1.
Wanneer eerst na het verrichten van een rechtshandeling een
voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste wordt
vervuld, maar alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op
dit gebrek hadden kunnen beroepen, in de tussen de handeling
en de vervulling van het vereiste liggende tijdsruimte de
handeling als geldig hebben aangemerkt, is daarmede de
rechtshandeling bekrachtigd.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing op het geval dat een
rechtshandeling nietig is als gevolg van
handelingsonbekwaamheid van degene die haar heeft verricht
en deze vervolgens handelingsbekwaam wordt.
3.
Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan
bekrachtiging niet in de weg te staan, mits zij worden
geëerbiedigd.
Artikel 59
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover
de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Titel 3. Volmacht
Artikel 60
1.
Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent
aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam
rechtshandelingen te verrichten.
2. Waar
in deze titel van rechtshandeling wordt gesproken, is
daaronder het in ontvangst nemen van een verklaring
begrepen.
Artikel 61
1. Een
volmacht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden verleend.
2. Is
een rechtshandeling in naam van een ander verricht, dan kan
tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring
of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de
gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat
een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van
deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.
3.
Indien een volgens wet of gebruik openbaar gemaakte volmacht
beperkingen bevat, die zo ongebruikelijk zijn dat de
wederpartij ze daarin niet behoefde te verwachten, kunnen
deze haar niet worden tegengeworpen, tenzij zij ze kende.
Artikel 62
1. Een
algemene volmacht strekt zich slechts uit tot daden van
beschikking, indien schriftelijk en ondubbelzinnig is
bepaald dat zij zich ook tot die daden uitstrekt. Onder
algemene volmacht wordt verstaan de volmacht die alle zaken
van de volmachtgever en alle rechtshandelingen omvat, met
uitzondering van hetgeen ondubbelzinnig is uitgesloten.
2. Een
bijzondere volmacht die in algemene bewoordingen is
verleend, strekt zich slechts uit tot daden van beschikking
indien dit ondubbelzinnig is bepaald. Niettemin strekt een
volmacht die voor een bepaald doel is verleend, zich uit tot
alle daden van beheer en van beschikking die dienstig kunnen
zijn tot het bereiken van dit doel.
Artikel 63
1. De
omstandigheid dat iemand onbekwaam is tot het verrichten van
rechtshandelingen voor zichzelf, maakt hem niet onbekwaam
tot het optreden als gevolmachtigde.
2.
Wanneer een volmacht door een onbekwaam persoon is verleend,
is een krachtens die volmacht door de gevolmachtigde
verrichte rechtshandeling op gelijke wijze geldig, nietig of
vernietigbaar, als wanneer zij door de onbekwame zelf zou
zijn verricht.
Artikel 64
Tenzij anders is bepaald, is een
gevolmachtigde slechts in de navolgende gevallen bevoegd de hem
verleende volmacht aan een ander te verlenen:
a. voor zover de bevoegdheid
hiertoe uit de aard der te verrichten rechtshandelingen
noodzakelijk voortvloeit of in overeenstemming is met
het gebruik;
b. voor zover de verlening van de
volmacht aan een andere persoon in het belang van de
volmachtgever noodzakelijk is en deze zelf niet in staat
is een voorziening te treffen;
c. voor zover de volmacht goederen
betreft, die gelegen zijn buiten het land waarin de
gevolmachtigde zijn woonplaats heeft.
Artikel 65
Is een volmacht aan twee of meer personen
tezamen verleend, dan is ieder van hen bevoegd zelfstandig te
handelen, tenzij anders is bepaald.
Artikel 66
1. Een
door de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn
bevoegdheid in naam van de volmachtgever verrichte
rechtshandeling treft in haar gevolgen de volmachtgever.
2. Voor
zover het al of niet aanwezig zijn van een wil of van
wilsgebreken, alsmede bekendheid of onbekendheid met feiten
van belang zijn voor de geldigheid of de gevolgen van een
rechtshandeling, komen ter beoordeling daarvan de
volmachtgever of de gevolmachtigde of beiden in aanmerking,
al naar gelang het aandeel dat ieder van hen heeft gehad in
de totstandkoming van de rechtshandeling en in de bepaling
van haar inhoud.
Artikel 67
1. Hij
die een overeenkomst aangaat in naam van een nader te noemen
volmachtgever, moet diens naam noemen binnen de door de wet,
de overeenkomst of het gebruik bepaalde termijn of, bij
gebreke hiervan, binnen een redelijke termijn.
2.
Wanneer hij de naam van de volmachtgever niet tijdig noemt,
wordt hij geacht de overeenkomst voor zichzelf te hebben
aangegaan, tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit.
Artikel 68
Tenzij anders is bepaald, kan een
gevolmachtigde slechts dan als wederpartij van de volmachtgever
optreden, wanneer de inhoud van de te verrichten rechtshandeling
zo nauwkeurig vaststaat, dat strijd tussen beider belangen
uitgesloten is.
Artikel 69
1.
Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als
gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, kan
laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar
daardoor hetzelfde gevolg verschaffen, als zou zijn
ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht.
2. Is
voor het verlenen van een volmacht tot de rechtshandeling
een bepaalde vorm vereist, dan geldt voor de bekrachtiging
hetzelfde vereiste.
3. Een
bekrachtiging heeft geen gevolg, indien op het tijdstip
waarop zij geschiedt, de wederpartij reeds heeft te kennen
gegeven dat zij de handeling wegens het ontbreken van een
volmacht als ongeldig beschouwt, tenzij de wederpartij op
het tijdstip dat zij handelde heeft begrepen of onder de
gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten begrijpen
dat geen toereikende volmacht was verleend.
4. Een
onmiddellijk belanghebbende kan degene in wiens naam
gehandeld is, een redelijke termijn voor de bekrachtiging
stellen. Hij behoeft niet met een gedeeltelijke of
voorwaardelijke bekrachtiging genoegen te nemen.
5.
Rechten door de volmachtgever vóór de bekrachtiging aan
derden verleend, blijven gehandhaafd.
Artikel 70
Hij die als gevolmachtigde handelt, staat
jegens de wederpartij in voor het bestaan en de omvang van de
volmacht, tenzij de wederpartij weet of behoort te begrijpen dat
een toereikende volmacht ontbreekt of de gevolmachtigde de
inhoud van de volmacht volledig aan de wederpartij heeft
medegedeeld.
Artikel 71
1.
Verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, kunnen door
de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen,
indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de
volmacht heeft gevraagd en haar niet onverwijld hetzij een
geschrift waaruit de volmacht volgt is overgelegd, hetzij de
volmacht door de volmachtgever is bevestigd.
2.
Bewijs van volmacht kan niet worden verlangd, indien de
volmacht door de volmachtgever ter kennis van de wederpartij
was gebracht, indien zij op een door wet of gebruik bepaalde
wijze was bekendgemaakt, of indien zij voortvloeit uit een
aanstelling waarmede de wederpartij bekend is.
Artikel 72
Een volmacht eindigt:
a. door de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de
volmachtgever of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen;
b. door de dood, de
ondercuratelestelling, het faillissement van de
gevolmachtigde of het ten aanzien van hem van toepassing
verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, tenzij anders is bepaald;
c. door herroeping door de
volmachtgever;
d. door opzegging door de
gevolmachtigde.
Artikel 73
1.
Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de
volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd de
rechtshandelingen te verrichten, die nodig zijn voor het
beheer van een onderneming.
2.
Niettegenstaande de dood of de ondercuratelestelling van de
volmachtgever blijft de gevolmachtigde bevoegd
rechtshandelingen te verrichten, die niet zonder nadeel
kunnen worden uitgesteld. Hetzelfde geldt indien de
gevolmachtigde de volmacht heeft opgezegd.
3. De in
de vorige leden vermelde bevoegdheid eindigt een jaar na het
overlijden, de ondercuratelestelling of de opzegging.
Artikel 74
1. Voor
zover een volmacht strekt tot het verrichten van een
rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van
een derde, kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of
dat zij niet eindigt door de dood of ondercuratelestelling
van de volmachtgever. Eerstgenoemde bepaling sluit, tenzij
anders blijkt, de tweede in.
2. Bevat
de volmacht een bepaling als in het vorige lid bedoeld, dan
mag de wederpartij aannemen dat het aldaar voor de
geldigheid van die bepaling gestelde vereiste vervuld is,
tenzij het tegendeel voor haar duidelijk kenbaar is.
3.
Tenzij anders is bepaald, kan de gevolmachtigde een
overeenkomstig het eerste lid onherroepelijk verleende
volmacht ook buiten de in artikel 64 genoemde gevallen aan
een ander verlenen.
4. De
rechtbank kan op verzoek van de volmachtgever, of van een
erfgenaam of de curator van de volmachtgever, een bepaling
als in het eerste lid bedoeld wegens gewichtige redenen
wijzigen of buiten werking stellen.
Artikel 75
1. Na
het einde van de volmacht moet de gevolmachtigde
desgevorderd geschriften waaruit de volmacht blijkt,
teruggeven of toestaan dat de volmachtgever daarop aantekent
dat de volmacht is geëindigd. In geval van een bij notariële
akte verleende volmacht tekent de notaris die de minuut
onder zijn berusting heeft, op verzoek van de volmachtgever
het einde van de volmacht daarop aan.
2.
Wanneer te vrezen is dat een gevolmachtigde van een volmacht
ondanks haar einde gebruik zal maken, kan de volmachtgever
zich wenden tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met
verzoek de wijze van bekendmaking van het einde van de
volmacht te bepalen, die ten gevolge zal hebben dat het
tegen een ieder kan worden ingeroepen. Tegen een toewijzende
beschikking krachtens dit lid is geen hogere voorziening
toegelaten.
Artikel 76
1. Een
oorzaak die de volmacht heeft doen eindigen, kan tegenover
een wederpartij die noch van het einde van de volmacht, noch
van die oorzaak kennis droeg, slechts worden ingeroepen:
a. indien het einde van de
volmacht of de oorzaak die haar heeft doen eindigen aan
de wederpartij was medegedeeld of was bekend gemaakt op
een wijze die krachtens wet of verkeersopvattingen
meebrengt dat de volmachtgever het einde van de volmacht
aan de wederpartij kan tegenwerpen;
b. indien de dood van de
volmachtgever van algemene bekendheid was;
c. indien de aanstelling of
tewerkstelling, waaruit de volmacht voortvloeide, op een
voor derden kenbare wijze was beëindigd;
d. indien de wederpartij van de
volmacht op geen andere wijze had kennis gekregen dan
door een verklaring van de gevolmachtigde.
2. In de
gevallen van het vorige lid is de gevolmachtigde die
voortgaat op naam van de volmachtgever te handelen, tot
schadevergoeding gehouden jegens de wederpartij die van het
einde van de volmacht geen kennis droeg. Hij is niet
aansprakelijk indien hij wist noch behoorde te weten dat de
volmacht was geëindigd.
Artikel 77
Wordt ondanks de dood van de volmachtgever
krachtens de volmacht een geldige rechtshandeling verricht, dan
worden de erfgenamen van de volmachtgever en de wederpartij
gebonden alsof de handeling bij het leven van de volmachtgever
was verricht.
Artikel 78
Wanneer iemand optreedt als
vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht, zijn de
artikelen 63, lid 1, 66, lid 1, 67, 69, 70, 71 en 75 lid 2 van
overeenkomstige toepassing, voor zover uit de wet niet anders
voortvloeit.
Artikel 79
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover
de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet.
Titel 4. Verkrijging en verlies van
goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 80
1. Men
kan goederen onder algemene en onder bijzondere titel
verkrijgen.
2. Men
verkrijgt goederen onder algemene titel door erfopvolging,
door boedelmenging, door fusie als bedoeld in artikel 309
van Boek 2 en door splitsing als bedoeld in artikel 334a van
Boek 2.
3. Men
verkrijgt goederen onder bijzondere titel door overdracht,
door verjaring en door onteigening, en voorts op de overige
in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van
rechtsverkrijging.
4. Men
verliest goederen op de voor iedere soort in de wet
aangegeven wijzen.
Artikel 81
1. Hij
aan wie een zelfstandig en overdraagbaar recht toekomt, kan
binnen de grenzen van dat recht de in de wet genoemde
beperkte rechten vestigen. Hij kan ook zijn recht onder
voorbehoud van een zodanig beperkt recht overdragen, mits
hij de voorschriften zowel voor overdracht van een zodanig
goed, als voor vestiging van een zodanig beperkt recht in
acht neemt.
2.
Beperkte rechten gaan teniet door:
a. het tenietgaan van het recht
waaruit het beperkte recht is afgeleid;
b. verloop van de tijd waarvoor,
of de vervulling van de ontbindende voorwaarde waaronder
het beperkte recht is gevestigd;
c. afstand;
d. opzegging, indien de
bevoegdheid daartoe bij de wet of bij de vestiging van
het recht aan de hoofdgerechtigde, aan de beperkt
gerechtigde of aan beiden is toegekend;
e. vermenging;
en voorts op de overige in de wet voor
iedere soort aangegeven wijzen van tenietgaan.
3.
Afstand en vermenging werken niet ten nadele van hen die op
het tenietgaande beperkte recht op hun beurt een beperkt
recht hebben. Vermenging werkt evenmin ten voordele van hen
die op het bezwaarde goed een beperkt recht hebben en het
tenietgaande recht moesten eerbiedigen.
Artikel 82
Afhankelijke rechten volgen het recht
waaraan zij verbonden zijn.
Afdeling 2. Overdracht van goederen en
afstand van beperkte rechten
Artikel 83
1.
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn
overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich
tegen een overdracht verzet.
2. De
overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een
beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.
3. Alle
andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet
dit bepaalt.
Artikel 84
1. Voor
overdracht van een goed wordt vereist een levering krachtens
geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het
goed te beschikken.
2. Bij
de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven
zijn.
3. Een
rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen
tot zekerheid of die de strekking mist het goed na de
overdracht in het vermogen van de verkrijger te doen vallen,
is geen geldige titel van overdracht van dat goed.
4. Wordt
ter uitvoering van een voorwaardelijke verbintenis geleverd,
dan wordt slechts een recht verkregen, dat aan dezelfde
voorwaarde als die verbintenis is onderworpen.
Artikel 85
1. Een
verbintenis strekkende tot overdracht van een goed voor een
bepaalde tijd, wordt aangemerkt als een verbintenis tot
vestiging van een vruchtgebruik op het goed voor de gestelde
tijd.
2. Een
verbintenis strekkende tot overdracht van een goed onder
opschortende tijdsbepaling, wordt aangemerkt als een
verbintenis tot onmiddellijke overdracht van het goed met
gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik van de
vervreemder op het goed voor de gestelde tijd.
Artikel 86
1.
Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht
overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak,
niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig,
indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de
verkrijger te goeder trouw is.
2. Rust
op een in het vorige lid genoemd goed dat overeenkomstig
artikel 90, 91 of 93 anders dan om niet wordt overgedragen,
een beperkt recht dat de verkrijger op dit tijdstip kent
noch behoort te kennen, dan vervalt dit recht, in het geval
van overdracht overeenkomstig artikel 91 onder dezelfde
opschortende voorwaarde als waaronder geleverd is.
3.
Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het
bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende
drie jaren, te rekenen van de dag van de diefstal af, als
zijn eigendom opeisen, tenzij:
a. de zaak door een natuurlijke
persoon die niet in de uitoefening van een beroep of
bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die
van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke
zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in
een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde
onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het
een en ander behorende grond, en in de normale
uitoefening van dat bedrijf handelde; of
b. het geld dan wel toonder- of
orderpapier betreft.
4. Op de
in het vorige lid bedoelde termijn zijn de artikelen 316,
318 en 319 betreffende de stuiting van de verjaring van een
rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.
Artikel 86a
1.
Artikel 86 kan niet worden tegengeworpen aan een lid-staat
van de Europese Unie of aan een andere staat die partij is
bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte die een roerende zaak opeist, die krachtens de
nationale wetgeving van die staat een cultuurgoed is in de
zin van artikel 1, onder 1, van richtlijn nr. 93/7/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993
betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op
onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lid-staat
zijn gebracht (PbEG L 74), mits die zaak in de zin
van die richtlijn op onrechtmatige wijze buiten het
grondgebied van die staat is gebracht.
2.
Artikel 86 kan evenmin worden tegengeworpen aan degene die
als eigenaar een roerende zaak opeist, die op het tijdstip
waarop hij het bezit daarvan verloor, krachtens de Wet tot
behoud van cultuurbezit als beschermd voorwerp was
aangewezen of waarvan het buiten Nederland brengen op grond
van artikel 14a van die wet verboden is. Degene die
toen op de lijst waarop het beschermde voorwerp was
geplaatst of op een inventarislijst, bedoeld in artikel 14a,
tweede lid, van die wet, als eigenaar werd vermeld, wordt
vermoed toen eigenaar van de zaak geweest te zijn.
3. De
rechter die een vordering als bedoeld in lid 1 toewijst,
kent aan de bezitter een naar gelang van de omstandigheden
vast te stellen billijke vergoeding toe, indien deze bij de
verkrijging van de zaak de nodige zorgvuldigheid heeft
betracht. Hetzelfde geldt indien de rechter een vordering
als bedoeld in lid 2 toewijst, tenzij opeising zonder
vergoeding bij toepasselijkheid van artikel 86 lid 3
mogelijk zou zijn geweest.
4. De
vergoeding omvat in elk geval hetgeen aan de bezitter
verschuldigd is krachtens de artikelen 120 en 121. Zij wordt
bij afgifte van de zaak uitgekeerd.
