|
Boek 1. Personen- en
familierecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
Allen die zich in Nederland bevinden,
zijn vrij en bevoegd tot het genot van de burgerlijke
rechten.
2.
Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke
benaming ook, worden niet geduld.
Artikel 2
Het kind waarvan een vrouw zwanger is
wordt als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit
vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te
hebben bestaan.
Artikel 3
1. De
graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der
geboorten, die de bloedverwantschap hebben veroorzaakt.
Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling
van het vaderschap of een adoptie als een geboorte.
2. Door
huwelijk of door geregistreerd partnerschap ontstaat tussen
de ene echtgenoot dan wel de ene geregistreerde partner en
een bloedverwant van de andere echtgenoot dan wel de andere
geregistreerde partner aanverwantschap in dezelfde graad als
er bloedverwantschap bestaat tussen de andere echtgenoot dan
wel de andere geregistreerde partner en diens bloedverwant.
3. Door
ontbinding van het huwelijk wordt de aanverwantschap niet
opgeheven.
Titel 2. Het recht op de naam
Artikel 4
1. Een
ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn
gegeven.
2. De
ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de
geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of
overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen tenzij deze
tevens gebruikelijke voornamen zijn.
3. Geeft
de aangever geen voornamen op, of worden deze alle geweigerd
zonder dat de aangever ze door een of meer andere vervangt,
dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer
voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die
voornamen ambtshalve zijn gegeven.
4.
Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken
persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast
door de rechtbank. De wijziging geschiedt doordat van de
beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte
wordt toegevoegd, overeenkomstig artikel 20a, eerste lid. In
geval van wijziging van de voornamen van een buiten
Nederland geboren persoon geeft de rechtbank die de
beschikking geeft, voor zoveel nodig ambtshalve hetzij een
last tot inschrijving van de akte van geboorte dan wel van
de akte of de uitspraak, bedoeld in artikel 25g, eerste lid,
hetzij de in artikel 25c bedoelde beschikking.
Artikel 5
1.
Indien een kind alleen in familierechtelijke betrekking tot
de moeder staat, heeft het haar geslachtsnaam. Indien een
kind door adoptie alleen in familierechtelijke betrekking
tot de vader staat, heeft het zijn geslachtsnaam.
2.
Indien een kind door erkenning in familierechtelijke
betrekking tot de vader komt te staan, houdt het de
geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder en de erkenner
ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat
het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Van deze
verklaring wordt melding gemaakt in de akte van erkenning.
De eerste twee volzinnen zijn van overeenkomstige toepassing
bij erkenning van een ongeboren kind. Indien een kind door
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in
familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan,
houdt het de geslachtsnaam van de moeder, tenzij de moeder
en de man, wiens vaderschap is vastgesteld, ter gelegenheid
van de vaststelling gezamenlijk verklaren dat het kind de
geslachtsnaam van de vader zal hebben. De rechterlijke
uitspraak inzake de vaststelling van het vaderschap vermeldt
de verklaring van de ouders hieromtrent.
3.
Indien een kind door adoptie in familierechtelijke
betrekking komt te staan tot beide adoptanten van
verschillend geslacht, die met elkaar zijn gehuwd, heeft het
kind de geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten ter
gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het
kind de geslachtsnaam van de moeder zal hebben. Indien de
adoptanten niet met elkaar gehuwd zijn of indien beide
adoptanten van hetzelfde geslacht zijn en met elkaar gehuwd
zijn, houdt het kind de geslachtsnaam die het heeft, tenzij
de adoptanten ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk
verklaren dat het een van hun beider geslachtsnamen zal
hebben. Indien een kind door adoptie in familierechtelijke
betrekking tot de echtgenoot, geregistreerde partner of
andere levensgezel van een ouder komt te staan, houdt het
zijn geslachtsnaam, tenzij de ouder en diens echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel gezamenlijk
verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van de
echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel,
dan wel de geslachtsnaam van die ouder. De rechterlijke
uitspraak inzake de adoptie vermeldt de verklaring van de
adoptanten hieromtrent.
4.
Indien een kind door geboorte in familierechtelijke
betrekking tot beide ouders komt te staan, verklaren de
ouders gezamenlijk voor of ter gelegenheid van de aangifte
van de geboorte welke van hun beider geslachtsnamen het kind
zal hebben. Van de verklaring van de ouders die voor de
aangifte van de geboorte wordt afgelegd, wordt een akte van
naamskeuze opgemaakt. Van de verklaring van de ouders die
ter gelegenheid van de aangifte van de geboorte wordt
afgelegd, wordt melding gemaakt in de akte van geboorte. De
verklaring die niet ter gelegenheid van de aangifte van de
geboorte wordt afgelegd, kan ten overstaan van iedere
ambtenaar van de burgerlijke stand worden afgelegd.
5.
Geschiedt de naamskeuze in de gevallen, bedoeld in het
vierde lid, niet uiterlijk ter gelegenheid van de aangifte
van de geboorte, dan neemt de ambtenaar van de burgerlijke
stand als geslachtsnaam van het kind de geslachtsnaam van de
vader in de geboorteakte op. Wordt een verklaring houdende
naamskeuze voor of ter gelegenheid van de aangifte van de
geboorte afgelegd, dan heeft het kind de gekozen naam vanaf
de geboorte.
6.
Indien de moeder na de geboorte van het kind op grond van
artikel 199, onderdeel b, het vaderschap van de overleden
echtgenoot ontkent en zij ten tijde van de geboorte en van
de ontkenning is hertrouwd, kunnen de moeder en haar
echtgenoot gezamenlijk ter gelegenheid van de ontkenning
verklaren welke van hun beider geslachtsnamen het kind zal
hebben. Van de verklaring van de ouders wordt een akte van
naamskeuze opgemaakt. Bij gebreke van een verklaring heeft
het kind de geslachtsnaam van de vader.
7.
Indien een kind op het tijdstip van het ontstaan van de
familierechtelijke betrekking met beide ouders zestien jaar
of ouder is, verklaart het zelf ten overstaan van de
ambtenaar van de burgerlijke stand of van de notaris of, in
geval van adoptie of gerechtelijke vaststelling van het
vaderschap, ten overstaan van de rechter of het de
geslachtsnaam van de ene of de andere ouder zal hebben. Van
deze verklaring wordt melding gemaakt in de akte van
erkenning of in de rechterlijke uitspraak inzake adoptie of
gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
8. Een
verklaring van de ouders als bedoeld in het tweede, derde,
vierde of zesde lid kan slechts ten aanzien van de
geslachtsnaam van het eerste kind, tot wie beide ouders in
familierechtelijke betrekking staan, worden afgelegd.
Onverminderd het zevende lid, hebben volgende kinderen van
dezelfde ouders dezelfde geslachtsnaam als het eerste kind.
Indien voor de geboorte of ter gelegenheid van de aangifte
door de ouders naamskeuze is gedaan ten aanzien van een kind
dat levenloos ter wereld komt of is gekomen, wordt deze
keuze opgenomen in de akte, bedoeld in artikel 19i,
eerste lid, en geldt zij alleen ten aanzien van dit kind.
9. Is
één van de ouders voorafgaand aan het tijdstip waarop de
naamskeuze uiterlijk moet zijn gedaan overleden en is de
naamskeuze niet gedaan, dan legt de andere ouder een
verklaring omtrent de naamskeuze af. Hetzelfde geldt indien
één van de ouders wegens geestelijke stoornis onder curatele
staat dan wel indien ten aanzien van hem of haar een
mentorschap bestaat.
10. Zijn
de vader en moeder onbekend, dan neemt de ambtenaar van de
burgerlijke stand in de geboorteakte een voorlopige voornaam
en geslachtsnaam op, in afwachting van het koninklijk
besluit waarbij de voornamen en de geslachtsnaam van het
kind worden vastgesteld.
11.
Indien op grond van het tweede tot en met negende lid een
kind, wiens vader van adel is, niet zijn geslachtsnaam
verkrijgt, gaat de adeldom niet over op dat kind.
12. De
geslachtsnaam van kinderen geboren uit een huwelijk met een
lid van het koninklijk huis wordt bij koninklijk besluit
bepaald.
Artikel 6
De geslachtsnaam wordt ten aanzien van een
ieder dwingend bewezen door de akte van geboorte.
Artikel 7
1. De
geslachtsnaam van een persoon kan op zijn verzoek, of op
verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de
Koning worden gewijzigd.
2. Hij
wiens geslachtsnaam of voornamen niet bekend zijn, kan de
Koning verzoeken voor hem een geslachtsnaam of voornamen
vast te stellen.
3. Een
wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de
Koning heeft geen invloed op de geslachtsnaam van de
kinderen van de betrokken persoon die voor de datum van het
besluit meerderjarig zijn geworden of die niet onder zijn
gezag staan.
4. Een
wijziging of vaststelling van de geslachtsnaam door de
Koning blijft in stand niettegenstaande een latere erkenning
of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap.
5. Bij
algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld
betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan
worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van
verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en
betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam
verschuldigde recht.
6.
Indien Onze Minister van Justitie voornemens is een
voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende
tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste of
tweede lid, deelt hij dit voornemen schriftelijk mee aan de
verzoeker en degene wiens geslachtsnaam is verzocht, alsmede,
indien het verzoek op de geslachtsnaam van een minderjarige
betrekking heeft, zijn ouders en degene aan wie de
minderjarige de geslachtsnaam, waarvan wijziging is verzocht,
rechtstreeks ontleent. De schriftelijke mededeling van het
voornemen geldt als een beschikking.
Artikel 8
Hij die de naam van een ander zonder diens
toestemming voert, handelt jegens die persoon onrechtmatig,
wanneer hij daardoor de schijn wekt die ander te zijn of tot
diens geslacht of gezin te behoren.
Artikel 9
1. Een
vrouw die gehuwd is of die gehuwd is geweest dan wel wier
partnerschap geregistreerd is of is geweest en die niet is
getrouwd na beëindiging van de registratie of is hertrouwd
dan wel niet een geregistreerd partnerschap is aangegaan na
beëindiging van het huwelijk of opnieuw is aangegaan, is
steeds bevoegd de geslachtsnaam van haar echtgenoot of van
haar geregistreerde partner te voeren of aan de hare te doen
voorafgaan dan wel die te doen volgen op haar eigen
geslachtsnaam.
2.
Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden en
daaruit geen afstammelingen in leven zijn dan wel indien het
geregistreerd partnerschap op de wijze bedoeld in artikel
80c, onder c of d , is beëindigd, kan de rechtbank, wanneer
daartoe gegronde redenen bestaan, op verzoek van de gewezen
echtgenoot of de gewezen geregistreerde partner aan de vrouw
de haar in het eerste lid toegekende bevoegdheid ontnemen.
3. Het
eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van de man die gehuwd is of gehuwd is geweest dan
wel wiens partnerschap geregistreerd is of is geweest en die
niet is getrouwd na beëindiging van de registratie of is
hertrouwd dan wel niet een geregistreerd partnerschap is
aangegaan na beëindiging van het huwelijk of opnieuw is
aangegaan.
Titel 3. Woonplaats
Artikel 10
1. De
woonplaats van een natuurlijk persoon bevindt zich te zijner
woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn
werkelijk verblijf.
2. Een
rechtspersoon heeft zijn woonplaats ter plaatse waar hij
volgens wettelijk voorschrift of volgens zijn statuten of
reglementen zijn zetel heeft.
Artikel 11
1. Een
natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden,
waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.
2. Een
natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben
verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk
voorgeschreven wijze aan de betrokken colleges van
burgemeester en wethouders heeft kennis gegeven.
Artikel 12
1. Een
minderjarige volgt de woonplaats van hem die het gezag over
hem uitoefent, de onder curatele gestelde die van zijn
curator. Oefenen beide ouders tezamen het gezag over hun
minderjarige kind uit, doch hebben zij niet dezelfde
woonplaats, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder
bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft
verbleven.
2.
Wanneer iemands goederen onder bewind staan, volgt hij voor
alles wat de uitoefening van dit bewind betreft, de
woonplaats van de bewindvoerder.
3.
Wanneer ten behoeve van een persoon een mentorschap is
ingesteld, volgt hij voor alles wat de uitoefening van dit
mentorschap betreft, de woonplaats van de mentor.
4. Het
eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing voor
zover het betreft de relatieve bevoegdheid van de rechter
gedurende een curatele, een bewind als bedoeld in titel 19
en een mentorschap. Hetzelfde geldt indien ten aanzien van
een persoon een curatele, een mentorschap of een bewind als
bedoeld in titel 19 en tevens een bewind als bedoeld in
afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 of een bewind als bedoeld
in artikel 182 van Boek 7 van kracht zijn en de bevoegde
kantonrechter de andere kantonrechter als uitsluitend
bevoegde heeft aangewezen.
5.
Wanneer de persoon, van wie de woonplaats wordt afgeleid,
overlijdt of zijn gezag of zijn hoedanigheid verliest, duurt
de afgeleide woonplaats voort, totdat een nieuwe woonplaats
is verkregen.
Artikel 13
Het sterfhuis van een overledene is daar,
waar hij zijn laatste woonplaats heeft gehad.
Artikel 14
Een persoon die een kantoor of een filiaal
houdt, heeft ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of
dit filiaal betreffen mede aldaar woonplaats.
Artikel 15
Een persoon kan een andere woonplaats dan
zijn werkelijke slechts kiezen, wanneer de wet hem daartoe
verplicht, of wanneer de keuze bij schriftelijk of langs
elektronische weg aangegane overeenkomst voor een of meer
bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en
voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is.
Indien de keuze bij langs elektronische weg aangegane
overeenkomst geschiedt, is artikel 227a lid 1 van Boek 6 van
overeenkomstige toepassing.
Titel 4. Burgerlijke stand
Afdeling 1. De ambtenaar van de
burgerlijke stand
Artikel 16
1. In
elke gemeente zijn twee, of, naar goedvinden van
burgemeester en wethouders, meer ambtenaren van de
burgerlijke stand. Daarenboven kunnen een of meer ambtenaren
van de burgerlijke stand worden belast met het verrichten
van bepaalde taken. Deze dragen de titel van buitengewoon
ambtenaar van de burgerlijke stand.
2. De in
het eerste lid bedoelde ambtenaren worden door burgemeester
en wethouders benoemd, geschorst of ontslagen. Een benoeming
kan voor een bepaalde tijdsduur geschieden.
3.
Ambtenaar van de burgerlijke stand van een gemeente kan
slechts zijn een ambtenaar in dienst van die gemeente of een
andere gemeente. Buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke
stand kan mede zijn een persoon die geen ambtenaar in
gemeentelijke dienst is.
4. De
ambtenaar of buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand
wordt tot zijn betrekking niet toegelaten dan na voor de
rechtbank tot wier rechtsgebied de gemeente behoort waar hij
voor het eerst wordt benoemd de navolgende eed dan wel
belofte te hebben afgelegd:
"Ik zweer (beloof) dat ik de
betrekking van ambtenaar van de burgerlijke stand met
eerlijkheid en nauwkeurigheid zal vervullen en dat ik de
wettelijke voorschriften, de burgerlijke stand betreffende,
met de meeste nauwgezetheid zal opvolgen; dat ik voorts, tot
het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch
onmiddellijk, onder enige naam of voorwendsel, aan iemand
iets heb gegeven of beloofd, en dat ik, om iets in deze
betrekking te doen of te laten, van niemand enige beloften
of geschenken zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Zo
waarlijk helpe mij God almachtig". ("Dat verklaar en beloof
ik").
Artikel 16a
1. De
ambtenaar van de burgerlijke stand is belast met het opnemen
in de onder hem berustende registers van de burgerlijke
stand van akten en de daaraan toe te voegen latere
vermeldingen, alsmede al datgene wat de instandhouding van
de registers en de zorg voor de toegankelijkheid van de
daarin neergelegde gegevens betreft.
2. De
buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand kan
uitsluitend worden belast met de taken omschreven in de
artikelen 45, 45a, 63, 64, 65, 67, 77a, 80a, derde lid, en
80g.
Artikel 16b
Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke
stand in de uitoefening van zijn ambt op grond van enige
bepaling van deze titel of van enige andere titel van dit boek
in rechte optreedt, kan hij dit zonder advocaat of procureur
doen.
Artikel 16c
Burgemeester en wethouders bepalen de uren,
waarop elk bureau van de burgerlijke stand dagelijks voor het
publiek geopend zal zijn. Daarbij wordt, ten einde de
werkzaamheden van de ambtenaren van de burgerlijke stand op die
dagen zoveel mogelijk te beperken, een afzonderlijke regeling
getroffen voor de zaterdag, de zondag, de algemeen erkende
feestdagen en de overige daarvoor door burgemeester en
wethouders aan te wijzen dagen, waarop gemeentelijke diensten
niet of slechts gedeeltelijk zijn geopend.
Artikel 16d
Bij algemene maatregel van bestuur worden
regels gesteld ten aanzien van de door het college van
burgemeester en wethouders te treffen voorzieningen ten behoeve
van de taakuitoefening door de ambtenaar van de burgerlijke
stand, en voorts ten aanzien van al wat verder de taak van de
ambtenaar van de burgerlijke stand betreft.
Afdeling 2. De registers van de
burgerlijke stand en de bewaring daarvan
Artikel 17
1. Er
bestaan voor iedere gemeente registers van geboorten, van
huwelijken, van geregistreerde partnerschappen en van
overlijden.
2. Er
bestaat in de gemeente 's-Gravenhage, naast de in het eerste
lid genoemde registers, een register voor de inschrijving
van de in afdeling 6 bedoelde rechterlijke uitspraken.
Artikel 17a
1. De
registers van de burgerlijke stand worden in het
gemeentehuis bewaard totdat zij naar een gemeentelijke
archiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995 (Stb.
276) worden overgebracht.
2. De
overbrenging naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats van
de in het gemeentehuis berustende registers van geboorten,
van huwelijken dan wel geregistreerde partnerschappen en van
overlijden vindt eerst plaats onderscheidenlijk honderd
jaar, vijfenzeventig jaar en vijftig jaar na de afsluiting
van deze registers.
Artikel 17b
De beheerder van een archiefbewaarplaats
als bedoeld in artikel 17a is belast met het bewaren van
de onder hem berustende registers, met het toevoegen van latere
vermeldingen aan de daarin opgenomen akten en met de afgifte van
afschriften en uittreksels van deze akten.
Artikel 17c
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld alles wat verder betreft de inrichting van de
registers, alsmede de in artikel 17b genoemde handelingen
ten aanzien van die registers.
Afdeling 3. Akten van de burgerlijke stand
en partijen bij deze akten
Artikel 18
1. De
ambtenaar van de burgerlijke stand mag in de akten alleen
opnemen hetgeen ingevolge het bij of krachtens de wet
bepaalde moet worden verklaard of opgenomen.
2. De
ambtenaar van de burgerlijke stand is bevoegd alvorens tot
het opmaken van een akte over te gaan zich de door de wet
vereiste bescheiden te doen vertonen. Hij doet zich ook
andere bescheiden vertonen, welke hij voor het opmaken van
de akte of voor de vaststelling van de in de akte op te
nemen gegevens noodzakelijk acht. Hij kan zich te dien einde,
zonder hiervoor leges verschuldigd te zijn, inlichtingen
verschaffen uit de registers van de burgerlijke stand en uit
andere openbare registers.
3. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen het
opmaken van de akten betreft.
Artikel 18a
1.
Partijen bij een akte van de burgerlijke stand zijn degenen
die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een aangifte
doen of te zijnen overstaan een verklaring afleggen
betreffende een feit, waarvan de akte bestemd is te doen
blijken.
2.
Belanghebbende partijen zijn partijen die met hun verklaring
enig rechtsgevolg teweeg brengen voor henzelf of voor
medepartijen, dan wel voor henzelf en medepartijen.
3. De
belanghebbende partijen kunnen zich door een daartoe bij
authentieke akte gevolmachtigde doen vertegenwoordigen.
4.
Wanneer een gevolmachtigde een verklaring aflegt, geldt hij
zowel als de door hem vertegenwoordigde persoon als partij
bij de akte.
5. De
ambtenaar van de burgerlijke stand mag geen akte verlijden
waarin hijzelf als partij of belanghebbende partij voorkomt.
Artikel 18b
1.
Blijft een partij bij een akte van de burgerlijke stand of
een belanghebbende partij in gebreke de in artikel 18,
tweede lid, bedoelde bescheiden over te leggen, of acht de
ambtenaar van de burgerlijke stand de overgelegde bescheiden
ongenoegzaam, dan weigert deze tot het opmaken van de akte
over te gaan.
2. De
ambtenaar van de burgerlijke stand weigert eveneens tot het
opmaken van de akte over te gaan, indien hij van oordeel is
dat de Nederlandse openbare orde zich hiertegen verzet.
3. Van
een weigering als bedoeld in het eerste of het tweede lid
doet de ambtenaar van de burgerlijke stand een
schriftelijke, met redenen omklede mededeling aan de
partijen bij de akte en de belanghebbende partijen toekomen,
onder vermelding van de tegen die weigering openstaande
voorziening van afdeling 12 van deze titel. Een afschrift
van deze mededeling doet hij aan de korpschef toekomen.
Artikel 18c
1. Van
alle in registers opgenomen akten van de burgerlijke stand
wordt een dubbel of een afschrift gehouden, volgens regels,
bij algemene maatregel van bestuur te stellen.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt geregeld alles wat
betreft de bewaring van de dubbelen of de afschriften
alsmede van de daarop betrekking hebbende latere
vermeldingen.
3.
Wanneer akten van de burgerlijke stand verloren zijn gegaan
of verminkt zijn, wordt ter vervanging van deze akten van de
dubbelen van de akten een afschrift gemaakt door een of meer
door Onze Minister van Justitie aan te wijzen Centrale
Bewaarplaatsen waar de dubbelen bewaard worden. De
afschriften treden in de plaats van de verloren gegane of
verminkte akten.
4. Er
wordt een lijst opgesteld van de akten die vervangen worden,
die in de Staatscourant wordt gepubliceerd.
5. De
kosten voor de vervanging van akten van de burgerlijke stand
komen ten laste van de Staat, tenzij het de vervanging van
akten betreft die bewaard worden door een gemeente. In het
laatstgenoemde geval komen de kosten van vervanging voor
rekening van de gemeente.
6. Onze
Minister van Justitie kan nadere regels stellen omtrent de
wijze waarop de vervanging van de akten dient te worden
uitgevoerd.
Afdeling 4. De akten van geboorte en van
overlijden
Artikel 19
1. Een
akte van geboorte wordt opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente waar het kind is geboren.
2.
Indien de plaats van de geboorte van het kind niet bekend
is, wordt de akte opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente waar het kind is
aangetroffen. Die gemeente geldt als gemeente waar het kind
is geboren.
Artikel 19a
1. In
geval van geboorte op Nederlands grondgebied in een rijdend
voertuig of op een varend schip of tijdens een binnenlandse
luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte van geboorte
opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente waar dat kind het voertuig, het schip of het
luchtvaartuig verlaat, dan wel waar het schip ligplaats
kiest. Die gemeente geldt als gemeente waar het kind is
geboren.
2. In
geval van geboorte tijdens een zeereis met een in Nederland
geregistreerd vaartuig, dan wel tijdens een internationale
luchtreis met een in Nederland geregistreerd luchtvaartuig,
is de gezagvoerder van het vaartuig of het luchtvaartuig
verplicht een voorlopige akte van geboorte binnen
vierentwintig uur in het journaal in te schrijven in
tegenwoordigheid van twee getuigen en zo mogelijk van de
vader. De gezagvoerder zendt een afschrift van die akte zo
spoedig mogelijk aan de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de gemeente 's-Gravenhage. Deze maakt de akte van
geboorte op aan de hand van het ontvangen afschrift, met
dien verstande dat hij gegevens die ontbreken of hem blijken
onjuist te zijn, zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan
de personen op wie de akte betrekking heeft, wordt een
uittreksel van de akte toegezonden.
Artikel 19b
Indien de plaats of de dag van de geboorte
van het kind niet bekend is dan wel indien de naam, met inbegrip
van de voornamen, van de moeder niet bekend is, wordt de
geboorteakte ten aanzien van deze punten opgemaakt krachtens een
bevel en overeenkomstig de aanwijzingen van het openbaar
ministerie.
Artikel 19c
Zijn krachtens artikel 5, tiende lid, van
dit boek in de akte een voorlopige voornaam en geslachtsnaam
opgenomen, dan zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand
onverwijld een volledig afschrift van de akte aan Onze Minister
van Justitie.
Artikel 19d
1.
Indien het geslacht van het kind twijfelachtig is, wordt een
geboorteakte opgemaakt, waarin wordt vermeld dat het
geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.
2.
Binnen drie maanden na de geboorte, of, bij overlijden
binnen die termijn, ter gelegenheid van de aangifte van het
overlijden, wordt onder doorhaling van de in het eerste lid
bedoelde akte een nieuwe geboorteakte opgemaakt, waarin het
geslacht, indien dit inmiddels is vastgesteld, wordt vermeld
aan de hand van een ter zake overgelegde medische
verklaring.
3. Is
binnen de in het tweede lid genoemde termijn geen medische
verklaring overgelegd, of blijkt uit de overgelegde medische
verklaring dat het geslacht niet is kunnen worden
vastgesteld, dan vermeldt de nieuwe geboorteakte dat het
geslacht van het kind niet is kunnen worden vastgesteld.
Artikel 19e
1. Tot
de aangifte van een geboorte is bevoegd de moeder van het
kind.
2. Tot
de aangifte is verplicht de vader.
3.
Wanneer de vader ontbreekt of verhinderd is de aangifte te
doen, is tot aangifte verplicht:
a. ieder die bij het ter wereld
komen van het kind tegenwoordig is geweest;
b. de bewoner van het huis waar de
geboorte heeft plaats gehad, of indien zulks is geschied
in een inrichting tot verpleging of verzorging bestemd,
in een gevangenis of in een soortgelijke inrichting, het
hoofd van die inrichting of een door hem bij onderhandse
akte bijzonderlijk tot het doen van de aangifte
aangewezen ondergeschikte.
4. Voor
een in het derde lid, onder b, genoemde persoon
bestaat de verplichting alleen indien een onder a
genoemde persoon ontbreekt of verhinderd is.
5.
Wanneer tot de aangifte bevoegde of verplichte personen
ontbreken of nalaten de aangifte te doen, geschiedt deze
door of vanwege de burgemeester van de gemeente alwaar de
geboorteakte moet worden opgemaakt.
6. De
verplichting tot aangifte moet worden vervuld binnen drie
dagen na de dag der bevalling. Van een aangifte later dan de
derde dag, bedoeld in de eerste zin van dit lid, wordt door
de ambtenaar van de burgerlijke stand mededeling gedaan aan
het openbaar ministerie.
7. De
ambtenaar van de burgerlijke stand stelt de identiteit van
de aangever vast aan de hand van een document als bedoeld in
artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
8. Bij
de aangifte kan de ambtenaar van de burgerlijke stand zich
doen overleggen een door de arts of de verloskundige die bij
het ter wereld komen van het kind tegenwoordig was,
opgemaakte verklaring dat het kind uit de als moeder
opgegeven persoon is geboren. Is het kind buiten de
tegenwoordigheid van een arts of verloskundige ter wereld
gekomen, dan kan hij zich een door een zodanige hulpverlener
nadien opgemaakte verklaring doen overleggen.
9. Wordt
geen gevolg gegeven aan het verzoek van de ambtenaar van de
burgerlijke stand om overlegging van een verklaring als
bedoeld in het achtste lid of is in de verklaring vermeld
dat de identiteit van de moeder onbekend is, dan is artikel
19b van toepassing.
Artikel 19f
1. Een
akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente waar het overlijden heeft
plaatsgevonden.
2.
Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van
overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden
vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin
het lijk is gevonden of aan land gebracht.
3.
Ongeacht het in het eerste lid bepaalde is het tweede lid
van overeenkomstige toepassing indien het overlijden heeft
plaatsgevonden op een op zee gestationeerde installatie en
het lijk in Nederland aan land wordt gebracht.
Artikel 19g
1. In
geval van overlijden op Nederlands grondgebied in een
rijdend voertuig of op een varend schip of tijdens een
binnenlandse luchtreis met een luchtvaartuig, wordt de akte
van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente waar het lijk het
voertuig, het schip of het luchtvaartuig verlaat, dan wel
waar het schip ligplaats kiest. Die gemeente geldt als
gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden.
2. In
geval van overlijden tijdens een zeereis met een in
Nederland geregistreerd voertuig, dan wel tijdens een
internationale luchtreis met een in Nederland geregistreerd
luchtvaartuig, is de gezagvoerder van het vaartuig of het
luchtvaartuig verplicht een voorlopige akte van overlijden
binnen vierentwintig uur in het journaal in te schrijven in
tegenwoordigheid van twee getuigen. De gezagvoerder zendt
een afschrift van die akte zo spoedig mogelijk naar de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage. Deze maakt de akte van overlijden op aan de
hand van het ontvangen afschrift, met dien verstande dat hij
gegevens die ontbreken of hem blijken onjuist te zijn,
zoveel mogelijk aanvult of verbetert. Aan de personen op wie
de akte betrekking heeft, wordt een uittreksel van de akte
toegezonden.
Artikel 19h
1. Tot
de aangifte van een overlijden is bevoegd wie daarvan uit
eigen wetenschap kennis draagt.
2.
Binnen de in de Wet op de lijkbezorging (Stb. 1991,
130) gestelde termijn voor de begraving of verbranding, kan
de persoon die in de lijkbezorging voorziet, door een in het
eerste lid bedoelde persoon worden gemachtigd tot het doen
van de aangifte.
3.
Wanneer tot de aangifte bevoegde personen ontbreken of
nalaten binnen de in de Wet op de lijkbezorging gestelde
termijn voor de begraving of verbranding de aangifte te
doen, geschiedt deze door of vanwege de burgemeester van de
gemeente alwaar de akte van overlijden moet worden
opgemaakt.
4. In de
gevallen bedoeld in artikel 19f, tweede en derde lid,
geschiedt de aangifte schriftelijk door de hulpofficier van
justitie.
Artikel 19i
1.
Wanneer een kind levenloos ter wereld is gekomen, wordt een
akte opgemaakt, die in het register van overlijden wordt
opgenomen.
2.
Wanneer een kind binnen de in artikel 19e, zesde lid,
bepaalde termijn is overleden voordat aangifte van de
geboorte is geschied, wordt zowel een akte van geboorte als
een akte van overlijden opgemaakt.
3. In de
in de vorige leden bedoelde gevallen is ten aanzien van de
aangifte het bepaalde in artikel 19h van
overeenkomstige toepassing. In het in het tweede lid
bedoelde geval blijft artikel 19e buiten toepassing.
Artikel 19j
1. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft
de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van
de akten, onderscheidenlijk de voorlopige akten van geboorte
en van overlijden, en de inhoud daarvan.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt tevens geregeld:
a. op welke wijze en waar de akten
van geboorte en van overlijden zullen worden opgemaakt
en ingeschreven wanneer dit ten gevolge van een verbod
van verkeer of ten gevolge van andere buitengewone
omstandigheden niet op de gewone wijze kan geschieden;
en
b. op welke wijze en waar
overlijdensakten zullen worden opgemaakt van militairen
en van andere personen, die tot de krijgsmacht behoren
en die te velde, in de slag, of in ’s Rijks dienst
buiten Nederland zijn overleden.
Afdeling 5. Latere vermeldingen
Artikel 20
1. De
ambtenaar van de burgerlijke stand voegt aan de onder hem
berustende akten van de burgerlijke stand latere
vermeldingen toe van akten van de burgerlijke stand en
andere authentieke akten houdende naamskeuze, erkenning,
ontkenning van het vaderschap door de moeder, van besluiten
houdende wijziging of vaststelling van namen, van
bevestigingen van opties mede houdende vaststelling van
namen en naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of
vaststelling van namen alsmede van besluiten tot intrekking
van zulke bevestigingen of besluiten, van de opgave van
afwijkende namen die een persoon die meer dan één
nationaliteit bezit, voert in overeenstemming met het recht
van het land waarvan hij mede de nationaliteit bezit, van
akten houdende beëindiging van een geregistreerd
partnerschap, van akten van omzetting van een geregistreerd
partnerschap of van een huwelijk,, alsmede van rechterlijke
uitspraken waarvan de dagtekening ten minste drie maanden
oud is en die inhouden:
a. een last tot wijziging van de
voornamen of van de geslachtsnaam, een last tot
wijziging van de vermelding van het geslacht, een
adoptie, een herroeping van een adoptie, een
vernietiging van een erkenning, een gerechtelijke
vaststelling van het vaderschap, een gegrondverklaring
van een ontkenning van het vaderschap of, of een
vernietiging van zulk een uitspraak;
b. de nietigverklaring van een
huwelijk of van een geregistreerd partnerschap of de
vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden
of geregistreerde partners wier huwelijksakte
onderscheidenlijk akte van een geregistreerd
partnerschap, dan wel akte van omzetting van een
geregistreerd partnerschap of huwelijk in de Nederlandse
registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
2. De
ambtenaar van de burgerlijke stand voegt eveneens aan de
onder hem berustende akten van de burgerlijke stand latere
vermeldingen toe van in kracht van gewijsde gegane
rechterlijke uitspraken die een echtscheiding of een
ontbinding van een geregistreerd partnerschap, een
ontbinding van een huwelijk na scheiding van tafel en bed of
de vernietiging van zulk een uitspraak tussen echtelieden
wier huwelijksakte, akte van registratie van een
partnerschap of akte van omzetting van een geregistreerd
partnerschap of huwelijk in de Nederlandse registers van de
burgerlijke stand is opgenomen, inhouden.
Artikel 20a
1. De in
artikel 20 bedoelde latere vermeldingen, met uitzondering
van de vermeldingen bedoeld in het eerste lid, onder b,
alsmede van de vermeldingen houdende beëindiging van een
geregistreerd partnerschap en van de vermeldingen van een
omzetting van een geregistreerd partnerschap of van een
huwelijk, worden toegevoegd aan de geboorteakte van de
betrokken persoon. Van een wijziging of vaststelling van de
geslachtsnaam wordt tevens een latere vermelding toegevoegd
aan de geboorteakten van de kinderen van de betrokken
persoon, voor zover de wijziging of vaststelling zich tot
hen uitstrekt.
2. De in
artikel 20, eerste lid, onder b, en tweede lid, bedoelde
latere vermeldingen alsmede de in de aanhef van artikel 20,
eerste lid, bedoelde beëindiging van een geregistreerd
partnerschap en de daar bedoelde omzetting, worden
toegevoegd aan de huwelijksakte dan wel aan de akte van
registratie van een partnerschap van de betrokken persoon.
3.
Wanneer als gevolg van het huwelijk of van de echtscheiding
een verandering intreedt in de geslachtsnaam van een
persoon, wordt hiervan, voorzover zij niet in de
huwelijksakte is vermeld, aan deze akte een latere
vermelding toegevoegd. Tevens wordt daarvan een latere
vermelding toegevoegd aan de geboorteakte van de betrokkene
en de geboortenakten van diens kinderen, voor zover hun naam
eveneens verandert.
4. Van
een aan de ambtenaar van de burgerlijke stand betekende akte
van stuiting van een huwelijk of van een registratie van een
partnerschap wordt, evenals van beschikkingen of akten
waarbij de stuiting wordt opgeheven, aan de akte van
aangifte een latere vermelding toegevoegd.
Artikel 20b
1. Van
akten en uitspraken die buiten Nederland overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn
opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben
als de akten en rechterlijke uitspraken, bedoeld in artikel
20, wordt, tenzij de Nederlandse openbare orde zich
hiertegen verzet, op verzoek van een belanghebbende dan wel
ambtshalve, door de ambtenaar van de burgerlijke stand een
latere vermelding toegevoegd aan de desbetreffende in de
registers van de burgerlijke stand hier te lande voorkomende
huwelijksakte, akte van registratie van een partnerschap,
akte van omzetting van een geregistreerd partnerschap of
huwelijk of geboorteakte. Van een verandering van de
geslachtsnaam wordt op verzoek van een belanghebbende tevens
een latere vermelding gevoegd bij de geboorteakte van de
kinderen van de betrokken persoon, voor zover hun naam
eveneens verandert.
2.
Indien een latere vermelding ambtshalve aan een akte is
toegevoegd, zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand een
afschrift van de akte en de latere vermelding aan de persoon
of personen op wie de akte betrekking heeft.
Artikel 20c
De artikelen 18 en 18b zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 20d
Bij algemene maatregel van bestuur wordt
geregeld al wat betreft de aan de ambtenaar over te leggen
stukken, het opmaken van de latere vermeldingen en de inhoud
daarvan.
Artikel 20e
1. Van
de in artikel 20, eerste lid, genoemde uitspraken zendt de
griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk
aanhangig was niet eerder dan drie maanden na de dag van de
beschikking een afschrift aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand.
2. Van
besluiten houdende wijziging of vaststelling van namen en
van naturalisatiebesluiten mede houdende wijziging of
vaststelling van namen zendt Onze Minister van Justitie
onverwijld een afschrift aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand onder wie de akte van geboorte van de betrokken
persoon berust.
3. De
notaris die een akte van erkenning heeft opgemaakt, zendt
onverwijld een afschrift of een uittreksel daarvan aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand onder wie de akte van
geboorte van het kind berust.
Artikel 20f
1. De
ambtenaar van de burgerlijke stand die de gegevens van een
akte van naamskeuze opneemt in de akte van geboorte van het
kind, zendt een afschrift van die akte aan de ambtenaar van
de burgerlijke stand die de akte van naamskeuze heeft
opgemaakt. Deze akte wordt bewaard totdat achttien maanden
zijn verstreken na de ontvangst van dat afschrift.
2. De
ambtenaar van de burgerlijke stand die een latere vermelding
van de naamskeuze, de erkenning toevoegt aan de akte van
geboorte van het kind, zendt een afschrift van die akte en
de latere vermelding aan de personen op wie de akte
betrekking heeft. Hij zendt een afschrift aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand die de akte van naamskeuze, van
erkenning heeft opgemaakt. Laatstgenoemde akte wordt bewaard
totdat achttien maanden zijn verstreken na de ontvangst van
laatstgenoemd afschrift dan wel, indien geen zodanig
afschrift wordt ontvangen, totdat achttien maanden zijn
verstreken na het opmaken van de akte.
Artikel 20g
De ambtenaar van de burgerlijke stand die
aan de geboorteakte van een minderjarige een latere vermelding
toevoegt, waaruit blijkt dat de minderjarige is erkend, of dat
een naam van hem is gewijzigd, geeft van dit feit kennis aan de
bewaarder van het in artikel 244 van dit boek bedoelde openbare
register waarin rechtsfeiten omtrent die minderjarige zijn
opgenomen.
Artikel 20h [Vervallen per 01-01-1995]
Afdeling 6. Akten van inschrijving van
bepaalde rechterlijke uitspraken
Artikel 21
1.
De ambtenaar van de burgerlijke stand te
's-Gravenhage maakt akten van inschrijving op van in kracht
van gewijsde gegane rechterlijke uitspraken betreffende
huwelijken of registraties van een partnerschap, waarvan de
akten niet in de Nederlandse registers van de burgerlijke
stand zijn opgenomen, welke inhouden de nietigverklaring van
een huwelijk of van een geregistreerd partnerschap, een
echtscheiding, de ontbinding van een geregistreerd
partnerschap, de ontbinding van een huwelijk na scheiding
van tafel en bed of de vernietiging van zulk een
ingeschreven uitspraak, dan wel de beëindiging van een
geregistreerd partnerschap, bedoeld in artikel 80c, onder c,
of de vernietiging daarvan.
2. De in
het eerste lid bedoelde akten worden ingeschreven in het
daartoe bestemde register van de burgerlijke stand te
's-Gravenhage.
3. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al wat betreft
de aan de ambtenaar over te leggen stukken, het opmaken van
de akten van inschrijving en de inhoud daarvan.
Afdeling 7. De bewijskracht van akten van
de burgerlijke stand alsmede van afschriften en uittreksels
Artikel 22
1. De
akte van geboorte bewijst ten aanzien van een ieder dat op
de in de akte vermelde plaats, dag en uur uit de daarin
genoemde moeder een kind van het daarin vermelde geslacht is
geboren. Vermeldt de akte dat de plaats van de geboorte van
het kind niet bekend is, dan komt dezelfde bewijskracht toe
aan de vermelding van de plaats waar het is aangetroffen.
2. De
akte van overlijden bewijst ten aanzien van een ieder, dat
op de plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, de
daarin genoemde persoon is overleden of, indien de akte
krachtens artikel 19f, tweede lid, van dit boek is
opgemaakt, dat het lijk van de daarin genoemde persoon op de
plaats, de dag en het uur, in de akte vermeld, is gevonden.
3. Voor
het overige hebben akten van de burgerlijke stand dezelfde
bewijskracht als andere authentieke akten.
Artikel 22a
Authentieke afschriften of uittreksels, in
de wettige vorm opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde
bewaarder van het register, hebben dezelfde bewijskracht als het
origineel, tenzij bewezen wordt dat zij daarmede niet
overeenstemmen.
Afdeling 8. De openbaarheid van de akten
van de burgerlijke stand
Artikel 23
De akten van de burgerlijke stand,
daaronder begrepen de dubbelen van deze akten, zijn openbaar
voor zover te dien aanzien in deze afdeling geen nadere
voorziening is gegeven.
Artikel 23a
Van de akten van de burgerlijke stand
mogen slechts de bewaarders en het openbaar ministerie inzage
nemen. Voorts kunnen de rechter en het openbaar ministerie
overlegging van akten bevelen.
Artikel 23b
1. Een
ieder is bevoegd zich door de ambtenaar die met de afgifte
van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke
stand is belast, een uittreksel van een onder deze ambtenaar
berustende akte van geboorte, van huwelijk, van registratie
van een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een
registratie van een partnerschap, van omzetting van een
registratie van een partnerschap in een huwelijk of van
overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de bij
algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens,
waaruit de afstamming van de persoon of personen waarop de
akte betrekking heeft, niet blijkt.
2. Van
de in het eerste lid bedoelde akten alsmede van de akten van
erkenning of ontkenning van het vaderschap door de moeder
wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker
aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd
belang heeft. Van andere akten die de in het eerste lid
bedoelde ambtenaar onder zijn berusting heeft, wordt steeds
een afschrift afgegeven. Dit afschrift bevat de bij algemene
maatregel van bestuur te vermelden gegevens.
3. Een
verzoek om afgifte van een uittreksel of een afschrift dient
op een bepaalde persoon of bepaalde personen betrekking te
hebben.
4. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen
overigens het opmaken en het verstrekken van afschriften en
uittreksels betreft. Daarbij worden tevens regels gegeven
voor het opmaken van uittreksels van akten die voor de
inwerkingtreding van deze wet zijn opgemaakt.
5.
Weigert de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een
afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij
aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden
voor zijn weigering.
Artikel 23c
De dubbelen van de akten van de
burgerlijke stand zijn openbaar zolang zij onder de ambtenaar
van de burgerlijke stand berusten.
Afdeling 9. De aanvulling van de registers
van de burgerlijke stand en de verbetering van de daarin
voorkomende akten en latere vermeldingen
Artikel 24
1.
Aanvulling van een register van de burgerlijke stand met een
daarin ontbrekende akte of latere vermelding, doorhaling van
een daarin ten onrechte voorkomende akte of latere
vermelding, of verbetering van een daarin voorkomende akte
of latere vermelding die onvolledig is of een misslag bevat,
kan op verzoek van belanghebbenden of van het openbaar
ministerie worden gelast door de rechtbank. De rechtbank kan
bij haar beschikking tot verbetering van een akte of latere
vermelding die onvolledig is of een misslag bevat, eveneens
dezelfde verbetering gelasten ten aanzien van een akte of
latere vermelding betreffende dezelfde persoon of zijn
afstammelingen, die buiten haar rechtsgebied in de registers
van de burgerlijke stand is opgenomen.
2. De
griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk
aanhangig was, zendt niet eerder dan drie maanden na de dag
van de beschikking een afschrift daarvan aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de gemeente, in welker
registers de akte of latere vermelding is of had moeten zijn
opgenomen. Is deze gemeente opgeheven, dan zendt hij het
afschrift aan de ambtenaar van de gemeente in wier archieven
de registers van de burgerlijk stand van de opgeheven
gemeente berusten.
Artikel 24a
1.
Kennelijke misslagen kunnen worden verbeterd met toestemming
van de officier van justitie binnen wiens rechtsgebied de
akte in de registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
De toestemming van de officier van justitie kan eveneens
betrekking hebben op dezelfde verbetering ten aanzien van
een akte betreffende dezelfde persoon of zijn
afstammelingen, die in een ander arrondissement in de
registers van de burgerlijke stand is opgenomen.
2.
Kennelijke schrijf- of spelfouten kunnen ambtshalve door de
ambtenaar van de burgerlijke stand worden verbeterd.
Artikel 24b
1.
Aanvulling van een register van de burgerlijke stand op
grond van artikel 24 geschiedt door het opmaken van een
nieuwe akte in dat register.
2. Van
een verbetering of een doorhaling op grond van deze afdeling
wordt een latere vermelding toegevoegd aan de desbetreffende
akte, volgens regels, bij algemene maatregel van bestuur te
stellen.
Afdeling 10. Inschrijving van buitenlandse
akten en de rechterlijke last tot het opmaken van een
vervangende akte van geboorte
Artikel 25
1.
Buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten
van geboorte, huwelijksakten, akten van registratie van een
partnerschap en akten van overlijden worden op bevel van het
openbaar ministerie of op verzoek van een belanghebbende
ingeschreven in de registers onderscheidenlijk van
geboorten, van huwelijken, van geregistreerde
partnerschappen en van overlijden van de gemeente
's-Gravenhage, indien:
a. de akte een persoon betreft die
op het ogenblik van het verzoek Nederlander is of te
eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan
niet-Nederlander is geweest;
b. de akte een persoon betreft die
rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder c en
d, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.
Buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akten
van geboorte worden op bevel van het openbaar ministerie of
op verzoek van een belanghebbende ingeschreven in het
register van geboorten van de gemeente 's-Gravenhage, indien
de akte een persoon van vreemde nationaliteit betreft en op
grond van enige bepaling van dit boek een latere vermelding
aan de akte van geboorte moet worden toegevoegd.
3. De
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage kan ook ambtshalve de in de vorige leden
bedoelde akten inschrijven.
4.
Alvorens op grond van het eerste of derde lid tot de
inschrijving van een huwelijksakte of van een akte van
registratie van een partnerschap over te gaan, doet de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage zich een door de korpschef in de zin van de
Vreemdelingenwet afgegeven verklaring als bedoeld in artikel
44, eerste lid, onderdeel k, overleggen. Deze verklaring
wordt opgesteld op verzoek van de echtgenoot of de
geregistreerde partner op wie zij betrekking heeft. Bij het
verzoek wordt een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in
artikel 44, eerste lid, onder a, overgelegd. Heeft deze geen
woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld op verzoek
van de andere echtgenoot of de andere geregistreerde
partner. De verklaring is niet vereist indien:
a. de echtgenoten of
geregistreerde partners aannemelijk kunnen maken dat zij
beiden buiten Nederland woonplaats hebben;
b. de betrokken echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de Nederlandse
nationaliteit bezit, in Nederland rechtmatig verblijft
op grond van artikel 8, onder b, d of e, van de
Vreemdelingenwet 2000;
c. het huwelijk of het
geregistreerd partnerschap ten minste tien jaren vóór de
inschrijving is voltrokken, of
d. het huwelijk of het
geregistreerd partnerschap is geëindigd.
5. In
geval van adoptie gelast de rechtbank, die de adoptie
uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de inschrijving van de
in het eerste en het tweede lid bedoelde akte van geboorte.
6. De
akte van inschrijving vermeldt de bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen gegevens.
7.
Kennelijke misslagen of schrijf- of spelfouten, die de
ambtenaar van de burgerlijke stand in de in te schrijven
akte vaststelt op grond van een hier te lande in de
registers van de burgerlijke stand opgenomen akte of op
grond van een rechterlijke uitspraak, kunnen ambtshalve door
hem worden verbeterd. De verbeteringen worden afzonderlijk
in de akte vermeld.
8.
Indien een akte ambtshalve is ingeschreven, wordt een
afschrift van de akte van inschrijving toegezonden aan de
persoon of de personen op wie de akte betrekking heeft.
Artikel 25a
1.
Indien na de inschrijving kennelijke misslagen in de buiten
Nederland opgemaakte akte overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd,
wordt de verbetering in de akte van inschrijving aangebracht
doordat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente 's-Gravenhage, aan wie een afschrift van de
beslissing tot verbetering en een afschrift van de
verbeterde akte zijn overgelegd, een latere vermelding van
de verbetering aan de akte van inschrijving toevoegt, nadat
hij daartoe toestemming van de officier van justitie heeft
verkregen.
2.
Kennelijke schrijf- en spelfouten, die in de buiten
Nederland opgemaakte akte overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften door een bevoegde instantie zijn verbeterd,
kunnen ook zonder toestemming van de officier van justitie,
ambtshalve door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
gemeente 's-Gravenhage aan de hand van een afschrift van de
verbeterde akte worden verbeterd op de in het eerste lid
aangegeven wijze.
Artikel 25b
Aan de akte van inschrijving, bedoeld in
artikel 25, worden de latere vermeldingen toegevoegd die op
grond van dit boek aan een in Nederland opgemaakte akte van
geboorte, huwelijksakte of akte van overlijden moeten worden
toegevoegd.
Artikel 25c
1.
Indien ten aanzien van een buiten Nederland geboren persoon
geen akte van geboorte overeenkomstig de plaatselijke
voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of
kan worden overgelegd, kan op verzoek van het openbaar
ministerie, van een belanghebbende of van de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage de
rechtbank te 's-Gravenhage de voor het opmaken van een
geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen, indien:
a. die persoon Nederlander is of
te eniger tijd Nederlander dan wel Nederlands onderdaan
niet-Nederlander is geweest;
b. die persoon rechtmatig
verblijft op grond van artikel 8, onder c en d, van de
Vreemdelingenwet 2000;
c. op grond van dit boek een
latere vermelding aan de akte van geboorte moet worden
toegevoegd.
2. De
rechtbank houdt rekening met alle bewijzen en aanwijzingen
omtrent de omstandigheden waaronder, en het tijdstip waarop
de geboorte moet hebben plaatsgehad. De geslachtsnaam, de
voornamen, alsmede de plaats en de dag van de geboorte van
de vader en van de moeder worden vastgesteld, voor zover
daarvoor aanwijzingen zijn verkregen.
3. In
geval van adoptie geeft de rechtbank die de adoptie
uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk de in het eerste lid
bedoelde beschikking.
Artikel 25d
De rechtbank te 's-Gravenhage kan op
verzoek van het openbaar ministerie, van een belanghebbende of
van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage de krachtens artikel 25c gegeven
beschikking wijzigen op grond dat de vastgestelde gegevens
onjuist of onvolledig zijn.
Artikel 25e [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 25f
1.
De griffier van het college waarvoor de
zaak laatstelijk aanhangig was, zendt niet eerder dan drie
maanden na de dag van de beschikking een afschrift daarvan,
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage.
2. Deze
ambtenaar maakt van de beschikking, bedoeld in artikel 25c
een akte van inschrijving op, die geldt als een akte van
geboorte in de zin van artikel 19 van dit boek. Deze akte is
in overeenstemming met de beschikking en vermeldt dit
uitdrukkelijk.
3. Van
de beschikking, bedoeld in artikel 25d, wordt een latere
vermelding toegevoegd aan de akte als bedoeld in het vorige
lid.
Artikel 25g
1. Op
akten en uitspraken die buiten Nederland overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn
opgemaakt of gedaan en een overeenkomstige uitwerking hebben
als de in artikel 25c van dit boek bedoelde
beschikkingen, zijn de artikelen 25 tot en met 25b
van overeenkomstige toepassing. De inschrijving als bedoeld
in artikel 25 vindt niet plaats indien de Nederlandse
openbare orde zich hiertegen verzet.
2. In
geval van adoptie van een buiten Nederland geboren kind ten
aanzien waarvan een akte of uitspraak als bedoeld in het
vorige lid is opgemaakt of gedaan, geeft de rechtbank die de
adoptie uitspreekt, ambtshalve afzonderlijk last tot
inschrijving van die akte of uitspraak.
Afdeling 11. De verklaring voor recht
omtrent de rechtsgeldigheid in Nederland van een buitenlandse
akte of uitspraak
Artikel 26
1. Een
ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, kan de
rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven
dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland
opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de
plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is
opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor
opneming in een Nederlands register van de burgerlijke
stand.
2. De in
het eerste lid bedoelde verklaring voor recht kan eveneens
op verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand of van
het openbaar ministerie worden afgegeven.
Artikel 26a
De rechtbank kan, op verzoek of
ambtshalve, bij de in het eerste lid van artikel 26 bedoelde
verklaring voor recht tevens de toevoeging van een latere
vermelding, op grond van artikel 24, eerste lid, aan een in de
Nederlandse registers van de burgerlijke stand voorkomende akte
gelasten.
Artikel 26b
Is met betrekking tot de verzoeker geen
akte in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand
opgenomen, dan kan de rechtbank te 's-Gravenhage, op verzoek of
ambtshalve, bij haar beschikking tevens de inschrijving,
overeenkomstig artikel 25, van een daarvoor in aanmerking
komende in het buitenland opgemaakte akte in de registers van de
burgerlijke stand te 's-Gravenhage gelasten, alsmede de
verbetering van de akte van inschrijving op grond van artikel
24, eerste lid. Ook kan zij bij haar beschikking een last als
bedoeld in artikel 25c geven alsmede een last tot
verbetering, overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van de door
de ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage op te
maken akte.
Artikel 26c [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 26d
De overlegging van een authentiek
afschrift van de buitenlandse akte of uitspraak waarop het
verzoek betrekking heeft, kan worden verlangd. Artikel 986,
derde en vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 26e
De griffier van het college, waarbij de
zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de
beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand in wiens
registers een op de belanghebbende betrekking hebbende akte is
opgenomen, waaraan een latere vermelding van de beschikking moet
worden toegevoegd. Is bij de beschikking een last tot
inschrijving van een in het buitenland opgemaakte akte gegeven,
dan zendt de griffier een afschrift van de beschikking aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
Artikel 26f [Vervallen per 01-04-1995]
Afdeling 12. Voorziening tegen de
weigering tot het opmaken van een akte van de burgerlijke stand
of tot een andere verrichting
Artikel 27
Naar aanleiding van een besluit van een
ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 18b
of 20c te weigeren een akte van de burgerlijke stand op
te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of,
buiten het geval van stuiting van het huwelijk of het
geregistreerd partnerschap en dat van afgifte van een afschrift
of een uittreksel, aan een verrichting mee te werken, hebben
belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen zes weken na
de verzending van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot
de rechtbank binnen welker rechtsgebied de standplaats van de
ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen.
Artikel 27a
De rechtbank kan, op verzoek van een
belanghebbende partij of ambtshalve, bij haar beschikking tevens
een verklaring als bedoeld in artikel 26 afgeven, alsmede een
last als bedoeld in artikel 26a , onderscheidenlijk
artikel 26b .
Artikel 27b
De griffier zendt een afschrift van de
beschikking aan de belanghebbende partijen en aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand.
Artikel 27c [Vervallen per 01-04-1995]
Afdeling 13. De rechterlijke last tot
wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van
geboorte
Artikel 28
1.
Iedere Nederlander die de overtuiging
heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in
de akte van geboorte en lichamelijk aan het verlangde
geslacht is aangepast voor zover dit uit medisch of
psychologisch oogpunt mogelijk en verantwoord is, kan de
rechtbank verzoeken wijziging van de vermelding van het
geslacht in de akte van geboorte te gelasten, indien deze
persoon als mannelijk in de akte van geboorte vermeld
staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen te
verwekken, dan wel als vrouwelijk in de akte van geboorte
vermeld staande, nimmer meer in staat zal zijn kinderen te
baren.
2. Voor
de toepassing van het bepaalde in het eerste lid en de
artikelen 28a en 28b van dit boek wordt onder
akte van geboorte mede verstaan een akte van inschrijving
van een buiten Nederland opgemaakte akte van geboorte of van
een beschikking als bedoeld in artikel 25c van dit
boek.
3.
Degene, die de Nederlandse nationaliteit niet bezit, kan een
verzoek als bedoeld in het eerste lid doen, indien hij reeds
gedurende een tijdvak van ten minste één jaar, onmiddellijk
voorafgaande aan het verzoek, woonplaats in Nederland heeft
en een rechtsgeldige verblijfstitel heeft en voor het
overige voldoet aan de in het eerste lid gestelde
voorwaarden. Indien de akte van geboorte niet hier te lande
in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven,
wordt tevens de rechtbank verzocht de inschrijving te
gelasten van de akte van geboorte in het register van
geboorten van de gemeente 's-Gravenhage.
Artikel 28a
1. Bij
het verzoek moeten worden overgelegd een afschrift van de
akte van geboorte alsmede een gezamenlijk ondertekende
verklaring van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen
deskundigen, afgegeven ten hoogste zes maanden voor de datum
van indiening van het verzoek, waaruit blijkt:
a. de overtuiging van de verzoeker
dat hij tot het andere geslacht behoort dan in de akte
van geboorte is vermeld en waarin is vervat het oordeel
van de daartoe bevoegde deskundige dat die overtuiging,
gelet op de periode waarin de verzoeker als zodanig
heeft geleefd en zo mogelijk op andere daarbij te
vermelden feiten of omstandigheden, als van blijvende
aard kan worden beschouwd;
b. of en zo ja, in hoeverre de
verzoeker lichamelijk aan het verlangde geslacht zodanig
is aangepast als uit medisch of psychologisch oogpunt
mogelijk en verantwoord is;
c. dat de verzoeker als mannelijk
in de akte van geboorte vermeld staande, nimmer meer in
staat zal zijn kinderen te verwekken, dan wel als
vrouwelijk in de akte van geboorte vermeld staande,
nimmer meer in staat zal zijn kinderen te baren.
2. In de
verklaring behoeft het in het eerste lid onder a
bedoelde onderdeel niet te worden opgenomen indien de
verzoeker lichamelijk reeds aan het verlangde geslacht is
aangepast.
Artikel 28b
1. Het
verzoek wordt toegewezen indien de rechtbank van oordeel is
dat voldoende is komen vast te staan dat de verzoeker de
overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan in
de akte van geboorte is vermeld en dat deze overtuiging als
van blijvende aard kan worden beschouwd en de verzoeker
voldoet aan de in het eerste lid van artikel 28 gestelde
voorwaarden.
2.
Indien de rechtbank het verzoek om wijziging van de
vermelding van het geslacht inwilligt, kan zij desverzocht
tevens de wijziging van de voornamen van de verzoeker
gelasten.
Artikel 28c
1. De
wijziging van de vermelding van het geslacht heeft haar
gevolgen, die uit dit boek voortvloeien, vanaf de dag waarop
de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de akte van
geboorte een latere vermelding toevoegt van de last tot
wijziging.
2. De
wijziging van de vermelding van het geslacht laat de op het
in het eerste lid genoemde tijdstip bestaande
familierechtelijke betrekkingen en de daaruit voortvloeiende
op dit boek gegronde rechten, bevoegdheden en verplichtingen
onverlet. De verzoeken in verband met artikel 157 en in
verband met artikel 394 van dit boek kunnen ook worden
gedaan na het in het eerste lid genoemde tijdstip.
Afdeling 14. De Commissie van advies voor
de zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit
Artikel 29
Er is een Commissie van advies voor de
zaken betreffende de burgerlijke staat en de nationaliteit.
Artikel 29a
1. De
Commissie bestaat uit ten minste negen en ten hoogste
vijftien leden.
2. De
Commissie bestaat uit ten minste een lid van de rechterlijke
macht, ten minste een lid uit de kring van het
wetenschappelijk onderzoek, ten minste twee leden uit de
kring van de ambtenaren van de burgerlijke stand en ten
minste twee leden uit de kring van de gemeentelijke
basisadministratie.
3. Onze
Minister van Justitie benoemt en ontslaat de in het
voorgaande lid bedoelde leden in overeenstemming met Onze
Minister van Binnenlandse Zaken. Voorts wijst hij een
voorzitter en een secretaris aan.
Artikel 29b
1. De
Commissie brengt op verzoek van een ambtenaar van de
burgerlijke stand of een ander bestuursorgaan advies uit
over vragen betreffende de rechtstoepassing in zaken van
burgerlijke staat of nationaliteit.
2.