Artikel 87
1. Een
verkrijger die binnen drie jaren na zijn verkrijging
gevraagd wordt wie het goed aan hem vervreemdde, dient
onverwijld de gegevens te verschaffen, die nodig zijn om
deze terug te vinden of die hij ten tijde van zijn
verkrijging daartoe voldoende mocht achten. Indien hij niet
aan deze verplichting voldoet, kan hij de bescherming die de
artikelen 86 en 86a aan een verkrijger te goeder
trouw bieden, niet inroepen.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing ten aanzien van geld.
Artikel 88
1.
Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht
van een registergoed, van een recht op naam, of van een
ander goed waarop artikel 86 niet van toepassing is, geldig,
indien de verkrijger te goeder trouw is en de onbevoegdheid
voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht,
die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige
vervreemder.
2. Lid 1
geldt niet voor roerende zaken die krachtens de Wet tot
behoud van cultuurbezit als beschermd voorwerp zijn
aangewezen voor zover de overdracht ongeldig is als gevolg
van het bepaalde in artikel 7 van die wet.
Artikel 89
1. De
voor overdracht van onroerende zaken vereiste levering
geschiedt door een daartoe bestemde, tussen partijen
opgemaakte notariële akte, gevolgd door de inschrijving
daarvan in de daartoe bestemde openbare registers. Zowel de
verkrijger als de vervreemder kan de akte doen inschrijven.
2. De
tot levering bestemde akte moet nauwkeurig de titel van
overdracht vermelden; bijkomstige bedingen die niet de
overdracht betreffen, kunnen in de akte worden weggelaten.
3.
Treedt bij een akte van levering iemand als gevolmachtigde
van een der partijen op, dan moet in de akte de volmacht
nauwkeurig worden vermeld.
4. Het
in dit artikel bepaalde vindt overeenkomstige toepassing op
de levering, vereist voor de overdracht van andere
registergoederen.
Artikel 90
1. De
levering vereist voor de overdracht van roerende zaken,
niet-registergoederen, die in de macht van de vervreemder
zijn, geschiedt door aan de verkrijger het bezit der zaak te
verschaffen.
2.
Blijft de zaak na de levering in handen van de vervreemder,
dan werkt de levering tegenover een derde die een ouder
recht op de zaak heeft, eerst vanaf het tijdstip dat de zaak
in handen van de verkrijger is gekomen, tenzij de oudere
gerechtigde met vervreemding heeft ingestemd.
Artikel 91
De levering van in het vorige artikel
bedoelde zaken ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht
onder opschortende voorwaarde, geschiedt door aan de verkrijger
de macht over de zaak te verschaffen.
Artikel 92
1. Heeft
een overeenkomst de strekking dat de een zich de eigendom
van een zaak die in de macht van de ander wordt gebracht,
voorbehoudt totdat een door de ander verschuldigde prestatie
is voldaan, dan wordt hij vermoed zich te verbinden tot
overdracht van de zaak aan de ander onder opschortende
voorwaarde van voldoening van die prestatie.
2. Een
eigendomsvoorbehoud kan slechts geldig worden bedongen ter
zake van vorderingen betreffende de tegenprestatie voor door
de vervreemder aan de verkrijger krachtens overeenkomst
geleverde of te leveren zaken of krachtens een zodanige
overeenkomst tevens ten behoeve van de verkrijger verrichte
of te verrichten werkzaamheden, alsmede ter zake van de
vorderingen wegens tekortschieten in de nakoming van
zodanige overeenkomsten. Voor zover een voorwaarde op deze
grond nietig is, wordt zij voor ongeschreven gehouden.
3. Een
voorwaarde als in lid 1 bedoeld wordt voor vervuld gehouden,
wanneer de vervreemder op enige andere wijze dan door
voldoening van de tegenprestatie wordt bevredigd, wanneer de
verkrijger van zijn verplichting daartoe wordt bevrijd uit
hoofde van artikel 60 van Boek 6, of wanneer de verjaring
van de rechtsvordering ter zake van de tegenprestatie is
voltooid. Behoudens afwijkend beding, geldt hetzelfde bij
afstand van het recht op de tegenprestatie.
Artikel 92a
1. De
goederenrechtelijke gevolgen van een eigendomsvoorbehoud
worden beheerst door het recht van de staat op welks
grondgebied de zaak zich op het tijdstip van levering
bevindt. Dit laat onverlet de verbintenissen die volgens het
op het beding van eigendomsvoorbehoud toepasselijke recht,
daaruit kunnen voortvloeien.
2. In
afwijking van de eerste zin van lid 1 kunnen partijen
overeenkomen dat de goederenrechtelijke gevolgen van een
eigendomsvoorbehoud van een voor uitvoer bestemde zaak
worden beheerst door het recht van de staat van bestemming
indien dat recht ter zake van het eigendomsvoorbehoud voor
de schuldeiser gunstiger bepalingen bevat dan het op grond
van het eerste lid toepasselijke recht. De aldus
overeengekomen aanwijzing heeft slechts gevolg indien de
zaak daadwerkelijk in de aangewezen staat van bestemming
wordt ingevoerd.
Artikel 93
De levering, vereist voor de overdracht
van een recht aan toonder waarvan het toonderpapier in de macht
van de vervreemder is, geschiedt door de levering van dit papier
op de wijze en met de gevolgen als aangegeven in de artikelen
90, 91 en 92. Voor overdracht van een recht aan order, waarvan
het orderpapier in de macht van de vervreemder is, geldt
hetzelfde, met dien verstande dat voor de levering tevens
endossement vereist is.
Artikel 94
1.
Buiten de in het vorige artikel geregelde gevallen worden
tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten
geleverd door een daartoe bestemde akte, en mededeling
daarvan aan die personen door de vervreemder of verkrijger.
2. De
levering van een tegen een bepaalde, doch op de dag waarop
de akte wordt opgemaakt onbekende persoon uit te oefenen
recht dat op die dag aan de vervreemder toebehoort, werkt
terug tot die dag, indien de mededeling met bekwame spoed
wordt gedaan, nadat die persoon bekend is geworden.
3. Deze
rechten kunnen ook worden geleverd door een daartoe bestemde
authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder
mededeling daarvan aan de personen tegen wie die rechten
moeten worden uitgeoefend, mits deze rechten op het tijdstip
van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden
verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. De
levering kan niet worden tegengeworpen aan de personen tegen
wie deze rechten moeten worden uitgeoefend dan na mededeling
daarvan aan die personen door de vervreemder of de
verkrijger. Voor de verkrijger van een recht dat
overeenkomstig de eerste zin is geleverd, geldt artikel 88
lid 1 slechts, indien hij te goeder trouw is op het tijdstip
van de in tweede zin bedoelde mededeling.
4. De
personen tegen wie het recht moet worden uitgeoefend, kunnen
verlangen dat hun een door de vervreemder gewaarmerkt
uittreksel van de akte en haar titel wordt ter hand gesteld.
Bedingen die voor deze personen van geen belang zijn,
behoeven daarin niet te worden opgenomen. Is van een titel
geen akte opgemaakt, dan moet hun de inhoud, voor zover voor
hen van belang, schriftelijk worden medegedeeld.
Artikel 95
Buiten de in de artikelen 89-94 geregelde
gevallen en behoudens het in de artikelen 96 en 98 bepaalde,
worden goederen geleverd door een daartoe bestemde akte.
Artikel 96
De levering van een aandeel in een goed
geschiedt op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige
gevolgen als is bepaald met betrekking tot levering van dat
goed.
Artikel 97
1.
Toekomstige goederen kunnen bij voorbaat worden geleverd,
tenzij het verboden is deze tot onderwerp van een
overeenkomst te maken of het registergoederen zijn.
2. Een
levering bij voorbaat van een toekomstig goed werkt niet
tegen iemand die het goed ingevolge een eerdere levering bij
voorbaat heeft verkregen. Betreft het een roerende zaak, dan
werkt zij jegens deze vanaf het tijdstip dat de zaak in
handen van de verkrijger is gekomen.
Artikel 98
Tenzij de wet anders bepaalt, vindt al
hetgeen in deze afdeling omtrent de overdracht van een goed is
bepaald, overeenkomstige toepassing op de vestiging, de
overdracht en de afstand van een beperkt recht op een zodanig
goed.
Afdeling 3. Verkrijging en verlies door
verjaring
Artikel 99
1.
Rechten op roerende zaken die niet-registergoederen zijn, en
rechten aan toonder of order worden door een bezitter te
goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie
jaren, andere goederen door een onafgebroken bezit van tien
jaren.
2. Lid 1
geldt niet voor roerende zaken die krachtens de Wet tot
behoud van cultuurbezit als beschermd voorwerp zijn
aangewezen of deel uitmaken van een openbare collectie of
van een inventarislijst als bedoeld in artikel 14a,
tweede lid, van die wet, mits het bezit na die aanwijzing of
gedurende dit deel uitmaken is begonnen.
Artikel 100
Hij die een nalatenschap in bezit heeft
genomen, kan die nalatenschap en de daartoe behorende goederen
niet eerder door verjaring ten nadele van de rechthebbende
verkrijgen dan nadat diens rechtsvordering tot opeising van die
nalatenschap is verjaard.
Artikel 101
Een verjaring begint te lopen met de
aanvang van de dag na het begin van het bezit.
Artikel 102
1. Hij
die een ander onder algemene titel in het bezit opvolgt, zet
een lopende verjaring voort.
2.
Hetzelfde doet de bezitter te goeder trouw die het bezit van
een ander anders dan onder algemene titel heeft verkregen.
Artikel 103
Onvrijwillig bezitsverlies onderbreekt de
loop der verjaring niet, mits het bezit binnen het jaar wordt
terugverkregen of een binnen het jaar ingestelde rechtsvordering
tot terugverkrijging van het bezit leidt.
Artikel 104
1.
Wanneer de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot
beëindiging van het bezit wordt gestuit of verlengd, wordt
daarmede de verkrijgende verjaring dienovereenkomstig
gestuit of verlengd.
2. In
dit en de beide volgende artikelen wordt onder verjaring van
een rechtsvordering de verjaring van de bevoegdheid tot
tenuitvoerlegging van de uitspraak waarbij de eis is
toegewezen, begrepen.
Artikel 105
1. Hij
die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van
de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit
wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit
niet te goeder trouw.
2. Heeft
iemand vóór dat tijdstip het bezit onvrijwillig verloren,
maar het na dat tijdstip, mits binnen het jaar na het
bezitsverlies of uit hoofde van een binnen dat jaar
ingestelde rechtsvordering, terugverkregen, dan wordt hij
als de bezitter op het in het vorige lid aangegeven tijdstip
aangemerkt.
Artikel 106
Wanneer de verjaring van de
rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de
hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht
strijdige toestand wordt voltooid, gaat het beperkte recht
teniet, voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is
belet.
Titel 5. Bezit en houderschap
Artikel 107
1. Bezit
is het houden van een goed voor zichzelf.
2. Bezit
is onmiddellijk, wanneer iemand bezit zonder dat een ander
het goed voor hem houdt.
3. Bezit
is middellijk, wanneer iemand bezit door middel van een
ander die het goed voor hem houdt.
4.
Houderschap is op overeenkomstige wijze onmiddellijk of
middellijk.
Artikel 108
Of iemand een goed houdt en of hij dit
voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar
verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de navolgende
regels en overigens op grond van uiterlijke feiten.
Artikel 109
Wie een goed houdt, wordt vermoed dit voor
zichzelf te houden.
Artikel 110
Bestaat tussen twee personen een
rechtsverhouding die de strekking heeft dat hetgeen de ene op
bepaalde wijze zal verkrijgen, door hem voor de ander zal worden
gehouden, dan houdt de ene het ter uitvoering van die
rechtsverhouding door hem verkregene voor de ander.
Artikel 111
Wanneer men heeft aangevangen krachtens
een rechtsverhouding voor een ander te houden, gaat men daarmede
onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin
verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling
van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een
tegenspraak van diens recht.
Artikel 112
Bezit wordt verkregen door inbezitneming,
door overdracht of door opvolging onder algemene titel.
Artikel 113
1. Men
neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke
macht te verschaffen.
2.
Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele
op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een
inbezitneming onvoldoende.
Artikel 114
Een bezitter draagt zijn bezit over door
de verkrijger in staat te stellen die macht uit te oefenen, die
hij zelf over het goed kon uitoefenen.
Artikel 115
Voor de overdracht van het bezit is een
tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling voldoende:
a. wanneer de vervreemder de zaak
bezit en hij haar krachtens een bij de levering gemaakt
beding voortaan voor de verkrijger houdt;
b. wanneer de verkrijger houder
van de zaak voor de vervreemder was;
c. wanneer een derde voor de
vervreemder de zaak hield, en haar na de overdracht voor
de ontvanger houdt. In dit geval gaat het bezit niet
over voordat de derde de overdracht heeft erkend, dan
wel de vervreemder of de verkrijger de overdracht aan
hem heeft medegedeeld.
Artikel 116
Hij die onder een algemene titel een ander
opvolgt, volgt daarmede die ander op in diens bezit en
houderschap, met alle hoedanigheden en gebreken daarvan.
Artikel 117
1. Een
bezitter van een goed verliest het bezit, wanneer hij het
goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit
van het goed verkrijgt.
2.
Zolang niet een der in het vorige lid genoemde gronden van
bezitsverlies zich heeft voorgedaan, duurt een aangevangen
bezit voort.
Artikel 118
1. Een
bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als
rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als
zodanig mocht beschouwen.
2. Is
een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht
dit te blijven.
3. Goede
trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van
goede trouw moet worden bewezen.
Artikel 119
1. De
bezitter van een goed wordt vermoed rechthebbende te zijn.
2. Ten
aanzien van registergoederen wijkt dit vermoeden, wanneer
komt vast te staan dat de wederpartij of diens
rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende was en dat de
bezitter zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder
bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers
vereist is.
Artikel 120
1. Aan
een bezitter te goeder trouw behoren de afgescheiden
natuurlijke en de opeisbaar geworden burgerlijke vruchten
toe.
2. De
rechthebbende op een goed, die dit opeist van een bezitter
te goeder trouw of die het van deze heeft terugontvangen, is
verplicht de ten behoeve van het goed gemaakte kosten
alsmede de schade waarvoor de bezitter op grond van het in
titel 3 van Boek 6 bepaalde uit hoofde van zijn bezit jegens
derden aansprakelijk mocht zijn, aan deze te vergoeden, voor
zover de bezitter niet door de vruchten van het goed en de
overige voordelen die hij ter zake heeft genoten, voor het
een en ander is schadeloos gesteld. De rechter kan de
verschuldigde vergoeding beperken, indien volledige
vergoeding zou leiden tot onbillijke bevoordeling van de
bezitter jegens de rechthebbende.
3.
Zolang een bezitter te goeder trouw de hem verschuldigde
vergoeding niet heeft ontvangen, is hij bevoegd de afgifte
van het goed op te schorten.
4. Het
in dit artikel bepaalde is ook van toepassing op hem die
meent en mocht menen dat hij het bezit rechtmatig heeft
verkregen, ook al weet hij dat de handelingen die voor de
levering van het recht nodig zijn, niet hebben
plaatsgevonden.
Artikel 121
1. Een
bezitter die niet te goeder trouw is, is jegens de
rechthebbende behalve tot afgifte van het goed ook verplicht
tot het afgeven van de afgescheiden natuurlijke en de
opeisbaar geworden burgerlijke vruchten, onverminderd zijn
aansprakelijkheid op grond van het in titel 3 van Boek 6
bepaalde voor door de rechthebbende geleden schade.
2. Hij
heeft tegen de rechthebbende alleen een vordering tot
vergoeding van de kosten die hij ten behoeve van het goed of
tot winning van de vruchten heeft gemaakt, voor zover hij
deze vergoeding van de rechthebbende kan vorderen op grond
van het bepaalde omtrent ongerechtvaardigde verrijking.
3. Het
in dit artikel bepaalde is ook op de bezitter te goeder
trouw van toepassing vanaf het tijdstip waarop de
rechthebbende zijn recht tegen hem heeft ingeroepen.
Artikel 122
Indien de rechthebbende ter bevrijding van
de door hem ingevolge de beide vorige artikelen verschuldigde
vergoedingen op zijn kosten het goed aan de bezitter wil
overdragen, is de bezitter gehouden hieraan mede te werken.
Artikel 123
Heeft de bezitter van een zaak daaraan
veranderingen of toevoegingen aangebracht, dan is hij bevoegd
om, in plaats van de hem op grond van de artikelen 120 en 121
daarvoor toekomende vergoeding te vorderen, deze veranderingen
of toevoegingen weg te nemen, mits hij de zaak in de oude
toestand terugbrengt.
Artikel 124
Wanneer iemand een goed voor een ander
houdt en dit door een derde als rechthebbende van hem wordt
opgeëist, vindt hetgeen in de voorgaande vier artikelen omtrent
de bezitter is bepaald, te zijnen aanzien toepassing met
inachtneming van de rechtsverhouding waarin hij tot die ander
stond.
Artikel 125
1. Hij
die het bezit van een goed heeft verkregen, kan op grond van
een daarna ingetreden bezitsverlies of bezitsstoornis tegen
derden dezelfde rechtsvorderingen instellen tot
terugverkrijging van het goed en tot opheffing van de
stoornis, die de rechthebbende op het goed toekomen.
Nochtans moeten deze rechtsvorderingen binnen het jaar na
het verlies of de stoornis worden ingesteld.
2. De
vordering wordt afgewezen, indien de gedaagde een beter
recht dan de eiser heeft tot het houden van het goed of de
storende handelingen krachtens een beter recht heeft
verricht, tenzij de gedaagde met geweld of op heimelijke
wijze aan de eiser het bezit heeft ontnomen of diens bezit
heeft gestoord.