Indien een advies van algemeen belang is, wordt het openbaar
gemaakt. De Commissie bepaalt de wijze van openbaarmaking.
Artikel 29c
Indien een ambtenaar van de burgerlijke
stand gerede twijfel heeft over de vraag of een aan een buiten
Nederland opgemaakte akte van de burgerlijke stand of ander
geschrift te ontlenen gegeven in aanmerking komt om in een akte
van de burgerlijke stand te worden opgenomen, is hij gehouden
het advies van de Commissie in te winnen.
Artikel 29d
Indien een ambtenaar van de burgerlijke
stand een door de Commissie gegeven advies niet opvolgt, stelt
hij de Commissie en de officier van justitie hiervan in kennis.
Artikel 29e
Onze Minister van Justitie kan nadere
regels stellen omtrent de taak en de werkwijze van de Commissie.
Artikel 29f
Telkens binnen een termijn van vier jaren
brengt de Commissie een rapport uit aan Onze Minister van
Justitie, waarin de taakvervulling van de Commissie aan een
onderzoek wordt onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan
voor gewenste veranderingen.
Titel 5. Het huwelijk
Algemene bepaling
Artikel 30
1. Een
huwelijk kan worden aangegaan door twee personen van
verschillend of van gelijk geslacht.
2. De
wet beschouwt het huwelijk alleen in zijn burgerlijke
betrekkingen.
Afdeling 1. Vereisten tot het aangaan van
een huwelijk
Artikel 31
1. Om
een huwelijk te mogen aangaan moeten een man en een vrouw de
leeftijd van achttien jaren hebben bereikt.
2. Het
in het vorige lid vermelde huwelijksbeletsel bestaat niet
wanneer zij die met elkander een huwelijk willen aangaan de
leeftijd van zestien jaren hebben bereikt en de vrouw een
verklaring van een arts overlegt dat zij zwanger is, dan wel
haar kind reeds ter wereld heeft gebracht.
3. Onze
Minister van Justitie kan om gewichtige redenen ontheffing
verlenen van het in het eerste lid genoemde vereiste.
Artikel 32
Een huwelijk mag niet worden aangegaan,
wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord,
dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis
van haar verklaring te begrijpen.
Artikel 33
Een persoon kan tegelijkertijd slechts met
één andere persoon door het huwelijk verbonden zijn.
Artikel 34 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 35
1.
Een minderjarige mag geen huwelijk
aangaan zonder toestemming van zijn ouders.
2. Zijn
de geestvermogens van een ouder zodanig gestoord, dat hij
niet in staat is zijn wil te bepalen of de betekenis van
zijn verklaring te begrijpen, dan is zijn toestemming niet
vereist.
3. Een
minderjarige, die onder voogdij staat, heeft bovendien de
toestemming van zijn voogd nodig.
Artikel 36
Voor zover een volgens het vorige artikel
vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan zij op verzoek
van de minderjarige door die van de rechtbank worden vervangen.
Artikel 37
1. Hij
die wegens verkwisting of drankmisbruik onder curatele
staat, mag geen huwelijk aangaan zonder de toestemming van
zijn curator.
2. Voor
zover die toestemming niet wordt verkregen, kan zij op
verzoek van de onder curatele gestelde door toestemming van
de kantonrechter worden vervangen.
Artikel 38
Hij die wegens een geestelijke stoornis
onder curatele staat, mag geen huwelijk aangaan zonder
toestemming van de kantonrechter.
Artikel 39
1. Heeft
de rechter de toestemming verleend, dan is de termijn van
beroep veertien dagen en kan gedurende die termijn de
beschikking niet worden ten uitvoer gelegd.
2. Hij
die tegen een verleende toestemming opkomt, is verplicht dit
binnen de termijn van beroep bij deurwaardersexploit te doen
aanzeggen aan de ambtenaar of ambtenaren van de burgerlijke
stand ten overstaan van wie het huwelijk kan worden
voltrokken. Door dit te verzuimen verliest hij het recht om
de nietigverklaring van het huwelijk op grond van het
ontbreken van zijn toestemming te vragen, indien het
gerechtshof de in het eerste lid bedoelde beschikking
vernietigt en het huwelijk reeds is voltrokken.
Artikel 40 [Vervallen per 01-01-1988]
Artikel 41
1.
Een huwelijk mag niet worden gesloten
tussen hen die elkander, hetzij van nature hetzij
familierechtelijk, bestaan in de opgaande en in de
nederdalende lijn of als broeders, zusters of broeder en
zuster.
2. Onze
Minister van Justitie kan om gewichtige redenen ontheffing
van het verbod verlenen aan hen die broeders, zusters of
broeder en zuster door adoptie zijn.
Artikel 42
Zij die met elkander een huwelijk willen
aangaan, mogen niet tegelijkertijd een geregistreerd
partnerschap zijn aangegaan.
Afdeling 2. Formaliteiten die aan de
voltrekking van het huwelijk moeten voorafgaan
Artikel 43
1. Zij
die met elkaar een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan
onder overlegging van de in artikel 44 van dit boek genoemde
bescheiden, aangifte doen bij de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de woonplaats van één der partijen.
Wanneer de aanstaande echtgenoten, van wie ten minste één de
Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland woonplaats
hebben en in een Nederlandse gemeente een huwelijk met
elkaar willen aangaan, geschiedt de aangifte bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage.
2. Bij
de aangifte kunnen de aanstaande echtgenoten verklaren dat
het huwelijk zal worden voltrokken in een andere gemeente
dan die waarin een van hen op het tijdstip van de
huwelijksaangifte woonplaats heeft, dan wel indien de tweede
zin van het eerste lid van toepassing is, in een andere
gemeente dan 's-Gravenhage.
3. De
aangifte geschiedt in persoon of bij zodanige geschriften
waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenoten met
genoegzame zekerheid kan blijken.
4. De
ambtenaar van de burgerlijke stand maakt van de aangifte een
akte op.
Artikel 44
1. Voor
de aangifte van het huwelijk worden de volgende bescheiden
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand overgelegd:
a. de geboorteakte van ieder der
aanstaande echtgenoten en van elk van hen een
gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens, tenzij zij niet als
ingezetene in een basisadministratie persoonsgegevens
behoeven te zijn ingeschreven;
b. een akte van
huwelijkstoestemming, gegeven door hen, wier toestemming
tot het huwelijk noodzakelijk is. De akte van
huwelijkstoestemming wordt door een ambtenaar van de
burgerlijke stand of door een notaris opgemaakt. De
toestemming kan ook bij de huwelijksakte worden gegeven.
Is de toestemming door de rechter verleend, dan wordt
diens beschikking overgelegd;
c. een akte van overlijden van
allen, wier toestemming voor het huwelijk was vereist,
als zij in leven waren geweest;
d. ingeval van tweede of verder
huwelijk dan wel huwelijk na registratie, bewijsstukken
aantonende dat het vorige huwelijk dan wel het eerdere
geregistreerd partnerschap geen beletsel voor een nieuw
huwelijk oplevert;
e. de akte van huwelijksaangifte;
f. indien stuiting heeft
plaatsgevonden, het bewijs dat de stuiting is opgeheven;
g. het bewijs van de ontheffing of
de vergunning van Onze Minister van Justitie, ingeval
deze is vereist;
h. indien een beschikking als
bedoeld in afdeling 12 van Titel 4 van dit boek of een
vrijstelling krachtens artikel 62 van dit boek is
verkregen, ook deze;
i. de verklaring, bedoeld in
artikel 31, tweede lid, van dit boek, ingeval deze
vereist is;
j. een schriftelijke opgave van de
namen en de adressen van de personen die zijn
uitgenodigd om als getuigen bij de voltrekking van het
huwelijk aanwezig te zijn;
k. een door de korpschef in de zin
van de Vreemdelingenwet 2000 aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand afgegeven verklaring waaruit blijkt
dat de aanstaande echtgenoot die niet de Nederlandse
nationaliteit bezit, rechtmatig in Nederland verblijft
als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000,
dan wel voornemens is niet in Nederland te verblijven.
De verklaring wordt opgesteld op verzoek van de
aanstaande echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Bij
het verzoek wordt een gewaarmerkt afschrift als bedoeld
onder a, overgelegd. Heeft deze geen woonplaats in
Nederland, dan wordt zij opgesteld op verzoek van de
andere aanstaande echtgenoot.
2. De
verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, is niet
vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen
maken dat zij beiden buiten Nederland woonplaats hebben. De
verklaring is evenmin vereist indien de aanstaande
echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in
Nederland rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder
b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000.
3. Bij
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld
met betrekking tot de inhoud van het in het eerste lid onder
a bedoelde gewaarmerkt afschrift van gegevens uit de
basisadministratie persoonsgegevens, alsmede de in hetzelfde
lid onder k bedoelde verklaring.
Artikel 45
1. Een
aanstaande echtgenoot die in de onmogelijkheid is, zijn door
het vorige artikel vereiste geboorteakte te vertonen, kan
dit verhelpen door een akte van bekendheid, afgegeven door
de kantonrechter van zijn geboorteplaats of woonplaats, op
verklaring van vier meerderjarige getuigen.
2. Deze
verklaring houdt de vermelding in van de plaats en, zo na
mogelijk, van het tijdstip der geboorte, benevens de
oorzaken, die beletten een akte daarvan over te leggen.
3. Het
ontbreken van een geboorteakte kan ook worden verholpen,
hetzij door een dergelijke, maar beëdigde verklaring,
afgelegd door de getuigen, die bij de voltrekking van het
huwelijk tegenwoordig zijn, of wel door een bij de ambtenaar
van de burgerlijke stand afgelegde beëdigde verklaring van
de aanstaande echtgenoot, inhoudende dat hij zich geen
geboorteakte of akte van bekendheid kan verschaffen. In de
huwelijksakte wordt van de afgelegde verklaring melding
gemaakt.
Artikel 45a
Indien partijen niet in staat zijn de
akten van overlijden, bij artikel 44, eerste lid, onder c
van dit boek bedoeld, over te leggen, kan dat gebrek op dezelfde
wijze als in het geval van het vorige artikel worden verholpen.
Artikel 46
Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te
rekenen van de datum van de akte van huwelijksaangifte, niet is
voltrokken, mag het niet worden voltrokken dan nadat een nieuwe
aangifte is gedaan.
Artikel 47
1.
Indien een minderjarige een huwelijk wenst aan te gaan,
onderzoekt de ambtenaar van de burgerlijke stand, van welke
personen daartoe de toestemming wordt vereist.
2.
Voorts onderzoekt die ambtenaar of de minderjarige onder
toezicht gesteld is of onder voorlopige voogdij is
geplaatst. Blijkt dit het geval, dan verwittigt hij bij
ondertoezichtstelling de kinderrechter en in het andere
geval de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg onverwijld van het voorgenomen huwelijk.
Artikel 48
Indien hij die wil hertrouwen het gezag
heeft over kinderen uit een vorig huwelijk, geeft de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de gedane aangifte onverwijld
kennis aan de rechtbank van de woonplaats van de bedoelde ouder.
Artikel 49
1.
Trouwbeloften geven geen rechtsvordering tot het aangaan van
een huwelijk, noch tot schadevergoeding wegens de
niet-vervulling van de beloften; alle afwijkende bedingen
zijn nietig.
2.
Indien echter een akte van huwelijksaangifte is opgemaakt,
kan dit grond opleveren tot een vordering tot vergoeding der
werkelijke vermogensverliezen, zonder dat daarbij enige
winstderving in aanmerking komt. De vordering vervalt door
verloop van achttien maanden, te rekenen van de datum van de
akte van huwelijksaangifte.
Artikel 49a
1.
Indien een Nederlander buiten Nederland een huwelijk wenst
aan te gaan, wordt op zijn verzoek aan hem een verklaring
van huwelijksbevoegdheid overeenkomstig de bijlage van de
Overeenkomst van München van 5 september 1980 (Trb. 1981,
71, en 1982, 116) afgegeven.
2. Deze
verklaring wordt afgegeven:
a. aan degene die binnen Nederland
woonplaats heeft, door de ambtenaar van de burgerlijke
stand van zijn woonplaats;
b. aan degene die binnen Nederland
geen woonplaats heeft, maar wel heeft gehad, door de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de laatste
woonplaats aldaar;
c. aan degene die binnen Nederland
geen woonplaats heeft of heeft gehad, door het hoofd van
de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het
Koninkrijk der Nederlanden in het ressort waar het
huwelijk wordt voltrokken.
3. De
verklaring wordt door de bevoegde autoriteit niet afgegeven
alvorens deze, door kennisneming van de bescheiden, vermeld
in artikel 44, eerste lid, onder a, b, c, d en g, en zo
nodig van die, vermeld in de artikelen 45 en 45a, alsmede in
artikel 27b, zich ervan heeft overtuigd dat naar Nederlands
recht geen beletselen tegen het huwelijk bestaan.
4. De
verklaring van huwelijksbevoegdheid is, te rekenen van het
tijdstip van afgifte, gedurende zes maanden geldig.
Afdeling 3. Stuiting van het huwelijk
Artikel 50
Een huwelijk kan worden gestuit, wanneer
partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan
te gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande
echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van
de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch
op het verkrijgen van toelating tot Nederland.
Artikel 51
1.
Bevoegd tot stuiting, wanneer partijen niet de vereisten in
zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, zijn
bloedverwanten in de rechte lijn, broeders, zusters, voogden
en curatoren van een der aanstaande echtgenoten.
2. De in
het vorige lid genoemde personen zijn ook bevoegd een
huwelijk te stuiten, wanneer de andere aanstaande echtgenoot
onder curatele staat, en het huwelijk klaarblijkelijk het
ongeluk zou veroorzaken van de partij, waarvan zij
bloedverwant, voogd of curator zijn.
Artikel 52
Hij die met een der partijen door huwelijk
verbonden is dan wel met een der partijen een geregistreerd
partnerschap is aangegaan, kan op grond van het bestaan van dat
huwelijk of dat geregistreerd partnerschap een nieuw aan te gaan
huwelijk stuiten.
Artikel 53
1. Het
openbaar ministerie is verplicht een voorgenomen huwelijk te
stuiten, indien het met een der in de artikelen 31 tot en
met 33, 41 en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is.
2. Het
openbaar ministerie is bevoegd het huwelijk te stuiten van
een minderjarige, die onder toezicht is gesteld of onder
voorlopige voogdij is geplaatst, indien het belang van die
minderjarige zich tegen het aangaan van het huwelijk verzet;
daarbij kan het belang dat de wederpartij bij het huwelijk
heeft, mede in aanmerking worden genomen.
3. Het
openbaar ministerie is voorts bevoegd het huwelijk als
schijnhandeling wegens strijd met de Nederlandse openbare
orde te stuiten indien het oogmerk van de aanstaande
echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling
van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden
plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot
Nederland.
Artikel 54
1. De
stuiting geschiedt door betekening van een akte aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van één der gemeenten
waar het huwelijk kan worden voltrokken.
2. De
akte houdt de keus van een woonplaats in die gemeente en de
gronden van de stuiting in en vermeldt de hoedanigheid die
aan de opposant de bevoegdheid geeft om het huwelijk te
stuiten; alles op straffe van nietigheid.
3. De
ambtenaar, aan wie de akte is betekend, zal van de gedane
stuiting onverwijld kennis geven aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand der andere gemeenten, waar het huwelijk
kan worden voltrokken.
4. De
opposant zal afschrift der akte van stuiting onverwijld doen
betekenen aan de partij, tegen welke de stuiting is gericht.
Artikel 55
Een stuiting kan worden opgeheven:
a. op dezelfde wijze als waarop
zij is geschied;
b. door een verklaring, in persoon
afgelegd ten overstaan van een der ambtenaren van de
burgerlijke stand, genoemd in het vorige artikel;
c. door een verklaring, afgelegd
ten overstaan van een notaris;
d. door een in kracht van gewijsde
gegane beschikking, gegeven op verzoek van een
belanghebbende.
Artikel 56
Het huwelijk mag niet worden voltrokken,
voordat de stuiting is opgeheven. Mocht het desniettemin
voltrokken zijn hangende een geding tot opheffing van de
stuiting, dan kan dit geding op verlangen van de opposant worden
voortgezet en wordt het huwelijk nietig verklaard, indien de
rechter de gegrondheid der stuiting aanvaardt.
Artikel 57
Een ambtenaar van de burgerlijke stand aan
wie het bestaan van een der in de artikelen 31 tot en met 33, 41
en 42 omschreven huwelijksbeletselen bekend is, mag niet tot een
huwelijksaangifte of een huwelijksvoltrekking meewerken, ook al
zou geen stuiting hebben plaatsgehad.
Afdeling 4. De voltrekking van het
huwelijk
Artikel 58
1. Komt
vast te staan dat op het tijdstip waarop de voltrekking van
het huwelijk zal plaatsvinden meer dan zes maanden zullen
zijn verstreken sinds de afgifte van een verklaring als
bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder k , dan doet
de ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot de
voltrekking van het huwelijk over te gaan, wederom een
zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van
het derde lid niet vereist is.
2.
Indien de overlegging van een verklaring als bedoeld in
artikel 44, eerste lid, onder k , op het tijdstip van
de aangifte van het huwelijk niet werd vereist, doet de
ambtenaar van de burgerlijke stand zich, alvorens tot
voltrekking van het huwelijk over te gaan, alsnog een
zodanige verklaring overleggen, tenzij zulks op grond van
het derde lid niet vereist is.
3. De
verklaring wordt opgesteld op verzoek van de aanstaande
echtgenoot op wie zij betrekking heeft. Heeft deze geen
woonplaats in Nederland, dan wordt zij opgesteld op verzoek
van de andere aanstaande echtgenoot. De verklaring is niet
vereist indien de aanstaande echtgenoten aannemelijk kunnen
maken dat zij beiden buiten Nederland woonplaats hebben. De
verklaring is evenmin vereist indien de aanstaande
echtgenoot die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in
Nederland rechtmatig verblijft op grond van artikel 8, onder
b, d of e, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 59 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 60 [Vervallen per 01-11-1994]
Artikel 61 [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 62
1.
Het huwelijk mag niet worden voltrokken
vóór de veertiende dag na de datum van de akte van
huwelijksaangifte.
2. Het
openbaar ministerie bij de rechtbank, binnen wier
rechtsgebied de huwelijksaangifte is geschied, is bevoegd
uit hoofde van gewichtige redenen vrijstelling te verlenen
van de voorgeschreven wachttijd.
Artikel 63
Een huwelijk wordt in tegenwoordigheid van
ten minste twee en ten hoogste vier meerderjarige getuigen in
het openbaar in het gemeentehuis voltrokken ten overstaan van de
ambtenaar van de burgerlijke stand van:
a. de woonplaats van één der
partijen ten tijde van de datum van de akte van
huwelijksaangifte, of
b. 's-Gravenhage, in het geval
bedoeld in artikel 43, eerste lid, tweede zin, van dit
boek, of
c. de bij de huwelijksaangifte
aangewezen gemeente.
Artikel 64
Indien een der partijen uit hoofde van een
behoorlijk bewezen wettig beletsel verhinderd wordt zich naar
het gemeentehuis te begeven, kan het huwelijk worden voltrokken
in een bijzonder huis binnen dezelfde gemeente, mits dit in
tegenwoordigheid van zes meerderjarige getuigen geschiedt.
Artikel 65
De aanstaande echtgenoten zijn verplicht
bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor de ambtenaar
van de burgerlijke stand te verschijnen.
Artikel 66
Het staat Onze Minister van Justitie vrij,
uit hoofde van gewichtige redenen aan partijen te vergunnen het
huwelijk door een bijzondere bij authentieke akte gevolmachtigde
te voltrekken.
Artikel 67
1. De
aanstaande echtgenoten moeten ten overstaan van de ambtenaar
van de burgerlijke stand en in tegenwoordigheid van de
getuigen verklaren, dat zij elkander aannemen tot
echtgenoten en dat zij getrouw alle plichten zullen
vervullen, die door de wet aan de huwelijkse staat worden
verbonden.
2.
Terstond nadat deze verklaring is afgelegd, verklaart de
ambtenaar van de burgerlijke stand, dat partijen door de
echt aan elkander zijn verbonden, en maakt hij daarvan in
het daartoe bestemde register een akte op.
Artikel 68
Geen godsdienstige plechtigheden zullen
mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de
eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten
overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is
voltrokken.
Afdeling 5. Nietigverklaring van een
huwelijk
Artikel 69
1. Voor
zover hieronder niet anders is bepaald, kan op grond dat de
echtgenoten niet de vereisten in zich verenigden om tezamen
een huwelijk aan te gaan, de nietigverklaring van het
huwelijk worden verzocht door:
a. de bloedverwanten in de
opgaande lijn van een der echtgenoten;
b. ieder der echtgenoten;
c. alle overige personen, die
daarbij een onmiddellijk rechtsbelang hebben, echter
deze alleen na de ontbinding van het huwelijk;
d. het openbaar ministerie, echter
alleen zolang het huwelijk niet is ontbonden.
2. Hij
die met een der echtgenoten nog door een vroeger huwelijk
dan wel door een eerder geregistreerd partnerschap is
verbonden, is eveneens bevoegd op grond van het bestaan van
dat huwelijk of die registratie de nietigverklaring van het
daarna gesloten huwelijk te verzoeken.
Artikel 70
1. Op
verzoek van de ouders, de echtgenoten en het openbaar
ministerie kan een huwelijk worden nietig verklaard, wanneer
het ten overstaan van een niet bevoegde ambtenaar van de
burgerlijke stand of niet in tegenwoordigheid van het
vereiste aantal getuigen is voltrokken.
2. De
bevoegdheid van een echtgenoot om uit dien hoofde de
nietigverklaring van het huwelijk te verzoeken vervalt,
indien er uiterlijk bezit van de huwelijkse staat en een
akte van huwelijksvoltrekking ten overstaan van een
ambtenaar van de burgerlijke stand verleden, aanwezig zijn.
Artikel 71
1. Een
echtgenoot kan de nietigverklaring van zijn huwelijk
verzoeken, wanneer dit onder invloed van een onrechtmatige
ernstige bedreiging is gesloten.
2. Een
gelijk verzoek komt de echtgenoot toe, die bij de
huwelijksvoltrekking gedwaald heeft hetzij in de persoon van
de andere echtgenoot, hetzij omtrent de betekenis van de
door hem afgelegde verklaring.
3. De
bevoegdheid van de echtgenoot de nietigverklaring wegens
bedreiging of dwaling te verzoeken vervalt, wanneer de
echtgenoten zes maanden hebben samengewoond sedert het
ophouden van de bedreiging of de ontdekking van de dwaling,
zonder dat het verzoek is gedaan.
Artikel 71a
Op verzoek van het openbaar ministerie kan
een huwelijk als schijnhandeling wegens strijd met de
Nederlandse openbare orde worden nietig verklaard indien het
oogmerk van de echtgenoten, of één hunner, niet was gericht op
de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat
verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot
Nederland.
Artikel 72
Een huwelijk kan niet nietig worden
verklaard uit hoofde dat op het tijdstip van de
huwelijksvoltrekking een der echtgenoten onder curatele stond,
en het huwelijk klaarblijkelijk het ongeluk van de andere
echtgenoot zou veroorzaken.
Artikel 73
De nietigverklaring van een huwelijk uit
hoofde van een geestelijke stoornis kan na het ophouden van de
stoornis alleen worden verzocht door de echtgenoot die
geestelijk gestoord was. Het verzoek vervalt door een
samenwoning van ten minste zes maanden na het ophouden van de
stoornis.
Artikel 74
De nietigverklaring van een huwelijk, dat
aangegaan is door iemand die de vereiste leeftijd miste, kan
niet worden verzocht wanneer deze op de dag van het verzoek de
vereiste ouderdom heeft, noch wanneer de vrouw vóór de dag van
het verzoek zwanger is geworden.
Artikel 75
1.
Wegens het ontbreken van een vereiste toestemming van een
derde kan de nietigverklaring van het huwelijk alleen door
die derde of, in het geval van artikel 38 van dit boek, door
de curator worden verzocht. Dit verzoek vervalt, wanneer hij
die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, het
huwelijk uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft goedgekeurd, of
wanneer drie maanden verlopen zijn nadat hij met de
huwelijksvoltrekking bekend is geworden.
2. Hij
die bevoegd is de nietigverklaring te verzoeken, wordt
vermoed met het huwelijk bekend te zijn geworden, wanneer
het hier te lande is voltrokken, of wanneer het, buiten
Nederland aangegaan, hier te lande in de registers van de
burgerlijke stand is ingeschreven.
Artikel 76
Behoudens het in artikel 56 van dit boek
bepaalde, verklaart de rechter een huwelijk alleen nietig op
grond van een verzoek overeenkomstig de bepalingen van deze
afdeling.
Artikel 77
1. De
nietigverklaring van het huwelijk werkt, zodra de
beschikking in kracht van gewijsde is gegaan; zij werkt
terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking.
2.
Nochtans mist de beschikking terugwerkende kracht en heeft
zij hetzelfde gevolg als een echtscheiding:
a. ten aanzien van de kinderen der
echtgenoten;
b. ten aanzien van de te goeder
trouw zijnde echtgenoot; deze kan echter niet op een
gemeenschap van goederen aanspraak maken, wanneer het
huwelijk wegens het bestaan van een vroeger huwelijk of
een eerder geregistreerd partnerschap is nietig
verklaard;
c. ten aanzien van andere personen
dan de echtgenoten en hun kinderen, voor zover zij te
goeder trouw vóór de inschrijving der nietigverklaring
rechten hebben verkregen.
Afdeling 5A. Omzetting van een huwelijk in
een geregistreerd partnerschap
Artikel 77a
1.
Indien twee personen aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand kenbaar maken dat zij het huwelijk dat zij zijn
aangegaan omgezet wensen te zien in een geregistreerd
partnerschap, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand van
de woonplaats van één der partijen ter zake een akte van
omzetting opmaken. Indien de echtgenoten, van wie ten minste
één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten Nederland
woonplaats hebben en in Nederland hun huwelijk willen
omzetten in een geregistreerd partnerschap, geschiedt de
omzetting bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te
's-Gravenhage.
2. De
artikelen 65 en 66 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Een
omzetting doet het huwelijk eindigen en het geregistreerd
partnerschap aanvangen op het tijdstip dat de akte van
omzetting in het register van geregistreerde partnerschappen
is opgemaakt. De omzetting brengt geen wijziging in de al
dan niet bestaande familierechtelijke betrekkingen met
kinderen die voor de omzetting zijn geboren.
Afdeling 6. Bewijs van het bestaan van het
huwelijk
Artikel 78
Het bestaan van een in Nederland gesloten
huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de
huwelijksakte dan wel door de akte van omzetting, bedoeld in
artikel 80g, behoudens in de gevallen bij de volgende artikelen
voorzien.
Artikel 79
Heeft het huwelijksregister niet bestaan
of is het verloren gegaan of ontbreekt daaraan de huwelijksakte,
dan wel de akte van omzetting, bedoeld in artikel 80g, dan kan
het huwelijk door getuigen of bescheiden worden bewezen, mits er
een uiterlijk bezit van de huwelijkse staat aanwezig is.
Artikel 80
Wordt in een geding betwist dat een kind,
dat uiterlijk bezit van staat heeft, uit een huwelijk is
geboren, dan levert het feit dat de ouders openlijk als man en
vrouw hebben geleefd, voldoende bewijs op.
Titel 5A. Het geregistreerd partnerschap
Artikel 80a
1. Een
persoon kan tegelijkertijd slechts met één andere persoon
van hetzelfde of andere geslacht een geregistreerd
partnerschap aangaan.
2. Zij
die een geregistreerd partnerschap aangaan, mogen niet
tegelijkertijd gehuwd zijn.
3.
Registratie van partnerschap geschiedt bij een akte van
registratie van partnerschap opgemaakt door een ambtenaar
van de burgerlijke stand.
4. Zij
die een geregistreerd partnerschap willen aangaan, moeten
daarvan onder overlegging van gegevens omtrent hun
burgerlijke staat, en indien zij eerder een partnerschap
hadden laten registreren of gehuwd zijn geweest, met
vermelding van de namen van de vroegere partner dan wel van
de namen van de vroegere echtgenoot, aangifte doen bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van één
der partijen. Wanneer de aanstaande geregistreerde partners,
van wie ten minste één de Nederlandse nationaliteit bezit,
buiten Nederland woonplaats hebben en in een Nederlandse
gemeente een geregistreerd partnerschap met elkaar willen
aangaan, geschiedt de aangifte bij de ambtenaar van de
burgerlijke stand te 's-Gravenhage. De artikelen 43, tweede
tot en met vierde lid, en 46 zijn van overeenkomstige
toepassing.
5. Een
partnerschapsregistratie kan worden gestuit, indien partijen
niet de vereisten in zich verenigen om de registratie aan te
gaan, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande
geregistreerde partners, of één hunner, niet is gericht op
de vervulling van de door de wet aan de
partnerschapsregistratie verbonden plichten, doch op het
verkrijgen van toelating tot Nederland. Op een stuiting zijn
de artikelen 51, 52, 53, tweede en derde lid, en 54 tot en
met 56 van overeenkomstige toepassing. Het openbaar
ministerie is verplicht een partnerschapsregistratie te
stuiten, indien het met een van de in de artikelen 31, 32,
41 en in het eerste en tweede lid van dit artikel omschreven
beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde
beletselen bekend is, mag hij niet tot een aangifte of
registratie meewerken, ook al zou geen stuiting hebben
plaatsgehad.
6. Ter
zake van de partnerschapsregistratie zijn de artikelen 31,
32, 35 tot en met 39, 41, 44 tot en met 49, 58, en 62 tot en
met 66 van overeenkomstige toepassing.
7. Op de
nietigverklaring van een partnerschapsregistratie zijn van
overeenkomstige toepassing de artikelen 69 tot en met 73,
74, 75 tot en met 77, eerste lid en tweede lid, onderdelen b
en c.
8. Op
het bewijs van het bestaan van de partnerschapsregistratie
zijn de artikelen 78 en 79 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80b
Op een geregistreerd partnerschap zijn de
titels 6, 7 en 8 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80c
1. Het
geregistreerd partnerschap eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die
overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde
afdeling van de achttiende titel van dit boek
vermoedelijk overleden dan wel overleden is verklaard,
nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven
geregistreerde partner een nieuw geregistreerd
partnerschap of huwelijk is aangegaan: door de
voltrekking van dit geregistreerd partnerschap of
huwelijk;
c. met wederzijds goedvinden door
inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand
van een door beide partners en een of meer advocaten of
notarissen ondertekende en gedateerde verklaring waaruit
blijkt dat en op welk tijdstip de partners omtrent de
beëindiging van het geregistreerd partnerschap een
overeenkomst hebben gesloten.
d. door ontbinding op verzoek van
één der partners;
e. door omzetting van een
geregistreerd partnerschap in een huwelijk.
2. Tot
inschrijving van verklaringen als bedoeld in het eerste lid,
onder c, is de ambtenaar van de burgerlijke stand steeds
bevoegd indien het geregistreerd partnerschap in Nederland
is aangegaan. Indien het partnerschap buiten Nederland is
aangegaan, is de ambtenaar van de burgerlijke stand tot
inschrijving van verklaringen als bedoeld in het eerste lid,
onder c, bevoegd indien voldaan is aan de voorwaarden van
artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering voor de bevoegdheid van de rechter in geval
van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Artikel 80d
1. De in
artikel 80c, onder c, bedoelde overeenkomst betreft ten
minste de verklaring van beide partners dat hun
geregistreerd partnerschap duurzaam ontwricht is en dat zij
het willen beëindigen. Voorts betreft de overeenkomst,
evenwel niet op straffe van nietigheid:
a. de uitkering tot
levensonderhoud ten behoeve van de geregistreerde
partner die niet voldoende inkomsten tot zijn
levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan
verwerven;
b. wie van de geregistreerde
partners huurder van de woonruimte die hen tot
hoofdverblijf dient, zal zijn of wie van de
geregistreerde partners gedurende een bij de
overeenkomst te bepalen termijn het gebruik zal hebben
van de woning en de inboedel die een van hen of hen
beiden toebehoren dan wel ten gebruike toekomen;
c. de verdeling van enige
gemeenschap waarin de partners de registratie zijn
aangegaan dan wel de verrekening die bij voorwaarden als
bedoeld in titel 8 is overeengekomen;
d. de verevening of verrekening
van pensioenrechten.
2. Op
een beëindiging van het geregistreerd partnerschap met
wederzijds goedvinden zijn de artikelen 155, 159, eerste en
derde lid, 159a, 160 en 164 van overeenkomstige toepassing.
3. De
verklaring, bedoeld in artikel 80c, onder c, wordt slechts
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand,
indien zij de ambtenaar van de burgerlijke stand uiterlijk
drie maanden na het sluiten van de overeenkomst heeft
bereikt.
Artikel 80e
1. Op
een ontbinding van een geregistreerd partnerschap als
bedoeld in artikel 80c, onder d, zijn de artikelen 151, 153,
155, 157 tot en met 160, 164 en 165 van overeenkomstige
toepassing.
2. De
ontbinding komt tot stand door inschrijving van een
rechterlijke uitspraak op verzoek van partijen of van één
van hen in de registers van de burgerlijke stand. Artikel
163, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 80f
Indien de partijen wier geregistreerd
partnerschap is beëindigd, opnieuw een geregistreerd
partnerschap met elkaar aangaan dan wel met elkaar in het
huwelijk treden, herleven alle gevolgen van het geregistreerd
partnerschap van rechtswege alsof er geen beëindiging heeft
plaats gehad. Nochtans wordt de geldigheid van rechtshandelingen
die tussen de inschrijving van de beëindiging en de nieuwe
registratie of het huwelijk zijn verricht, beoordeeld naar het
tijdstip van de handeling. Op het maken of wijzigen van de
voorwaarden, bedoeld in titel 8, vóór het aangaan van de nieuwe
registratie of het huwelijk is artikel 119 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 80g
1.
Indien twee personen aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand kenbaar maken dat zij het geregistreerd partnerschap
dat zij zijn aangegaan, omgezet wensen te zien in een
huwelijk, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de
woonplaats van één der partijen ter zake een akte van
omzetting opmaken. Indien de geregistreerde partners van wie
ten minste één de Nederlandse nationaliteit bezit, buiten
Nederland woonplaats hebben en in Nederland hun
geregistreerd partnerschap in een huwelijk willen omzetten,
geschiedt de omzetting bij de ambtenaar van de burgerlijke
stand te 's-Gravenhage.
2. De
artikelen 65 en 66 zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Een
omzetting doet het geregistreerd partnerschap eindigen en
het huwelijk aanvangen op het tijdstip dat de akte van
omzetting in het register van huwelijken is opgemaakt. De
omzetting brengt geen wijziging in de al dan niet bestaande
familierechtelijke betrekkingen met kinderen die voor de
omzetting zijn geboren.
Titel 6. Rechten en verplichtingen van
echtgenoten
Artikel 81
Echtgenoten zijn elkander getrouwheid,
hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het
nodige te verschaffen.
Artikel 82
Echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht
de tot het gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen en
op te voeden en de kosten van die verzorging en opvoeding te
dragen.
Artikel 83 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 84
1.
De kosten der huishouding, daaronder
begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen van de
echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste
van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover
de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste
van het gemene vermogen en, voor zover ook dit ontoereikend
is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid
daarvan. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere
omstandigheden zich er tegen verzetten.
2. De
echtgenoten zijn jegens elkaar verplicht dienovereenkomstig
tot de bestrijding van de in het eerste lid bedoelde
uitgaven voldoende gelden ter beschikking te stellen uit de
onder hun bestuur staande goederen, voor zover bijzondere
omstandigheden zich daartegen niet verzetten.
3. Bij
schriftelijke overeenkomst kan een van het eerste en tweede
lid afwijkende regeling worden getroffen.
4.
Geschillen tussen de echtgenoten omtrent de toepassing van
het eerste tot en met derde lid worden door de rechtbank op
verzoek van beiden of een van hen beslist.
5. Op
verzoek van beide of van een van de echtgenoten kan de
rechtbank een gegeven beschikking of een onderling getroffen
regeling wijzigen op grond van veranderde omstandigheden.
Artikel 85
De ene echtgenoot is naast de andere voor
het geheel aansprakelijk voor de door deze ten behoeve van de
gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met
inbegrip van die welke voortvloeien uit de door hem als
werkgever ten behoeve van de huishouding aangegane
arbeidsovereenkomsten.
Artikel 86
1. De
rechtbank kan, wanneer daartoe gegronde redenen bestaan, op
verzoek van een echtgenoot bepalen dat deze niet
aansprakelijk zal zijn voor de door de andere echtgenoot in
het vervolg aangegane verbintenissen als bedoeld in het
vorige artikel.
2. Een
overeenkomstig dit artikel gegeven rechterlijke beschikking
kan bij veranderde omstandigheden op gelijke wijze als zij
is tot stand gekomen, worden gewijzigd of opgeheven.
3. De
beschikking kan aan derden die van haar bestaan onkundig
waren, slechts worden tegengeworpen, indien zij ingeschreven
was in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel
116 van dit boek, en na de inschrijving veertien dagen waren
verlopen.
4. In de
beschikking kan worden bepaald dat zij bovendien moet worden
bekend gemaakt in een of meer door de rechter aangewezen
dagbladen. In dat geval werkt de beschikking ten nadele van
derden die daarvan onkundig waren, ook niet vóór deze
bekendmaking.
Artikel 87 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 88
1.
Een echtgenoot behoeft de toestemming van
de andere echtgenoot voor de volgende rechtshandelingen:
a. overeenkomsten strekkende tot
vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en
rechtshandelingen strekkende tot beëindiging van het
gebruik van een door de echtgenoten tezamen of door de
andere echtgenoot alleen bewoonde woning of van zaken
die bij een zodanige woning of tot de inboedel daarvan
behoren;
b. giften, met uitzondering van de
gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. overeenkomsten die ertoe
strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening
van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk
medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk
maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van
de derde verbindt;
d. overeenkomsten van koop op
afbetaling, behalve van zaken welke kennelijk
uitsluitend of hoofdzakelijk ten behoeve van de normale
uitoefening van zijn beroep of bedrijf strekken.
2. De
echtgenoot behoeft de toestemming niet, indien hij tot het
verrichten der rechtshandeling is verplicht op grond van de
wet of op grond van een voorafgaande rechtshandeling
waarvoor die toestemming is verleend of niet was vereist.
3. De
toestemming moet schriftelijk worden verleend, indien de wet
voor het verrichten van de rechtshandeling een vorm
voorschrijft.
4. In
afwijking van lid 1, onder b, is geen toestemming vereist
voor giften welke de strekking hebben dat zij pas zullen
worden uitgevoerd na het overlijden van degene die de gift
doet, en niet reeds tijdens diens leven worden uitgevoerd.
Bestaat de gift in de aanwijzing van een begunstigde bij een
sommenverzekering die tijdens het leven van de
verzekeringnemer is aanvaard of kan worden aanvaard, dan is
daarvoor wel toestemming vereist.
5.
Toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1
onder c, is niet vereist, indien zij wordt verricht
door een bestuurder van een naamloze vennootschap of van een
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die
daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid
der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de
normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap.
6.
Indien de andere echtgenoot door afwezigheid of een andere
oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te verklaren
of zijn toestemming niet verleent, kan de beslissing van de
rechtbank worden ingeroepen.
Artikel 89
1. Een
rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met het vorige
artikel heeft verricht, is vernietigbaar; slechts de andere
echtgenoot kan een beroep op de vernietigingsgrond doen.
2. Het
vorige lid geldt niet voor een andere handeling dan een
gift, indien de wederpartij te goeder trouw was.
3. Het
einde van het huwelijk en scheiding van tafel en bed hebben
geen invloed op de bevoegdheid om ter vernietiging van een
rechtshandeling van een echtgenoot een beroep op de
vernietigingsgrond te doen, die voordien was ontstaan.
Indien de andere echtgenoot dientengevolge schuldenaar uit
die rechtshandeling wordt, geldt artikel 51 lid 3 van Boek 3
voor hem slechts, zolang de termijn van artikel 52 lid 1 van
Boek 3 niet is verstreken.
4. De
verklaring of rechtsvordering tot vernietiging behoeft in
afwijking van de artikelen 50 lid 1 en 51 lid 2 van Boek 3
niet mede te worden gericht tot de echtgenoot die de
handeling heeft verricht.
5. De
echtgenoot die een beroep op de vernietingsgrond heeft
gedaan, kan tevens alle uit de nietigheid voortvloeiende
rechtsvorderingen instellen.
Artikel 90
1. Een
echtgenoot is bevoegd tot het bestuur van zijn eigen
goederen en, volgens de regels van artikel 97, tot het
bestuur van goederen van een gemeenschap.
2. Het
bestuur van een echtgenoot over een goed omvat de
uitoefening, met uitsluiting van de andere echtgenoot, van
de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder begrepen de
bevoegdheid tot beschikking en de bevoegdheid om ten aanzien
van dat goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te
laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die
de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding
toekomen.
3.
Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat
aan de andere echtgenoot, en deze laatste zijn de bepalingen
omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met
inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de
aard der goederen.
4. De
echtgenoot die een goed bestuurt, kan als partij naast de
andere echtgenoot toetreden tot een rechtshandeling die deze
laatste met betrekking tot dat goed heeft verricht. De
verklaring van toetreding wordt gericht tot hen die partij
bij de rechtshandeling zijn; artikel 56 van Boek 3 is van
overeenkomstige toepassing. Is voor het verrichten van de
rechtshandeling een bepaalde vorm voorgeschreven, dan geldt
voor de toetreding hetzelfde vereiste. De echtgenoot kan
toetreding tot bijkomstige en tot reeds opeisbare rechten en
verplichtingen uitsluiten; hij wordt geacht zich slechts te
hebben verbonden onder eerbiediging van tevoren aan derden
verleende rechten.
Artikel 91
1.
Indien een echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak
in de onmogelijkheid verkeert zijn goederen of de goederen
der gemeenschap te besturen, of in ernstige mate
tekortschiet in het bestuur van de goederen der gemeenschap,
kan de rechtbank op verzoek van de andere echtgenoot aan
deze het bestuur over die goederen of een deel daarvan met
uitsluiting van de eerstgenoemde echtgenoot opdragen. De
rechter kan bij de opdracht nadere regelen stellen omtrent
het bestuur en de vertegenwoordiging in de zin van lid 4.
2. De
artikelen 86 leden 2-4 en 90 lid 3 zijn van overeenkomstige
toepassing.
3. De
rechter gelast de oproeping van beide echtgenoten en, zo de
in lid 1 eerstgenoemde echtgenoot een vertegenwoordiger
heeft aangesteld, ook deze.
4. De
echtgenoot aan wie het bestuur over goederen wordt
opgedragen, is bevoegd tot vertegenwoordiging van de
echtgenoot aan wie het wordt onttrokken, bij andere dan
bestuurshandelingen met betrekking tot die goederen.
Artikel 92
1. Is
aan een derde niet kenbaar wie van de echtgenoten bevoegd is
tot het bestuur over een roerende zaak die geen registergoed
is, of een recht aan toonder, dan mag hij de echtgenoot die
de zaak of het papier aan toonder onder zich heeft, bevoegd
achten.
2. De
echtgenoot die ten gevolge van een rechtshandeling van de
andere echtgenoot door een derde te goeder trouw in het
bestuur van een goed is gestoord, verliest het recht tot
beëindiging van de stoornis, indien hij zich tegen de
stoornis niet heeft verzet binnen een redelijke termijn
nadat zij te zijner kennis is gekomen. De bevoegdheid van de
echtgenoot tot beëindiging van de stoornis vervalt eveneens
indien de derde hem een redelijke termijn heeft gesteld ter
uitoefening van die bevoegdheid en hij daarvan geen gebruik
heeft gemaakt.
3. Aan
een derde kan niet worden tegengeworpen dat een vordering
tot vergoeding welke tijdens het huwelijk is ontstaan wegens
vermogensverschuiving tussen de echtgenoten onderling of
tussen een der echtgenoten en een tussen hen bestaande
gemeenschap, niet opeisbaar is.
Artikel 92a
Deze titel is niet van toepassing op van
tafel en bed gescheiden echtgenoten.
Titel 7. De wettelijke gemeenschap van
goederen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 93
Van het ogenblik der voltrekking van het
huwelijk bestaat tussen de echtgenoten van rechtswege algehele
gemeenschap van goederen, voor zover daarvan bij huwelijkse
voorwaarden niet is afgeweken.
Artikel 94
1. De
gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle
tegenwoordige en toekomstige goederen der echtgenoten, met
uitzondering van goederen ten aanzien waarvan bij uiterste
wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald
dat zij buiten de gemeenschap vallen, en met uitzondering
van het vruchtgebruik, bedoeld in afdeling 2 van titel 3 van
Boek 4.
2. Zij
omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der
echtgenoten.
3.
Goederen en schulden die aan een der echtgenoten op
enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in
de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen
niet verzet.
4.
Onverminderd het in artikel 155 van dit boek bepaalde vallen
pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij
scheiding (Stb. 1994, 342) van toepassing is alsmede
met die pensioenrechten verband houdende rechten op
nabestaandenpensioen niet in de gemeenschap.
Artikel 95
1. Voor
een schuld van een echtgenoot, die in de gemeenschap is
gevallen, kunnen zowel de goederen der gemeenschap als zijn
eigen goederen worden uitgewonnen.
2. De
echtgenoot uit wiens eigen goederen een schuld der
gemeenschap is voldaan, heeft deswege recht op vergoeding
uit de goederen der gemeenschap.
Artikel 96
1. Ook
voor een schuld van een echtgenoot, die niet in de
gemeenschap is gevallen, kunnen de goederen der gemeenschap
worden uitgewonnen, tenzij de andere echtgenoot eigen
goederen van eerstgenoemde aanwijst, die voldoende verhaal
bieden.
2. De
echtgenoot wiens niet in de gemeenschap gevallen schuld uit
goederen der gemeenschap is voldaan, is deswege gehouden tot
vergoeding aan de gemeenschap.
Afdeling 2. Het bestuur van de gemeenschap
Artikel 97
1. Een
goed der gemeenschap staat onder het bestuur van de
echtgenoot van wiens zijde het in de gemeenschap is
gevallen, voor zover niet de echtgenoten bij huwelijkse
voorwaarden anders zijn overeengekomen of de rechter met
toepassing van artikel 91 van dit boek anders heeft bepaald.
Een goed dat moet worden geacht in de plaats te treden van
een bepaald ander goed, komt onder het bestuur van de
echtgenoot die het vervangen goed bestuurde. Een goed dat op
naam van een der echtgenoten is gesteld, staat evenwel onder
diens bestuur. Elk der echtgenoten is bevoegd tot stuiting
van verjaring ten behoeve van de gemeenschap.
2. Is
een goed der gemeenschap met toestemming, verleend door de
echtgenoot onder wiens bestuur het stond, dienstbaar aan een
beroep of bedrijf van de andere echtgenoot, dan berust het
bestuur van dat goed, voor zover het handelingen betreft die
als normale uitoefening van dat beroep of bedrijf zijn te
beschouwen, bij laatstgenoemde echtgenoot en voor het
overige bij de echtgenoten gezamenlijk. Een verleende
toestemming geldt voor de gehele duur van het beroep of
bedrijf, tenzij de echtgenoten anders overeenkomen, doch de
rechtbank kan de dienstbaarheid op verzoek van een
echtgenoot te allen tijde wegens gegronde redenen
beëindigen.
Artikel 98
De echtgenoten verstrekken elkander
desgevraagd inlichtingen over het gevoerde bestuur, alsmede over
de stand der goederen en schulden van de gemeenschap.
Afdeling 3. Ontbinding van de gemeenschap
Artikel 99
1. De
gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden:
a. door het eindigen van het
huwelijk;
b. door scheiding van tafel en
bed;
c. door een beschikking die de
gemeenschap opheft;
d. door opheffing bij latere
huwelijkse voorwaarden.
2.
Tezamen met een verzoek waarvan toewijzing ontbinding tot
gevolg zal hebben kan reeds overeenkomstig titel 7 van Boek
3 een vordering worden ingesteld tot verdeling van de
gemeenschap, tot gelasten van de wijze van verdeling en tot
vaststelling van de verdeling, telkens voor het geval de
gemeenschap wordt ontbonden.
Artikel 100
1. De
echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden
gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse
voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de
echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de
aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de
dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse
voorwaarden.
2. Zij
die bij de ontbinding van de gemeenschap schuldeiser zijn,
behouden het hun toekomende recht van verhaal op de goederen
der gemeenschap, zolang deze niet verdeeld zijn.
Artikel 101
Na de ontbinding der gemeenschap heeft
ieder der echtgenoten de bevoegdheid de te zijnen gebruike
strekkende kleren en kleinodiën, alsmede zijn beroeps- en
bedrijfsmiddelen en de papieren en gedenkstukken tot zijn
familie behorende, tegen de geschatte prijs over te nemen.
Artikel 102
Na ontbinding van de gemeenschap blijft
ieder der echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de
gemeenschapsschulden, waarvoor hij voordien aansprakelijk was.
Voor andere schulden van de gemeenschap is hij voor de helft
aansprakelijk; voor dat gedeelte der schuld is hij hoofdelijk
met de andere echtgenoot verbonden.
Artikel 103
1. Ieder
der echtgenoten heeft het recht van de gemeenschap afstand
te doen; alle daarmede strijdige overeenkomsten zijn nietig.
2. Het
deel der gemeenschap waarvan afstand wordt gedaan, wast aan
bij het deel van de andere echtgenoot.
3. De
echtgenoot die afstand heeft gedaan, kan uit de gemeenschap
niets terugvorderen dan alleen zijn bed met bijbehorend
beddegoed en de kleren die hij voor zijn persoonlijk gebruik
nodig heeft. Hij kan de papieren en gedenkstukken, tot zijn
familie behorende, tegen de geschatte prijs overnemen.
4. Door
deze afstand wordt hij ontheven van de aansprakelijkheid en
de draagplicht voor schulden der gemeenschap, waarvoor hij
vóór de ontbinding der gemeenschap niet aansprakelijk was.
5. Hij
blijft aansprakelijk voor de schulden der gemeenschap,
waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap
aansprakelijk was. Indien hij een schuld, waarvoor beide
echtgenoten vóór de ontbinding der gemeenschap voor het
geheel aansprakelijk waren, voor meer dan de helft heeft
voldaan, heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de andere
echtgenoot.
6.
Indien de andere echtgenoot een schuld der gemeenschap,
waarvoor hij vóór de ontbinding der gemeenschap niet
aansprakelijk was, geheel of ten dele heeft voldaan, heeft
hij deswege verhaal tegen de echtgenoot die de afstand heeft
gedaan. Heeft hij een schuld, waarvoor beide echtgenoten
vóór de ontbinding der gemeenschap voor het geheel
aansprakelijk waren, voor meer dan de helft voldaan, dan
heeft hij voor het meerdere verhaal tegen de echtgenoot die
de afstand heeft gedaan.
Artikel 104
1. De
echtgenoot die van het bij het vorige artikel omschreven
voorrecht wil gebruik maken, is verplicht binnen drie
maanden na de ontbinding der gemeenschap een akte van
afstand te doen inschrijven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van dit
boek, op verbeurte van dit voorrecht.
2.
Indien de gemeenschap door de dood van de andere echtgenoot
wordt ontbonden, begint de termijn van drie maanden te lopen
op de dag waarop de echtgenoot die van het voorrecht wil
gebruik maken, van dat overlijden kennis heeft genomen.
Indien de gemeenschap door opheffing of door scheiding van
tafel en bed is ontbonden, eindigt de termijn drie maanden
nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 105
1. De
erfgenamen van een echtgenoot, door wiens overlijden de
gemeenschap is ontbonden, of die binnen de in het vorige
artikel gestelde termijn is overleden zonder afstand te
hebben gedaan, zijn ieder voor hun aandeel bevoegd op de in
het vorige artikel omschreven wijze afstand te doen binnen
drie maanden nadat zij met het overlijden bekend zijn
geworden.
2. De
aanspraak van de echtgenoot tot terugvordering van zijn bed,
beddegoed, en kleren uit de gemeenschap kan niet worden
overgedragen en gaat ook niet over op zijn erfgenamen.
Artikel 106
De rechtbank van de plaats waar de akte
van afstand moet worden ingeschreven, kan de voor de
inschrijving gestelde termijn voor de afloop daarvan een of meer
malen op grond van bijzondere omstandigheden verlengen.
Artikel 107
1. De
echtgenoot of zijn erfgenaam, die zich de goederen der
gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft
weggemaakt of verduisterd, kan geen afstand meer doen. Daden
van dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen
dit gevolg niet teweeg.
2. Hij
die na gedane afstand goederen der gemeenschap wegmaakt of
verduistert, verliest de bevoegdheid artikel 103 lid 4 van
dit boek in te roepen.
Artikel 108
1.
Afstand van de gemeenschap, door een echtgenoot of een
erfgenaam van een echtgenoot gedaan nadat door de andere
echtgenoot of een of meer van diens erfgenamen afstand werd
gedaan, heeft niet de gevolgen, omschreven in artikel 103
leden 2 en 3 van dit boek, en verplicht hen die tot de
gemeenschap gerechtigd zijn, haar te vereffenen. Afdeling 3
van titel 6 van Boek 4 betreffende de vereffening van
nalatenschappen is zoveel mogelijk van overeenkomstige
toepassing.
2.
Indien hij die tot vereffening van de gemeenschap gehouden
is, na tot het afleggen van de rekening en verantwoording te
zijn aangemaand, in gebreke blijft aan deze verplichting te
voldoen, verliest hij de bevoegdheid artikel 103 lid 4 van
dit boek in te roepen.
Afdeling 4. Opheffing van de gemeenschap
bij beschikking
Artikel 109
Een echtgenoot kan opheffing van de
gemeenschap verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op
lichtvaardige wijze schulden maakt, de goederen der gemeenschap
verspilt, handelingen verricht, die kennelijk indruisen tegen
het bestuur van de andere echtgenoot over goederen der
gemeenschap, of weigert de nodige inlichtingen te geven omtrent
de stand van de goederen der gemeenschap en van de daarop
verhaalbare schulden en het over die goederen gevoerde bestuur.
Artikel 110
1. Het
verzoek moet in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in
artikel 116 van dit boek, worden ingeschreven, en moet
openlijk worden bekend gemaakt in een landelijk dagblad of
in een dagblad verschijnend in de streek waar de tot
kennisneming van het verzoek bevoegde rechter zitting houdt.
De bekendmaking vermeldt de datum van het verzoek en de
naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van ieder
der echtgenoten. De beschikking mag niet worden gegeven
binnen een maand nadat de bekendmaking heeft plaatsgehad.
2. De
echtgenoot die de opheffing van de gemeenschap vraagt, kan
tot behoud van zijn recht de maatregelen nemen, die in het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nader zijn
aangegeven.
Artikel 111
1. De
beschikking, waarbij het verzoek tot opheffing van de
gemeenschap is toegewezen, werkt terug tot de dag, waarop
aan het eerste lid van het vorige artikel is voldaan, vanaf
welke dag de echtgenoten worden geacht te zijn gehuwd met
uitsluiting van gemeenschap van goederen, onder al zodanige
bedingen als de beschikking zal hebben vastgesteld.
2.
Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek is toegewezen, de
gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de aanvang van
het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig
schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft
verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88
van dit boek zonder de vereiste toestemming of machtiging
heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de
gemeenschap te vergoeden.
3. Een
op het vorige lid gegronde vordering kan niet later worden
ingesteld dan drie jaren nadat de beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan.
Artikel 112
1. De
opheffing van de gemeenschap moet, om tegen derden die
daarvan onkundig waren te werken, openlijk worden bekend
gemaakt en, nadat de beschikking in kracht van gewijsde is
gegaan, worden ingeschreven in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116 van dit
boek.
2. De
bekendmaking geschiedt door plaatsing van een uittreksel van
de beschikking in de Staatscourant en in een of meer
in de beschikking aangewezen dagbladen. Het uittreksel bevat
de gegevens, bedoeld in artikel 110, eerste lid, alsmede de
dagtekening van de beschikking en de aanduiding van de
rechtbank die haar heeft gegeven. De gronden waarop de
beschikking berust mogen in het uittreksel niet worden
opgenomen.
Artikel 113
Is de gemeenschap door opheffing
ontbonden, dan kunnen de echtgenoten daarna, echter alleen bij
huwelijkse voorwaarden, wederom een gemeenschap overeenkomen.
Titel 8. Huwelijkse voorwaarden
Afdeling 1. Huwelijkse voorwaarden in het
algemeen
Artikel 114
Huwelijkse voorwaarden kunnen zowel door
aanstaande echtgenoten vóór het sluiten van het huwelijk als
door echtgenoten tijdens het huwelijk worden gemaakt.
Artikel 115
1.
Huwelijkse voorwaarden moeten op straffe van nietigheid bij
notariële akte worden aangegaan.
2. Een
volmacht tot het aangaan van huwelijkse voorwaarden moet
schriftelijk worden verleend en moet de in de huwelijkse
voorwaarden op te nemen bepalingen bevatten.
Artikel 116
1.
Bepalingen in huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden die
daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen, indien
die bepalingen ingeschreven waren in het openbaar
huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie der
rechtbank binnen welker rechtsgebied het huwelijk is
voltrokken, of, indien het huwelijk buiten Nederland is
aangegaan, ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage.
2. De
wijze van inrichting en raadpleging van het register wordt
nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld.
Artikel 117
1.
Huwelijkse voorwaarden vóór het huwelijk gemaakt of
gewijzigd, zijn slechts geldig, indien zij wier toestemming
tot het huwelijk noodzakelijk is, bij de akte hun
toestemming tot de huwelijkse voorwaarden of de wijziging
hebben gegeven; is de toestemming van de rechter nodig, dan
kan worden volstaan met vasthechting van zijn beschikking
aan de minuut van de akte. Op het verzoek tot toestemming
van de rechter is artikel 39 lid 1 van dit boek van
overeenkomstige toepassing.
2. Vóór
het huwelijk gemaakte huwelijkse voorwaarden beginnen te
werken van het tijdstip der voltrekking van het huwelijk;
geen ander tijdstip kan daarvoor worden aangewezen.
Artikel 118
De echtgenoot die onder curatele staat,
kan na de huwelijksvoltrekking slechts met toestemming van zijn
curator huwelijkse voorwaarden maken of wijzigen.
Artikel 119
1. Het
maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het
huwelijk behoeft de goedkeuring van de rechtbank. Bij het
verzoekschrift der echtgenoten wordt een ontwerp van de
notariële akte overgelegd. Het verzoekschrift kan zonder
tussenkomst van een procureur worden ingediend.
2. De
gehele of gedeeltelijke goedkeuring wordt slechts geweigerd,
indien gevaar voor benadeling van schuldeisers bestaat, of
indien een of meer voorwaarden strijden met dwingende
wetsbepalingen, de goede zeden of de openbare orde.
3.
Indien de akte niet is verleden binnen drie maanden na het
in kracht van gewijsde gaan van de beschikking waarbij de
goedkeuring is verleend, vervalt deze.
Artikel 120
1.
Tijdens het huwelijk gemaakte of gewijzigde huwelijkse
voorwaarden beginnen te werken op de dag, volgende op die
waarop de akte is verleden, tenzij in de akte een later
tijdstip is aangewezen.
2.
Bepalingen in deze huwelijkse voorwaarden kunnen aan derden
die daarvan onkundig waren, slechts worden tegengeworpen,
indien zij ten minste veertien dagen in het
huwelijksgoederenregister ingeschreven waren.
Artikel 121
1.
Partijen kunnen bij huwelijkse voorwaarden afwijken van de
regels der wettelijke gemeenschap, mits die voorwaarden niet
met dwingende wetsbepalingen, de goede zeden, of de openbare
orde strijden.
2. Zij
kunnen niet bepalen dat een hunner tot een groter aandeel in
de schulden zal zijn gehouden, dan zijn aandeel in de
goederen der gemeenschap beloopt.
3. Zij
kunnen niet afwijken van de rechten die uit het ouderlijk
gezag voortspruiten, noch van de rechten die de wet aan een
langstlevende echtgenoot toekent.
Artikel 122
De bepalingen van de vorige titel zijn van
toepassing, voor zover daarvan niet uitdrukkelijk of door de
aard der bedingen, bij de huwelijkse voorwaarden gemaakt, is
afgeweken.
Artikel 123
Wanneer bij huwelijkse voorwaarden een
gemeenschap van vruchten en inkomsten is overeengekomen, gelden
de artikelen 124-127 van dit boek, voor zover daarvan niet
uitdrukkelijk of door de aard der bedingen is afgeweken.