3. Het
in dit artikel bepaalde laat voor de bezitter, ook nadat het
in het eerste lid bedoelde jaar is verstreken, en voor de
houder onverlet de mogelijkheid een vordering op grond van
onrechtmatige daad in te stellen, indien daartoe gronden
zijn.
Titel 6. Bewind
Artikel 126
[Gereserveerd.]
Titel 7. Gemeenschap
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 166
1.
Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen
toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.
2. De
aandelen van de deelgenoten zijn gelijk, tenzij uit hun
rechtsverhouding anders voortvloeit.
3. Op de
rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten is artikel 2 van
Boek 6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 167
Goederen die geacht moeten worden in de
plaats van een gemeenschappelijk goed te treden behoren tot de
gemeenschap.
Artikel 168
1. De
deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van
gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen.
2. Voor
zover een overeenkomst ontbreekt, kan de kantonrechter op
verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling
treffen, zo nodig met onderbewindstelling van de goederen.
Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de
belangen van partijen als met het algemeen belang.
3. Een
bestaande regeling kan op verzoek van de meest gerede partij
door de kantonrechter wegens onvoorziene omstandigheden
gewijzigd of buiten werking gesteld worden.
4. Een
regeling is ook bindend voor de rechtverkrijgenden van een
deelgenoot.
5. Op
een overeenkomstig lid 2 ingesteld bewind zijn, voor zover
de kantonrechter niet anders heeft bepaald, de artikelen
154, 157 tot en met 166, 168, 172, 173 en 174 van Boek 4,
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning
ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan
regelen, alsmede dat hij de in artikel 160 van Boek 4
bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het
kan door een gezamenlijk besluit van de deelgenoten of op
verzoek van een hunner door de kantonrechter worden
opgeheven.
Artikel 169
Tenzij een regeling anders bepaalt, is
iedere deelgenoot bevoegd tot het gebruik van een
gemeenschappelijk goed, mits dit gebruik met het recht van de
overige deelgenoten te verenigen is.
Artikel 170
1.
Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van
een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen
die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der
deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder van
hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te
sluiten.
2. Voor
het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten
tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Onder beheer
zijn begrepen alle handelingen die voor de normale
exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het
aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties.
3. Tot
andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed
dan in de vorige leden vermeld, zijn uitsluitend de
deelgenoten tezamen bevoegd.
Artikel 171
Tenzij een regeling anders bepaalt, is
iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van
rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter
verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de
gemeenschap. Een regeling die het beheer toekent aan een of meer
der deelgenoten, sluit, tenzij zij anders bepaalt, deze
bevoegdheid voor de anderen uit.
Artikel 172
Tenzij een regeling anders bepaalt, delen
de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de
vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed
oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot
de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk
ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.
Artikel 173
Ieder der deelgenoten kan van degene onder
hen die voor de overigen beheer heeft gevoerd, jaarlijks en in
ieder geval bij het einde van het beheer rekening en
verantwoording vorderen.
Artikel 174
1. De
rechter die ter zake van een vordering tot verdeling bevoegd
zou zijn of voor wie een zodanige vordering reeds aanhangig
is kan een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de
voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende
schuld of om andere gewichtige redenen machtigen tot het te
gelde maken van een gemeenschappelijk goed. Indien een
deelgenoot voor wie een te verkopen goed een bijzondere
waarde heeft, bereid is het goed tegen vergoeding van de
geschatte waarde over te nemen, kan de voormelde rechter
deze overneming bevelen.
2. De in
lid 1 bedoelde rechter kan een deelgenoot op diens verzoek
machtigen een gemeenschappelijk goed te bezwaren met een
recht van pand of hypotheek tot zekerheid voor de voldoening
van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld die
reeds bestaat of waarvan het aangaan geboden is voor het
behoud van een goed der gemeenschap.
Artikel 175
1.
Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders
voortvloeit, kan ieder van hen over zijn aandeel in een
gemeenschappelijk goed beschikken.
2.
Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten
voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller toestemming,
bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, zijn de leden 3
en 4 van artikel 168 van overeenkomstige toepassing.
3. De
schuldeisers van een deelgenoot kunnen zijn aandeel in een
gemeenschappelijk goed uitwinnen. Na de uitwinning van een
aandeel kunnen beperkingen van de bevoegdheid om over de
aandelen te beschikken niet worden ingeroepen tussen de
verkrijger van dat aandeel en de overige deelgenoten.
Artikel 176
1. De
verkrijger van een aandeel of een beperkt recht daarop moet
van de verkrijger onverwijld mededeling doen aan de overige
deelgenoten of aan degene die door de deelgenoten of de
rechter met het beheer over het goed is belast.
2. Een
overgedragen aandeel wordt verkregen onder de last aan de
gemeenschap te vergoeden hetgeen de vervreemder haar
schuldig was. Vervreemder en verkrijger zijn hoofdelijk voor
deze vergoeding aansprakelijk. De verkrijger kan zich aan
deze verplichting onttrekken door zijn aandeel op zijn
kosten aan de overige deelgenoten over te dragen; dezen zijn
verplicht aan een zodanige overdracht mede te werken.
3. De
vorige leden zijn niet van toepassing bij uitwinning van de
gezamenlijke aandelen in een gemeenschappelijk goed.
Artikel 177
1. Wordt
een gemeenschappelijk goed verdeeld of overgedragen, terwijl
op het aandeel van een deelgenoot een beperkt recht rust,
dan komt dat recht te rusten op het goed voor zover dit door
die deelgenoot wordt verkregen, en wordt het goed voor het
overige van dat recht bevrijd, onverminderd hetgeen de
beperkt gerechtigde of de deelgenoot op wiens aandeel zijn
recht rust, krachtens hun onderlinge verhouding van de onder
wegens een door deze aldus ontvangen overwaarde heeft te
vorderen.
2. Een
verdeling, alsmede een overdracht waartoe de deelgenoten
zich na bezwaring met het beperkte recht hebben verplicht,
behoeft de medewerking van de beperkt gerechtigde.
3. Een
bij toedeling van het goed aan de in het eerste lid genoemde
deelgenoot bedongen recht van pand of hypotheek tot waarborg
van hetgeen hij aan een of meer der deelgenoten ten gevolge
van de verdeling schuldig is of mocht worden, heeft, mits
het gelijktijdig met de levering van het hem toegedeelde
daarop wordt gevestigd, voorrang boven een beperkt recht dat
een deelgenoot tevoren op zijn aandeel had gevestigd.
Artikel 178
1. Ieder
der deelgenoten, alsmede hij die een beperkt recht op een
aandeel heeft, kan te allen tijde verdeling van een
gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij uit de aard van de
gemeenschap of uit het in de volgende leden bepaalde anders
voortvloeit.
2. Op
verlangen van een deelgenoot kan de rechter voor wie een
vordering tot verdeling aanhangig is, bepalen dat alle of
sommige opeisbare schulden die voor rekening van de
gemeenschap komen, moeten worden voldaan alvorens tot de
verdeling wordt overgegaan.
3.
Indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen
belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter
zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend,
kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling
aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of
meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een
vordering tot verdeling uitsluiten.
4.
Indien geen vordering tot verdeling aanhangig is, kan een
beslissing als bedoeld in de leden 2 en 3 op verzoek van
ieder van de deelgenoten worden gegeven door de rechter die
ter zake van de vordering tot verdeling bevoegd zou zijn.
5. Zij
die bevoegd zijn verdeling te vorderen, kunnen hun
bevoegdheid daartoe een of meer malen bij overeenkomst,
telkens voor ten hoogste vijf jaren, uitsluiten. De leden 3
en 4 van artikel 168 zijn op een zodanige overeenkomst van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 179
1.
Indien verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt
gevorderd, kan ieder der deelgenoten verlangen dat alle tot
de gemeenschap behorende goederen en de voor rekening van de
gemeenschap komende schulden in de verdeling worden
begrepen, tenzij er gewichtige redenen zijn voor een
gedeeltelijke verdeling. Van de verdeling worden die
goederen uitgezonderd, die wegens een der in artikel 178
genoemde gronden onverdeeld moeten blijven.
2. De
omstandigheid dat bij een verdeling een of meer goederen
zijn overgeslagen, heeft alleen ten gevolge dat daarvan een
nadere verdeling kan worden gevorderd.
3. Op de
toedeling van een schuld is afdeling 3 van titel 2 van Boek
6 van toepassing.
Artikel 180
1. Een
schuldeiser die een opeisbare vordering op een deelgenoot
heeft, kan verdeling van de gemeenschap vorderen, doch niet
verder dan nodig is voor het verhaal van zijn vordering.
Artikel 178 lid 3 is van toepassing.
2. Heeft
een schuldeiser een bevel tot verdeling van de gemeenschap
verkregen dan behoeft de verdeling zijn medewerking.
Artikel 181
1. Voor
het geval dat deelgenoten of zij wier medewerking vereist
is, niet medewerken tot een verdeling nadat deze bij
rechterlijke uitspraak is bevolen, benoemt de rechter die in
eerste aanleg van de vordering tot verdeling heeft kennis
genomen, indien deze benoeming niet reeds bij die uitspraak
heeft plaatsgehad, op verzoek van de meest gerede partij een
onzijdig persoon die hen bij de verdeling vertegenwoordigt
en daarbij hun belangen naar eigen beste inzicht behartigt.
Hebben degenen die niet medewerken tegenstrijdige belangen,
dan wordt voor ieder van hen een onzijdig persoon benoemd.
2. Een
onzijdig persoon is verplicht hetgeen aan de door hem
vertegenwoordigde persoon ingevolge de verdeling toekomt,
voor deze in ontvangst te nemen en daarover tot de afgifte
aan de rechthebbende op de voet van artikel 410 van Boek 1
het bewind te voeren.
3. De
beloning die de onzijdige persoon ten laste van de
rechthebbende toekomt, wordt op zijn verzoek vastgesteld
door de rechter die hem benoemde.
Artikel 182
Als een verdeling wordt aangemerkt iedere
rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon,
hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of
meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met
uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. De handeling
is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een
voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer
deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als
bedoeld in de vorige zin.
Artikel 183
1. De
verdeling kan geschieden op de wijze en in de vorm die
partijen goeddunkt, mits de deelgenoten en zij wier
medewerking vereist is, allen het vrije beheer over hun
goederen hebben en in persoon of bij een door hen aangewezen
vertegenwoordiger medewerken, dan wel in geval van bewind
over hun recht, worden vertegenwoordigd door de
bewindvoerder, voorzien van de daartoe vereiste toestemming
of machtiging.
2. In
andere gevallen moet, tenzij de rechter anders bepaalt, de
verdeling geschieden bij notariële akte en worden
goedgekeurd door de kantonrechter die bevoegd is de
wettelijke vertegenwoordiger van degene die het vrije beheer
over zijn goederen mist, tot beschikkingshandelingen te
machtigen.
Artikel 184
1. Ieder
der deelgenoten kan bij een verdeling verlangen dat op het
aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend hetgeen
deze aan de gemeenschap schuldig is. De toerekening
geschiedt ongeacht de gegoedheid van de schuldenaar. Is het
een schuld onder tijdsbepaling, dan wordt zij voor haar
contante waarde op het tijdstip der verdeling toegerekend.
2. Het
vorige lid is niet van toepassing op schulden onder een
opschortende voorwaarde die nog niet vervuld is.
Artikel 185
1. Voor
zover de deelgenoten en zij wier medewerking vereist is,
over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen,
gelast op vordering van de meest gerede partij de rechter de
wijze van verdeling of stelt hij zelf de verdeling vast,
rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van
partijen als met het algemeen belang.
2. Als
wijzen van verdeling komen daarbij in aanmerking:
a. toedeling van een gedeelte van
het goed aan ieder der deelgenoten;
b. overbedeling van een of meer
deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde;
c. verdeling van de
netto-opbrengst van het goed of een gedeelte daarvan,
nadat dit op een door de rechter bepaalde wijze zal zijn
verkocht.
3. Zo
nodig kan de rechter bepalen dat degene die overbedeeld
wordt, de overwaarde geheel of ten dele in termijnen mag
voldoen. Hij kan daaraan de voorwaarde verbinden dat
zekerheid tot een door hem bepaald bedrag en van een door
hem bepaalde aard wordt gesteld.
Artikel 186
1. Voor
de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is
een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht
is voorgeschreven.
2.
Hetgeen een deelgenoot verkrijgt, houdt hij onder dezelfde
titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de
verdeling hielden.
Artikel 187
1. De
papieren en bewijzen van eigendom, tot de toegedeelde
goederen behorende, worden overgegeven aan hem, aan wie de
goederen zijn toegedeeld.
2.
Algemene boedelpapieren en stukken als bedoeld in lid 1, die
betrekking hebben op aan meer deelgenoten toegedeelde
goederen, verblijven bij hem die de meerderheid der
betrokken deelgenoten daartoe heeft benoemd, onder
verplichting aan de overige deelgenoten inzage, en zo iemand
dit verlangt, afschriften of uittreksels op diens kosten af
te geven.
3. Bij
gebreke van een meerderheid als bedoeld in het vorige lid
geschiedt de daar bedoelde benoeming op verlangen van een
deelgenoot door de rechter die de verdeling vaststelt, of in
andere gevallen op verzoek van een deelgenoot door de
kantonrechter. Tegen een beslissing krachtens dit lid is
geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 188
1.
Tenzij anders is overeengekomen, zijn deelgenoten verplicht
in evenredigheid van hun aandelen elkander de schade te
vergoeden die het gevolg is van een uitwinning of stoornis,
voortgekomen uit een vóór de verdeling ontstane oorzaak,
alsmede, wanneer een vordering voor het volle bedrag is
toegedeeld, de schade die voortvloeit uit onvoldoende
gegoedheid van de schuldenaar op het ogenblik van de
verdeling.
2. Wordt
een deelgenoot door zijn eigen schuld uitgewonnen of
gestoord, dan zijn de overige deelgenoten niet verplicht tot
vergoeding van zijn schade.
3. Een
verplichting tot vergoeding van schade die voortvloeit uit
onvoldoende gegoedheid van de schuldenaar vervalt door
verloop van drie jaren na de verdeling en na het opeisbaar
worden van de toegedeelde vordering.
4.
Indien verhaal op een deelgenoot voor zijn aandeel in een
krachtens het eerste lid verschuldigde schadevergoeding
onmogelijk blijkt, wordt het aandeel van ieder der andere
deelgenoten naar evenredigheid verhoogd.
Afdeling 2. Enige bijzondere
gemeenschappen
Artikel 189
1. De
bepalingen van deze titel gelden niet voor een
huwelijksgemeenschap, gemeenschap van een geregistreerd
partnerschap, maatschap, vennootschap of rederij, zolang zij
niet ontbonden zijn, noch voor de gemeenschap van een in
appartementsrechten gesplitst gebouw, zolang de splitsing
niet is opgeheven.
2. Voor
de gemeenschap van een nalatenschap, voor een ontbonden
huwelijksgemeenschap, ontbonden gemeenschap van een
geregistreerd partnerschap, maatschap, vennootschap of
rederij en voor de gemeenschap van een gebouw waarvan de
splitsing in appartementsrechten is opgeheven, gelden de
volgende bepalingen van deze afdeling, alsmede die van de
eerste afdeling, voor zover daarvan in deze afdeling niet
wordt afgeweken.
Artikel 190
1. Een
deelgenoot kan niet beschikken over zijn aandeel in een tot
de gemeenschap behorend goed afzonderlijk, en zijn
schuldeisers kunnen een zodanig aandeel niet uitwinnen,
zonder toestemming van de overige deelgenoten.
2.
Nochtans kan een deelgenoot op een zodanig aandeel ook
zonder toestemming van de andere deelgenoten een recht van
pand of hypotheek vestigen. Zolang het goed tot de
gemeenschap behoort, kan de pand- of hypotheekhouder niet
tot verkoop overgaan, tenzij de overige deelgenoten hierin
toestemmen.
Artikel 191
1.
Tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders
voortvloeit, kan ieder der deelgenoten over zijn aandeel in
de gehele gemeenschap beschikken en kunnen zijn schuldeisers
een zodanig aandeel uitwinnen.
2.
Indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten
voortvloeit dat zij niet, tenzij met aller toestemming
bevoegd zijn over hun aandeel te beschikken, zijn de leden 3
en 4 van artikel 168 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 192
Tot de gemeenschap behorende schulden
kunnen op de goederen van de gemeenschap worden verhaald.
Artikel 193
1. Een
schuldeiser wiens vordering op de goederen der gemeenschap
kan worden verhaald, kan de rechter verzoeken een
vereffenaar te benoemen wanneer tot verdeling van de
gemeenschap wordt overgegaan voordat de opeisbare schulden
daarvan zijn voldaan of wanneer voor hem het gevaar bestaat
dat hij niet ten volle of niet binnen een redelijke tijd zal
worden voldaan, hetzij omdat de gemeenschap niet toereikend
is of niet behoorlijk beheerd of afgewikkeld wordt, hetzij
omdat een schuldeiser zich op de goederen van de gemeenschap
gaat verhalen. Afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 betreffende
de vereffening van een nalatenschap is van toepassing of
overeenkomstige toepassing.
2. Ook
een schuldeiser van een deelgenoot kan de rechter verzoeken
een vereffenaar te benoemen, wanneer zijn belangen door een
gedraging van de deelgenoten ernstig worden geschaad.