Artikel 124
1. De
gemeenschap van vruchten en inkomsten omvat, wat haar baten
betreft, alle goederen die de echtgenoten tijdens het
bestaan van de gemeenschap hebben verkregen anders dan door
erfopvolging, making of gift, met uitzondering van hetgeen
krachtens de volgende leden buiten de gemeenschap valt.
2. Een
goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, blijft
buiten de gemeenschap, indien het voor meer dan de helft van
zijn prijs ten laste van hem persoonlijk komt.
3.
Buiten de gemeenschap valt hetgeen wordt geïnd op een
vordering die buiten de gemeenschap valt, alsmede een
vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed
van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering
ter zake van waardevermindering van zulk een goed.
Artikel 125
De gemeenschap van vruchten en inkomsten
omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van de
echtgenoten, met uitzondering van die welke hetzij bij de
aanvang van de gemeenschap bestonden, hetzij op verkrijgingen
door erfopvolging, making of gift drukken, hetzij slechts de
persoon of eigen goederen van één der echtgenoten betreffen en
noch geheel noch gedeeltelijk uit inkomsten betaald plegen te
worden. Een schuld die een echtgenoot met medeweten van de
schuldeiser in verband met de verwerving van een eigen goed
aangaat, valt niet in de gemeenschap.
Artikel 126
1.
Buiten de gemeenschap van vruchten en inkomsten vallen de
goederen en schulden die behoren tot een door één der
echtgenoten uitgeoefend bedrijf of vrij beroep. Deze
bepaling is niet van toepassing op registergoederen op naam
van de andere echtgenoot.
2. Ten
bate of ten laste van de gemeenschap komen vergoedingen ten
bedrage van de winsten en verliezen van het bedrijf of
beroep, vast te stellen naar normen die in het
maatschappelijk verkeer als redelijk worden beschouwd.
3. Voor
zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te
bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam
uitgeoefend bedrijf hem rechtstreeks of middellijk ten goede
komen, wordt dat bedrijf voor de toepassing van het vorige
lid aangemerkt als een door die echtgenoot uitgeoefend
bedrijf.
Artikel 127
Voor zover bij de ontbinding van de
gemeenschap van vruchten en inkomsten de goederen der
gemeenschap, met inachtneming van de in het vorige artikel en de
artikelen 95 lid 2 en 96 lid 2 van dit boek bedoelde
vergoedingen, niet toereikend zijn om de schulden van de
gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door de echtgenoot
van wiens zijde zij in de gemeenschap zijn gevallen, voor zover
de aard der schulden niet tot een andere draagplicht leidt.
Artikel 128
Wanneer bij huwelijkse voorwaarden is
overeengekomen dat er gemeenschap van winst en verlies zal
bestaan, zijn de artikelen 124-126 van dit boek van
overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan niet
uitdrukkelijk of door de aard der bedingen is afgeweken.
Artikel 129 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 130
Een echtgenoot kan tegen derden zijn
aanbreng van bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap
gehouden goederen, voor wat betreft rechten aan toonder en zaken
die geen registergoederen zijn, slechts bewijzen door hun
vermelding in de akte van huwelijkse voorwaarden of in een door
de partijen en de notaris ondertekende, aan de minuut van die
akte vastgehechte beschrijving. Indien de vermelding van een
goed geen afdoende omschrijving daarvan biedt, kan aanvullend
bewijs door alle middelen worden geleverd; ten aanzien van
goederen die een echtgenoot buiten diens weten opgekomen waren,
kan het bewijs door alle middelen worden geleverd.
Artikel 131
1.
Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen
beiden een recht aan toonder of een zaak die geen
registergoed is, toebehoort en kan geen van beiden zijn
recht op dit goed bewijzen, dan wordt dat goed als
gemeenschapsgoed aangemerkt, wanneer tussen hen een
gemeenschap bestaat die dit goed kan omvatten; bestaat er
geen zodanige gemeenschap, dan wordt het goed geacht aan
ieder der echtgenoten voor de helft toe te behoren.
2. Het
vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der
echtgenoten.
Afdeling 2. Verrekenbedingen
Paragraaf 1. Algemene regels voor
verrekenbedingen
Artikel 132
1. Deze
afdeling is van toepassing op huwelijkse voorwaarden die een
of meer verplichtingen inhouden tot verrekening van
inkomsten of van vermogen.
2.
Tenzij anders is bepaald, kan van deze afdeling bij
huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk of door de aard der
bedingen worden afgeweken.
Artikel 133
1. De
verplichting tot verrekening van inkomsten of van vermogen
is wederkerig.
2. De
verplichting tot verrekening heeft uitsluitend betrekking op
inkomsten die of op vermogen dat de echtgenoten tijdens het
bestaan van deze verplichting hebben verkregen. De
verplichting tot verrekening heeft geen betrekking op
vermogen dat krachtens erfopvolging, making of gift wordt
verkregen en ook niet op de vruchten daaruit of de voor dat
vermogen of voor die vruchten in de plaats getreden
goederen.
Artikel 134
Bij uiterste wilsbeschikking van de
erflater of bij de gift kan worden bepaald dat geen verrekening
van krachtens erfopvolging, making of gift verkregen vermogen en
van de vruchten daarvan plaatsvindt, indien verrekening daarvan
ingevolge huwelijkse voorwaarden zou behoren plaats te vinden.
Artikel 135
1. De
verrekening van inkomsten of van vermogen geschiedt bij
helfte.
2. Op de
verrekening zijn de artikelen 181, 183 en 195 tot en met 200
van Boek 3 van dit wetboek van overeenkomstige toepassing,
met dien verstande dat voor de beoordeling van de vraag of
benadeling als bedoeld in artikel 196 van Boek 3 van dit
wetboek heeft plaatsgevonden, de in artikel 142 genoemde
tijdstippen bepalend zijn. De artikelen 677 tot en met 680
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Een
echtgenoot die opzettelijk een tot het te verrekenen
vermogen behorend goed verzwijgt, zoek maakt of verborgen
houdt waardoor de waarde daarvan niet in de verrekening is
betrokken, dient de waarde daarvan niet te verrekenen, maar
geheel aan de andere echtgenoot te vergoeden.
Artikel 136
1.
Indien een goed onder aanwending van te verrekenen vermogen
is verkregen, wordt het verkregen goed tot het te verrekenen
vermogen gerekend voor het aandeel dat overeenkomt met het
bij de verkrijging uit het te verrekenen vermogen aangewende
gedeelte van de tegenprestatie gedeeld door de totale
tegenprestatie. Indien een echtgenoot in verband met de
verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het
goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen
vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt
gerekend of daaruit is afgelost of betaald.
2.
Bestaat tussen de echtgenoten een geschil omtrent de vraag
of een goed tot het te verrekenen vermogen wordt gerekend en
kan geen van beiden bewijzen dat het goed tot het niet te
verrekenen vermogen wordt gerekend, dan wordt dat goed
aangemerkt als te rekenen tot het te verrekenen vermogen.
Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers der
echtgenoten.
Artikel 137
1.
Onverminderd het derde lid, geschiedt een verrekening in
geld.
2.
Indien op grond van een verrekenbeding over en weer
opeisbare vorderingen ontstaan, worden beide vorderingen van
rechtswege met elkaar verrekend tot aan hun
gemeenschappelijk beloop.
3. Een
echtgenoot is slechts gehouden een inbetalinggeving van
goederen te aanvaarden dan wel kan deze slechts verlangen in
plaats van een verrekening in geld, voor zover de
verrekening in geld naar maatstaven van redelijkheid en
billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Artikel 138
1. De
ene echtgenoot is aan de andere geen verantwoording over het
bestuur van zijn goederen schuldig. Slecht bestuur over die
goederen verplicht niet tot schadevergoeding.
2. De
ene echtgenoot kan jaarlijks van de andere echtgenoot een
gespecificeerde, schriftelijke en ondertekende opgave
verzoeken van de te verrekenen inkomsten en van het te
verrekenen vermogen. Van deze bepaling kan niet worden
afgeweken.
3.
Geschillen tussen de echtgenoten betreffende de opgave
worden op verzoek van een van hen door de rechtbank beslist.
Artikel 139
1. Een
echtgenoot kan de opheffing van de wederzijdse verplichting
tot verrekening verzoeken, wanneer de andere echtgenoot op
lichtvaardige wijze schulden maakt, zijn goederen verspilt
of weigert de in artikel 138, tweede lid, bedoelde
verplichte opgave omtrent zijn te verrekenen inkomsten of
vermogen te verstrekken.
2.
Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek zich richt, het
te verrekenen vermogen benadeelt doordat hij na de aanvang
van het geding of binnen zes maanden daarvoor lichtvaardig
schulden heeft gemaakt, te verrekenen goederen heeft
verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88
zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht,
is hij gehouden de aangerichte schade te vergoeden.
3. Van
het eerste en tweede lid kan niet worden afgeweken.
Artikel 140
1. Op
verzoek van de verrekenplichtige echtgenoot kan de rechter
wegens gewichtige redenen bepalen dat een verschuldigde
geldsom, al dan niet vermeerderd met een in de beschikking
te bepalen rente, in termijnen of eerst na verloop van
zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te
worden voldaan. Hierbij let de rechter op de belangen van
beide partijen. De rechter kan de verrekenplichtige
echtgenoot verplichten binnen een bepaalde tijd zakelijke of
persoonlijke zekerheid te stellen voor de voldoening van de
verschuldigde geldsom.
2.
Hetgeen in het eerste lid omtrent een echtgenoot is bepaald,
geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden voor zijn
rechtverkrijgenden onder algemene titel.
3. Van
het eerste en tweede lid kan niet worden afgeweken.
Paragraaf 2. Periodieke verrekenbedingen
Artikel 141
1.
Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de
huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk
en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de
verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en
strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging
en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over
de vruchten daarvan.
2.
Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de
huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk,
dan eindigt die verrekenplicht op het tijdstip zoals in
artikel 142 bepaald, als dat tijdvak nog loopt.
3.
Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse
voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als
bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het alsdan
aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen
verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van
redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en
omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Artikel 143
is van overeenkomstige toepassing.
4.
Indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te
bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam
uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten
goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook
ondernemingswinsten omvat, worden de niet uitgekeerde
winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het
maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in
aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht
van die echtgenoot, onverminderd het eerste lid.
5. Het
vierde lid is van overeenkomstige toepassing, indien een
echtgenoot op eigen naam een onderneming uitoefent.
6. De
vordering tot verrekening, bedoeld in het eerste lid,
verjaart niet eerder dan drie jaren na de beëindiging van
het huwelijk dan wel het onherroepelijk worden van de
beschikking tot scheiding van tafel en bed. Deze termijn kan
niet worden verkort.
Paragraaf 3. Finale verrekenbedingen
Artikel 142
1. Als
tijdstip waarop de samenstelling en de omvang van het te
verrekenen vermogen worden bepaald, geldt:
a. in geval van het eindigen van
het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door
overlijden: het tijdstip van overlijden;
b. in geval van beëindiging van
het huwelijk door echtscheiding: het tijdstip van
indiening van het verzoek tot echtscheiding;
c. in geval van scheiding van
tafel en bed: het tijdstip van indiening van het verzoek
tot scheiding van tafel en bed;
d. in geval van opheffing van de
wederzijdse verplichting tot verrekening als bedoeld in
artikel 139: het tijdstip van indiening van het verzoek
tot opheffing van die verplichting;
e. in geval van beëindiging van
het geregistreerd partnerschap met wederzijds
goedvinden: het tijdstip waarop de overeenkomst tot
beëindiging wordt gesloten;
f. in geval van ontbinding van het
geregistreerd partnerschap op verzoek: het tijdstip van
indiening van het verzoek;
g. in geval van vermissing en een
daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap:
het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel
417, eerste lid, in kracht van gewijsde is gegaan.
2. Van
het eerste lid, aanhef en onder b tot en met f, kan bij op
schrift gestelde overeenkomst worden afgeweken.
Artikel 143
1. Vanaf
de in het eerste lid van artikel 142 vermelde tijdstippen
kan ieder der echtgenoten verzoeken dat het te verrekenen
vermogen van de andere echtgenoot wordt beschreven.
2. De
artikelen 671 tot en met 676 en 679 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige
toepassing.
3.
Hetgeen in de vorige leden omtrent een echtgenoot is
bepaald, geldt op overeenkomstige wijze na zijn overlijden
voor zijn rechtverkrijgenden onder algemene titel.
4. Van
het eerste tot en met het derde lid kan niet worden
afgeweken.
Artikel 144 [Vervallen per 01-09-2002]
Artikel 145 [Vervallen per 01-09-2002]
Afdeling 3 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 146 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 147 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 148 [Vervallen per 01-01-2003]
Titel 9. Ontbinding van het huwelijk
Afdeling 1. Ontbinding van het huwelijk in
het algemeen
Artikel 149
Het huwelijk eindigt:
a. door de dood;
b. indien de vermiste, die
overeenkomstig de bepalingen van de tweede of derde
afdeling van de achttiende titel van dit boek
vermoedelijk overleden dan wel overleden is verklaard,
nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven
echtgenoot een nieuw huwelijk of geregistreerd
partnerschap is aangegaan: door de voltrekking van dit
huwelijk of geregistreerd partnerschap;
c. door echtscheiding,
overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van
deze titel;
d. door ontbinding van het
huwelijk na scheiding van tafel en bed, overeenkomstig
de bepalingen van de tweede afdeling van de tiende titel
van dit boek;
e. door omzetting van een huwelijk
in een geregistreerd partnerschap.
Afdeling 2. Echtscheiding
Artikel 150
Echtscheiding tussen echtgenoten die niet
van tafel en bed gescheiden zijn, wordt uitgesproken op verzoek
van één der echtgenoten of op hun gemeenschappelijk verzoek.
Artikel 151
Echtscheiding wordt op verzoek van één der
echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht
is.
Artikel 152 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 153
1.
Indien als gevolg van de verzochte
echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan
de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die
het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate
zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat
verzoek verweer voert, kan deze niet worden toegewezen
voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet
op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide
echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een
termijn stellen.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te
verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat
geval voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de duurzame ontwrichting
van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de
andere echtgenoot.
Artikel 154
1.
Echtscheiding wordt op gemeenschappelijk verzoek van de
echtgenoten uitgesproken indien het verzoek is gegrond op
hun beider oordeel dat het huwelijk duurzaam ontwricht is.
2. Ieder
der echtgenoten is tot op het tijdstip der uitspraak bevoegd
het verzoek in te trekken.
Artikel 155
In geval van echtscheiding en voor zover
de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de
echtscheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de
andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding recht op
pensioenverevening, tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien
in deze Wet toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten.
Artikel 156 [Vervallen per 01-01-1993]
Artikel 157
1.
De rechter kan bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak aan de
echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn
levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan
verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere
echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toekennen.
2. Bij
de vaststelling van de uitkering kan de rechter rekening
houden met de behoefte aan een voorziening in het
levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die
tot de uitkering is gehouden.
3. De
rechter kan op verzoek van één van de echtgenoten de
uitkering toekennen onder vaststelling van voorwaarden en
van een termijn. Deze vaststelling kan niet ten gevolge
hebben dat de uitkering later eindigt dan twaalf jaren na de
datum van inschrijving van de beschikking in de registers
van de burgerlijke stand.
4.
Indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, eindigt de
verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het
verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt
op de datum van inschrijving van de beschikking in de
registers van de burgerlijke stand.
5.
Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het
verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo
ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die
termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van
degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden
gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn
vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend
voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.
De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de
termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.
6.
Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf
jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren,
eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege
na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur
van het huwelijk en die aanvangt op de datum van
inschrijving van de beschikking in de registers van de
burgerlijke stand. Indien de rechter een termijn vaststelt,
kan deze vaststelling niet ten gevolge hebben dat de
uitkering op een later tijdstip eindigt dan ingevolge de
vorige zin het geval zou zijn. Het vijfde lid is van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de
eerste zin in plaats van "de in het vierde lid bedoelde
termijn" wordt gelezen: de in de eerste zin bedoelde
termijn.
Artikel 158
Vóór of na de beschikking tot
echtscheiding kunnen de echtgenoten bij overeenkomst bepalen of,
en zo ja tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover
de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn
gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen,
is artikel 157, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 159
1. Bij
de overeenkomst kan worden bedongen dat zij niet bij
rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond
van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan
slechts schriftelijk worden gemaakt.
2. Het
beding vervalt, indien de overeenkomst is aangegaan vóór de
indiening van het verzoek tot echtscheiding, tenzij dit
binnen drie maanden na de overeenkomst is ingediend. Het
voorgaande is van overeenkomstige toepassing bij een
gemeenschappelijk verzoek.
3.
Ondanks een zodanig beding kan op verzoek van een der
partijen de overeenkomst door de rechter bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden
gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van
omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag
worden gehouden.
Artikel 159a
Een overeenkomst als bedoeld in de
artikelen 158 en 159 van dit boek staat niet in de weg aan
verhaal op grond van artikel 13 van de Invoeringswet Wet werk en
bijstand en laat de vaststelling van het te verhalen bedrag
onverlet.
Artikel 160
Een verplichting van een gewezen
echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te
verschaffen aan de wederpartij, eindigt wanneer deze opnieuw in
het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan
wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als
hadden zij hun partnerschap laten registreren.
Artikel 161 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 161a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 162 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 162a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 163
1.
De echtscheiding komt tot stand door de
inschrijving van de beschikking in de registers van de
burgerlijke stand.
2. De
inschrijving geschiedt op verzoek van partijen of van één
van hen.
3.
Indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk
zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Artikel 164
1.
Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van
goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de
aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór
lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der
gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld
in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of
machtiging heeft verricht, is hij gehouden na de
inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is
uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te
vergoeden.
2. Een
op het vorige lid gegronde rechtsvordering kan niet later
worden ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de
beschikking.
Artikel 165
1. Op
verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de
echtscheidingsbeschikking of bij latere uitspraak bepalen
dat, als die echtgenoot ten tijde van de inschrijving van de
beschikking een woning bewoont die aan de andere echtgenoot
uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt, hij
jegens de andere echtgenoot bevoegd is de bewoning en het
gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan
behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van
de beschikking tegen een redelijke vergoeding voort te
zetten.
2. Tegen
hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de
andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden
tegengeworpen ten nadele van zijn in het vorige lid
omschreven bevoegdheid.
3.
Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn
wil te verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste aanleg
over het verzoek tot echtscheiding heeft beslist, op verzoek
van de andere gewezen echtgenoot, bepalen dat het vorige lid
buiten toepassing blijft.
Artikel 166
Indien de gescheiden echtgenoten met
elkander hertrouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan,
herleven alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege, alsof er
geen echtscheiding had plaats gehad. Nochtans wordt de
geldigheid van rechtshandelingen die tussen de ontbinding van
het huwelijk en het nieuwe huwelijk of het geregistreerd
partnerschap zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip der
handeling. Op het maken of wijzigen van de voorwaarden, bedoeld
in titel 8, voor het aangaan van het nieuwe huwelijk of de
registratie vindt artikel 119 overeenkomstige toepassing.
Artikel 167 [Vervallen per 05-07-1982]
Titel 10. Scheiding van tafel en bed en
ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Afdeling 1. Scheiding van tafel en bed
Artikel 168 [Vervallen per 22-06-2001]
Artikel 169
1.
Scheiding van tafel en bed kan worden
verzocht op dezelfde grond en op dezelfde wijze als
echtscheiding.
2. De
artikelen 151, 154 tot en met 159a zijn van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de termijnen, bedoeld in
artikel 157, derde tot en met zesde lid, aanvangen op de dag
waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed is
ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in
artikel 116, en dat de duur van het huwelijk wordt berekend
tot die dag.
3. Een
verplichting van een echtgenoot om uit hoofde van scheiding
van tafel en bed levensonderhoud te verschaffen aan de
andere echtgenoot, eindigt bij ontbinding van het huwelijk.
Artikel 170 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 171 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 171a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 172 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 173
1.
De scheiding van tafel en bed komt tot
stand door de inschrijving van de beschikking in het
huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
2. De
inschrijving geschiedt op verzoek van de echtgenoten of van
één van hen.
3.
Indien het verzoek niet is gedaan uiterlijk zes maanden na
de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is
gegaan, verliest de beschikking haar kracht.
Artikel 174
1.
Indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van
goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de
aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór
lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der
gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld
in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of
machtiging heeft verricht, is hij gehouden, nadat de
beschikking waarbij de scheiding van tafel en bed is
uitgesproken, is ingeschreven, de aangerichte schade aan de
gemeenschap te vergoeden.
2. Een
op het eerste lid gegronde rechtsvordering kan niet later
worden ingesteld dan drie jaren na de inschrijving van de
beschikking van scheiding van tafel en bed.
Artikel 175
1. Op
verzoek van een echtgenoot kan de rechter bij de beschikking
houdende scheiding van tafel en bed of bij latere uitspraak
bepalen dat, als die echtgenoot ten tijde van de
inschrijving van de beschikking een woning bewoont die aan
de andere echtgenoot uitsluitend of mede toebehoort of ten
gebruike toekomt, hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is
de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de
inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na de
inschrijving van de beschikking, tegen een redelijke
vergoeding voort te zetten.
2. Tegen
hem kan een in dat tijdvak zonder zijn toestemming door de
andere echtgenoot verrichte rechtshandeling niet worden
tegengeworpen ten nadele van zijn in het vorige lid
omschreven bevoegdheid.
3.
Weigert hij zijn toestemming of is hij niet in staat zijn
wil te verklaren, dan kan de rechtbank die in eerste aanleg
over het verzoek tot scheiding van tafel en bed heeft
beslist, op verzoek van de andere echtgenoot bepalen dat het
vorige lid buiten toepassing blijft.
Artikel 176
1. Een
scheiding van tafel en bed eindigt door de verzoening van de
echtgenoten, op het tijdstip dat zij op hun eensluidend
verzoek in het huwelijksgoederenregister, aangewezen in
artikel 116, hebben doen inschrijven dat de scheiding heeft
opgehouden te bestaan.
2. De
inschrijving doet alle gevolgen van het huwelijk van
rechtswege herleven, alsof er geen scheiding van tafel en
bed had plaatsgehad. Nochtans wordt de geldigheid van
rechtshandelingen die tussen de scheiding van tafel en bed
en de verzoening zijn verricht, beoordeeld naar het tijdstip
van de handeling.
Artikel 177 [Vervallen per 01-06-2001]
Artikel 178 [Vervallen per 05-07-1982]
Afdeling 2. Ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed
Artikel 179
1.
Ontbinding van het huwelijk van
echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op
verzoek van een der echtgenoten uitgesproken, indien de
scheiding tenminste drie jaren heeft geduurd.
2. De
termijn van drie jaren kan op verzoek van een echtgenoot
worden bekort tot ten minste een jaar, indien de andere
echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in
zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft
gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen
voortbestaan.
Artikel 180
1.
Indien als gevolg van de gevraagde ontbinding van het
huwelijk een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de
andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die
het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate
zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen het
verzoek verweer voert, kan het verzoek niet worden
toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen
die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte
van beide echtgenoten billijk is te achten.
De rechter kan daartoe een termijn
stellen.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing:
a. indien redelijkerwijs te
verwachten is dat de andere echtgenoot zelf voor dat
geval voldoende voorzieningen kan treffen;
b. indien de andere echtgenoot
zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige
mate dat van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan
naar redelijkheid generlei verstrekking van
levensonderhoud zou kunnen worden gevergd.
Artikel 181
Ontbinding van het huwelijk van
echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, wordt op hun
gemeenschappelijk verzoek uitgesproken.
Artikel 182
De artikelen 154, tweede lid, en 157 tot
en met 160 van dit boek zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de in artikel 157, derde tot en met zesde
lid, bedoelde termijnen worden verminderd met de tijd gedurende
welke tijdens de scheiding van tafel en bed een verplichting tot
levensonderhoud jegens de andere echtgenoot bestond en dat de
duur van het huwelijk wordt berekend tot de dag waarop de
beschikking tot scheiding van tafel en bed is ingeschreven in
het huwelijksgoederenregister, aangewezen in artikel 116.
Artikel 183
1. De
ontbinding van het huwelijk komt tot stand door de
inschrijving van de beschikking in de registers van de
burgerlijke stand.
2. De
artikelen 163, tweede en derde lid, en 166 van dit boek zijn
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 184 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 185 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 186 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 187 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 188 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 189 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 190 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 191 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 192 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 193 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 194 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 195 [Vervallen per 01-10-1971]
Artikel 196 [Vervallen per 01-10-1971]
Titel 11. Afstamming
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 197
Een kind, zijn ouders en hun
bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot
elkaar.
Artikel 198
Moeder van een kind is de vrouw uit wie
het kind is geboren of die het kind heeft geadopteerd.
Artikel 199
Vader van een kind is de man:
a. die op het tijdstip van de
geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is
geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt;
b. wiens huwelijk met de vrouw uit
wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de
geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs
indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw
sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was
gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot
sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de
vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten
overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand
verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is
van het kind, van welke verklaring een akte wordt
opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte
hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de
vader van het kind;
c. die het kind heeft erkend;
d. wiens vaderschap gerechtelijk
is vastgesteld; of
e. die het kind heeft geadopteerd.
Afdeling 2. Ontkenning van het door
huwelijk ontstane vaderschap
Artikel 200
1. Het
in artikel 199, onder a en b, bedoelde vaderschap kan, op de
grond dat de man niet de biologische vader van het kind is,
worden ontkend:
a. door de vader of de moeder van
het kind;
b. door het kind zelf.
2. De
vader of moeder kan het in artikel 199, onder a en b,
bedoelde vaderschap niet ontkennen, indien de man vóór het
huwelijk heeft kennis gedragen van de zwangerschap.
3. De
vader of moeder kan het in artikel 199, onder a en b,
bedoelde vaderschap evenmin ontkennen, indien de man heeft
ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot
gevolg kan hebben gehad.
4. Het
tweede en derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van
de vader, indien de moeder hem heeft bedrogen omtrent de
verwekker.
5. Het
verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door
de moeder bij de rechtbank ingediend binnen een jaar na de
geboorte van het kind. Een zodanig verzoek wordt door de
vader ingediend binnen een jaar nadat hij bekend is geworden
met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader
is van het kind.
6. Het
verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning wordt door
het kind bij de rechtbank ingediend binnen drie jaren nadat
het kind bekend is geworden met het feit dat de man
vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind
evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden
met dit feit, kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat
het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
Artikel 201
1.
Overlijdt de vader of de moeder voor de afloop van de in
artikel 200, vijfde lid, gestelde termijn, dan kan een
afstammeling van deze echtgenoot in de eerste graad of, bij
gebreke van zodanige afstammeling, een ouder van deze
echtgenoot, de rechtbank verzoeken de ontkenning van het
vaderschap gegrond te verklaren. Het verzoek wordt gedaan
binnen een jaar na de dag van overlijden of nadat het
overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.
2.
Overlijdt het kind voor de afloop van de in artikel 200,
zesde lid, gestelde termijn, dan kan een afstammeling in de
eerste graad van het kind de rechtbank verzoeken de
ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. Indien
het kind meerderjarig was ten tijde van het overlijden,
wordt het verzoek gedaan binnen een jaar na de dag van
overlijden of binnen een jaar nadat het overlijden ter
kennis van de verzoeker is gekomen. Overleed het kind
gedurende de minderjarigheid, dan dient het verzoek te
worden gedaan binnen een jaar nadat het kind, in leven
zijnde, zelfstandig het verzoek had kunnen doen, dan wel,
indien het overlijden op een later tijdstip ter kennis is
gekomen van de verzoeker binnen een jaar na die
kennisneming.
Artikel 202
1. Nadat
de beschikking houdende gegrondverklaring van een ontkenning
van een door huwelijk ontstaan vaderschap in kracht van
gewijsde is gegaan, wordt het door huwelijk ontstane
vaderschap geacht nimmer gevolg te hebben gehad.
2. Te
goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor
nochtans niet geschaad.
3. Door
de gegrondverklaring van de ontkenning ontstaat geen
vordering tot teruggave van kosten van verzorging en
opvoeding of van kosten van levensonderhoud en studie noch
tot teruggave van het krachtens vruchtgenot genotene. Voorts
ontstaat geen verplichting tot teruggave van genoten
vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen
heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek
daardoor niet was gebaat.
Afdeling 3. Erkenning
Artikel 203
1.
Erkenning kan geschieden:
a. bij een akte van erkenning,
opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand;
b. bij notariële akte.
2. De
erkenning heeft gevolg vanaf het tijdstip waarop zij is
gedaan.
Artikel 204
1. De
erkenning is nietig, indien zij is gedaan:
a. door een man die krachtens
artikel 41 geen huwelijk met de moeder mag sluiten;
b. door een minderjarige die de
leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt;
c. indien het kind de leeftijd van
zestien jaar nog niet heeft bereikt, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de moeder;
d. zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van het kind van twaalf jaren
of ouder;
e. door een op het tijdstip van de
erkenning met een andere vrouw gehuwd man, tenzij de
rechtbank heeft vastgesteld dat aannemelijk is dat
tussen de man en de moeder een band bestaat of heeft
bestaan die in voldoende mate met een huwelijk op één
lijn valt te stellen of dat tussen de man en het kind
een nauwe persoonlijke betrekking bestaat;
f. terwijl er twee ouders zijn.
2. De in
het vorige lid onder c en d vereiste toestemming kan ook
geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van
erkenning.
3. De
toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien
jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het
kind van twaalf jaren of ouder, kan op verzoek van de man
die het kind wil erkennen, door de toestemming van de
rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen
van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of
de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de
verwekker is van het kind.
4. Een
man die wegens geestelijke stoornis onder curatele staat,
mag slechts erkennen nadat daartoe toestemming is verkregen
van de kantonrechter.
Artikel 205
1. Een
verzoek tot vernietiging van de erkenning kan, op de grond
dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is,
bij de rechtbank worden ingediend:
a. door het kind zelf, tenzij de
erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft
plaatsgevonden;
b. door de erkenner, indien hij
door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden
daartoe is bewogen;
c. door de moeder, indien zij door
bedreiging, dwaling, bedrog, of tijdens haar
minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden
bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.
2. Het
openbaar ministerie kan wegens strijd met de Nederlandse
openbare orde, indien de erkenner niet de biologische vader
van het kind is, vernietiging van de erkenning verzoeken.
3. In
geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden, wordt
het verzoek door de erkenner of door de moeder niet later
ingediend dan een jaar nadat deze invloed heeft opgehouden
te werken en, in geval van bedrog of dwaling, binnen een
jaar nadat de verzoeker het bedrog of de dwaling heeft
ontdekt.
4. Het
verzoek wordt door het kind ingediend binnen drie jaren
nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man
vermoedelijk niet zijn biologische vader is. Indien het kind
evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden
met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat
het kind meerderjarig is geworden, worden ingediend.
5. Voor
het geval de erkenner of de moeder overlijdt voor de afloop
van de in het derde lid gestelde termijn, is artikel 201,
eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Voor het geval
het kind overlijdt voor de afloop van de in het vierde lid
gestelde termijn, is artikel 201, tweede lid, van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 206
1. Nadat
de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in
kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht
nimmer gevolg te hebben gehad.
2. Te
goeder trouw door derden verkregen rechten worden hierdoor
nochtans niet geschaad.
3. Door
de vernietiging ontstaat geen vordering tot teruggave van de
kosten van verzorging en opvoeding of van levensonderhoud en
studie noch tot teruggave van het krachtens vruchtgenot
genotene. Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave
van genoten vermogensrechtelijke voordelen die uit de
erkenning zijn voortgevloeid, voor zover degene die hen
heeft genoten ten tijde van het instellen van het verzoek
daardoor niet was gebaat.
Afdeling 4. Gerechtelijke vaststelling van
het vaderschap
Artikel 207
1. Het
vaderschap van een man kan, ook indien deze is overleden, op
de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de
grond dat de man als levensgezel van de moeder ingestemd
heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg
kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld op
verzoek van:
a. de moeder, tenzij het kind de
leeftijd van zestien jaar heeft bereikt;
b. het kind.
2.
Vaststelling van het vaderschap kan niet geschieden, indien:
a. het kind twee ouders heeft;
b. tussen de man en de moeder van
het kind krachtens artikel 41 geen huwelijk zou mogen
worden gesloten; of
c. de in de aanhef van het eerste
lid bedoelde man een minderjarige is die de leeftijd van
zestien jaren nog niet heeft bereikt, tenzij hij voordat
hij deze leeftijd heeft bereikt is overleden.
3. Het
verzoek wordt door de moeder ingediend binnen vijf jaren na
de geboorte van het kind of, in geval van onbekendheid met
de identiteit van de vermoedelijke verwekker dan wel van
onbekendheid met zijn verblijfplaats, binnen vijf jaren na
de dag waarop de identiteit en de verblijfplaats aan de
moeder bekend zijn geworden.
4.
Overlijdt het kind voordat vaststelling van het vaderschap
heeft kunnen plaatsvinden, dan kan een afstammeling van het
kind in de eerste graad de vaststelling van het vaderschap
aan de rechtbank verzoeken, mits de man bedoeld in het
eerste lid, nog in leven is. Het verzoek wordt gedaan binnen
een jaar na de dag van overlijden of binnen een jaar nadat
het overlijden ter kennis van de verzoeker is gekomen.
5. De
vaststelling van het vaderschap, mits de beschikking daartoe
in kracht van gewijsde is gegaan, werkt terug tot het moment
van de geboorte van het kind. Te goeder trouw door derden
verkregen rechten worden hierdoor nochtans niet geschaad.
Voorts ontstaat geen verplichting tot teruggave van
vermogensrechtelijke voordelen, voor zover degene die hen
heeft genoten ten tijde van het doen van het verzoek
daardoor niet was gebaat.
Artikel 208
Bij de uitspraak waarbij het vaderschap
wordt vastgesteld, kan de rechter op een daartoe strekkend
verzoek ten behoeve van het kind een bijdrage toekennen in de
kosten van verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 404 of
in de kosten van levensonderhoud en studie als bedoeld in
artikel 395a.
Afdeling 5. Inroeping of betwisting van
staat
Artikel 209
Iemands afstamming volgens zijn
geboorteakte kan door een ander niet worden betwist, indien hij
een staat overeenkomstig die akte heeft.
Artikel 210
Een verzoek tot gegrondverklaring van de
inroeping of betwisting van staat is niet aan verjaring
onderworpen.
Artikel 211
1. Een
verzoek tot gegrondverklaring van de inroeping van staat kan
worden ingediend:
a. door het kind zelf;
b. door de erfgenamen van het
kind, indien het kind gedurende zijn minderjarigheid of
binnen drie jaren nadien is overleden.
2.
Indien het kind een verzoek als bedoeld in het eerste lid
had ingediend, kunnen zijn erfgenamen de procedure
voortzetten.
Afdeling 6. De bijzondere curator
Artikel 212
In zaken van afstamming wordt het
minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende,
vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd
door de rechtbank die over de zaak beslist.
Artikel 213 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 214 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 215 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 216 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 217 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 218 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 219 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 220 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 221 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 222 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 223 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 224 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 225 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 226 [Vervallen per 01-04-1998]
Titel 12. Adoptie
Artikel 227
1.
Adoptie geschiedt door een uitspraak van
de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op
verzoek van één persoon alleen. Twee personen tezamen kunnen
geen verzoek tot adoptie doen, indien zij krachtens artikel
41 geen huwelijk met elkaar zouden mogen aangaan.
2. Het
verzoek door twee personen tezamen kan slechts worden
gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren
onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek
met elkaar hebben samengeleefd. Het verzoek door de adoptant
die echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel
van de ouder is, kan slechts worden gedaan, indien hij ten
minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande
aan de indiening van het verzoek met die ouder heeft
samengeleefd.
3. Het
verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de adoptie in
het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van
het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst
redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van
zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te
verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel
228, wordt voldaan.
4. Zijn
de voornamen van het kind niet bekend, dan stelt de rechter,
nadat hij de adoptant of adoptanten en het kind, indien dat
twaalf jaren of ouder is, heeft gehoord, bij de
adoptiebeschikking tevens een of meer voornamen vast.
5. In
zaken van adoptie is de minderjarige ouder bekwaam in rechte
op te treden.
Artikel 228
1.
Voorwaarden voor adoptie zijn:
a. dat het kind op de dag van het
eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien
het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is,
ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen
toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde
geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen
toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op
de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog
niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot
een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;
b. dat het kind niet is een
kleinkind van een adoptant;
c. dat de adoptant of ieder der
adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind
is;
d. dat geen der ouders het verzoek
tegenspreekt;
e. dat de minderjarige moeder van
het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van
zestien jaren heeft bereikt;
f. dat de adoptant het kind
gedurende ten minste drie aaneengesloten jaren heeft
verzorgd en opgevoed of, in geval van adoptie door twee
personen tezamen, dat zij het kind gedurende ten minste
een jaar hebben verzorgd en opgevoed; indien de
echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel
van de ouder het kind adopteert, geldt dat de adoptant
en die ouder het kind gedurende ten minste een jaar
hebben verzorgd en opgevoed, tenzij het kind wordt
geboren uit de relatie van de moeder met een levensgezel
van gelijk geslacht;
g. dat de ouder of ouders niet of
niet langer het gezag over het kind hebben. Indien
evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere
levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat
deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot,
geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag
heeft.
2. Aan
de tegenspraak van een ouder als bedoeld in het eerste lid,
onder d, kan worden voorbijgegaan:
a. indien het kind en de ouder
niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd;
of
b. indien de ouder het gezag over
het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding
van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd; of
c. indien de ouder onherroepelijk
is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige
van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII
tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek
van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 229
1. Door
adoptie komen de geadopteerde, de adoptiefouder en zijn
bloedverwanten of de adoptiefouders en hun bloedverwanten in
familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan.
2.
Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen
de geadopteerde, zijn oorspronkelijke ouders en hun
bloedverwanten op te bestaan.
3. In
afwijking van het tweede lid blijft de familierechtelijke
betrekking tussen de geadopteerde en zijn ouder en diens
bloedverwanten bestaan, indien de echtgenoot, geregistreerde
partner of andere levensgezel van die ouder het kind
adopteert.
4.
Indien het kind op het tijdstip van de adoptie omgang heeft
met een ouder ten aanzien van wie de familierechtelijke
betrekking ophoudt te bestaan, kan de rechtbank bepalen dat
zij gerechtigd blijven tot omgang met elkaar. De artikelen
377a, tweede en derde lid, 377e en 377g zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 230
1. De
adoptie heeft haar gevolgen van de dag, waarop de uitspraak
in kracht van gewijsde is gegaan.
2. De
adoptie blijft haar gevolgen behouden, ook al zou blijken,
dat de rechter de door artikel 228 van dit boek gestelde
voorwaarden ten onrechte als vervuld zou hebben aangenomen.
Artikel 231
1. De
adoptie kan door een uitspraak van de rechtbank op verzoek
van de geadopteerde worden herroepen.
2. Het
verzoek kan alleen worden toegewezen, indien de herroeping
in het kennelijk belang van de geadopteerde is, de rechter
van de redelijkheid der herroeping in gemoede overtuigd is,
en het verzoek is ingediend niet eerder dan twee jaren en
niet later dan vijf jaren na de dag, waarop de geadopteerde
meerderjarig is geworden.
Artikel 232
1. Door
herroeping van de adoptie houdt de familierechtelijke
betrekking tussen de geadopteerde en zijn kinderen enerzijds
en de adoptiefouder of adoptiefouders en zijn bloedverwanten
anderzijds op te bestaan.
2. De
familierechtelijke betrekking die door de adoptie opgehouden
had te bestaan, herleeft door de herroeping.
3.
Artikel 230 vindt ten aanzien van de herroeping
overeenkomstige toepassing.
Titel 13. Minderjarigheid
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 233
Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom
van achttien jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd of
geregistreerd zijn dan wel gehuwd of geregistreerd zijn geweest
of met toepassing van artikel 253ha meerderjarig zijn
verklaard.
Artikel 234
1. Een
minderjarige is, mits hij met toestemming van zijn
wettelijke vertegenwoordiger handelt, bekwaam
rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet
anders bepaalt.
2. De
toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde
rechtshandeling of voor een bepaald doel.
3. De
toestemming wordt aan de minderjarige verondersteld te zijn
verleend, indien het een rechtshandeling betreft ten aanzien
waarvan in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat
minderjarigen van zijn leeftijd deze zelfstandig verrichten.
Afdeling 2. Handlichting
Artikel 235
1.
Handlichting waarbij aan een minderjarige bepaalde
bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend, kan
wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft
bereikt, op zijn verzoek door de kantonrechter worden
verleend.
2. Zij
wordt niet verleend tegen de wil van de ouders voor zover
deze het gezag over de minderjarige uitoefenen, met
inachtneming nochtans van artikel 253a.
3. Bij
het verlenen van handlichting bepaalt de kantonrechter
uitdrukkelijk, welke bevoegdheden van een meerderjarige aan
de minderjarige worden toegekend. Deze bevoegdheden mogen
zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de
gehele ontvangst van zijn inkomsten en de beschikking
daarover, het sluiten van verhuringen en verpachtingen, het
in een vennootschap deelnemen en het uitoefenen van een
beroep of bedrijf. De minderjarige wordt echter door
handlichting niet bekwaam tot het beschikken over
registergoederen, effecten, of door hypotheek gedekte
vorderingen.
4. Hij
kan ter zake van de handlichting zelf en van handelingen,
waartoe hij krachtens de verkregen handlichting bekwaam is,
eisende of verwerende in rechte optreden. Artikel 12 lid 1
van dit boek geldt voor die handelingen niet.
Artikel 236
1. Een
verleende handlichting kan door de kantonrechter worden
ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt
of er gegronde vrees bestaat dat hij dit zal doen.
2. De
intrekking geschiedt op verzoek van een van de ouders van de
minderjarige, voor zover deze het gezag over hem uitoefenen
en met inachtneming van artikel 253a, of op verzoek van de
voogd.
Artikel 237
1. Een
beschikking waarbij handlichting is verleend of ingetrokken,
moet worden bekend gemaakt in de Staatscourant en in twee in
de beschikking aan te wijzen dagbladen.
2. In de
bekendmaking moet nauwkeurig worden vermeld hoedanig, en tot
welk einde zij is verleend. Vóór de bekendmaking werkt zomin
de handlichting als haar intrekking tegen derden die hiervan
onkundig waren.
Afdeling 3. De raad voor de
kinderbescherming
Artikel 238
1. Er is
één raad voor de kinderbescherming.
2. De
wet bepaalt de taken en bevoegdheden van de raad voor de
kinderbescherming. Deze worden door de raad voor de
kinderbescherming namens onze Minister van Justitie
uitgevoerd.
3. Ten
behoeve van de vervulling van zijn taak houdt de raad zich
in ieder geval op de hoogte van de ontwikkeling van de
kinderbescherming, bevordert hij de samenwerking met de
instellingen van kinderbescherming en jeugdhulpverlening en
dient hij op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en
instellingen van advies.
4. Zijn
bemoeiingen laten de godsdienstige of levensbeschouwelijke
grondslag van de instellingen van kinderbescherming
onverlet.
5. Bij
algemene maatregel van bestuur worden de zetel, de
werkwijze, voor zover het de samenwerking met de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,
betreft en de organisatie van de raad geregeld.
Artikel 239
1. De
raad voor de kinderbescherming kan optreden ten behoeve van
minderjarigen die in Nederland hetzij hun woonplaats of
laatste woonplaats, hetzij hun werkelijk verblijf hebben.
Eveneens kan de raad optreden ten behoeve van Nederlandse
minderjarigen die in Nederland noch woonplaats, noch laatste
woonplaats, noch werkelijk verblijf hebben.
2. Ten
behoeve van de minderjarigen die binnen een arrondissement
hetzij hun woonplaats of laatste woonplaats, hetzij hun
werkelijk verblijf hebben, treden voor de raad voor de
kinderbescherming de in dat arrondissement aanwezige
werkeenheden van de raad op.
3.
Indien op grond van het vorige lid meer werkeenheden in
verschillende arrondissementen bevoegd zouden zijn ten
behoeve van een zelfde minderjarige op te treden, doet het
optreden van een van deze werkeenheden de bevoegdheid van de
ander eindigen.
4. Ten
behoeve van Nederlandse minderjarigen, die in Nederland noch
woonplaats, noch laatste woonplaats, noch werkelijk verblijf
hebben, treden de werkeenheden van de raad in het
arrondissement Amsterdam op voor de raad voor de
kinderbescherming.
5. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt de behandeling van
klachten ter zake van een bij de raad in behandeling zijnde
of geweest zijnde aangelegenheid van kinderbescherming
geregeld.
Artikel 240
Degene die op grond van een wettelijk
voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot
geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene
die het betreft, aan de raad voor de kinderbescherming
inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden
geacht voor de uitoefening van de taken van de raad.
Artikel 241
1.
Indien de raad voor de kinderbescherming blijkt, dat een
minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat,
of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, verzoekt
hij de rechter in de gezagsuitoefening over deze
minderjarige te voorzien.
2.
Indien dit ter voorkoming van ernstig gevaar voor de
zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van
zulk een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk
is, kan de kinderrechter een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, belasten met
de voorlopige voogdij over de minderjarige. De raad voor de
kinderbescherming wendt zich in dit geval binnen zes weken
tot de rechter teneinde een voorziening in het gezag over
deze minderjarige te verkrijgen.
3. De in
het tweede lid bedoelde maatregel kan eveneens worden
getroffen indien een minderjarige, de leeftijd van zes
maanden nog niet bereikt hebbende en niet staande onder
voogdij van een rechtspersoon, zonder voorafgaande
schriftelijke toestemming van de raad voor de
kinderbescherming als pleegkind is opgenomen.
4. De
kinderrechter beschikt op verzoek van de raad voor de
kinderbescherming of van de officier van justitie. Hij stelt
vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen
van deze minderjarige worden toegekend en bepaalt de duur
van de maatregel.
5. De
maatregel vervalt na verloop van zes weken na de dag van de
beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn om een
voorziening in het gezag over de minderjarige is verzocht.
De kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf
weken bepalen, dit evenwel uitsluitend op de grond dat het
in de eerste volzin bedoelde verzoek aan de vereisten van
artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
zal kunnen voldoen.
6. De
maatregel kan worden ingetrokken of gewijzigd door de
kinderrechter die haar heeft bevolen tenzij een verzoek als
bedoeld in het vijfde lid is ingediend. In dat geval beslist
de rechter bij wie dit verzoek aanhangig is.
7. In
afwijking van het tweede lid, kan de rechter de voorlopige
voogdij over een minderjarige door of voor wie een aanvraag
tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde
tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000
is ingediend, en in verband daarmee in Nederland verblijft,
alsmede over door Onze Minister van Justitie aan te wijzen
categorieën andere minderjarigen, opdragen aan een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid.
Artikel 241a
Op de uitoefening van de voorlopige
voogdij door een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg is artikel 243 van dit Boek van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 242
De raad voor de kinderbescherming stelt
zich op de hoogte van alle gevallen, waarin maatregelen met
betrekking tot het gezag over minderjarigen overwogen dienen te
worden.
Artikel 243
1. De
colleges van burgemeester en wethouders en ambtenaren van de
burgerlijke stand verschaffen de raad voor de
kinderbescherming kosteloos alle inlichtingen, en
verstrekken de raad kosteloos alle afschriften en
uittreksels uit hun registers, die de raad ter uitvoering
van zijn taak van hen vraagt. Wanneer de raad voor de
kinderbescherming een taak vervult of een bevoegdheid
uitoefent op grond van een van de bepalingen van deze titel
of van de titels 9, 10, 14, 15 en 17 van dit boek, alsmede
op grond van de daarmee verband houdende bepalingen van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verschaffen de bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen instanties of
personen de raad kosteloos die inlichtingen die voor een
goede uitoefening van hun taak noodzakelijk zijn.
2. Alle
verzoeken die de raad voor de kinderbescherming ter
uitvoering van zijn taak tot de rechter richt, worden
kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en uittreksels,
die hij tot dat doel aanvraagt, worden hem door de griffiers
vrij van alle kosten uitgereikt.
3.
Exploiten door de deurwaarders ten verzoeke van de raad voor
de kinderbescherming uitgebracht, worden volgens het gewone
tarief vergoed. Procureurs kunnen voor hun aan de raad voor
de kinderbescherming bewezen diensten salaris in rekening
brengen.
4.
Wanneer de raad voor de kinderbescherming op grond van een
van de bepalingen van deze titel, of van de titels 9, 10,
12, 14, 15 en 17 van dit boek in rechte optreedt, kan hij
dit zonder procureur of advocaat doen, behalve in gedingen
die met een dagvaarding aanvangen.
Afdeling 4. Registers betreffende het over
minderjarigen uitgeoefende gezag
Artikel 244
Bij de rechtbanken berusten openbare
registers, waarin aantekening gehouden wordt van rechtsfeiten
die op het over minderjarigen uitgeoefende gezag betrekking
hebben. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
rechtsfeiten aangetekend worden, en op welke wijze deze
aantekening geschiedt.
Titel 14. Het gezag over minderjarige
kinderen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 245
1.
Minderjarigen staan onder gezag.
2. Onder
gezag wordt verstaan ouderlijk gezag dan wel voogdij.
3.
Ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door één
ouder uitgeoefend. Voogdij wordt door een ander dan een
ouder uitgeoefend.
4. Het
gezag heeft betrekking op de persoon van de minderjarige,
het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in
burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte.
5. Het
gezag van de ouder die dit krachtens artikel 253sa of
krachtens een rechterlijke beslissing overeenkomstig artikel
253t samen met een ander dan een ouder uitoefent,
wordt aangemerkt als ouderlijk gezag dat door ouders
gezamenlijk wordt uitgeoefend, tenzij uit een wettelijke
bepaling het tegendeel voortvloeit.
Artikel 246
Onbevoegd tot het gezag zijn
minderjarigen, zij die onder curatele zijn gesteld en zij wier
geestvermogens zodanig zijn gestoord, dat zij in de
onmogelijkheid verkeren het gezag uit te oefenen, tenzij deze
stoornis van tijdelijke aard is.
Artikel 246a [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 247
1.
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en
het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en
op te voeden.
2. Onder
verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de
verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk
welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen
van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de
verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen
geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere
vernederende behandeling toe.
Artikel 248
Het tweede lid van artikel 247 van dit
boek is van overeenkomstige toepassing op de voogd en op degene
die een minderjarige verzorgt en opvoedt zonder dat hem het
gezag over die minderjarige toekomt.
Artikel 249
De minderjarige dient rekening te houden
met de aan de ouder of voogd in het kader van de uitoefening van
het gezag toekomende bevoegdheden, alsmede met de belangen van
de overige leden van het gezin waarvan hij deel uitmaakt.
Artikel 250
Wanneer in aangelegenheden betreffende
diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de
minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of
een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd
zijn met die van de minderjarige, benoemt de kantonrechter
indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk
acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd
in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of
ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake,
zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.
Afdeling 2. Ouderlijk gezag
§ 1. Het gezamenlijk gezag van ouders
binnen en buiten huwelijk en het gezag van één ouder na
scheiding
Artikel 251
1.
Gedurende hun huwelijk oefenen de ouders het gezag
gezamenlijk uit.
2. Na
ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na
scheiding van tafel en bed blijven de ouders die gezamenlijk
het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij
de rechter op verzoek van de ouders of een van hen in het
belang van het kind bepaalt dat het gezag over een kind of
de kinderen aan een van hen alleen toekomt.
3. De
beslissing op grond van het tweede lid wordt gegeven bij de
beschikking houdende scheiding van tafel en bed,
echtscheiding dan wel ontbinding van het huwelijk na
scheiding van tafel en bed of bij latere beschikking. Totdat
het gezag van één van beide ouders aanvangt, komt dit toe
aan degene die ook tijdens het geding het gezag uitoefende,
zulks met dezelfde bevoegdheden en onder dezelfde
verplichtingen als deze toen had.
4.
Indien een beslissing op grond van het tweede lid niet alle
kinderen der echtgenoten betrof, vult de rechtbank haar aan
op verzoek van een der ouders, van de raad voor de
kinderbescherming of ambtshalve.
Artikel 251a
De rechter kan, indien hem blijkt dat de
minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt,
ambtshalve een beslissing geven op de voet van artikel 251,
tweede lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd
van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan
worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter
zake.
Artikel 252
1. De
ouders die niet met elkaar zijn gehuwd noch met elkaar
gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun
minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend,
oefenen dit gezamenlijk uit, indien zulks op hun beider
verzoek in het in artikel 244 van dit boek bedoelde register
is aangetekend.
2. De
aantekening wordt door de griffier geweigerd, indien op het
tijdstip van het verzoek:
a. één of beide ouders onbevoegd
is tot het gezag; of
b. één van beide ouders is
ontheven of ontzet van het gezag en de andere ouder het
gezag uitoefent; of
c. een voogd met het gezag over
het kind is belast; of
d. de voorziening in het gezag
over het kind is komen te ontbreken; of
e. de ouder die het gezag heeft,
dit gezamenlijk met een ander dan een ouder uitoefent.
3. Tegen
de weigering van de aantekening is alleen beroep mogelijk,
indien zij heeft plaatsgevonden op grond van onbevoegdheid
van één of beide ouders tot het gezag anders dan vanwege
minderjarigheid of ondercuratelestelling. Alsdan kan de
rechtbank worden verzocht de aantekening te gelasten. Zij
wijst het verzoek af, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
Artikel 253
1.
Indien gewezen echtgenoten met elkaar hertrouwen dan wel een
geregistreerd partnerschap aangegaan en onmiddellijk daaraan
voorafgaande één der echtgenoten het gezag over de
minderjarige kinderen uitoefende, herleeft van rechtswege
het gezamenlijk gezag, tenzij een der echtgenoten onbevoegd
is tot dit gezag of daarvan is ontheven of ontzet dan wel
het gezag gezamenlijk met een ander dan de ouder uitoefent.
2. De
echtgenoot voor wie het gezag niet is herleefd, kan de
rechtbank verzoeken hem daarmede te belasten. Dit verzoek
wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat
bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
3. Het
eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing,
indien door verzoening van de echtgenoten een scheiding van
tafel en bed eindigt.
4. Het
eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing
indien gewezen geregistreerde partners die gezamenlijk gezag
uitoefenden over het kind, opnieuw met elkaar een
geregistreerd partnerschap aangaan dan wel met elkaar huwen.
Artikel 253a
Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening
kunnen geschillen tussen de ouders hieromtrent op verzoek van
beiden of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
Deze beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de
ouders. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in
het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Paragraaf 1a. Het gezamenlijk gezag van
ouders binnen een geregistreerd partnerschap
Artikel 253aa
1. Over
een staande een geregistreerd partnerschap geboren kind
oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit.
2. De
bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van
ouders zijn hierop van toepassing, met uitzondering van de
artikelen 251, tweede, derde en vierde lid, en 251a.
§ 2. Het gezag van één ouder anders dan na
scheiding
Artikel 253b
1.
Indien ten aanzien van een kind alleen het moederschap
vaststaat of indien de ouders van een kind niet met elkaar
gehuwd zijn dan wel gehuwd zijn geweest en zij het gezag
niet gezamenlijk uitoefenen, oefent de moeder van rechtswege
het gezag over het kind alleen uit, tenzij zij bij haar
bevalling onbevoegd tot het gezag was.
2. De in
het eerste lid bedoelde moeder die ten tijde van haar
bevalling onbevoegd was tot het gezag, verkrijgt dit van
rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt,
tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast.
3.
Indien op bedoeld tijdstip een ander het gezag heeft, kan de
tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken hem met
het gezag over het kind te belasten.
4.
Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent,
wordt dit verzoek slechts ingewilligd, indien de rechter dit
in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
5.
Wanneer een voogd het gezag over het kind uitoefent, wordt
het verzoek slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat
dat bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
Artikel 253c
1. De
tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het
gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, kan de
rechtbank verzoeken hem met het gezag over het kind te
belasten.
2.
Wanneer de moeder het gezag over het kind uitoefent, wordt
dit verzoek slechts ingewilligd, indien de rechter dit in
het belang van het kind wenselijk oordeelt.
3.
Wanneer niet in het gezag is voorzien of wanneer een voogd
het gezag uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen,
indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
Artikel 253d
1.
Indien de voorziening in het gezag over een kind als bedoeld
in artikel 253b, eerste lid, van dit boek komt te ontbreken,
kunnen zowel zijn moeder als zijn vader dan wel beiden voor
zover zij tot het gezag bevoegd zijn - de rechtbank
verzoeken met het gezag onderscheidenlijk gezamenlijk gezag
te worden belast.
2. Het
in het eerste lid bedoelde verzoek wordt slechts afgewezen,
indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd.
3.
Hebben beiden een verzoek ingediend anders dan tot
gezamenlijke gezagsuitoefening, dan willigt de rechter het
verzoek in van degene wiens gezag over het kind hij het
meeste in het belang van het kind oordeelt.
4.
Indien, voordat over het verzoek van één ouder is beslist,
de andere ouder van rechtswege het gezag over het kind
verkrijgt, willigt de rechter het verzoek slechts in, indien
hij dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.
Artikel 253e
Inwilliging van het verzoek van een der
ouders als bedoeld in de artikelen 253b, 253c en 253d van dit
boek heeft, indien de ander het gezag tot dusverre uitoefende,
tot gevolg dat de laatste het gezag verliest.
Artikel 253f
Na de dood van een der ouders oefent de
overlevende ouder van rechtswege het gezag over de kinderen uit,
indien en voor zover hij op het tijdstip van overlijden het
gezag uitoefent.
Artikel 253g
1.
Indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over
hun minderjarige kinderen alleen uitoefent, bepaalt de
rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag
over deze kinderen wordt belast.
2. De
rechter doet dit op verzoek van de raad voor de
kinderbescherming, de overlevende ouder of ambtshalve.
3. Het
verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten
wordt slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat
bij inwilliging de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd.
4. De
bepaling van het voorgaande lid is mede van toepassing
indien de overleden ouder een voogd had aangewezen
overeenkomstig artikel 292 van dit boek.
Artikel 253h
1.
Indien na het overlijden van één der ouders een voogd is
benoemd, kan de rechter deze beslissing te allen tijde in
dier voege wijzigen, dat de overlevende ouder mits deze
daartoe bevoegd is, alsnog met het gezag wordt belast.
2. Zij
gaat hiertoe slechts over op verzoek van de overlevende
ouder, en niet dan op grond dat nadien de omstandigheden
zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van
onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.
Wanneer de andere ouder een voogd had aangewezen
overeenkomstig artikel 292 van dit boek en deze inmiddels is
opgetreden, is dit artikel van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat, mits het verzoek van de overlevende
ouder binnen één jaar na het begin van de voogdij wordt
gedaan, dit verzoek slechts wordt afgewezen indien gegronde
vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van de
kinderen zouden worden verwaarloosd.
§ 2a. Gezag na meerderjarigverklaring
Artikel 253ha
1. De
minderjarige vrouw die als degene die het gezag heeft, haar
kind wenst te verzorgen en op te voeden kan, indien zij de
leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, de kinderrechter
verzoeken haar meerderjarig te verklaren.
2. Het
verzoek kan ten behoeve van de vrouw ook worden gedaan door
de raad voor de kinderbescherming. Deze behoeft hiertoe haar
schriftelijke toestemming. Het verzoek vervalt, indien de
vrouw haar toestemming intrekt.
3. Het
verzoek kan ook voor de bevalling door of ten behoeve van de
vrouw worden gedaan, alsmede indien de vrouw eerst omstreeks
het tijdstip van haar bevalling de leeftijd van zestien
jaren zal hebben bereikt. In dat geval wordt op het verzoek
niet eerder dan na de bevalling of, indien de vrouw op dat
tijdstip nog geen zestien jaar is, nadat zij die leeftijd
heeft bereikt, beslist.
4. De
kinderrechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit
in het belang van de moeder en haar kind wenselijk oordeelt.
Indien een ander met het gezag is belast, wordt de moeder
daarmee belast.
5. De
minderjarige vrouw is bekwaam in rechte op te treden en
tegen een uitspraak beroep in te stellen.
§ 3. Het bewind van de ouders
Artikel 253i
1.
Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening voeren de ouders
gezamenlijk het bewind over het vermogen van het kind en
vertegenwoordigen zij gezamenlijk het kind in burgerlijke
handelingen, met dien verstande dat een ouder alleen, mits
niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe
ook bevoegd is.
2.
Artikel 253a van dit boek is van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat in plaats van "de
rechtbank" wordt gelezen "de kantonrechter".