3. Voor
de ontbonden gemeenschap van een maatschap of vennootschap
zijn de leden 1 en 2 niet van toepassing en gelden de
volgende zinnen. Een schuldeiser wiens vordering op de
goederen van de gemeenschap kan worden verhaald, is bevoegd
zich tegen verdeling van de gemeenschap te verzetten. Een
verdeling die na dit verzet is tot stand gekomen, is
vernietigbaar met dien verstande dat de vernietigingsgrond
slechts kan worden ingeroepen door de schuldeiser die zich
verzette en dat hij de verdeling slechts te zijnen behoeve
kan vernietigen en niet verder dan nodig is tot opheffing
van de door hem ondervonden benadeling.
Artikel 194
1. Ieder
der deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met
een boedelbeschrijving.
2. Een
deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende
goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, verbeurt
zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoten.
Afdeling 3. Nietige en vernietigbare
verdelingen
Artikel 195
1. Een
verdeling waaraan niet alle deelgenoten en alle andere
personen wier medewerking vereist was, hebben deelgenomen,
is nietig, tenzij zij is geschied bij een notariële akte, in
welk geval zij slechts kan worden vernietigd op vordering
van degene die niet aan de verdeling heeft deelgenomen. Deze
rechtsvordering verjaart door verloop van één jaar nadat de
verdeling te zijner kennis gekomen is.
2. Heeft
aan een verdeling iemand deelgenomen die niet tot de
gemeenschap gerechtigd was, of is een deelgenoot bij de
verdeling opgekomen voor een groter aandeel dan hem toekwam,
dan kan het ten onrechte uitgekeerde ten behoeve van de
gemeenschap worden teruggevorderd; voor het overige blijft
de verdeling van kracht.
Artikel 196
1.
Behalve op de algemene voor vernietiging van
rechtshandelingen geldende gronden is een verdeling ook
vernietigbaar, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van
een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft
gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is
benadeeld.
2.
Wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen,
wordt de benadeelde vermoed omtrent de waarde van een of
meer der te verdelen goederen en schulden te hebben
gedwaald.
3. Om te
beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad, worden de
goederen en schulden der gemeenschap geschat naar hun waarde
op het tijdstip van de verdeling. Goederen en schulden die
onverdeeld zijn gelaten worden niet meegerekend.
4. Een
verdeling is niet op grond van dwaling omtrent de waarde van
een of meer der te verdelen goederen en schulden
vernietigbaar, indien de benadeelde de toedeling te zijnen
bate of schade heeft aanvaard.
Artikel 197
De bevoegdheid tot vernietiging van een
verdeling uit hoofde van benadeling vervalt, wanneer de andere
deelgenoten aan de benadeelde hetzij in geld, hetzij in natura
opleggen hetgeen aan diens aandeel ontbrak.
Artikel 198
Wordt een beroep in rechte op
vernietigbaarheid van een verdeling gedaan, dan kan de rechter,
onverminderd het in de artikelen 53 en 54 bepaalde, op verlangen
van een der partijen de verdeling wijzigen, in plaats van de
vernietiging uit te spreken.
Artikel 199
Op een verdeling zijn de artikelen 228-230
van Boek 6 niet van toepassing.
Artikel 200
Een rechtsvordering tot vernietiging van
een verdeling vervalt door verloop van drie jaren na de
verdeling.
Titel 8. Vruchtgebruik
Artikel 201
Vruchtgebruik geeft het recht om goederen
die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de
vruchten te genieten.
Artikel 202
Vruchtgebruik ontstaat door vestiging of
door verjaring.
Artikel 203
1.
Vruchtgebruik kan worden gevestigd ten behoeve van één
persoon, ofwel ten behoeve van twee of meer personen hetzij
gezamenlijk hetzij bij opvolging. In het laatste geval
moeten ook de later geroepenen op het ogenblik van de
vestiging bestaan.
2.
Vruchtgebruik kan niet worden gevestigd voor langer dan het
leven van de vruchtgebruiker. Vruchtgebruik ten behoeve van
twee of meer personen wast bij het einde van het recht van
een hunner bij dat van de anderen aan, bij ieder in
evenredigheid van zijn aandeel, en eindigt eerst door het
tenietgaan van het recht van de laatst overgeblevene, tenzij
anders is bepaald.
3. Is de
vruchtgebruiker een rechtspersoon, dan eindigt het
vruchtgebruik door ontbinding van de rechtspersoon, en in
ieder geval na verloop van dertig jaren na de dag van
vestiging.
Artikel 204 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 205
1.
Tenzij een bewind reeds tot een voldoende boedelbeschrijving
heeft geleid of daartoe verplicht, moet de vruchtgebruiker
in tegenwoordigheid of na behoorlijke oproeping van de
hoofdgerechtigde een notariële beschrijving van de goederen
opmaken. De beschrijving kan ondershands worden opgemaakt,
indien de hoofdgerechtigde tegenwoordig is en
hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker een regeling hebben
getroffen omtrent haar bewaring.
2. Zowel
de vruchtgebruiker als de hoofdgerechtigde hebben het recht
om in de beschrijving alle bijzonderheden te doen opnemen,
die dienstig zijn om de toestand waarin de aan het
vruchtgebruik onderworpen zaken zich bevinden, te doen
kennen.
3. De
hoofdgerechtigde is bevoegd de levering en afgifte van de
aan het vruchtgebruik onderworpen goederen op te schorten,
indien de vruchtgebruiker niet terzelfder tijd zijn
verplichting tot beschrijving nakomt.
4. De
vruchtgebruiker moet jaarlijks aan de hoofdgerechtigde een
ondertekende nauwkeurige opgave zenden van de goederen die
niet meer aanwezig zijn, van de goederen die daarvoor in de
plaats zijn gekomen, en van de voordelen die de goederen
hebben opgeleverd en die geen vruchten zijn.
5. De
vruchtgebruiker kan van de verplichtingen die ingevolge de
voorgaande leden op hem rusten, niet worden vrijgesteld.
6.
Tenzij anders is bepaald, komen de kosten van de
beschrijving en van de in lid 4, bedoelde jaarlijkse opgave
ten laste van de vruchtgebruiker.
Artikel 206
1. De
vruchtgebruiker moet voor de nakoming van zijn
verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde zekerheid stellen,
tenzij hij hiervan is vrijgesteld of de belangen van de
hoofdgerechtigde reeds voldoende zijn beveiligd door de
instelling van een bewind.
2. Is de
vruchtgebruiker van het stellen van zekerheid vrijgesteld,
dan kan de hoofdgerechtigde jaarlijks verlangen dat hem de
aan het vruchtgebruik onderworpen zaken worden getoond. Ten
aanzien van waardepapieren en gelden kan, behoudens
bijzondere omstandigheden, met overlegging van een
verklaring van een geregistreerde krediet-instelling worden
volstaan.
Artikel 207
1. Een
vruchtgebruiker mag de aan het vruchtgebruik onderworpen
goederen gebruiken of verbruiken overeenkomstig de bij de
vestiging van het vruchtgebruik gestelde regels of, bij
gebreke van zodanige regels, met inachtneming van de aard
van de goederen en de ten aanzien van het gebruik of
verbruik bestaande plaatselijke gewoonten.
2. Een
vruchtgebruiker is voorts bevoegd tot alle handelingen die
tot een goed beheer van de aan het vruchtgebruik onderworpen
goederen dienstig kunnen zijn. Tot alle overige handelingen
ten aanzien van die goederen zijn de hoofdgerechtigde en de
vruchtgebruiker slechts tezamen bevoegd.
3.
Jegens de hoofdgerechtigde is de vruchtgebruiker verplicht
ten aanzien van de aan het vruchtgebruik onderworpen
goederen en het beheer daarover de zorg van een goed
vruchtgebruiker in acht te nemen.
Artikel 208
1. Van
zaken die aan het vruchtgebruik zijn onderworpen, mag de
vruchtgebruiker de bestemming die deze bij de aanvang van
het vruchtgebruik hadden, niet veranderen zonder toestemming
van de hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter.
2.
Tenzij in de akte van vestiging anders is bepaald, is de
vruchtgebruiker van een zaak, zowel tijdens de duur van zijn
recht als bij het einde daarvan, bevoegd om aan de zaak
aangebrachte veranderingen en toevoegingen weg te nemen,
mits hij de zaak in de oude toestand terugbrengt.
Artikel 209
1. De
vruchtgebruiker is verplicht het voorwerp van zijn
vruchtgebruik ten behoeve van de hoofdgerechtigde te
verzekeren tegen die gevaren, waartegen het gebruikelijk is
een verzekering te sluiten. In ieder geval is de
vruchtgebruiker, indien een gebouw aan zijn vruchtgebruik is
onderworpen, verplicht dit tegen brand te verzekeren.
2. Voor
zover de vruchtgebruiker aan de in het eerste lid omschreven
verplichtingen niet voldoet, is de hoofdgerechtigde bevoegd
zelf een verzekering te nemen en is de vruchtgebruiker
verplicht hem de kosten daarvan te vergoeden.
Artikel 210
1.
Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, is de
vruchtgebruiker bevoegd in en buiten rechte nakoming te
eisen van aan het vruchtgebruik onderworpen vorderingen en
tot het in ontvangst nemen van betalingen.
2.
Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, is hij tot
ontbinding en opzegging van overeenkomsten slechts bevoegd,
wanneer dit tot een goed beheer dienstig kan zijn.
3. De
hoofdgerechtigde is slechts bevoegd de in de vorige leden
genoemde bevoegdheden uit te oefenen, indien hij daartoe
toestemming van de vruchtgebruiker of machtiging van de
kantonrechter heeft gekregen. Tegen de machtiging van de
kantonrechter krachtens dit lid is geen hogere voorziening
toegelaten.
Artikel 211
1. Ook
wanneer bij de beschrijving of in een jaarlijkse opgave een
of meer goederen die aan het vruchtgebruik onderworpen zijn,
slechts naar hun soort zijn aangeduid, behoudt de
hoofdgerechtigde daarop zijn recht.
2. De
vruchtgebruiker is verplicht zodanige goederen afgescheiden
van zijn overig vermogen te houden.
Artikel 212
1. Voor
zover de aan een vruchtgebruik onderworpen goederen bestemd
zijn om vervreemd te worden, is de vruchtgebruiker tot
vervreemding overeenkomstig hun bestemming bevoegd.
2. Bij
de vestiging van het vruchtgebruik kan aan de
vruchtgebruiker de bevoegdheid worden gegeven ook over
andere dan de in het vorige lid genoemde goederen te
beschikken. Ten aanzien van deze goederen vinden de
artikelen 208, 210 lid 2 en 217 lid 2, en 3, tweede zin, en
lid 4, geen toepassing.
3. In
andere gevallen mag een vruchtgebruiker slechts vervreemden
of bezwaren met toestemming van de hoofdgerechtigde of
machtiging van de kantonrechter. De machtiging wordt alleen
gegeven, wanneer het belang van de vruchtgebruiker of de
hoofdgerechtigde door de vervreemding of bezwaring wordt
gediend en het belang van de ander daardoor niet wordt
geschaad.
Artikel 213
1.
Hetgeen in de plaats van aan vruchtgebruik onderworpen
goederen treedt doordat daarover bevoegdelijk wordt
beschikt, behoort aan de hoofdgerechtigde toe en is eveneens
aan het vruchtgebruik onderworpen. Hetzelfde is het geval
met hetgeen door inning van aan vruchtgebruik onderworpen
vorderingen wordt ontvangen, en met vorderingen tot
vergoeding die in de plaats van aan vruchtgebruik
onderworpen goederen treden, waaronder begrepen vorderingen
ter zake van waardevermindering van die goederen.
2. Ook
zijn aan het vruchtgebruik onderworpen de voordelen die een
goed tijdens het vruchtgebruik oplevert en die geen vruchten
zijn.
Artikel 214
1.
Tenzij bij de vestiging anders is bepaald, moeten gelden die
tot het vruchtgebruik behoren, in overleg met de
hoofdgerechtigde vruchtdragend belegd of in het belang van
de overige aan het vruchtgebruik onderworpen goederen
besteed worden.
2. In
geval van geschil omtrent hetgeen ten aanzien van de in het
eerste lid bedoelde gelden dient te geschieden, beslist
daaromtrent de persoon die bij de vestiging van het
vruchtgebruik daartoe is aangewezen, of bij gebreke van een
zodanige aanwijzing, de kantonrechter. Tegen een beschikking
van de kantonrechter krachtens dit lid is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 215
1. Is
bij de vestiging van een vruchtgebruik of daarna aan de
vruchtgebruiker de bevoegdheid gegeven tot gehele of
gedeeltelijke vervreemding en vertering van aan het
vruchtgebruik onderworpen goederen, dan kan de
hoofdgerechtigde bij het einde van het vruchtgebruik afgifte
vorderen van de in vruchtgebruik gegeven goederen of hetgeen
daarvoor in de plaats getreden is, voor zover de
vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgenden niet bewijzen dat
die goederen verteerd of door toeval tenietgegaan zijn.
2. Bij
verlening van de bevoegdheid tot vervreemding en vertering
kunnen een of meer personen worden aangewezen, wier
toestemming voor de vervreemding en voor de vertering nodig
is. Staat het vruchtgebruik onder bewind, dan zijn de
vervreemding en de vertering van de medewerking van de
bewindvoerder afhankelijk.
3. Is
aan de vruchtgebruiker de bevoegdheid tot vervreemding en
vertering verleend, dan mag hij de goederen ook voor
gebruikelijke kleine geschenken bestemmen.
Artikel 216
De vruchtgebruiker komen alle vruchten
toe, die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar
worden. Bij de vestiging van het vruchtgebruik kan nader worden
bepaald wat met betrekking tot het vruchtgebruik als vrucht moet
worden beschouwd.
Artikel 217
1. De
vruchtgebruiker is bevoegd de aan het vruchtgebruik
onderworpen zaken te verhuren of te verpachten, voor zover
bij de vestiging van het vruchtgebruik niet anders is
bepaald.
2.
Indien bij de vestiging van het vruchtgebruik een onroerende
zaak niet verhuurd of verpacht was, kan de vruchtgebruiker
niet verhuren of verpachten zonder toestemming van de
hoofdgerechtigde of machtiging van de kantonrechter, tenzij
de bevoegdheid daartoe hem bij de vestiging van het
vruchtgebruik is toegekend.
3. Na
het einde van het vruchtgebruik is de hoofdgerechtigde
verplicht een bevoegdelijk aangegane huur of verpachting
gestand te doen. Hij kan nochtans gestanddoening weigeren,
voor zover zonder zijn toestemming hetzij de overeengekomen
tijdsduur van de huur langer is dan met het plaatselijk
gebruik overeenstemt of bedrijfsruimte in de zin van de
zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 is verhuurd voor een
langere tijd dan vijf jaren, hetzij de verpachting is
geschied voor een langere duur dan twaalf jaren voor hoeven
en zes jaren voor los land, hetzij de verhuring of
verpachting is geschied op ongewone, voor hem bezwarende
voorwaarden.
4. De
hoofdgerechtigde verliest de bevoegdheid gestanddoening te
weigeren, wanneer de huurder of pachter hem een redelijke
termijn heeft gesteld om zich omtrent de gestanddoening te
verklaren en hij zich niet binnen deze termijn heeft
uitgesproken.
5.
Indien de hoofdgerechtigde volgens de vorige leden niet
verplicht is tot gestanddoening van een door de
vruchtgebruiker aangegane verhuring van woonruimte waarin de
huurder bij het eindigen van het vruchtgebruik zijn
hoofdverblijf heeft en waarop de artikelen 271 tot en met
277 van Boek 7 van toepassing zijn, moet hij de
huurovereenkomst niettemin met de huurder voortzetten met
dien verstande dat artikel 269 lid 2 van Boek 7, van
overeenkomstige toepassing is.
Artikel 218
Tot het instellen van rechtsvorderingen en
het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een
rechterlijke uitspraak die zowel het recht van de
vruchtgebruiker als dat van de hoofdgerechtigde betreft, is
ieder van hen bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig
in het geding wordt geroepen.
Artikel 219
Buiten de gevallen, geregeld in de
artikelen 88 en 197 van Boek 2, en artikel 123 van Boek 5 blijft
de uitoefening van stemrecht, verbonden aan een goed dat aan
vruchtgebruik is onderworpen, de hoofdgerechtigde toekomen,
tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik anders is bepaald.
Bij een vruchtgebruik als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van
Boek 4 komt het stemrecht eveneens aan de vruchtgebruiker toe,
tenzij bij de vestiging van het vruchtgebruik door partijen of
door de kantonrechter op de voet van artikel 23 lid 4 van Boek 4
anders wordt bepaald.
Artikel 220
1.
Gewone lasten en herstellingen worden door de
vruchtgebruiker gedragen en verricht. De vruchtgebruiker is
verplicht, wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn,
aan de hoofdgerechtigde van deze noodzakelijkheid kennis te
geven en hem gelegenheid te verschaffen tot het doen van
deze herstellingen. De hoofdgerechtigde is niet tot het doen
van enige herstelling verplicht.
2.
Nochtans is een hoofdgerechtigde, aan wie tengevolge van een
beperking in het genot van de vruchtgebruiker een deel van
de vruchten toekomt, verplicht naar evenredigheid bij te
dragen in de lasten en kosten, die volgens het voorgaande
lid ten laste van de vruchtgebruiker komen.
Artikel 221
1.
Indien de vruchtgebruiker in ernstige mate tekortschiet in
de nakoming van zijn verplichtingen, kan de rechtbank op
vordering van de hoofdgerechtigde aan deze het beheer
toekennen of het vruchtgebruik onder bewind stellen.
2. De
rechtbank kan hangende het geding het vruchtgebruik bij
voorraad onder bewind stellen.