3.
Oefent een ouder het gezag alleen uit, dan wordt door die
ouder het bewind over het vermogen van het kind gevoerd en
het kind in burgerlijke handelingen vertegenwoordigd.
4. Van
het bepaalde in het eerste en derde lid kan worden
afgeweken:
a. indien de rechter bij de
beschikking waarbij de uitoefening van het gezag over
het kind aan een van de ouders wordt opgedragen op
eensluidend verzoek van de ouders of op verzoek van één
van hen, mits de ander zich daartegen niet verzet, heeft
bepaald dat de ouder die niet het gezag over het kind
zal uitoefenen, het bewind over het vermogen van het
kind zal voeren;
b. ingevolge artikel 276, tweede
lid, van dit boek, bij ontheffing of ontzetting van het
gezag;
c. indien hij die een minderjarige
goederen schenkt of vermaakt, bij de gift,
onderscheidenlijk bij de uiterste wilsbeschikking, heeft
bepaald dat een ander het bewind over die goederen zal
voeren.
5. In
het laatstbedoelde geval zijn de ouders, of - indien een
ouder het gezag alleen uitoefent - die ouder, bevoegd van de
bewindvoerder rekening en verantwoording te vragen.
6. Bij
het vervallen van het door de schenker of erflater ingesteld
bewind zijn het eerste en tweede lid, onderscheidenlijk het
derde lid, van toepassing.
Artikel 253j
De ouders of een ouder moeten het bewind
over het vermogen van hun kind als goede bewindvoerders voeren.
Bij slecht bewind zijn zij voor de daaraan te wijten schade
aansprakelijk, behoudens voor de vruchten van dat vermogen voor
zover de wet hun het genot daarvan toekent.
Artikel 253k
Op het bewind van de ouders of een ouder
zijn de artikelen 342, tweede lid, 344 tot en met 357 en 370 van
dit boek van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253l
1. Elke
ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, heeft het
vruchtgenot van diens vermogen. Indien het kind bij de ouder
inwoont en anders dan incidenteel inkomen uit arbeid geniet,
is het verplicht naar draagkracht bij te dragen in de kosten
van de huishouding van het gezin.
2. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval de
ouder van het gezag is ontheven, tenzij de andere ouder het
gezag uitoefent.
3. Aan
bedoeld vruchtgenot zijn de lasten verbonden, die op
vruchtgebruikers rusten.
Artikel 253m
De ouder heeft geen vruchtgenot van het
vermogen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van
de erflater of bij de gift is bepaald dat de ouders daarvan het
vruchtgenot niet zullen hebben.
Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen
betreffende de gezagsuitoefening door de ouders en de
gezagsuitoefening door één van hen
Artikel 253n
1. Op
verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen
kan de rechtbank het gezamenlijk gezag, bedoeld in de
artikelen 251, tweede lid, 252, eerste lid, 253q, vijfde
lid, of 277, eerste lid, beëindigen, indien nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de
beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders
voortaan in het belang van het kind het gezag over ieder der
minderjarige kinderen toekomt.
2. Het
vierde lid van artikel 251 van dit boek is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 253o
1.
Beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is
belast, gegeven ingevolge het bepaalde in de paragrafen 1, 2
en 2a van deze titel en het bepaalde in artikel 253n van dit
boek kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen door
de rechtbank worden gewijzigd op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de
beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan. Een verzoek om alsnog gezamenlijk met het gezag
over hun minderjarige kinderen te worden belast, kan slechts
van beide ouders afkomstig zijn.
Artikel 253p
1. In de
gevallen waarin door de rechter het gezag wordt opgedragen
aan beide ouders of aan een ouder alleen, neemt dit een
aanvang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van
gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad
is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of
verzonden.
2. Na de
gerechtelijke ontbinding van het huwelijk of na scheiding
van tafel en bed begint het gezag nochtans niet voordat de
beschikking houdende ontbinding van het huwelijk is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand of
voordat de beschikking houdende scheiding van tafel en bed
is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, aangewezen
in artikel 116.
3.
Indien een aantekening was gedaan als bedoeld in artikel
252, eerste lid, van dit boek, begint het aan één der ouders
opgedragen gezag nochtans niet, dan nadat deze aantekening
door de griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de
griffier schriftelijk mededeling aan beide ouders.
Artikel 253q
1.
Wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun
minderjarige kinderen uitoefenen, op een der in artikel 246
genoemde gronden daartoe onbevoegd is, oefent de andere
ouder alleen het gezag over de kinderen uit. Wanneer de
grond van de onbevoegdheid is weggevallen, herleeft van
rechtswege het gezamenlijke gezag.
2.
Wanneer beide ouders die gezamenlijk het gezag over hun
minderjarige kinderen uitoefenen, daartoe op een der in
artikel 246 genoemde gronden onbevoegd zijn, benoemt de
rechtbank een voogd.
3.
Wanneer een ouder die alleen het gezag uitoefent, op een der
in artikel 246 genoemde gronden daartoe onbevoegd is, belast
de rechtbank de andere ouder met het gezag, tenzij gegronde
vrees bestaat dat de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd. Alsdan benoemt zij een voogd.
4. De in
het tweede en derde lid bedoelde beslissingen worden gegeven
op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de
minderjarige, de raad voor de kinderbescherming of
ambtshalve.
5.
Wanneer de grond van de onbevoegdheid van de in het derde
lid eerstgenoemde ouder is vervallen, wordt hij, op zijn
verzoek, wederom met het gezag belast, indien de rechtbank
overtuigd is dat het kind wederom aan de ouder mag worden
toevertrouwd. Indien de ouders gezamenlijk met het gezag
wensen te worden belast, dient het verzoek daartoe van
beiden afkomstig te zijn.
Artikel 253r
1. Het
bepaalde in artikel 253q van dit boek is van
overeenkomstige toepassing, indien:
a. één of beide ouders al dan niet
tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te
oefenen; of
b. het bestaan of de
verblijfplaats van één of beide ouders onbekend is.
2. Het
gezag dat aan één of beide ouders toekomt, is geschorst
gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid
bedoelde omstandigheden zich voordoet.
Artikel 253s
1.
Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag
over hem uitoefenen, gedurende ten minste een jaar door een
of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en
opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van
degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben
genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen.
2. Voor
zover de volgens het vorige lid vereiste toestemmingen niet
worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de ouders door
die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt
slechts afgewezen, indien gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
3. In
geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van
kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn,
welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is
echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot
ondertoezichtstelling van het kind, dan wel tot ontheffing
of ontzetting van een of beide ouders aanhangig gemaakt, dan
blijft de beschikking gelden, totdat op het verzoek bij
gewijsde is beslist.
Afdeling 3A. Gezamenlijk gezag van een
ouder tezamen met een ander dan een ouder
Paragraaf 1. Het gezamenlijk gezag van
rechtswege van een ouder tezamen met een ander dan een ouder
Artikel 253sa
1. Over
een staande huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren
kind oefenen een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde
partner die niet de ouder is, gezamenlijk het gezag uit,
tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking
staat tot een andere ouder.
2. De
bepalingen met betrekking tot het gezamenlijk gezag van
ouders zijn hierop van overeenkomstige toepassing, met
uitzondering van de artikelen 251, tweede, derde en vierde
lid, en 251a.
3.
Artikel 5, vierde, vijfde en zevende lid, is van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van het kind, over
wie de ouder en zijn geregistreerde partner die niet de
ouder is, van rechtswege gezamenlijk het gezag zullen
uitoefenen of uitoefenen, met dien verstande dat, indien de
ouder en zijn partner niet uiterlijk ter gelegenheid van de
aangifte van de geboorte naamskeuze hebben gedaan, de
ambtenaar van de burgerlijke stand als geslachtsnaam van het
kind de geslachtsnaam van de moeder in de geboorteakte
opneemt.
Paragraaf 2. Het gezamenlijk gezag van een
ouder tezamen met een ander dan een ouder krachtens rechterlijke
beslissing
Artikel 253t
1.
Indien het gezag over een kind bij één ouder berust, kan de
rechtbank op gezamenlijk verzoek van de met het gezag
belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe
persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk
met het gezag over het kind belasten.
2. In
het geval dat het kind tevens in familierechtelijke
betrekking staat tot een andere ouder wordt het verzoek
slechts toegewezen, indien:
a. de ouder en de ander op de dag
van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten
periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad;
en
b. de ouder die het verzoek doet
op de dag van het verzoek gedurende ten minste een
aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het
gezag belast is geweest.
3. Het
verzoek wordt afgewezen indien, mede in het licht van de
belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat
bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
4. Het
gezamenlijk gezag, bedoeld in het eerste lid, kan niet
worden toegekend in de gevallen, bedoeld in artikel 253q,
eerste lid, en artikel 253r . Het staat niet open
voor rechtspersonen.
5. Een
verzoek als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van
een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind
in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de
ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien
a. het kind van twaalf jaar of
ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft
ingestemd met het verzoek;
b. het verzoek, bedoeld in het
eerste lid, wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich
tegen toewijzing verzet.
Artikel 253u
Het gezamenlijk gezag begint op de dag
waarop de beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van
gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is
verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
Artikel 253v
1. Op de
gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouder en de ander
zijn de artikelen 246, 247, 249, 250, 253a , 253j tot en met
253m , 253q, eerste lid, alsmede 253r van overeenkomstige
toepassing.
2.
Artikel 253i is van overeenkomstige toepassing, tenzij de
met het gezag belaste ouder het bewind niet voert ingevolge
artikel 253i, vierde lid, onder a of c .
3.
Artikel 253n is van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de rechtbank een beslissing tot beëindiging
van het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 253t , niet
geeft dan nadat zij de niet met het gezag belaste ouder dan
wel beide ouders tezamen in de gelegenheid heeft gesteld te
verzoeken in het belang van het kind onderscheidenlijk hem
met het gezag over het kind te belasten of hen gezamenlijk
daarmee te belasten.
4.
Indien de rechtbank na beëindiging van het gezamenlijk gezag
van de ouder en de ander, deze ander met de voogdij heeft
belast, kan zij te allen tijde wegens wijziging van
omstandigheden een ouder op diens verzoek in het belang van
het kind met het gezag belasten dan wel de ouders die
gezamenlijk het gezag hebben uitgeoefend, op hun beider
verzoek in het belang van het kind gezamenlijk met het gezag
belasten.
5.
Artikel 253q, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing
met dien verstande dat de rechtbank geen voogd benoemt dan
nadat zij de niet met het gezag belaste ouder in de
gelegenheid heeft gesteld te verzoeken in het belang van het
kind hem met het gezag over het kind te belasten. Het
verzoek, bedoeld in artikel 253q, tweede lid, kan tevens
door de ander dan de ouder worden gedaan.
6. De
afdelingen 4 en 5 van deze titel zijn van overeenkomstige
toepassing op het gezamenlijk gezag van de ouder en de
ander, met dien verstande dat in geval van ontheffing of
ontzetting van de ouder die gezamenlijk met de ander het
gezag uitoefent, de ander niet alleen met het gezag wordt
belast dan nadat de rechtbank de niet met het gezag belaste
ouder in de gelegenheid heeft gesteld te verzoeken hem met
het gezag over het kind te belasten.
Paragraaf 3. Gemeenschappelijke bepalingen
inzake het gezamenlijk gezag van een ouder tezamen met een ander
dan een ouder
Artikel 253w
De ander die met de ouder gezamenlijk het
gezag uitoefent, is verplicht tot het verstrekken van
levensonderhoud jegens het kind dat onder zijn gezag staat.
Indien het gezamenlijk gezag door de meerderjarigheid van het
kind is geëindigd, duurt de onderhoudsplicht voort totdat het
kind de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. Nadat een
rechterlijke beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk
gezag in kracht van gewijsde is gegaan of na het overlijden van
de ouder met wie tot het tijdstip van overlijden het gezag
gezamenlijk werd uitgeoefend, blijft deze onderhoudsplicht
gedurende de termijn dat het gezamenlijk gezag heeft geduurd,
bestaan, tenzij de rechter in bijzondere omstandigheden op
verzoek van de ouder of de ander een langere termijn bepaalt.
Zij eindigt uiterlijk op het tijdstip dat het kind de leeftijd
van eenentwintig jaren heeft bereikt. De artikelen 392, derde
lid, 395a, eerste lid, 395b, 397, 398, 399, 400, 401, eerste,
vierde en vijfde lid, 402, 402a, 403, 404, eerste lid, 406 en
408 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 253x
1. Na de
dood van de ouder die tezamen met de ander het gezag
uitoefende, oefent die ander van rechtswege de voogdij over
de kinderen uit.
2. De
rechtbank kan op verzoek van de overlevende ouder te allen
tijde bepalen dat deze, mits daartoe bevoegd, alsnog met het
gezag wordt belast.
3. De
artikelen 253g en h zijn niet van toepassing.
Artikel 253y
1. Het
gezamenlijk gezag, bedoeld in de artikelen 253sa en 253t,
eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de
beschikking waarbij aan de ouders gezamenlijk gezag is
toegekend of het gezamenlijk gezag van de ouder en de ander
is beëindigd.
2. Is de
beschikking, bedoeld in het eerste lid, uitvoerbaar bij
voorraad verklaard, dan eindigt het gezamenlijk gezag van de
ouder en de ander daags nadat de beschikking is verstrekt of
verzonden.
Afdeling 4. Ondertoezichtstelling van
minderjarigen
Artikel 254
1.
Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke
of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden
bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze
bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen
falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van
een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet
op de jeugdzorg.
2. De
kinderrechter kan een in het eerste lid bedoelde
minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend en
die in verband daarmee in een opvangcentrum als bedoeld in
artikel 1, onder d, van de Wet Centraal Orgaan opvang
asielzoekers verblijft, onder toezicht stellen van een
daartoe door Onze Minister van Justitie aanvaarde
rechtspersoon.
3. Onze
Minister van Justitie kan voorwaarden stellen bij of
voorschriften verbinden aan de aanvaarding, bedoeld in het
tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd
aanvaarden.
4. De
kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen op
verzoek van een ouder, een ander die de minderjarige als
behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad voor
de kinderbescherming, of het openbaar ministerie.
5. Op
verzoek van de stichting, dan wel op verzoek van de met het
gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of
ouder, kan de kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, die het toezicht
heeft, vervangen door een zodanige stichting in een andere
provincie. De raad voor de kinderbescherming is bevoegd het
in de vorige volzin bedoelde verzoek in te dienen, indien de
raad van oordeel blijft dat de uithuisplaatsing niet op de
voet van artikel 263, eerste lid, dient te worden beëindigd.
Indien ten tijde van een verlenging van de duur van de
ondertoezichtstelling niet meer wordt voldaan aan de eisen
voor benoembaarheid, bedoeld in het tweede lid, vervangt de
kinderrechter ambtshalve de door Onze Minister van Justitie
aanvaarde rechtspersoon door een stichting als bedoeld in
artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, tenzij
voortzetting van de taken door bedoelde rechtspersoon hem om
reden van continuïteit noodzakelijk voorkomt.
6. Op
een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, zijn de
bepalingen van de afdelingen 4 en 5 alsmede artikel 326 van
overeenkomstige toepassing. In geval van vervanging op de
voet van het vijfde lid van de in het tweede lid bedoelde
rechtspersoon, wordt de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg in de provincie waar de
desbetreffende minderjarige duurzaam verblijft benoemd.
Artikel 255
De kinderrechter kan hangende het
onderzoek de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen
indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is. Hij bepaalt
de duur van dit voorlopige toezicht op ten hoogste drie maanden
en kan de beslissing te allen tijde herroepen.
Artikel 256
1. De
kinderrechter bepaalt de duur van de ondertoezichtstelling
op ten hoogste een jaar.
2. De
kinderrechter kan de duur telkens voor ten hoogste een jaar
verlengen. Hij kan dit doen op verzoek van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg,
een ouder, een ander die de minderjarige als behorende tot
zijn gezin verzorgt en opvoedt, de raad voor de
kinderbescherming of het openbaar ministerie.
3.
Indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot een verzoek tot
verlenging doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder
overlegging van een verslag van het verloop van de
ondertoezichtstelling mededeling aan de raad voor de
kinderbescherming.
4. De
kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien
de grond daarvoor niet langer bestaat. Hij kan dit doen op
verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van
de Wet op de jeugdzorg, de met het gezag belaste ouder of de
minderjarige van twaalf jaren of ouder.
Artikel 257
1. De
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan
de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en
steun worden geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke
of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige
af te wenden.
2. Deze
hulp en steun zijn erop gericht de met het gezag belaste
ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en
opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden. Bij algemene
maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers
van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang
van de hulp en steun.
3.
Indien het leeftijds- en ontwikkelingsniveau van de
minderjarige en diens bekwaamheid en behoefte zelfstandig te
handelen en zijn leven naar eigen inzicht in te richten
daartoe noodzaken, zijn de hulp en steun, meer dan op het
vergroten van de mogelijkheden van de ouders om hun kind te
verzorgen en op te voeden, gericht op het vergroten van de
zelfstandigheid van de minderjarige.
4. De
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg bevordert de gezinsband tussen de met het gezag
belaste ouder en de minderjarige.
Artikel 258
1. De
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg kan ter uitvoering van haar taak schriftelijk
aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding
van de minderjarige.
2. De
met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze
aanwijzingen op te volgen.
3.
Plaatsing van de minderjarige gedurende dag en nacht buiten
het gezin geschiedt, behoudens in de gevallen dat de met het
gezag belaste ouder daartoe zonder bezwaar van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
overgaat, alleen krachtens artikel 261.
Artikel 259
1. Op
verzoek van de met het gezag belaste ouder of de
minderjarige van twaalf jaren of ouder kan de kinderrechter
een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de
kinderrechter het tegendeel bepaalt.
2. Bij
de indiening van het verzoek wordt de beslissing van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg overgelegd.
3. De
termijn voor het indienen van het verzoek bij de
kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang
van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of
uitgereikt.
4. Ten
aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzoek
blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan
achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet
geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.
Artikel 260
1. De
met het gezag belaste ouder en de minderjarige van twaalf
jaren of ouder kunnen de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg verzoeken een aanwijzing
wegens gewijzigde omstandigheden geheel of gedeeltelijk in
te trekken.
2. De
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing binnen twee
weken na ontvangst van het verzoek.
3.
Artikel 259 is van overeenkomstige toepassing.
4. Het
niet of niet tijdig nemen van een beslissing door de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg wordt voor de toepassing van deze bepaling
gelijkgesteld met afwijzing van het verzoek. De termijn voor
het indienen van het verzoek bij de kinderrechter loopt in
dat geval door zolang de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg niet heeft beslist en
eindigt, indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg alsnog beslist, twee weken
daarna.
Artikel 261
1.
Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging
en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens
geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de
kinderrechter de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de
minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De
machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de
raad voor de kinderbescherming of van het openbaar
ministerie.
2.
Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de
jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van het
besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit
besluit wordt bij het verzoek overgelegd. Indien de
uithuisplaatsing geen betrekking heeft op zorg als bedoeld
in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, wordt
bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de
machtiging wordt gevraagd.
3. In
afwijking van de eerste volzin van het tweede lid kan in de
gevallen, omschreven in de regels, gesteld krachtens artikel
3, vijfde lid, van de Wet op de jeugdzorg, van artikel 11a,
eerste lid, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen en van artikel 9b, tweede lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een machtiging tot
uithuisplaatsing worden verleend zonder een daartoe
strekkend besluit. De machtiging tot uithuisplaatsing geldt
in dat geval totdat een besluit als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg is genomen. De
kinderrechter kan bepalen dat de machtiging tot
uithuisplaatsing van kracht blijft indien het besluit,
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg
strekt tot uithuisplaatsing.
4. De
kinderrechter kan eveneens een machtiging tot
uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een besluit als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg
wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan
door de raad voor de kinderbescherming en de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet geen besluit
strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen wordt
bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de
machtiging wordt gevraagd. Indien de kinderrechter de
machtiging verleent, is de stichting gehouden deze ten
uitvoer te leggen, tenzij de raad met niet-tenuitvoerlegging
instemt.
5. Voor
plaatsing in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in
artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële
jeugdinrichtingen is een uitdrukkelijk daartoe strekkende
machtiging van de kinderrechter vereist. Deze machtiging
wordt slechts verleend, indien zij vereist is wegens
ernstige gedragsproblemen van de minderjarige. Zodra een
verzoek tot zulk een machtiging of tot verlenging daarvan
bij de kinderrechter is ingediend, geeft deze aan het bureau
rechtsbijstandvoorziening ambtshalve last een raadsman aan
de minderjarige toe te voegen.
Artikel 262
1. De
kinderrechter bepaalt de duur van de machtiging tot
uithuisplaatsing op ten hoogste een jaar. Op verzoek van de
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg of van de raad voor de kinderbescherming kan hij
de duur telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
2.
Indien de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg niet overgaat tot een verzoek tot
verlenging, doet zij hiervan zo spoedig mogelijk en onder
overlegging van een verslag van het verloop van de
uithuisplaatsing mededeling aan de raad voor de
kinderbescherming.
3. Een
machtiging vervalt, indien deze gedurende drie maanden niet
ten uitvoer is gelegd.
Artikel 263
1. Een
uithuisplaatsing kan worden beëindigd door de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg, doet hiervan zo spoedig mogelijk en onder
overlegging van een verslag van het verloop van de
uithuisplaatsing mededeling aan de raad voor de
kinderbescherming.
2. De
met het gezag belaste ouder, een ander die de minderjarige
als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en de
minderjarige van twaalf jaren of ouder kunnen wegens
gewijzigde omstandigheden de stichting, bedoeld in artikel
1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg verzoeken:
a. de uithuisplaatsing te
beëindigen;
b. de duur ervan te bekorten;
c. af te zien van een krachtens de
machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats
van de minderjarige. Onder wijziging van de
verblijfplaats wordt mede verstaan de plaatsing van de
minderjarige bij de ouder die het gezag heeft.
3. De
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg geeft een schriftelijke beslissing binnen twee
weken na ontvangst van het verzoek.
4. Op
verzoek van de in het tweede lid genoemde personen kan de
kinderrechter de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken
of de duur ervan bekorten. Artikel 259, eerste lid, tweede
volzin, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 260,
vierde lid, zijn van toepassing.
Artikel 263a
1. Voor
zover noodzakelijk met het oog op het doel van de
uithuisplaatsing van een minderjarige als bedoeld in artikel
261, kan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg voor de duur van de uithuisplaatsing de
contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind
beperken.
2. De
beslissing van de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg geldt als een aanwijzing. Artikel
259 en artikel 260 zijn van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling
kan vaststellen als hem in het belang van het kind wenselijk
voorkomt.
Artikel 263b
1. Voor
de duur van de maatregel kan de kinderrechter op verzoek van
de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg een rechterlijke beslissing tot vaststelling
van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht
wijzigen voor zover dat noodzakelijk is met het oog op het
doel van de ondertoezichtstelling.
2. Op
het verzoek van de met het gezag belaste ouder, de
omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaren of
ouder en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de
Wet op de jeugdzorg kan de kinderrechter de in het eerste
lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de
omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de
beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is
uitgegaan.
3. Zodra
de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt een ingevolge
deze bepaling vastgestelde regeling als een regeling bedoeld
in artikel 377a dan wel 377f .
Artikel 264
Indien een medische behandeling van een
minderjarige jonger dan twaalf jaren noodzakelijk is om ernstig
gevaar voor diens gezondheid te voorkomen en de ouder die het
gezag heeft zijn toestemming daarvoor weigert, kan deze
toestemming op verzoek van de stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg worden vervangen door die
van de kinderrechter.
Artikel 265
1.
Verzoeken op grond van artikel 254, vijfde lid, en de
artikelen 256-264 moeten schriftelijk worden gedaan. Voor
zover zij zich tot de kinderrechter richten, kunnen zij
worden ingediend zonder procureur.
2. De
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg die een verzoek indient of wordt opgeroepen, zendt
bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het plan,
bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg
en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling
aan de kinderrechter.
3. Het
plan en het verslag, bedoeld in het tweede lid, worden
eveneens gezonden aan de raad voor de kinderbescherming.
4. De
verzoeken die de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg ter uitvoering van haar taak tot
de rechter richt, kunnen worden ingediend zonder procureur
en worden kosteloos behandeld; de grossen, afschriften en
uittreksels, die zij tot dat doel aanvraagt, worden haar
door de griffiers vrij van alle kosten uitgereikt.
Afdeling 5. Ontheffing en ontzetting van
het ouderlijk gezag
Artikel 266
Mits het belang van de kinderen zich daar
niet tegen verzet, kan de rechtbank een ouder van het gezag over
een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij
ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en
opvoeding te vervullen.
Artikel 267
1.
Ontheffing wordt slechts uitgesproken op verzoek van de raad
voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2. In
het geval, bedoeld bij het tweede lid onder d, van
artikel 268 van dit boek, kan, indien de kinderrechter een
verzoek van de ouders om toestemming tot wijziging in het
verblijf van hun kind heeft afgewezen, de ontheffing
bovendien verzocht worden door degene, die het kind op het
tijdstip van het verzoek ten minste een jaar verzorgd en
opgevoed heeft. Indien het kind door meer dan een persoon
wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door
dezen gemeenschappelijk worden gedaan. Is de ontheffing
verzocht, dan blijft het tweede lid van artikel 253s,
van dit boek buiten toepassing, totdat op het verzoek bij
gewijsde is beslist.
Artikel 268
1.
Ontheffing kan niet worden uitgesproken, indien de ouder
zich daartegen verzet.
2. Deze
regel lijdt uitzondering:
a. indien na een
ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt,
of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in
artikel 261 van dit boek van meer dan een jaar en zes
maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -
door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn
plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen -
onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 254
af te wenden;
b. indien zonder de ontheffing van
de ene ouder, de ontzetting van de andere ouder de
kinderen niet aan diens invloed zou onttrekken;
c. indien de geestvermogens van de
ouder zodanig zijn gestoord, dat hij niet in staat is
zijn wil te bepalen of de betekenis van zijn verklaring
te begrijpen;
d. indien na een verzorging en
opvoeding met instemming van de ouder - anders dan uit
hoofde van een ondertoezichtstelling of een plaatsing
onder voorlopige voogdij - van ten minste een jaar in
een ander gezin dan het ouderlijke, een voortzetting
daarvan noodzakelijk is en van terugkeer naar de ouder
ernstig nadeel voor het kind moet worden gevreesd.
Artikel 269
1.
Indien de rechtbank dit in het belang van de kinderen
noodzakelijk oordeelt, kan zij een ouder van het gezag over
een of meer van zijn kinderen ontzetten, op grond van:
a. misbruik van het gezag, of
grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van
een of meer kinderen;
b. slecht levensgedrag;
c. onherroepelijke veroordeling:
1°. wegens opzettelijke
deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn
gezag staande minderjarige;
2°. wegens het plegen tegen de
minderjarige van een van de misdrijven, omschreven
in de titels XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek
van het Wetboek van Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf van
twee jaar of langer;
d. het in ernstige mate
veronachtzamen van de aanwijzingen van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg of belemmering van een uithuisplaatsing
krachtens het bepaalde in artikel 261;
e. het bestaan van gegronde vrees
voor verwaarlozing van de belangen van het kind, doordat
de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen,
die diens verzorging en opvoeding op zich hebben
genomen.
2. Onder
misdrijf worden in dit artikel begrepen medeplichtigheid aan
en poging tot misdrijf.
Artikel 270
1.
Ontzetting van het gezag wordt slechts uitgesproken op
verzoek van de andere ouder, een van de bloed- of
aanverwanten van de kinderen tot en met de vierde graad, de
raad voor de kinderbescherming of van het openbaar
ministerie.
2. In
het geval bedoeld bij het eerste lid van het vorig artikel
onder e, kan de ontzetting bovendien verzocht worden
door hem, die de verzorging en opvoeding van het kind op
zich genomen heeft.
Artikel 271
1.
Indien dit dringend en onverwijld noodzakelijk is, kan de
rechtbank een ouder, wiens ontzetting verzocht is, hangende
het onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van
het gezag over een of meer van zijn kinderen schorsen.
Gelijke bevoegdheid komt haar toe ten opzichte van een
ouder, wiens ontheffing verzocht is, in de gevallen bedoeld
in artikel 268, tweede lid, van dit boek.
2.
Indien de andere ouder mede het gezag uitoefent, wordt
gedurende de schorsing het gezag door hem alleen
uitgeoefend.
3. Acht
de rechtbank in dit laatste geval de schorsing van de te
ontzetten ouder onvoldoende om de kinderen aan diens invloed
te onttrekken, dan kan zij ook de andere ouder schorsen.
4.
Betreft de schorsing beide ouders of een ouder die het gezag
alleen uitoefent, dan belast de rechtbank een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
met de voorlopige voogdij over het kind. Zij stelt vast
welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen van
dit kind worden toegekend.
5. De in
dit artikel bedoelde beschikkingen blijven van kracht,
totdat de uitspraak omtrent de ontzetting of de ontheffing
in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank kan zodanige
beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip
herroepen.
Artikel 271a
In plaats van schorsing van beide ouders
of van een ouder in de uitoefening van het gezag en voorziening
in de voorlopige voogdij als bedoeld in artikel 271, kan de
rechtbank een kind onder toezicht stellen als bedoeld in artikel
254 van dit Boek.
Artikel 272
1. Op
grond van feiten die tot ontzetting of tot de in het tweede
lid van artikel 268 van dit Boek bedoelde ontheffing van een
ouder kunnen leiden, en indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de kinderrechter de ouders geheel of
gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag over een kind
schorsen en een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg belasten met de voorlopige
voogdij over een kind.
2. De
kinderrechter beschikt op verzoek van de raad voor de
kinderbescherming of de officier van justitie. Hij stelt
vast welke bevoegdheden ten aanzien van persoon en vermogen
van dit kind worden toegekend en bepaalt de duur van de
maatregel.
3. De
maatregel vervalt na verloop van zes weken na de dag van de
beschikking, tenzij voor het einde van deze termijn een
verzoek tot ontzetting of ontheffing aanhangig is gemaakt.
De kinderrechter kan deze termijn op ten hoogste twaalf
weken bepalen, dit evenwel uitsluitend op de grond dat het
in de eerste volzin bedoelde verzoek aan de vereisten van
artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
zal kunnen voldoen. Ingeval voor het einde van de van
toepassing zijnde termijn een verzoek tot ontzetting of
ontheffing aanhangig is gemaakt, blijft de maatregel van
kracht totdat over het verzoek bij gewijsde is beslist,
tenzij de kinderrechter een kortere termijn heeft
vastgesteld.