3. De
rechtbank kan voor het bewind of beheer zodanige
voorschriften geven als zij dienstig acht. Op het bewind
zijn voor het overige de artikelen 154, 157 tot en met 166,
168, 170, 172, 173, 174 en 177 lid 1 van Boek 4 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
kantonrechter de in artikel 159 van Boek 4 bedoelde beloning
ook op grond van bijzondere omstandigheden anders kan
regelen, alsmede dat hij de in artikel 160 van Boek 4
bedoelde zekerheidstelling te allen tijde kan bevelen. Het
bewind kan door een gezamenlijk besluit van de
vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde of op verzoek van een
hunner door de rechtbank worden opgeheven.
Artikel 222
1.
Wanneer een nalatenschap, onderneming of soortgelijke
algemeenheid in vruchtgebruik is gegeven, kan de
hoofdgerechtigde van de vruchtgebruiker verlangen dat de tot
die algemeenheid behorende schulden uit de tot het
vruchtgebruik behorende goederen worden voldaan of, voor
zover de hoofdgerechtigde deze schulden uit eigen middelen
heeft voldaan, dat hem het betaalde, vermeerderd met rente
van de dag der betaling af, uit het vruchtgebruik wordt
teruggegeven. Voldoet de vruchtgebruiker een schuld uit
eigen vermogen, dan behoeft de hoofdgerechtigde hem het
voorgeschotene eerst bij het einde van het vruchtgebruik
terug te geven.
2. Het
in het voorgaande lid bepaalde vindt overeenkomstige
toepassing, wanneer het vruchtgebruik is gevestigd op
bepaalde goederen en daarop buitengewone lasten drukken.
Artikel 223
Een vruchtgebruiker kan zijn recht
overdragen of bezwaren zonder dat daardoor de duur van het recht
gewijzigd wordt. Naast de verkrijger is de oorspronkelijke
vruchtgebruiker hoofdelijk voor alle uit het vruchtgebruik
voortspruitende verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde
aansprakelijk. Is aan de oorspronkelijke vruchtgebruiker bij de
vestiging van het vruchtgebruik een grotere bevoegdheid tot
vervreemding, verbruik of vertering gegeven dan de wet aan de
vruchtgebruiker toekent, dan komt die ruimere bevoegdheid niet
aan de latere verkrijgers van het vruchtgebruik toe.
Artikel 224
Indien een vruchtgebruiker uit hoofde van
de aan het vruchtgebruik verbonden lasten en verplichtingen op
zijn kosten afstand van zijn recht wil doen, is de
hoofdgerechtigde gehouden hieraan mede te werken.
Artikel 225
Na het eindigen van het vruchtgebruik rust
op de vruchtgebruiker of zijn rechtverkrijgenden de verplichting
de goederen ter beschikking van de hoofdgerechtigde te stellen.
Artikel 226
1. Op
een recht van gebruik en een recht van bewoning vinden de
regels betreffende vruchtgebruik overeenkomstige toepassing,
behoudens de navolgende bepalingen.
2.
Indien enkel het recht van gebruik is verleend, heeft de
rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen
zaken te gebruiken en er de vruchten van te genieten, die
hij voor zich en zijn gezin behoeft.
3.
Indien enkel het recht van bewoning is verleend, heeft de
rechthebbende de bevoegdheid de aan zijn recht onderworpen
woning met zijn gezin te bewonen.
4. Hij
die een der in dit artikel omschreven rechten heeft, kan
zijn recht niet vervreemden of bezwaren, noch de zaak door
een ander laten gebruiken of de woning door een ander laten
bewonen.
Titel 9. Rechten van pand en hypotheek
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 227
1. Het
recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte
rechten, strekkende om op de daaraan onderworpen goederen
een vordering tot voldoening van een geldsom bij voorrang
boven andere schuldeisers te verhalen. Is het recht op een
registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek;
is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een
recht van pand.
2. Een
recht van pand of hypotheek op een zaak strekt zich uit over
al hetgeen de eigendom van de zaak omvat.
Artikel 228
Op alle goederen die voor overdracht
vatbaar zijn, kan een recht van pand hetzij van hypotheek worden
gevestigd.
Artikel 229
1. Het
recht van pand of hypotheek brengt van rechtswege mee een
recht van pand op alle vorderingen tot vergoeding die in de
plaats van het verbonden goed treden, waaronder begrepen
vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed.
2. Dit
pandrecht gaat boven ieder op de vordering gevestigd ander
pandrecht.
Artikel 230
Een recht van pand of hypotheek is
ondeelbaar, zelfs dan wanneer de verbintenis waarvoor het recht
is gevestigd, twee of meer schuldeisers of schuldenaars heeft en
de verbintenis tussen hen wordt verdeeld.
Artikel 231
1. Een
recht van pand of hypotheek kan zowel voor een bestaande als
voor een toekomstige vordering worden gevestigd. De
vordering kan op naam, aan order of aan toonder luiden. Zij
kan zowel een vordering op de pand- of hypotheekgever zelf
als een vordering op een ander zijn.
2. De
vordering waarvoor pand of hypotheek wordt gegeven, moet
voldoende bepaalbaar zijn.
Artikel 233
1. De
pand- of hypotheekgever die niet tevens de schuldenaar is,
is aansprakelijk voor waardevermindering van het goed, voor
zover de waarborg van de schuldeiser daardoor in gevaar
wordt gebracht en daarvan aan de pand- of hypotheekgever of
aan een persoon waarvoor deze aansprakelijk is, een verwijt
kan worden gemaakt.
2. Door
hem ten behoeve van het goed anders dan tot onderhoud
daarvan gemaakte kosten kan hij van de pand- of
hypotheekhouder terugvorderen, doch slechts indien deze zich
op het goed heeft verhaald en voor zover genoemde kosten tot
een hogere opbrengst van het goed te diens bate hebben
geleid.
Artikel 234
1.
Indien voor een zelfde vordering zowel goederen van de
schuldenaar als van een derde zijn verpand of
verhypothekeerd, kan de derde, wanneer de schuldeiser tot
executie overgaat, verlangen dat die van de schuldenaar mede
in de verkoop worden begrepen en het eerst worden verkocht.
2. Zijn
voor een zelfde vordering twee of meer goederen verpand of
verhypothekeerd en rust op een daarvan een beperkt recht dat
de schuldeiser bij de executie niet behoeft te eerbiedigen,
dan heeft de beperkt gerechtigde een overeenkomstige
bevoegdheid als in het eerste lid is vermeld.
3.
Indien de schuldeiser weigert aan een op lid 1 of lid 2
gegrond verlangen te voldoen, kan de voorzieningenrechter
van de rechtbank op verzoek van de meest gerede partij of,
in geval van een hypotheek, van de notaris ten overstaan van
wie de verkoop zal geschieden, op deze weigering beslissen.
Het verzoek schorst de executie. Tegen een beschikking
krachtens dit lid is geen hogere voorziening toegelaten.
Artikel 235
Elk beding waarbij de pand- of
hypotheekhouder de bevoegdheid wordt gegeven zich het verbonden
goed toe te eigenen, is nietig.
Afdeling 2. Pandrecht
Artikel 236
1.
Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder of
order, of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of
recht, wordt gevestigd door de zaak of het toonder- of
orderpapier te brengen in de macht van de pandhouder of van
een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. De
vestiging van een pandrecht op een recht aan order of op het
vruchtgebruik daarvan vereist tevens endossement.
2. Op
andere goederen wordt pandrecht gevestigd op overeenkomstige
wijze als voor de levering van het te verpanden goed is
bepaald.
Artikel 237
1.
Pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder, of
op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of recht, kan ook
worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde
onderhandse akte, zonder dat de zaak of het toonderpapier
wordt gebracht in de macht van de pandhouder of van een
derde.
2. De
pandgever is verplicht in de akte te verklaren dat hij tot
het verpanden van het goed bevoegd is alsmede hetzij dat op
het goed geen beperkte rechten rusten, hetzij welke rechten
daarop rusten.
3.
Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn
verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet of hem
goede grond geeft te vrezen dat in die verplichtingen zal
worden tekortgeschoten, is deze bevoegd te vorderen dat de
zaak of het toonderpapier in zijn macht of in die van een
derde wordt gebracht. Rusten op het goed meer pandrechten,
dan kan iedere pandhouder jegens wie de pandgever of de
schuldenaar tekortschiet, deze bevoegdheid uitoefenen, met
dien verstande dat een andere dan de hoogst gerangschikte
slechts afgifte kan vorderen aan een tussen de gezamenlijke
pandhouders overeengekomen of door de rechter aan te wijzen
pandhouder of derde.
4.
Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn
verplichtingen jegens de pandhouder die een bij voorbaat
gevestigd pandrecht op te velde staande vruchten of
beplantingen heeft, tekortschiet, kan de kantonrechter de
pandhouder op diens verzoek machtigen zelf de te velde
staande vruchten of beplantingen in te oogsten. Is de
pandgever eigenaar van de grond of ontleent hij zijn recht
op de vruchten of beplantingen aan een beperkt recht op de
grond, dan kan de beschikking waarbij het verzoek wordt
toegewezen, worden ingeschreven in de openbare registers.
5. Tegen
een beschikking krachtens het vorige lid is geen hogere
voorziening toegelaten.
Artikel 238
1.
Ondanks onbevoegdheid van de pandgever is de vestiging van
een pandrecht op een roerende zaak, op een recht aan toonder
of order of op het vruchtgebruik van een zodanige zaak of
recht geldig, indien de pandhouder te goeder trouw is op het
tijdstip waarop de zaak of het toonder- of geëndosseerde
orderpapier in zijn macht of in die van een derde is
gebracht.
2. Rust
op een in lid 1 genoemd goed een beperkt recht dat de
pandhouder op het in dat lid bedoelde tijdstip kent noch
behoort te kennen, dan gaat het pandrecht in rang boven dit
beperkte recht.
3. Wordt
het pandrecht gevestigd op een roerende zaak waarvan de
eigenaar het bezit door diefstal heeft verloren, of op een
vruchtgebruik op een zodanige zaak, dan zijn lid 3, aanhef
en onder b, en lid 4 van artikel 86 van
overeenkomstige toepassing.
4. Dit
artikel kan niet worden tegengeworpen aan degene die de zaak
opeist, indien volgens artikel 86a, leden 1 en 2, of volgens
artikel 7 van de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig
uit bezet gebied ook artikel 86 niet aan hem tegengeworpen
zou kunnen worden.
Artikel 239
1.
Pandrecht op een tegen een of meer bepaalde personen uit te
oefenen recht dat niet aan toonder of order luidt, of op het
vruchtgebruik van een zodanig recht kan ook worden gevestigd
bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder
mededeling daarvan aan die personen, mits dit recht op het
tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of
rechtstreeks zal worden verkregen uit een dan reeds
bestaande rechtsverhouding.
2. Het
tweede lid van artikel 237 is van overeenkomstige
toepassing.
3.
Wanneer de pandgever of de schuldenaar in zijn
verplichtingen jegens de pandhouder tekortschiet of hem
goede grond geeft te vrezen dat in die verplichtingen zal
worden tekortgeschoten, is deze bevoegd van de verpanding
mededeling te doen aan de in het eerste lid genoemde
personen. Pandhouder en pandgever kunnen overeenkomen dat
deze bevoegdheid op een ander tijdstip ingaat.
4.
Artikel 88 geldt slechts voor de pandhouder wiens recht
overeenkomstig lid 1 is gevestigd, indien hij te goeder
trouw is op het tijdstip van de in lid 3 bedoelde
mededeling.
Artikel 240
Pandrecht op een aandeel in een goed wordt
gevestigd op overeenkomstige wijze en met overeenkomstige
gevolgen als voorgeschreven ten aanzien van de vestiging van
pandrecht op dat goed.
Artikel 241
De pandhouder is verplicht desgevorderd
aan de pandgever een schriftelijke verklaring af te geven van de
aard en, voor zover mogelijk, het bedrag van de vordering
waarvoor het verpande tot zekerheid strekt.
Artikel 242
Een pandhouder is niet bevoegd het goed
dat hij in pand heeft, te herverpanden, tenzij deze bevoegdheid
hem ondubbelzinnig is toegekend.
Artikel 243
1. Hij
die uit hoofde van een pandrecht een zaak onder zich heeft,
moet als een goed pandhouder voor de zaak zorgdragen.
2. Door
een pandhouder betaalde kosten tot behoud en tot onderhoud,
met inbegrip van door hem betaalde aan het goed verbonden
lasten, moeten hem door de pandgever worden terugbetaald;
het pandrecht strekt mede tot zekerheid daarvoor. Andere
door hem ten behoeve van het pand gemaakte kosten kan hij
van de pandgever slechts terugvorderen, indien hij ze met
diens toestemming heeft gemaakt, onverminderd diens
aansprakelijkheid uit zaakwaarneming of ongerechtvaardigde
verrijking.
Artikel 244
Tenzij anders is bedongen, strekt een
pandrecht tot zekerheid van een of meer bepaalde vorderingen
tevens tot zekerheid voor drie jaren rente die over deze
vorderingen krachtens overeenkomst of wet verschuldigd is.
Artikel 245
Tot het instellen van rechtsvorderingen
tegen derden ter bescherming van het verpande goed is zowel de
pandhouder als de pandgever bevoegd, mits hij zorg draagt dat de
ander tijdig in het geding wordt geroepen.
Artikel 246
1. Rust
het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd
in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen
in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de
pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van
de vordering is medegedeeld.
2.
Degene aan wie de in lid 1 bedoelde bevoegdheden toekomen,
is tevens bevoegd tot opzegging, wanneer de vordering niet
opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan
worden. Hij is jegens de ander gehouden niet nodeloos van
deze bevoegdheid gebruik te maken.
3. Rust
op de vordering meer dan één pandrecht, dan komen de in de
vorige leden aan de pandhouder toegekende bevoegdheden
alleen aan de hoogst gerangschikte pandhouder toe.
4. Na
mededeling van de verpanding aan de schuldenaar kan de
pandgever deze bevoegdheden slechts uitoefenen, indien hij
daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de
kantonrechter heeft verkregen.
5. Bij
inning van een verpande vordering door de pandhouder of met
machtiging van de kantonrechter door de pandgever komen de
pandrechten waarmee de vordering bezwaard was, op het geïnde
te rusten.
Artikel 247
Buiten de gevallen, geregeld in de
artikelen 89 en 198 van Boek 2, blijft de uitoefening van
stemrecht, verbonden aan een goed waarop een pandrecht rust, de
pandgever toekomen, tenzij anders is bedongen.
Artikel 248
1.
Wanneer de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van
hetgeen waarvoor het pand tot waarborg strekt, is de
pandhouder bevoegd het verpande goed te verkopen en het hem
verschuldigde op de opbrengst te verhalen.
2.
Partijen kunnen bedingen dat eerst tot verkoop kan worden
overgegaan, nadat de rechter op vordering van de pandhouder
heeft vastgesteld dat de schuldenaar in verzuim is.
3. Een
lager gerangschikte pandhouder of beslaglegger kan het
verpande goed slechts verkopen met handhaving van de hoger
gerangschikte pandrechten.
Artikel 249
1.
Tenzij anders is bedongen, is een pandhouder die tot verkoop
wil overgaan verplicht, voor zover hem dit redelijkerwijze
mogelijk is, ten minste drie dagen tevoren de voorgenomen
verkoop met vermelding van plaats en tijd op bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen wijze mede te delen aan de
schuldenaar en de pandgever, alsmede aan hen die op het goed
een beperkt recht hebben of daarop beslag hebben gelegd.
2. De
aanzegging moet zo nauwkeurig mogelijk de som aangeven,
waarvoor het pand kan worden gelost. Lossing kan tot op het
tijdstip van de verkoop plaatsvinden, mits ook de reeds
gemaakte kosten van executie worden voldaan.
Artikel 250
1. De
verkoop geschiedt in het openbaar naar de plaatselijke
gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden.
2.
Bestaat het pand uit goederen die op een markt of beurs
verhandelbaar zijn, dan kan de verkoop geschieden op een
markt door tussenkomst van een tussenpersoon in het vak of
ter beurze door die van een bevoegde tussenpersoon
overeenkomstig de regels en gebruiken die aldaar voor een
gewone verkoop gelden.
3. De
pandhouder is bevoegd mede te bieden.
Artikel 251
1.
Tenzij anders is bedongen, kan de voorzieningenrechter van
de rechtbank op verzoek van de pandhouder of de pandgever
bepalen dat het pand zal worden verkocht op een van het
vorige artikel afwijkende wijze, of op verzoek van de
pandhouder bepalen dat het pand voor een door de
voorzieningenrechter van de rechtbank vast te stellen bedrag
aan de pandhouder als koper zal verblijven.
2. Nadat
de pandhouder bevoegd is geworden tot verkoop over te gaan,
kunnen pandhouder en pandgever een van het vorige artikel
afwijkende wijze van verkoop overeenkomen. Rust op het
verpande goed een beperkt recht of een beslag, dan is
daartoe tevens de medewerking van de beperkt gerechtigde of
de beslaglegger vereist.
Artikel 252
Tenzij anders is bedongen, is de
pandhouder verplicht, voor zover hem dit redelijkerwijze
mogelijk is, uiterlijk op de dag volgende op die van de verkoop
daarvan op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze
kennis te geven aan de schuldenaar en de pandgever, alsmede aan
hen die op het goed een beperkt recht hebben of daarop beslag
hebben gelegd.
Artikel 253
1. De
pandhouder houdt, na voldoening van de kosten van executie,
van de netto-opbrengst af het aan hem verschuldigde bedrag
waarvoor hij pandrecht heeft. Het overschot wordt aan de
pandgever uitgekeerd. Zijn er pandhouders of andere beperkt
gerechtigden, wier recht op het goed door de executie is
vervallen, of hebben schuldeisers op het goed of op de
opbrengst beslag gelegd, dan handelt de pandhouder
overeenkomstig het bepaalde in artikel 490b van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2. De
pandhouder kan de door hem aan de voormelde belanghebbenden
uit te keren bedragen niet voldoen door verrekening, tenzij
het een uitkering aan de pandgever betreft en deze uitkering
niet plaats vindt gedurende diens faillissement, surséance,
de toepassing ten aanzien van hem van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of de
vereffening van zijn nalatenschap. Is ten aanzien van de
pandgever de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
van toepassing, dan kan niettemin een uitkering aan de
pandgever door verrekening worden voldaan indien het
pandrecht is gevestigd na de uitspraak tot de toepassing van
de schuldsaneringsregeling en zowel de vordering als de
schuld na die uitspraak zijn ontstaan.
Artikel 254
1.
Wanneer op roerende zaken die volgens verkeersopvatting
bestemd zijn om een bepaalde onroerende zaak duurzaam te
dienen en door hun vorm als zodanig zijn te herkennen, of op
machinerieën of werktuigen die bestemd zijn om daarmede een
bedrijf in een bepaalde hiertoe ingerichte fabriek of
werkplaats uit te oefenen, overeenkomstig artikel 237 een
pandrecht is gevestigd voor een vordering waarvoor ook
hypotheek gevestigd is op die onroerende zaak, fabriek of
werkplaats of op een daarop rustend beperkt recht, kan
worden bedongen, dat de schuldeiser bevoegd is de verpande
en verhypothekeerde goederen tezamen volgens de voor
hypotheek geldende regels te executeren.
2.
Executeert de schuldeiser overeenkomstig het beding, dan
zijn de artikelen 268-273 op het pandrecht van
overeenkomstige toepassing en is de toepasselijkheid van de
artikelen 248-253 uitgesloten.
3. Het
beding kan, onder vermelding van de pandrechten waarop het
betrekking heeft, worden ingeschreven in de registers waarin
de hypotheek is ingeschreven.
Artikel 255
1.
Bestaat het pand uit geld dan is de pandhouder, zodra zijn
vordering opeisbaar is geworden, zonder voorafgaande
aanzegging bevoegd zich uit het pand te voldoen
overeenkomstig artikel 253. Hij is daartoe verplicht, indien
de pandgever zulks vordert en deze bevoegd is de vordering
in de verpande valuta te voldoen.
2.
Artikel 252 vindt overeenkomstige toepassing.
Artikel 256
Wanneer een pandrecht is tenietgegaan, is
de pandhouder verplicht te verrichten hetgeen zijnerzijds nodig
is opdat de pandgever de hem toekomende feitelijke macht over
het goed herkrijgt, en desverlangd aan de pandgever een
schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd
is. Is de vordering waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekte
met een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige
verplichting op de beperkt gerechtigde.
Artikel 257
Indien degene die uit hoofde van een
pandrecht een zaak onder zich heeft, in ernstige mate in de zorg
voor de zaak tekortschiet, kan de rechtbank op vordering van de
pandgever of een pandhouder bevelen dat de zaak aan een van hen
wordt afgegeven of in gerechtelijke bewaring van een derde wordt
gesteld.
Artikel 258
1.
Wanneer een in pand gegeven goed als bedoeld in artikel 236
lid 1 in de macht van de pandgever komt, eindigt het
pandrecht, tenzij het met toepassing van artikel 237 lid 1
werd gevestigd.
2.
Afstand van een pandrecht kan geschieden bij enkele
overeenkomst, mits van de toestemming van de pandhouder uit
een schriftelijke of elektronische verklaring blijkt. Indien
van de toestemming uit een elektronische verklaring blijkt,
is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van overeenkomstige
toepassing.
Afdeling 3. Pandrecht van
certificaathouders
Artikel 259
1.
Wanneer iemand door het uitgeven van certificaten derden
doet delen in de opbrengst van door hem op eigen naam
verkregen aandelen of schuldvorderingen, hebben de
certificaathouders een vordering tot uitkering van het hun
toegezegde tegen de uitgever van de certificaten.
2. Zijn
de oorspronkelijke aandelen of schuldvorderingen op naam
gesteld en de certificaten uitgegeven met medewerking van de
uitgever van de oorspronkelijke aandelen of
schuldvorderingen, dan verkrijgen de certificaathouders
tevens gezamenlijk een pandrecht op die aandelen of
schuldvorderingen. Zijn de certificaten uitgegeven voor
schuldvorderingen op naam zonder medewerking van de
schuldenaar, dan verkrijgen de certificaathouders een
zodanig pandrecht door mededeling van de uitgifte aan de
schuldenaar. Zijn de certificaten uitgegeven voor aandelen
of schuldvorderingen aan toonder, dan verkrijgen de
certificaathouders een zodanig pandrecht, zonder dat het
papier in de macht van de certificaathouders of een derde
behoeft te worden gebracht.
3. Dit
pandrecht geeft aan de certificaathouders alleen de
bevoegdheid in geval van niet-uitbetaling van het hun
verschuldigde met inachtneming van de volgende regels het
pand geheel of gedeeltelijk te doen verkopen en zich uit de
opbrengst te voldoen. Een certificaathouder die hiertoe
wenst over te gaan, wendt zich tot de voorzieningenrechter
van de rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats
van degene die de certificaten heeft uitgegeven, is gelegen
met verzoek een bewindvoerder over het pand te benoemen, die
voor de verkoop en de verdeling van de opbrengst zorg
draagt. Indien niet alle certificaathouders met de verkoop
instemmen, wordt slechts een deel van het pand dat
overeenkomt met het recht van de andere certificaathouders
verkocht; de rechten van deze laatsten gaan door de
verdeling van de opbrengst onder hen teniet. De
voorzieningenrechter kan op verlangen van elke
certificaathouder of ambtshalve maatregelen bevelen in het
belang van de certificaathouders die niet met de verkoop
hebben ingestemd, en bepalen dat de verkoop door hem moet
worden goedgekeurd, wil zij geldig zijn.
Afdeling 4. Recht van hypotheek
Artikel 260
1.
Hypotheek wordt gevestigd door een tussen partijen
opgemaakte notariële akte waarbij de hypotheekgever aan de
hypotheekhouder hypotheek op een registergoed verleent,
gevolgd door haar inschrijving in de daartoe bestemde
openbare registers. De akte moet een aanduiding bevatten van
de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of
van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen
worden bepaald. Tevens moet het bedrag worden vermeld
waarvoor de hypotheek wordt verleend of, wanneer dit bedrag
nog niet vaststaat, het maximumbedrag dat uit hoofde van de
hypotheek op het goed kan worden verhaald. De
hypotheekhouder moet in de akte woonplaats kiezen in
Nederland.
2.
Tenzij anders is bedongen, komen de kosten van verlening en
vestiging ten laste van de schuldenaar.
3. Bij
de in het eerste lid bedoelde akte kan iemand slechts
krachtens een bij authentieke akte verleende volmacht als
gevolmachtigde voor de hypotheekgever optreden.
4. Voor
het overige vinden de algemene voorschriften die voor
vestiging van beperkte rechten op registergoederen gegeven
zijn, ook op de vestiging van een hypotheek toepassing.
Artikel 261
1. Is
bij een koopovereenkomst hypotheek op het verkochte goed tot
waarborg van onbetaalde kooppenningen bedongen en is dit
beding in de leveringsakte vermeld, dan heeft deze
hypotheek, mits de akte waarbij zij werd verleend tegelijk
met de leveringsakte wordt ingeschreven, voorrang boven alle
andere aan de koper ontleende rechten, ten aanzien waarvan
tegelijk een inschrijving plaatsvond.
2. Lid 1
vindt overeenkomstig toepassing op een bij een verdeling
bedongen hypotheek op een toegedeeld goed tot waarborg van
hetgeen hij aan wie het goed is toegedeeld, aan de andere
deelgenoten ten gevolge van de verdeling schuldig is of
mocht worden.
Artikel 262
1. Bij
een notariële akte die in de registers wordt ingeschreven,
kan worden bepaald dat een hypotheek ten aanzien van een of
meer hypotheken op hetzelfde goed een hogere rang heeft dan
haar volgens het tijdstip van haar inschrijving toekomt,
mits uit de akte blijkt dat de gerechtigden tot die andere
hypotheek of hypotheken daarin toestemmen.
2. Met
overeenkomstige toepassing van het eerste lid kan ook worden
bepaald dat een hypotheek en een ander beperkt recht ten
aanzien van elkaar worden geacht in andere volgorde te zijn
ontstaan dan is geschied.
Artikel 263
1.
Tenzij in de hypotheekakte anders is bepaald, strekt een
hypotheek tot zekerheid van een of meer bepaalde vorderingen
tevens tot zekerheid voor drie jaren rente die daarover
krachtens de wet verschuldigd is.
2. Een
beding dat een hypotheek tot zekerheid van een of meer
bepaalde vorderingen tevens strekt tot zekerheid van rente
over een langer tijdvak dan drie jaren zonder vermelding van
een maximumbedrag, is nietig.
Artikel 264
1.
Indien de hypotheekakte een uitdrukkelijk beding bevat
waarbij de hypotheekgever in zijn bevoegdheid is beperkt,
hetzij om het bezwaarde goed buiten toestemming van de
hypotheekhouder te verhuren of te verpachten, hetzij ten
aanzien van de wijze waarop of van de tijd gedurende welke
het goed zal kunnen worden verhuurd of verpacht, hetzij ten
aanzien van de vooruitbetaling van huur- of pachtpenningen,
hetzij om het recht op de huur- of pachtpenningen te
vervreemden of te verpanden, kan dit beding niet alleen
tegen latere verkrijgers van het bezwaarde goed, maar ook
tegen de huurder of pachter en tegen degene aan wie het
recht op de huur- of pachtpenningen werd vervreemd of
verpand, worden ingeroepen, zulks zowel door de
hypotheekhouder, als na de uitwinning van het bezwaarde goed
door de koper, dit laatste echter alleen voor zover deze
bevoegdheid op het tijdstip van de verkoop nog aan de
hypotheekhouder toekwam en deze de uitoefening daarvan
blijkens de verkoopvoorwaarden aan de koper overlaat.
2. De
inroeping kan niet geschieden, voordat het in artikel 544
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde
exploit van aanzegging of overneming is uitgebracht. De
bepalingen betreffende vernietigbaarheid zijn van toepassing
met dien verstande dat de termijn van artikel 52 lid 1 loopt
vanaf de voormelde aanzegging of overneming en dat een in
strijd met het beding gekomen rechtshandeling slechts wordt
vernietigd ten behoeve van degene die het inroept, en niet
verder dan met diens recht in overeenstemming is.
3.
Indien het beding is gemaakt met betrekking tot hoeven of
los land, heeft het slechts werking voor zover het niet in
strijd is met enig dwingend wettelijk voorschrift omtrent
pacht. Zodanig beding heeft geen werking, voor zover de
grondkamer bindend aan de pachtovereenkomst een daarmee
strijdige inhoud heeft gegeven, dan wel het beding niet kon
worden nageleefd, omdat de grondkamer een
wijzigingsovereenkomst die aan het beding beantwoordde,
heeft vernietigd. Een beding dat de hypotheekgever verplicht
is hoeven voor kortere tijd dan twaalf jaren en los land
voor kortere tijd dan zes jaren te verpachten, is nietig.
4.
Indien het beding is gemaakt met betrekking tot huur van
woonruimte of huur van bedrijfsruimte, heeft het slechts
werking, voor zover het niet in strijd is met enig dwingend
wettelijk voorschrift omtrent zodanige huur. Het beding dat
de verhuur van woonruimte of bedrijfsruimte uitsluit, kan
niet tegen de huurder worden ingeroepen, voor zover de
woonruimte of bedrijfsruimte ten tijde van de vestiging van
de hypotheek reeds was verhuurd en de nieuwe verhuring niet
op ongewone, voor de hypotheekhouder meer bezwarende
voorwaarden heeft plaatsgevonden.
5. Voor
zover een beroep op een beding tot gevolg zal hebben dat de
huurder van woonruimte, waarop de artikelen 271 tot en met
277 van Boek 7 van toepassing zijn, moet ontruimen, kan het
beding slechts worden ingeroepen nadat de
voorzieningenrechter van de rechtbank daartoe op verzoek van
de hypotheekhouder verlof heeft verleend. Het verlof is niet
vereist ten aanzien van een huurovereenkomst met
vernietiging waarvan de huurder schriftelijk heeft ingestemd
of die is tot stand gekomen na de bekendmaking, bedoeld in
artikel 516 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6. De
voorzieningenrechter verleent het verlof, tenzij ook met
instandhouding van de huurovereenkomst kennelijk een
voldoende opbrengst zal worden verkregen om alle
hypotheekhouders die het beding hebben gemaakt en dit jegens
de huurder kunnen inroepen, te voldoen. Zo hij het verlof
verleent, veroordeelt hij tevens de opgeroepen of verschenen
huurders en onderhuurders tot ontruiming en stelt hij een
termijn vast van ten hoogste één jaar na de betekening aan
de huurder of onderhuurder van zijn beschikking, waarbinnen
geen ontruiming mag plaatsvinden. Tegen een beschikking
waarbij het verlof wordt verleend, staan geen hogere
voorzieningen open.
7.
Indien het recht van de huurder of pachter door vernietiging
krachtens lid 2 verloren gaat, wordt aan hem uit de bij de
executie verkregen netto-opbrengst van het goed met voorrang
onmiddellijke na hen tegen wie hij zijn recht niet kon
inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten bedrage van de
schade die hij als gevolg van de vernietiging lijdt. Is de
koper bevoegd het beding in te roepen, dan wordt van hetgeen
aan de schuldeisers met een lagere rang toekomt, een met de
te verwachten schade overeenkomend bedrag gereserveerd,
totdat vaststaat dat de koper van zijn bevoegdheid geen
gebruik maakt.
8. Onder
de huurder in de zin van dit artikel wordt begrepen degene
die ingevolge artikel 266 lid 1 of artikel 267 lid 1 van
Boek 7 medehuurder is.
Artikel 265
Indien de hypotheekakte een uitdrukkelijk
beding bevat, volgens hetwelk de hypotheekgever de inrichting of
gedaante van het bezwaarde goed niet of niet zonder toestemming
van de hypotheekhouder mag veranderen, kan op dit beding geen
beroep worden gedaan, wanneer tot de verandering machtiging is
verleend aan de huurder door de kantonrechter op grond van de
bepalingen betreffende huur of aan de pachter of verpachter door
de grondkamer op grond van de bepalingen betreffende pacht.
Artikel 266
Is een zaak aan hypotheek onderworpen en
heeft de hypotheekgever hieraan na de vestiging van de hypotheek
veranderingen of toevoegingen aangebracht zonder dat hij
verplicht was deze mede tot onderpand voor de vordering te doen
strekken, dan is hij bevoegd deze veranderingen en toevoegingen
weg te nemen, mits hij de zaak in de oude toestand terugbrengt
en desverlangd voor de tijd dat dit nog niet is geschied, ter
zake van de waardevermindering zekerheid stelt. Degene die
gerechtigd is tot te velde staande vruchten of beplantingen, is
bevoegd deze in te oogsten; kon dit voor de executie niet
geschieden dan zijn hij en de koper verplicht zich jegens elkaar
te gedragen overeenkomstig de verplichtingen die afgaande en
opkomende pachters op grond van de bepalingen betreffende pacht
jegens elkaar hebben.
Artikel 267
In de hypotheekakte kan worden bedongen
dat de hypotheekhouder bevoegd is om het verhypothekeerde goed
in beheer te nemen, indien de hypotheekgever in zijn
verplichtingen jegens hem in ernstige mate te kort schiet en de
voorzieningenrechter van de rechtbank hem machtiging verleent.
Eveneens kan in de akte worden bedongen dat de hypotheekhouder
bevoegd is de aan de hypotheek onderworpen zaak onder zich te
nemen, indien zulks met het oog op de executie vereist is.
Zonder uitdrukkelijke bedingen mist de hypotheekhouder deze
bevoegdheden.
Artikel 268
1.
Indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van
hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt, is de
hypotheekhouder bevoegd het verbonden goed in het openbaar
ten overstaan van een bevoegde notaris te doen verkopen.
2. Op
verzoek van de hypotheekhouder of de hypotheekgever kan de
voorzieningenrechter van de rechtbank bepalen dat de verkoop
ondershands zal geschieden bij een overeenkomst die hem bij
het verzoek ter goedkeuring wordt voorgelegd. Indien door de
hypotheekgever of door een hypotheekhouder, beslaglegger of
beperkt gerechtigde, die bij een hogere opbrengst van het
goed belang heeft, voor de afloop van de behandeling van het
verzoek aan de voorzieningenrechter een gunstiger aanbod
wordt voorgelegd, kan deze bepalen dat de verkoop
overeenkomstig dit aanbod zal geschieden.
3. Het
in lid 2 bedoelde verzoek wordt ingediend binnen de in het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarvoor bepaalde
termijn. Tegen een beschikking krachtens lid 2 is geen
hogere voorziening toegelaten.
4. Een
executie als in de vorige leden bedoeld geschiedt met
inachtneming van de daarvoor in het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering voorgeschreven formaliteiten.
5. De
hypotheekhouder kan niet op andere wijze zijn verhaal op het
verbonden goed uitoefenen. Een daartoe strekkend beding is
nietig.
Artikel 269
Tot op het tijdstip van de toewijzing ter
veiling of van de goedkeuring door de voorzieningenrechter van
de onderhandse verkoop kan de verkoop worden voorkomen door
voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg
strekt, alsmede van de reeds gemaakte kosten van executie.
Artikel 270
1. De
koper is gehouden de koopprijs te voldoen in handen van de
notaris, te wiens overstaan de openbare verkoop heeft
plaatsgevonden of door wie de akte van overdracht ingevolge
de onderhandse verkoop is verleden. De kosten van de
executie worden uit de koopprijs voldaan.
2.
Wanneer geen hypotheken van een ander dan de verkoper zijn
ingeschreven en geen schuldeiser op het goed of op de
koopprijs beslag heeft gelegd of zijn vordering ontleent aan
artikel 264 lid 7, en evenmin door de executie een beperkt
recht op het goed vervalt of een recht van een huurder of
pachter verloren gaat, draagt de notaris aan de verkoper uit
de netto-opbrengst van het goed af hetgeen aan deze blijkens
een door hem aan de notaris te verstrekken verklaring
krachtens zijn door hypotheek verzekerde vordering of
vorderingen toekomt; het overschot keert de notaris uit aan
hem wiens goed is verkocht.
3. Zijn
er meer hypotheekhouders of zijn er schuldeisers of beperkt
gerechtigden als in het vorige lid bedoeld, dan stort de
notaris de netto-opbrengst onverwijld bij een door hem
aangewezen bewaarder die aan de eisen van artikel 445 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voldoet. Wanneer
het goed door de eerste hypotheekhouder is verkocht en deze
vóór of op de betaaldag aan de notaris een verklaring heeft
overgelegd van hetgeen hem van de opbrengst toekomt
krachtens de door de eerste hypotheek verzekerde vordering
of andere vorderingen die eveneens door hypotheek zijn
verzekerd en in rang onmiddellijk bij de eerste aansluiten,
met vermelding van schuldeisers wier vordering boven de
zijne rang neemt, blijft de storting nochtans achterwege
voor hetgeen aan de verkoper blijkens deze verklaring
toekomt, en keert de notaris dit aan deze uit. Deze
verklaring moet zijn voorzien van een aantekening van de
voorzieningenrechter van de rechtbank binnen welker
rechtsgebied het verbonden goed zich geheel of grotendeels
bevindt, inhoudende dat hij de verklaring heeft goedgekeurd,
nadat hem summierlijk van de juistheid ervan is gebleken.
Tegen de goedkeuring is geen hogere voorziening toegelaten.
4.
Ingeval de notaris ernstige redenen heeft om te vermoeden
dat de hem ingevolge de leden 2 of 3 verstrekte verklaring
onjuist is, kan hij de uitkering aan de hypotheekhouder
opschorten tot de in lid 3 aangewezen voorzieningenrechter
op vordering van de meest gerede partij of op verlangen van
de notaris omtrent de uitkering heeft beslist.
5.
Wanneer de hypotheekhouders, de schuldeisers die op het goed
of op de koopprijs beslag hebben gelegd of hun vorderingen
ontlenen aan artikel 264 lid 7, de beperkt gerechtigden wier
recht door de executie vervalt, alsmede degene wiens goed is
verkocht het vóór de betaaldag omtrent de verdeling van de
te storten som eens zijn geworden, blijft de storting
achterwege en keert de notaris aan ieder het hem toekomende
uit.
6. Voor
zover de verplichtingen welke ingevolge dit artikel op de
notaris rusten, niet worden nagekomen, is de Staat jegens
belanghebbenden voor de daaruit voor hen voortvloeiende
schade met de notaris hoofdelijk aansprakelijk.
7. Van
het in dit artikel bepaalde kan in de verkoopvoorwaarden
niet worden afgeweken.
Artikel 271
1. Na de
betaling van de koopprijs zijn alle in het vijfde lid van
het vorige artikel genoemde belanghebbenden bevoegd een
gerechtelijke rangregeling te verzoeken om tot verdeling van
de opbrengst te komen overeenkomstig de formaliteiten die in
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn
voorgeschreven.
2.
Indien deze belanghebbenden met betrekking tot de verdeling
alsnog tot overeenstemming komen en daarvan door een
authentieke akte doen blijken aan de bewaarder bij wie de
opbrengst is gestort, dan keert deze aan ieder het hem
volgens deze akte toekomende uit.
Artikel 272
1. Een
verkoper die van de notaris betaling heeft ontvangen, is
verplicht desverlangd aan hem wiens goed is verkocht, en aan
de schuldenaar binnen één maand na de betaling rekening en
verantwoording te doen.
2. Een
hypotheekhouder, een schuldeiser of een beperkt gerechtigde,
die in de rangregeling is begrepen, kan binnen één maand na
de sluiting daarvan gelijke rekening en verantwoording
vragen, indien hij daarbij een rechtstreeks belang heeft.
Artikel 273
1. Door
de levering ingevolge een executoriale verkoop en de
voldoening van de koopprijs gaan alle op het verkochte goed
rustende hypotheken teniet en vervallen de ingeschreven
beslagen, alsook de beperkte rechten die niet tegen de
verkoper ingeroepen kunnen worden.
2.
Wanneer de koper aan de president van de rechtbank binnen
welker rechtsgebied het verbonden goed zich geheel of
grotendeels bevindt, de bewijsstukken overlegt, dat de
verkoop met inachtneming van de wettelijke voorschriften
heeft plaatsgehad en dat de koopprijs in handen van de
notaris is gestort, wordt hem van het tenietgaan en
vervallen van de in het vorige lid bedoelde hypotheken,
beperkte rechten en beslagen een verklaring verstrekt. Tegen
de beschikking die een zodanige verklaring inhoudt, is geen
hogere voorziening toegelaten.
3. De
verklaring kan bij of na de levering in de registers worden
ingeschreven. Zij machtigt dan de bewaarder der registers
tot doorhaling van de inschrijvingen betreffende hypotheken
en beslagen.
Artikel 274
1.
Wanneer een hypotheek is tenietgegaan, is de schuldeiser
verplicht aan de rechthebbende op het bezwaarde goed op
diens verzoek en op diens kosten bij authentieke akte een
verklaring af te geven, dat de hypotheek is vervallen. Is de
vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekte met
een beperkt recht bezwaard, dan rust een overeenkomstige
verplichting op de beperkt gerechtigde.
2. Deze
verklaringen kunnen in de registers worden ingeschreven. Zij
machtigen dan tezamen de bewaarder tot doorhaling.
3.
Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan is
artikel 29 van overeenkomstige toepassing.
4. Is de
hypotheek door vermenging tenietgegaan, dan wordt de
bewaarder tot doorhaling gemachtigd door een daartoe
strekkende verklaring, afgelegd bij authentieke akte door
hem aan wie het goed toebehoort, tenzij op de vordering een
beperkt recht rust.
Artikel 275
Een volmacht tot het afleggen van een
verklaring als bedoeld in het vorige artikel moet schriftelijk
zijn verleend.
Titel 10. Verhaalsrecht op goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 276
Tenzij de wet of een overeenkomst anders
bepaalt, kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van
zijn schuldenaar verhalen.
Artikel 277
1.
Schuldeisers hebben onderling een gelijk recht om, na
voldoening van de kosten van executie, uit de
netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te
worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering,
behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.
2. Bij
overeenkomst van een schuldeiser met de schuldenaar kan
worden bepaald dat zijn vordering jegens alle of bepaalde
andere schuldeisers een lagere rang neemt dan de wet hem
toekent.
Artikel 278
1.
Voorrang vloeit voort uit pand, hypotheek en voorrecht en
uit de andere in de wet aangegeven gronden.
2.
Voorrechten ontstaan alleen uit de wet. Zij rusten of op
bepaalde goederen of op alle tot een vermogen behorende
goederen.
Artikel 279
Pand en hypotheek gaan boven voorrecht,
tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 280
Voorrechten op bepaalde goederen hebben
voorrang boven die welke op alle tot een vermogen behorende
goederen rusten, tenzij de wet anders bepaalt.
Artikel 281
1.
Onderscheiden voorrechten die op hetzelfde bepaalde goed
rusten, hebben gelijke rang, tenzij de wet anders bepaalt.
2. De
voorrechten op alle goederen worden uitgeoefend in de
volgorde waarin de wet hen plaatst.
Artikel 282
Indien door een executie een ander beperkt
recht dan pand of hypotheek vervalt, omdat het niet kan worden
ingeroepen tegen een pand- of hypotheekhouder of een
beslaglegger op het goed, wordt aan de beperkt gerechtigde uit
de netto-opbrengst van het goed, met voorrang onmiddellijk na de
vorderingen van degenen tegen wie hij zijn recht niet kan
inroepen, terzake van zijn schade een vergoeding uitgekeerd. De
vergoeding wordt gesteld op het bedrag van de waarde die het
vervallen recht, zo het bij de executie in stand zou zijn
gebleven, ten tijde van de executie zou hebben gehad.
Afdeling 2. Bevoorrechte vorderingen op
bepaalde goederen
Artikel 283
Een voorrecht op een bepaald goed strekt
zich mede uit over vorderingen tot vergoedingen die in de plaats
van dat goed zijn getreden, waaronder begrepen vorderingen ter
zake van waardevermindering van het goed.
Artikel 284
1. Een
vordering tot voldoening van kosten, tot behoud van een goed
gemaakt, is bevoorrecht op het goed dat aldus is behouden.
2. De
schuldeiser kan de vordering op het goed verhalen, zonder
dat hem rechten van derden op dit goed kunnen worden
tegengeworpen, tenzij deze rechten na het maken van de
kosten tot behoud zijn verkregen. Een na het maken van die
kosten overeenkomstig artikel 237 gevestigd pandrecht kan
slechts aan de schuldeiser worden tegengeworpen, indien de
zaak of het toonderpapier in de macht van de pandhouder of
een derde is gebracht. Een na het maken van die kosten
overeenkomstig artikel 90 verkregen recht kan slechts aan de
schuldeiser worden tegengeworpen, indien tevens aan de eisen
van lid 2 van dat artikel is voldaan.
3. Het
voorrecht heeft voorrang boven alle andere voorrechten,
tenzij de vorderingen waaraan deze andere voorrechten zijn
verbonden, na het maken van de kosten tot behoud zijn
ontstaan.
Artikel 285
1. Hij
die uit hoofde van een overeenkomst tot aanneming van werk
een vordering wegens bearbeiding van een zaak heeft, is
deswege op die zaak bevoorrecht, mits hij persoonlijk aan de
uitvoering van in de uitoefening van zijn bedrijf aangenomen
werk pleegt deel te nemen dan wel een vennootschap of een
rechtspersoon is, waarvan een of meer beherende vennoten of
bestuurders dit plegen te doen. Het voorrecht vervalt na
verloop van twee jaren sedert het ontstaan van de vordering.
2. Het
voorrecht heeft voorrang boven een overeenkomstig artikel
237 op de zaak gevestigd pandrecht, tenzij dit recht eerst
na het ontstaan van de bevoorrechte vordering is gevestigd
en de zaak in de macht van de pandhouder of een derde is
gebracht.
Artikel 286
1. De
door een appartementseigenaar of een vruchtgebruiker van een
appartementsrecht aan de gezamenlijke appartementseigenaars
of de vereniging van eigenaars verschuldigde, in het lopende
of het voorafgaande kalenderjaar opeisbaar geworden
bijdragen zijn bevoorrecht op het appartementsrecht.
2. In
geval van bearbeiding van een gebouw dat in appartementen is
verdeeld, rust het voorrecht van artikel 285 op ieder
appartement voor het bedrag, waarvoor de eigenaar van dat
appartement aansprakelijk is.
3. Bij
samenloop van het voorrecht van het eerste lid en dat van
artikel 285 heeft het laatstgenoemde voorrang.
Artikel 287
1. De
vordering tot vergoeding van schade is bevoorrecht op de
vordering die de schuldenaar uit hoofde van verzekering van
zijn aansprakelijkheid op de verzekeraar mocht hebben, voor
zover deze vordering de verplichting tot vergoeding van deze
schade betreft.
2. De
schuldeiser kan zijn vordering verhalen op de vordering
waarop het voorrecht rust, zonder dat hem andere rechten van
derden op deze laatste vordering dan het ingevolge artikel
936 lid 2 van Boek 7 aan de tussenpersoon toekomende recht
op afdracht, kunnen worden tegengeworpen.
Afdeling 3. Bevoorrechte vorderingen op
alle goederen
Artikel 288
De bevoorrechte vorderingen op alle
goederen zijn de vorderingen ter zake van:
a. de kosten van de aanvraag tot
faillietverklaring, doch alleen ter zake van het
faillissement dat op de aanvraag is uitgesproken,
alsmede van de kosten, door een schuldeiser gemaakt, ter
verkrijging van vereffening buiten faillissement;
b. de kosten van lijkbezorging,
voor zover zij in overeenstemming zijn met de
omstandigheden van de overledene;
c. hetgeen een werknemer, een
gewezen werknemer en hun nabestaanden ter zake van reeds
vervallen termijnen van pensioen van de werkgever te
vorderen hebben, voor zover de vordering niet ouder is
dan een jaar;
d. hetgeen waarop een werknemer,
niet zijnde een bestuurder van de rechtspersoon bij wie
hij in dienst is, een gewezen werknemer en hun
nabestaanden ter zake van in de toekomst tot uitkering
komende termijnen van pensioen jegens de werkgever recht
hebben;
e. al hetgeen een werknemer over
het lopende en het voorafgaande kalenderjaar in geld op
grond van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te
vorderen heeft, alsmede de bedragen door de werkgever
aan de werknemer in verband met de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst verschuldigd uit hoofde van de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de
arbeidsovereenkomst.
Artikel 289
1.
Eveneens bevoorrecht op alle goederen zijn de vorderingen
die zijn ontstaan uit de oplegging van de in de artikelen 49
en 50 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap voor Kolen en Staal van 18 april 1951, (Trb.
1951, 82) bedoelde heffingen en verhogingen wegens
vertraging in de betaling van deze vorderingen.
2. Dit
voorrecht heeft dezelfde rang als het voorrecht terzake van
de vordering wegens omzetbelasting.
Afdeling 4. Retentierecht
Artikel 290
Retentierecht is de bevoegdheid die in de
bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om
de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan
zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt
voldaan.
Artikel 291
1. De
schuldeiser kan het retentierecht mede inroepen tegen derden
die een recht op de zaak hebben verkregen, nadat zijn
vordering was ontstaan en de zaak in zijn macht was gekomen.
2. Hij
kan het retentierecht ook inroepen tegen derden met een
ouder recht, indien zijn vordering voortspruit uit een
overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking
tot de zaak aan te gaan, of hij geen reden had om aan de
bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen.
3. De
schuldeiser kan het retentierecht niet inroepen tegen de
minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die op grond
van artikel 7 van de Wet tot teruggave cultuurgoederen
afkomstig uit bezet gebied een rechtsvordering instelt.
Artikel 292
De schuldeiser kan zijn vordering op de
zaak verhalen met voorrang boven allen tegen wie het
retentierecht kan worden ingeroepen.
Artikel 293
Het retentierecht kan mede worden
uitgeoefend voor de kosten die de schuldeiser heeft moeten maken
ter zake van de zorg die hij krachtens de wet ten aanzien van de
zaak in acht moet nemen.
Artikel 294
Het retentierecht eindigt doordat de zaak
in de macht komt van de schuldenaar of de rechthebbende, tenzij
de schuldeiser haar weer uit hoofde van dezelfde
rechtsverhouding onder zich krijgt.
Artikel 295
Raakt de zaak uit de macht van de
schuldeiser, dan kan hij haar opeisen onder dezelfde voorwaarden
als een eigenaar.
Titel 11. Rechtsvorderingen
Artikel 296
1.
Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een
rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander
verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe
door de rechter, op vordering van de gerechtigde,
veroordeeld.
2. Hij
die onder een voorwaarde of een tijdsbepaling tot iets is
gehouden, kan onder die voorwaarde of tijdsbepaling worden
veroordeeld.
Artikel 297
Indien een prestatie door
tenuitvoerlegging van een executoriale titel wordt afgedwongen,
heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als die van een vrijwillige
nakoming van de uit die titel blijkende verplichting tot die
prestatie.
Artikel 298
Vervolgen twee of meer schuldeisers ten
aanzien van één goed met elkaar botsende rechten op levering,
dan gaat in hun onderlinge verhouding het oudste recht op
levering voor, tenzij uit de wet, uit de aard van hun rechten,
of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid anders
voortvloeit.
Artikel 299
1.
Wanneer iemand niet verricht waartoe hij is gehouden, kan de
rechter hem jegens wie de verplichting bestaat, op diens
vordering machtigen om zelf datgene te bewerken waartoe
nakoming zou hebben geleid.
2. Op
gelijke wijze kan hij jegens wie een ander tot een nalaten
is gehouden, worden gemachtigd om hetgeen in strijd met die
verplichting is verricht, teniet te doen.
3. De
kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering der
machtiging, komen ten laste van hem die zijn verplichting
niet is nagekomen. De uitspraak waarbij de machtiging wordt
verleend, kan tevens de voldoening van deze kosten op
vertoon van de daartoe nodige, in de uitspraak te vermelden
bescheiden gelasten.
Artikel 300
1. Is
iemand jegens een ander gehouden een rechtshandeling te
verrichten, dan kan, tenzij de aard van de rechtshandeling
zich hiertegen verzet, de rechter op vordering van de
gerechtigde bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft
als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot
de rechtshandeling gehouden is, of dat een door hem aan te
wijzen vertegenwoordiger de handeling zal verrichten. Wijst
de rechter een vertegenwoordiger aan, dan kan hij bepalen
dat de door deze te verrichten handeling zijn goedkeuring
behoeft.
2. Is de
gedaagde gehouden om tezamen met de eiser een akte op te
maken, dan kan de rechter bepalen dat zijn uitspraak in de
plaats van de akte of een deel daarvan zal treden.
Artikel 301
1. Een
uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat zij in de
plaats treedt van een tot levering van een registergoed
bestemde akte of van een deel van een zodanige akte, kan
slechts in de openbare registers worden ingeschreven, indien
zij is betekend aan degene die tot de levering werd
veroordeeld, en
a. in kracht van gewijsde is
gegaan, of
b. uitvoerbaar bij voorraad is en
een termijn van veertien dagen of zoveel korter of
langer als in de uitspraak is bepaald, sedert de
betekening van de uitspraak is verstreken.
2.
Verzet, hoger beroep en cassatie moeten op straffe van
niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van
het rechtsmiddel worden ingeschreven in de registers,
bedoeld in artikel 433 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering. In afwijking van artikel 143 van dat
wetboek begint de verzettermijn te lopen vanaf de betekening
van het vonnis aan de veroordeelde, ook als de betekening
niet aan hem in persoon geschiedt.
3.
Indien de werking van een uitspraak als bedoeld in lid 1
door de rechter aan een voorwaarde is gebonden, weigert de
bewaarder de inschrijving van die uitspraak, indien niet
tevens een notariële verklaring of een authentiek afschrift
daarvan wordt overgelegd, waaruit van de vervulling van de
voorwaarde blijkt.
Artikel 302
Op vordering van een bij een
rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon spreekt de
rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht
uit.
Artikel 303
Zonder voldoende belang komt niemand een
rechtsvordering toe.
Artikel 304
Een rechtsvordering kan niet van het recht
tot welks bescherming zij dient, worden gescheiden.
Artikel 305
De in de voorgaande artikelen van deze
titel aan de rechter toegekende bevoegdheden komen mede aan
scheidsmannen toe, tenzij partijen anders zijn overeengekomen.
Artikel 305a
1. Een
stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid kan
een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van
gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij
deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.
2. Een
rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is niet ontvankelijk,
indien hij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft
getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de
gedaagde te bereiken. Een termijn van twee weken na de
ontvangst door de gedaagde van een verzoek tot overleg onder
vermelding van het gevorderde, is daartoe in elk geval
voldoende.
3. Een
rechtsvordering als bedoeld in lid 1 kan strekken tot
veroordeling van de gedaagde tot het openbaar maken of laten
openbaar maken van de uitspraak, zulks op een door de
rechter te bepalen wijze en op kosten van de door de rechter
aan te geven partij of partijen. Zij kan niet strekken tot
schadevergoeding te voldoen in geld.
4. Een
gedraging kan niet ten grondslag worden gelegd aan een
rechtsvordering als bedoeld in lid 1, voor zover degene die
door deze gedraging wordt getroffen, daartegen bezwaar
maakt.
5. Een
rechterlijke uitspraak heeft geen gevolg ten aanzien van een
persoon tot bescherming van wiens belang de rechtsvordering
strekt en die zich verzet tegen werking van de uitspraak ten
opzichte van hem, tenzij de aard van de uitspraak meebrengt
dat de werking niet slechts ten opzichte van deze persoon
kan worden uitgesloten.
Artikel 305b
1. Een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 kan een
rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van
gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover hem
de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.
2. De
leden 2 tot en met 5 van artikel 305a van dit Boek
zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 305c
1. Een
organisatie of openbaar lichaam met zetel buiten Nederland
welke geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 4 lid 3
van richtlijn nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998 betreffende het
doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van
consumentenbelangen (PbEG L 166), kan een rechtsvordering
instellen die strekt tot bescherming van de gelijksoortige
belangen van andere personen die hun gewone verblijfplaats
hebben in het land waar de organisatie of het openbaar
lichaam gezeteld is, voorzover de organisatie deze belangen
ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het openbaar
lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd.
2. De
leden 2 tot en met 5 van artikel 305a zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Een
stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid met
zetel in Nederland die ingevolge haar statuten de belangen
behartigt van eindgebruikers van niet voor een beroep of
bedrijf bestemde goederen of diensten, kan, teneinde
geplaatst te worden op de lijst, bedoeld in lid 1, Onze
Minister van Justitie verzoeken de Commissie van de Europese
Gemeenschappen mede te delen dat zij ter bescherming van
deze belangen een rechtsvordering kan instellen. Onze
Minister deelt in dat geval de Commissie tevens de naam en
de doelstelling van de stichting of vereniging mee.
Artikel 305d
1. Het
Gerechtshof te ’s-Gravenhage kan op verzoek van:
a. de Consumentenautoriteit;
b. de Stichting Autoriteit
Financiële Markten, of
c. een stichting of vereniging met
volledige rechtsbevoegdheid die krachtens haar statuten
tot taak heeft het behartigen van de collectieve
belangen van consumenten,
bevelen dat degene die een inbreuk of
intracommunautaire inbreuk als bedoeld in artikel 1.1 van de
Wet handhaving consumentenbescherming maakt op de wettelijke
bepalingen, bedoeld in onderdeel a van de bijlage bij de Wet
handhaving consumentenbescherming, die inbreuk staakt.
2. Het
gerechtshof kan eveneens op verzoek degene die de inbreuk of
intracommunautaire inbreuk maakt veroordelen tot het
openbaar maken of openbaar laten maken van de beschikking,
zulks op een door het gerechtshof te bepalen wijze en op
kosten van de door het gerechtshof aan te geven partij of
partijen.
3.
Artikel 305a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing,
indien een stichting of een vereniging met volledige
rechtsbevoegdheid die krachtens haar statuten tot taak heeft
het behartigen van de collectieve belangen van consumenten,
een verzoek indient als bedoeld in het eerste lid.
4. Het
gerechtshof behandelt het verzoek onverwijld.
5.
Geschillen terzake van de tenuitvoerlegging van de in de
leden 1 en 2 bedoelde veroordelingen, alsmede van de
veroordeling tot betaling van een dwangsom, zo deze is
opgelegd, worden bij uitsluiting door het Gerechtshof te
’s-Gravenhage beslist.
Artikel 306
Indien de wet niet anders bepaalt,
verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.
Artikel 307
1. Een
rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit
overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop
van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die
waarop de vordering opeisbaar is geworden.
2. In
geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd
loopt de in lid 1 bedoelde termijn pas van de aanvang van de
dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft
medegedeeld tot opeising over te gaan, en verjaart de in lid
1 bedoelde rechtsvordering in elk geval door verloop van
twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die
waartegen de opeising, zonodig na opzegging door de
schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was.
Artikel 308
Rechtsvorderingen tot betaling van renten
van geldsommen, lijfrenten, dividenden, huren, pachten en voorts
alles wat bij het jaar of een kortere termijn moet worden
betaald, verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van
de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is
geworden.
Artikel 309
Een rechtsvordering uit onverschuldigde
betaling verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van
de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het
bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger
is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de
vordering is ontstaan.
Artikel 310
1. Een
rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling
van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren
na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de
boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is
geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren
na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de
boete opeisbaar is geworden.
2. Is de
schade een gevolg van verontreiniging van lucht, water of
bodem, van de verwezenlijking van een gevaar als bedoeld in
artikel 175 van Boek 6 dan wel van beweging van de bodem als
bedoeld in artikel 177, eerste lid, onder b, van Boek 6, dan
verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade, in
afwijking van het aan het slot van lid 1 bepaalde, in ieder
geval door verloop van dertig jaren na de gebeurtenis
waardoor de schade is veroorzaakt.
3. Voor
de toepassing van lid 2 wordt onder gebeurtenis verstaan een
plotseling optredend feit, een voortdurend feit of een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak. Bestaat de
gebeurtenis uit een voortdurend feit, dan begint de termijn
van dertig jaren bedoeld in lid 2 te lopen nadat dit feit is
opgehouden te bestaan. Bestaat de gebeurtenis uit een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan begint
deze termijn te lopen na dit laatste feit.
4.
Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een
misdrijf oplevert als bedoeld in de artikelen 240b, 242 tot
en met 250 en 273f van het Wetboek van Strafrecht en is
gepleegd ten aanzien van een minderjarige, verjaart de
rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de schuldige
aan het misdrijf niet zolang het recht tot strafvordering
niet door verjaring is vervallen.
5. In
afwijking van de leden 1 en 2 verjaart een rechtsvordering
tot vergoeding van schade door letsel of overlijden slechts
door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag
volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als
met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
Indien de benadeelde minderjarig was op de dag waarop de
schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn
geworden, verjaart de rechtsvordering slechts door verloop
van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die
waarop de benadeelde meerderjarig is geworden.
Artikel 310a
1. Een
rechtsvordering tot opeising van een roerende zaak die
krachtens de nationale wetgeving van een lid-staat van de
Europese Unie of van een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte een
cultuurgoed is in de zin van artikel 1, onder 1, van de
richtlijn, bedoeld in artikel 86a, en waarvan die staat
teruggave vordert op de grond dat zij op onrechtmatige wijze
buiten zijn grondgebied is gebracht, verjaart door verloop
van één jaar na de aanvang van de dag, volgende op die
waarop de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit
van de bezitter of de houder aan die staat zijn bekend
geworden, en in elk geval door verloop van dertig jaren na
de aanvang van de dag volgende op die waarop de zaak buiten
het grondgebied van die staat is gebracht.
2. De
laatste termijn bedraagt vijfenzeventig jaren in het geval
van zaken die deel uitmaken van openbare collecties in de
zin van artikel 1, onder 1, van de richtlijn, bedoeld in
artikel 86a, en van kerkelijke goederen als bedoeld in de
richtlijn in de lid-staten van de Europese Unie of in de
andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, waar deze zijn
onderworpen aan speciale beschermende maatregelen krachtens
nationaal recht.
Artikel 310b
1. Een
rechtsvordering tot opeising van een roerende zaak die
krachtens de Wet tot behoud van cultuurbezit als beschermd
voorwerp is aangewezen of deel uitmaakt van een openbare
collectie of van een inventarislijst als bedoeld in artikel
14a, tweede lid, van die wet en die na die aanwijzing
of gedurende dit deel uitmaken uit het bezit van de eigenaar
is geraakt, verjaart door verloop van vijf jaren na de
aanvang van de dag waarop de plaats waar de zaak zich
bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder zijn
bekend geworden, en in elk geval door verloop van dertig
jaren na de aanvang van de dag waarop een niet-rechthebbende
bezitter van de zaak is geworden.
2. De
verjaring krachtens lid 1 treedt in elk geval niet in
voordat de rechtsvordering tot teruggave van de zaak is
verjaard, die de Staat voor de rechter van een andere
lid-staat van de Europese Unie of van een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte kan instellen op grond dat de zaak op
onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van Nederland is
gebracht.
Artikel 311
1. Een
rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst op grond
van een tekortkoming in de nakoming daarvan of tot herstel
van een tekortkoming verjaart door verloop van vijf jaren na
de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser
met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval
twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan.
2. Een
rechtsvordering tot ongedaanmaking als bedoeld in artikel
271 van Boek 6 verjaart door verloop van vijf jaren na de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de overeenkomst
is ontbonden.
Artikel 312
Rechtsvorderingen terzake van een
tekortkoming in de nakoming, alsmede die tot betaling van
wettelijke of bedongen rente en die tot afgifte van vruchten,
verjaren, behoudens stuiting of verlenging, niet later dan de
rechtsvordering tot nakoming van de hoofdverplichting of, zo de
tekortkoming vatbaar is voor herstel, de rechtsvordering tot
herstel van de tekortkoming.
Artikel 313
Indien de wet niet anders bepaalt, begint
de termijn van verjaring van een rechtsvordering tot nakoming
van een verplichting om te geven of te doen met de aanvang van
de dag, volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan
worden gevorderd.
Artikel 314
1. De
termijn van verjaring van een rechtsvordering tot opheffing
van een onrechtmatige toestand begint met de aanvang van de
dag, volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van
die toestand gevorderd kan worden.
2. De
termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot
beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint
met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een
niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke
opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens
bezit de voortzetting vormt.
Artikel 315
De termijn van verjaring van een
rechtsvordering tot opeising van een nalatenschap begint met de
aanvang van de dag, volgende op die van het overlijden van de
erflater.
Artikel 316
1. De
verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het
instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van
rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de
vereiste vorm geschiedt.
2. Leidt
een ingestelde eis niet tot toewijzing, dan is de verjaring
slechts gestuit, indien binnen zes maanden, nadat het geding
door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op
andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en
deze alsnog tot toewijzing leidt. Wordt een daad van
rechtsvervolging ingetrokken, dan stuit zij de verjaring
niet.
3. De
verjaring van een rechtsvordering wordt ook gestuit door een
handeling, strekkende tot verkrijging van een bindend advies,
mits van die handeling met bekwame spoed mededeling wordt
gedaan aan de wederpartij en zij tot verkrijging van een
bindend advies leidt. Is dit laatste niet het geval, dan is
het vorige lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 317
1. De
verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een
verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning
of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser
zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.
2. De
verjaring van andere rechtsvorderingen wordt gestuit door
een schriftelijke aanmaning, indien deze binnen zes maanden
wordt gevolgd door een stuitingshandeling als in het vorige
artikel omschreven.
Artikel 318
Erkenning van het recht tot welks
bescherming een rechtsvordering dient, stuit de verjaring van de
rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.
Artikel 319
1. Door
stuiting van de verjaring van een rechtsvordering, anders
dan door het instellen van een eis die door toewijzing wordt
gevolgd, begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de
aanvang van de volgende dag. Is een bindend advies gevraagd
en verkregen, dan begint de nieuwe verjaringstermijn te
lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het
bindend advies is uitgebracht.
2. De
nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke,
doch niet langer dan vijf jaren. Niettemin treedt de
verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop
ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn
verstreken.
Artikel 320
Wanneer een verjaringstermijn zou aflopen
tijdens het bestaan van een verlengingsgrond of binnen zes
maanden na het verdwijnen van een zodanige grond, loopt de
termijn voort totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond
zijn verstreken.
Artikel 321
1. Een
grond voor verlenging van de verjaring bestaat:
a. tussen niet van tafel en bed
gescheiden echtgenoten;
b. tussen een wettelijke
vertegenwoordiger en de onbekwame die hij
vertegenwoordigt;
c. tussen een bewindvoerder en de
rechtshebbende voor wie hij het bewind voert, ter zake
van vorderingen die dit bewind betreffen;
d. tussen rechtspersonen en haar
bestuurders;
e. tussen een beneficiair
aanvaarde nalatenschap en een erfgenaam;
f. tussen de schuldeiser en zijn
schuldenaar die opzettelijk het bestaan van de schuld of
de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt;
g. tussen geregistreerde partners.
2. De
onder b en c genoemde gronden voor verlenging
duren voort totdat de eindrekening van de wettelijke
vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten.
Artikel 322
1. De
rechter mag niet ambtshalve het middel van verjaring
toepassen.
2.
Afstand van verjaring geschiedt door een verklaring van hem
die de verjaring kan inroepen.
3.
Voordat de verjaring voltooid is, kan geen afstand van
verjaring worden gedaan.
Artikel 323
1. Door
voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot
nakoming van een verbintenis gaan de pand- of
hypotheekrechten die tot zekerheid daarvan strekken, teniet.
2.
Nochtans verhindert de verjaring niet dat het pandrecht op
het verbonden goed wordt uitgeoefend, indien dit bestaat in
een roerende zaak of een recht aan toonder of order en deze
zaak of het toonder- of orderpapier in de macht van de
pandhouder of een derde is gebracht.
3. De
rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot
zekerheid waarvan een hypotheek strekt, verjaart niet
voordat twintig jaren zijn verstreken na de aanvang van de
dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is
verbonden.
Artikel 324
1. De
bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of
arbitrale uitspraak verjaart door verloop van twintig jaren
na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak,
of, indien voor tenuitvoerlegging daarvan vereisten zijn
gesteld waarvan de vervulling niet afhankelijk is van de wil
van degene die de uitspraak heeft verkregen, na de aanvang
van de dag, volgende op die waarop deze vereisten zijn
vervuld.
2. Wordt
vóórdat de verjaring is voltooid, door een der partijen ter
aantasting van de ten uitvoer te leggen veroordeling een
rechtsmiddel of een eis ingesteld, dan begint de termijn
eerst met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het
geding daarover is geëindigd.
3. De
verjaringstermijn bedraagt vijf jaren voor wat betreft
hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere
termijn moet worden betaald.
4. Voor
wat betreft renten, boeten, dwangsommen en andere bijkomende
veroordelingen, treedt de verjaring, behoudens stuiting of
verlenging, niet later in dan de verjaring van de
bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de hoofdveroordeling.
Artikel 325
[1.] Op
de verjaring van het vorige artikel zijn de artikelen
319-323 van overeenkomstige toepassing.
2. De
verjaring van het vorige artikel wordt gestuit door:
a. betekening van de uitspraak of
schriftelijke aanmaning;
b. erkenning van de in de
uitspraak vastgestelde verplichting;
c. iedere daad van
tenuitvoerlegging, mits daarvan binnen de door de wet
voorgeschreven tijd of, bij gebreke van zodanig
voorschrift, met bekwame spoed mededeling aan de
wederpartij wordt gedaan.
Artikel 326
Buiten het vermogensrecht vinden de
bepalingen van deze titel overeenkomstige toepassing, voor zover
de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet
verzet. |