4. De
maatregel kan worden ingetrokken of gewijzigd door de
kinderrechter die haar heeft bevolen tenzij een verzoek als
bedoeld in het derde lid is ingediend. In dat geval beslist
de rechter bij wie dit verzoek aanhangig is.
Artikel 272a
De rechtbank die een verzoek tot
ontheffing of ontzetting afwijst, is bevoegd een minderjarige
onder toezicht te stellen als bedoeld in artikel 254 van dit
Boek.
Artikel 273 [Vervallen per 01-05-1995]
Artikel 274
1.
Indien de ouders gezamenlijk het gezag
uitoefenen, wordt na de ontheffing of ontzetting van een van
hen voortaan het gezag door de andere ouder alleen
uitgeoefend.
2. In
geval van ontheffing of ontzetting van een ouder, die het
gezag alleen uitoefent, kan de andere ouder de rechtbank te
allen tijde verzoeken met de uitoefening van het gezag te
worden belast. Dit verzoek wordt slechts afgewezen, indien
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van
de kinderen zouden worden verwaarloosd.
3. De
rechtbank die het verzoek bedoeld bij het vorige lid heeft
afgewezen, kan deze beschikking steeds wijzigen. Zij doet
dit echter slechts op verzoek van de betrokken ouder, en
niet dan op grond van omstandigheden, waarmede de rechter
bij het geven van de beschikking geen rekening heeft kunnen
houden.
Artikel 275
1.
Indien de andere ouder het gezag niet voortaan alleen
uitoefent, benoemt de rechtbank een voogd over de
minderjarigen.
2. Ieder
die tot uitoefening van de voogdij bevoegd is, kan tijdens
het onderzoek schriftelijk aan de rechtbank verzoeken met de
voogdij te worden belast.
3. In
geval van ontheffing met toepassing van het tweede lid onder
d, van artikel 268 van dit boek, benoemt de rechtbank
bij voorkeur tot voogd degene, dan wel een dergenen, die op
het tijdstip van het verzoek het kind ten minste een jaar
heeft verzorgd en opgevoed, mits deze bevoegd is tot
uitoefening van de voogdij.
Artikel 276
1.
Indien de ontheven of ontzette ouder het bewind over het
vermogen van zijn kinderen voerde, wordt hij tevens
veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording
aan zijn opvolger in dit bewind.
2.
Hebben de kinderen goederen gemeen, maar komen zij onder het
gezag van verschillende personen, dan kan de rechtbank een
van dezen of een derde aanwijzen om over deze goederen tot
de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen
bewindvoerder stelt de waarborgen die de rechtbank van hem
verlangt.
3. Op
het bewind krachtens het vorige lid is artikel 253k
van toepassing, indien een der ouders als bewindvoerder is
aangewezen, en anders paragraaf 10 van afdeling 6 van deze
titel. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot
vernietiging van rechtshandelingen van minderjarige
deelgenoten, strekkend tot beheer of beschikking met
betrekking tot de onder bewind staande goederen.
Artikel 277
1.
Indien de rechtbank overtuigd is, dat een minderjarige
wederom aan zijn ontheven of ontzette ouder mag worden
toevertrouwd, kan zij deze ouder op zijn verzoek in het
gezag herstellen. Indien de niet met elkaar gehuwde ouders
gezamenlijk het gezag willen uitoefenen, wordt het verzoek
daartoe door hen beiden gedaan.
2.
Indien bij gelegenheid van de ontzetting of ontheffing het
gezag aan de andere ouder was opgedragen, belast de
rechtbank de ontheven of ontzette ouder die alleen het in
het eerste lid bedoelde verzoek doet, niet met het gezag,
tenzij de omstandigheden na het nemen van de beschikking
waarbij het gezag aan de andere ouder werd opgedragen, zijn
gewijzigd of bij het nemen van de beschikking van onjuiste
of onvolledige gegevens is uitgegaan. Artikel 253e
van dit boek is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 278
1. Een
verzoek als bedoeld in artikel 277 van dit boek kan ook
worden gedaan door de raad voor de kinderbescherming.
2.
Hangende het onderzoek kan zowel de raad voor de
kinderbescherming als de te herstellen ouder de rechtbank
verzoeken de beslissing aan te houden tot het einde van een
door haar te bepalen proeftijd van ten hoogste zes maanden;
gedurende die tijd zal het kind bij de in het gezag te
herstellen ouder verblijven. De rechtbank is te allen tijde
bevoegd de proeftijd te beëindigen.
Afdeling 6. Voogdij
§ 1. Voogdij in het algemeen
Artikel 279 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 280
De voogdij begint:
a. voor de voogd die door een
ouder is benoemd: op het tijdstip waarop hij zich na het
overlijden van deze ouder bereid verklaart de voogdij te
aanvaarden. De verklaring moet door de betrokkene in
persoon of bij bijzondere gevolmachtigde worden afgelegd
ter griffie van de rechtbank die overeenkomstig de
tweede afdeling van de derde titel van het eerste boek
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in zaken
betreffende minderjarigen bevoegd is. De verklaring moet
worden afgelegd binnen veertien dagen, of - indien de
persoon, die de verklaring moet afleggen, zich buiten
Nederland bevindt - binnen twee maanden, nadat de
benoeming is betekend. Tot betekening kan iedere
belanghebbende, alsmede de raad voor de
kinderbescherming opdracht geven.
b. voor de voogd die - nadat hij
zich bereid heeft verklaard de voogdij te aanvaarden -
door de rechter is benoemd: op de dag, waarop de
beslissing die de benoeming inhoudt, in kracht van
gewijsde is gegaan, of - zo deze uitvoerbaar bij
voorraad is verklaard - daags nadat de beslissing die de
benoeming inhoudt, is verstrekt of verzonden. Een
mondelinge bereidverklaring geschiedt ten overstaan van
de rechter die benoemt; een schriftelijke
bereidverklaring wordt neergelegd ter griffie waar de
benoeming zal geschieden.
Artikel 281
1. De
voogdij eindigt op de dag, waarop in kracht van gewijsde is
gegaan de beschikking waarbij:
a. de voogd is ontslagen of
ontzet;
b. het gezag over de onder zijn
voogdij staande minderjarige aan een of beide ouders is
opgedragen; of
c. de voogdij overeenkomstig
artikel 299a of 302 lid 4 van dit boek aan een
andere voogd is opgedragen.
2. Is
een beschikking als in het eerste lid bedoeld, uitvoerbaar
verklaard bij voorraad, dan eindigt de voogdij daags nadat
de beschikking is verstrekt of verzonden.
Artikel 282
1. Op
eensluidend verzoek van de voogd en een ander die in een
nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, kan de
rechter bepalen dat de voogdij door hen gezamenlijk wordt
uitgeoefend.
2. Voor
de duur van de gezamenlijke uitoefening van de voogdij
worden beide in het eerste lid bedoelde personen als voogd
aangemerkt.
3. Het
verzoek wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat
bij inwilliging de belangen van het kind zouden worden
verwaarloosd.
4.
Gezamenlijke uitoefening van de voogdij is niet mogelijk ten
aanzien van tijdelijke voogdij als bedoeld in de artikelen
296 en 297. Zij staat niet open voor rechtspersonen.
5.
Artikel 253a is van overeenkomstige toepassing.
6. In
afwijking van artikel 336 hebben twee voogden die
gezamenlijk de voogdij uitoefenen, de plicht en het recht
het minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Artikel
253w is, zolang de gezamenlijke voogdij voortduurt,
ten aanzien van hen beiden van overeenkomstige toepassing.
7. Een
verzoek als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van
een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind
in de geslachtsnaam van een van de voogden. Een zodanig
verzoek wordt afgewezen, indien:
a. het kind van twaalf jaar of
ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft
ingestemd met het verzoek;
b. het verzoek tot gezamenlijke
voogdij wordt afgewezen; of
c. het belang van het kind zich
tegen toewijzing verzet.
Artikel 282a
De gezamenlijke uitoefening van de voogdij
eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de
beschikking waarbij de gezamenlijke uitoefening van de voogdij
is beëindigd of waarbij de voogdij is geëindigd ingevolge
artikel 281, alsmede na het overlijden van een van de voogden.
Artikel 282b
Na de dood van een voogd die de voogdij
samen met een ander uitoefende, oefent de andere voogd voortaan
alleen de voogdij over de kinderen uit.
Artikel 283 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 284 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 285 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 286 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 287 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 288 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 289 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 290 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 291 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 291a [Vervallen per 15-12-1995]
§ 2. Voogdij door een der ouders
opgedragen
Artikel 292
1.
Een ouder kan bij uiterste
wilsbeschikking bepalen welke persoon dan wel welke twee
personen na zijn dood voortaan als voogd onderscheidenlijk
als gezamenlijke voogden het gezag over zijn kinderen zal
uitoefenen.
2. Hij
kan geen rechtspersoon als voogd aanwijzen.
3.
Hebben beide ouders van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, en
sterven zij, zonder dat men kan weten wie het eerst
overleden is, dan bepaalt de rechtbank ambtshalve wiens
beschikking gevolg heeft.
Artikel 293
De door de ouder getroffen regeling heeft
geen gevolg of vervalt:
a. indien na zijn overlijden de
andere ouder van rechtswege of krachtens rechterlijke
beschikking het gezag over zijn kinderen uitoefent;
b. indien en voor zover hij op het
tijdstip van zijn overlijden het gezag over zijn
kinderen niet heeft;
c. indien de ander die met de
ouder gezamenlijk het gezag uitoefent van rechtswege de
voogd over de kinderen wordt.
Artikel 294 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 3. Voogdij door de rechter opgedragen
Artikel 295
De rechtbank benoemt een voogd over alle
minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier
voogdij niet op wettige wijze is voorzien.
Artikel 296
1. Is
voorziening nodig in afwachting van het begin der voogdij
overeenkomstig artikel 280 van dit boek, dan benoemt de
rechtbank een voogd voor de duur van deze omstandigheden.
2. Zodra
bedoelde omstandigheden zijn vervallen, wordt deze voogd op
verzoek van hem die hij vervangt, door de rechtbank
ontslagen.
Artikel 297
1. De
rechtbank benoemt insgelijks een voogd, wanneer voorziening
nodig is wegens:
a. tijdelijke onmogelijkheid,
waarin een voogd zich bevindt, het gezag uit te oefenen;
of
b. onbekendheid van bestaan of
verblijfplaats van de voogd; of
c. in gebreke blijven van de
voogd, het gezag uit te oefenen.
2. Is de
benoeming op het eerste lid onder c gegrond, dan kan
de rechtbank de benoemde voogd een beloning toekennen en is
de in gebreke gebleven voogd jegens de minderjarige
aansprakelijk voor de kosten die de vervanging veroorzaakt,
alsmede, behoudens zijn verhaal op de benoemde voogd, voor
diens verrichtingen.
3. Zodra
de in het eerste lid genoemde omstandigheden zijn vervallen,
wordt de benoemde voogd op eigen verzoek of op verzoek van
degene die hij vervangt, door de rechtbank ontslagen, tenzij
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van
de kinderen zouden worden verwaarloosd.
4.
Indien in geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij
een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich
voordoet ten aanzien van een van beide voogden, oefent de
andere voogd het gezag over de kinderen alleen uit. Zodra
deze omstandigheid is vervallen, herleeft de gezamenlijke
voogdij. Het tweede lid is niet van toepassing.
Artikel 298
Gedurende de in de beide voorgaande
artikelen bedoelde voogdij is de uitoefening van de voogdij
geschorst ten aanzien van de voogd die het betreft.
Artikel 299
De rechtbank benoemt de voogd op verzoek
van bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de
kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of
ambtshalve, behoudens artikel 282a .
Artikel 299a
1.
Degene die met instemming van de voogd een minderjarige in
zijn gezin - anders dan uit hoofde van een
ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige
voogdij - ten minste een jaar heeft verzorgd en opgevoed,
kan de kinderrechter verzoeken hem, dan wel een
rechtspersoon als bedoeld in artikel 302 van dit boek, tot
voogd te benoemen.
2.
Indien de minderjarige door meer dan een persoon als
behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het
verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan.
3. Het
verzoek kan ook worden gedaan door de raad voor de
kinderbescherming.
4. De
kinderrechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit
in het belang van de minderjarige acht en hem genoegzaam is
gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn
bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur
degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze
bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.
5. Is
het bij het eerste lid bedoelde verzoek gedaan, dan blijft
het tweede lid van artikel 336a, van dit boek buiten
toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
6. In
geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij wordt de
in het eerste lid bedoelde instemming door beide voogden
gegeven.
Artikel 300 [Vervallen per 01-05-1984]
Artikel 301
1.
De ambtenaar van de burgerlijke stand
geeft de rechtbank onverwijld kennis:
a. van het overlijden van ieder
die minderjarige kinderen achterlaat;
b. van de aangifte van geboorte
van ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege
het gezag uitoefent.
2.
Indien het huwelijk van de overledene die minderjarige
kinderen nalaat, gerechtelijk was ontbonden, of de
overledene van tafel en bed gescheiden was, bericht de
ambtenaar van de burgerlijke stand - zo de andere ouder nog
leeft - deze omstandigheden tevens aan de rechtbank. De
rechtbank zendt, indien deze een andere is, de door haar
ontvangen kennisgeving door aan de rechtbank die over het
verzoek tot ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van
tafel en bed heeft beslist.
§ 4. Voogdij van rechtspersonen
Artikel 302
1. De
rechter kan de voogdij opdragen aan een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg.
2.
Onverminderd diens bevoegdheid een natuurlijke persoon tot
voogd te benoemen, kan de rechter de voogdij over een
minderjarige door of voor wie een aanvraag tot het verlenen
van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld
in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is ingediend, en
in verband daarmee in Nederland verblijft, alsmede over door
Onze Minister van Justitie aan te wijzen categorieën andere
minderjarigen, uitsluitend opdragen aan een daartoe door
Onze Minister van Justitie aanvaarde rechtspersoon.
3. Onze
Minister van Justitie kan voorwaarden stellen bij of
voorschriften verbinden aan de aanvaarding, bedoeld in het
tweede lid, en de rechtspersoon voor een bepaalde tijd
aanvaarden.
4. Op
een rechtspersoon als bedoeld in het tweede lid, zijn de
artikelen 303, 304, 305 en 328 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 303
Voor zover de wet niet anders bepaalt,
heeft de met voogdij belaste stichting, bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg, dezelfde bevoegdheden en
verplichtingen als andere voogden.
Artikel 304
1. Met
de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op
de jeugdzorg zijn de bestuurders hoofdelijk en persoonlijk
aansprakelijk voor iedere schade, die te wijten is aan een
niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij.
2.
Iedere bestuurder zal zich echter van zijn aansprakelijkheid
kunnen bevrijden door te bewijzen, dat hij geen schuld heeft
aan de schade.
Artikel 305
1. De
stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg, die hem toevertrouwde minderjarigen uit huis
plaatst, houdt de raad voor de kinderbescherming
schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich
bevinden.
2. De
plaatsen, waar een stichting als bedoeld in artikel 1, onder
f, van de Wet op de jeugdzorg, minderjarigen heeft
geplaatst, worden door de raad voor de kinderbescherming
bezocht, zo vaak hij dit ter beoordeling van de toestand der
minderjarigen dienstig acht.
3. De
artikelen 261, vijfde lid, 262, eerste en derde lid, 263,
eerste lid, eerste volzin, en vierde lid, eerste volzin, en
265, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg is
eveneens van overeenkomstige toepassing.
Artikel 306
1.
Zonder toestemming van de rechtbank mag een stichting als
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg
een hem toevertrouwde minderjarige niet buiten Nederland
plaatsen.
2. De
rechter verleent deze toestemming slechts, indien hij de
plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.
Artikel 306a
De zesde afdeling van deze titel is niet
van toepassing op de uitoefening van de voorlopige voogdij als
bedoeld in de artikelen 241, 271, 272, 331 en 332 van dit Boek.
Artikel 307 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 308 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 309 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 310 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 311 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 312 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 313 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 314 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 315 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 316 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 317 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 318 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 319 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 5. Ontslag van de voogdij
Artikel 320 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 321 [Vervallen per 01-01-1985]
Artikel 322
1.
Iedere voogd kan zich van zijn bediening
doen ontslaan, indien:
a. hij aantoont, dat hij
tengevolge van een sedert de aanvang van zijn bediening
opgekomen geestelijk of lichamelijk gebrek niet meer in
staat is deze waar te nemen;
b. hij de vijfenzestigjarige
leeftijd bereikt heeft;
c. een daartoe bevoegd persoon
zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over
te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang
van de minderjarigen acht.
2. Bij
gezamenlijke uitoefening van de voogdij is het eerste lid
slechts van toepassing indien beide voogden zich van hun
bediening willen doen ontslaan.
Artikel 323
Op verzoek van de voogden gezamenlijk of
van een van hen beëindigt de rechter de gezamenlijke uitoefening
van de voogdij. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van beide
voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen alleen
zal toekomen.
§ 6. Onbevoegdheid tot de voogdij
Artikel 324
1.
Wanneer een voogd op een der in artikel 246 van dit boek
genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat de
rechtbank hem en vervangt hem door een andere voogd.
2. Zij
doet dit op verzoek van de voogd, bloed- of aanverwanten van
de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming,
schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.
3.
Indien in geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij
een van de in het eerste lid genoemde gronden zich voordoet
ten aanzien van een van beide voogden, oefent de andere
voogd het gezag over de kinderen alleen uit.
4. Zodra
de grond van de onbevoegdheid is vervallen, herleeft de
gezamenlijke voogdij.
Artikel 325 [Vervallen per 02-11-1995]
§ 7. Ondertoezichtstelling van onder
voogdij staande minderjarigen
Artikel 326
1.
Kinderen die onder voogdij staan van
natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.
2. Op
deze ondertoezichtstelling zijn de bepalingen der artikelen
254-265 van dit boek van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande nochtans, dat de ondertoezichtstelling en de
verlenging daarvan ook door de voogd kunnen worden verzocht.
§ 8. Ontzetting van voogdij
Artikel 327
1.
Indien de rechtbank dit in het belang van die minderjarigen
noodzakelijk oordeelt, kan zij een voogd ten aanzien van een
of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen
ontzetten op grond van:
a. slecht levensgedrag;
b. misbruik van zijn bevoegdheid,
verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de
omstandigheid dat hij niet in staat is tot een
behoorlijke uitoefening van zijn voogdij;
c. de omstandigheid, dat hij op
een der beide voorgaande gronden van een andere voogdij
- of op overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag
- is ontzet;
d. de omstandigheid, dat hij in
staat van faillissement verkeert of dat ten aanzien van
hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is;
e. de omstandigheid, dat hij in
persoon, of dat zijn ouder, echtgenoot of kind met de
minderjarige een proces voert, waarbij diens staat of
een aanmerkelijk gedeelte van diens vermogen betrokken
is;
f. onherroepelijke veroordeling:
1°. wegens opzettelijke
deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn
gezag staande minderjarige;
2°. wegens het plegen tegen de
minderjarige van een der misdrijven, omschreven in
de titels XIII-XV en XVIII-XX van het tweede boek
van het Wetboek van Strafrecht;
3°. tot een vrijheidsstraf van
twee jaar of langer;
g. het in ernstige mate
veronachtzamen van de aanwijzingen van de stichting,
bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de
jeugdzorg of belemmering van een uithuisplaatsing
krachtens het bepaalde in artikel 261;
h. het bestaan van gegronde vrees
voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn
gezag staande minderjarige, doordat hij de minderjarige
terugeist of terugneemt van anderen, die diens
verzorging en opvoeding op zich hebben genomen;
i. de omstandigheid dat hij niet
beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming
buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste
beginseltoestemming.
2. Onder
misdrijf worden in dit artikel begrepen medeplichtigheid aan
en poging tot misdrijf.
Artikel 328
Ontzetting van een stichting als bedoeld
in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan slechts op
de in het eerste lid van het vorige artikel onder b-e genoemde
gronden geschieden. Zijn ontzetting kan echter bovendien plaats
hebben, indien hij nalaat de raad voor de kinderbescherming
overeenkomstig artikel 305 van dit boek op de hoogte te houden
van de plaatsen, waar de hem toevertrouwde minderjarigen zich
bevinden, ofwel indien hij het door de raad voor de
kinderbescherming uit te oefenen toezicht belemmert of
verhindert.
Artikel 329
1.
Ontzetting van de voogdij kan slechts worden uitgesproken op
verzoek van een voogd, een der bloed- of aanverwanten van de
minderjarige tot en met de vierde graad, de raad voor de
kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
2. In
het geval, bedoeld bij het eerste lid van artikel 327 onder
h van dit boek, kan de ontzetting bovendien verzocht
worden door hem, die de verzorging en opvoeding van de
minderjarige op zich heeft genomen.
3. In
het geval, bedoeld bij artikel 367 van dit boek kan de
rechtbank de ontzetting uitspreken, ook al had de raad voor
de kinderbescherming deze niet verzocht.
Artikel 330 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 331
1.
Indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de rechtbank een voogd, wiens
ontzetting verzocht is, hangende haar onderzoek geheel of
gedeeltelijk in de uitoefening van zijn voogdij over een of
meer der minderjarigen schorsen.
2.
Indien in geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij
de rechtbank de schorsing van de te ontzetten voogd
onvoldoende acht om de kinderen aan diens invloed te
onttrekken, dan kan zij ook de andere voogd schorsen.
3.
Indien in geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij
slechts een van de voogden wordt geschorst, wordt gedurende
de schorsing het gezag door de andere voogd alleen
uitgeoefend.
4. In de
in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen vertrouwt de
rechtbank een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f,
van de Wet op de jeugdzorg met de voorlopige voogdij over de
minderjarige. Zij stelt vast welke bevoegdheden ten aanzien
van persoon en vermogen van deze minderjarige worden
toegekend.
5. De in
dit artikel bedoelde beschikkingen blijven van kracht,
totdat de uitspraak omtrent de ontzetting in kracht van
gewijsde is gegaan. De rechtbank kan zodanige beschikking
evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.
Artikel 331a
In plaats van schorsing van de voogd in de
uitoefening van de voogdij en voorziening in de voorlopige
voogdij als bedoeld in artikel 331, kan de rechtbank de
minderjarige onder toezicht stellen als bedoeld in artikel 254
van dit Boek.
Artikel 332
Op grond van feiten die tot ontzetting van
de voogdij kunnen leiden, en indien dit dringend en onverwijld
noodzakelijk is, kan de kinderrechter de voogd of voogden geheel
of gedeeltelijk schorsen in de uitoefening van het gezag over
een minderjarige en een stichting als bedoeld in artikel 1,
onder f, van de Wet op de jeugdzorg belasten met de voorlopige
voogdij over deze minderjarige. Artikel 272, tweede, derde en
vierde lid, van dit Boek is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 332a
De rechtbank die een verzoek tot
ontzetting afwijst, is bevoegd een minderjarige onder toezicht
te stellen als bedoeld in artikel 254 van dit Boek.
Artikel 333 [Vervallen per 01-05-1995]
Artikel 334
1.
Indien de rechtbank de ontzetting
uitspreekt, voorziet zij tevens in het gezag, behoudens het
bepaalde in het derde lid.
2. Ieder
die tot de uitoefening van het gezag bevoegd is, kan tijdens
het onderzoek schriftelijk aan de rechtbank verzoeken
daarmede te worden belast.
3.
Indien sprake is van gezamenlijke uitoefening van de voogdij
en de ontzetting slechts een van de voogden betreft, wordt
de voogdij voortaan door de andere voogd alleen uitgeoefend.
Artikel 335
Hij die van de voogdij over een bepaalde
minderjarige is ontzet, kan niet wederom tot voogd over die
minderjarige worden benoemd.
§ 9. Het toezicht van de voogd over de
persoon van de minderjarige
Artikel 336
De voogd draagt zorg, dat de minderjarige
overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed.
Artikel 336a
1.
Indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn
voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de
voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden,
kan de voogd niet dan met toestemming van degenen die de
verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in
het verblijf van de minderjarige brengen.
2. Voor
zover de volgens het vorige lid vereiste toestemmingen niet
worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de voogd door
die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt
slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang
van de minderjarige acht.
3. In
geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van
kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn,
welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is
echter voor het einde van deze termijn een verzoek tot
ondertoezichtstelling van het kind, tot ontzetting van de
voogd, dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a,
van dit boek aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking
gelden, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.
4. In
geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij, wordt de
in het eerste lid bedoelde instemming door beide voogden
gegeven.
§ 10. Het bewind van de voogd
Artikel 337
1. De
voogd vertegenwoordigt de minderjarige in burgerlijke
handelingen.
2. De
voogd moet het bewind over het vermogen van de minderjarige
als een goed voogd voeren. Bij slecht bewind is hij voor de
daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk.
3.
Indien goederen die de minderjarige geschonken of vermaakt
zijn, onder bewind zijn gesteld, is de voogd bevoegd van de
bewindvoerder rekening en verantwoording te vorderen.
Vervalt dit bewind, dan komen de goederen onder het bewind
van de voogd.
Artikel 337a
1. In
geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij worden de
bevoegdheden die de voogd ingevolge de paragrafen 10 en 11
heeft, gezamenlijk door de voogden uitgeoefend, met dien
verstande dat de bevoegdheden ook aan een voogd alleen
toekomen tenzij van bezwaren van de andere voogd is
gebleken.
2. De in
bedoelde paragrafen genoemde verplichtingen rusten op ieder
van de voogden.
Artikel 338
1. De
voogd zorgt dat het vermogen van de minderjarige, zoals dit
bij het begin van zijn voogdij is samengesteld, zo spoedig
mogelijk wordt geïnventariseerd.
2.
Binnen acht weken na het begin van zijn voogdij doet de
voogd ter griffie van de rechtbank van het arrondissement
waarin de woonplaats van de minderjarige is gelegen
schriftelijk opgave van de bij dat begin aanwezige gerede
gelden, effecten aan toonder en spaarbankboekjes.
3.
Binnen acht maanden na het begin van zijn voogdij levert de
voogd een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem
ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van de
rechtbank van het arrondissement waarin de woonplaats van de
minderjarige is gelegen.
4. In de
boedelbeschrijving is begrepen een opgave van de wijzigingen
in de samenstelling van het vermogen tot het ogenblik dat
zij wordt opgemaakt.
Artikel 339
1.
Wanneer de goederen van de minderjarigen een waarde van € 11
250 niet te boven gaan, kan de voogd een door hem
ondertekende, volgens een door Onze Minister van Justitie
vastgesteld model opgemaakte, verklaring daaromtrent in
plaats van de boedelbeschrijving inleveren. De voogd van
twee of meer kinderen van dezelfde ouders kan met een
zodanige verklaring slechts volstaan, wanneer bovendien de
goederen der minderjarigen tezamen een waarde van € 22 500
niet te boven gaan.
2. De
kantonrechter kan te allen tijde bepalen dat alsnog een
beschrijving van het vermogen van de minderjarige, zoals dit
op de datum van zijn beschikking is samengesteld, met
overeenkomstige toepassing van het vorige artikel moet
worden opgemaakt en ingeleverd.
Artikel 340
1. De
kantonrechter kan bij gebleken noodzakelijkheid een langere
termijn voor de inlevering van een boedelbeschrijving of een
verklaring, als bedoeld in het vorige artikel, stellen.
2.
Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen
boedelbeschrijving, noch een verklaring als bedoeld in het
vorige artikel is ingeleverd, doet de kantonrechter binnen
tien dagen na het einde van die termijn de voogd ten verhore
oproepen.
Artikel 341
1. In de
boedelbeschrijving of in de verklaring, bedoeld in artikel
339 van dit boek, moet de voogd opgeven wat hij van de
minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke hiervan zal hij
zijn vorderingsrecht niet voor diens meerderjarigheid kunnen
uitoefenen.
2.
Zolang de voogd zijn vorderingsrecht niet kan uitoefenen,
draagt de hoofdsom van zijn vordering geen rente.
Artikel 342
1. De
vier vorige artikelen zijn van overeenkomstige toepassing,
wanneer de minderjarige gedurende de voogdij door schenking,
erfopvolging of making vermogen krijgt.
2. De
inspecteur bij wie de aangifte voor het recht van successie,
van overgang of van schenking moet worden ingediend, en aan
wie ambtshalve bekend is dat de minderjarige vermogen heeft
verkregen, is verplicht de kantonrechter van diens
woonplaats hiervan te verwittigen.
Artikel 343
De voogd kan, onverminderd zijn
aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte
schade, voor de minderjarige alle handelingen verrichten, die
hij in diens belang noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht,
behoudens het bepaalde bij de volgende artikelen.
Artikel 344
1.
Voorzover de kantonrechter niet anders bepaalt, geeft de
voogd de effecten aan toonder van de minderjarige in
bewaring bij:
a. de Nederlandsche Bank N.V.;
b. een financiële onderneming die
ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland
het bedrijf van bank mag uitoefenen;
2. De
kantonrechter kan aanwijzingen geven omtrent de wijze,
waarop spaarbankboekjes en gelden van de minderjarige moeten
worden bewaard. De kantonrechter onder wiens goedkeuring een
verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan
aanwijzingen als hier bedoeld geven. Overigens is de
kantonrechter, aangewezen in de tweede afdeling van de derde
titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering bevoegd.
3. Voor
effecten aan toonder, spaarbankboekjes en gelden, die de
minderjarige tezamen met een of meer andere personen
toekomen, geldt het bepaalde in de vorige leden, wanneer de
voogd die onder zijn berusting heeft.
Artikel 345
1. De
voogd behoeft machtiging van de kantonrechter om de
navolgende handelingen voor rekening van de minderjarige te
verrichten:
a. aangaan van overeenkomsten
strekkende tot beschikking over goederen van de
minderjarige, tenzij de handeling geld betreft, als een
gewone beheersdaad kan worden beschouwd, of krachtens
rechterlijk bevel geschiedt;
b. giften doen, andere dan
gebruikelijke, niet bovenmatige;
c. een making of gift, waaraan
lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
d. geld lenen of de minderjarige
als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
e. overeenkomen dat een boedel,
waartoe de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde
tijd onverdeeld wordt gelaten.
2. De
kantonrechter kan bepalen dat de voogd zijn machtiging
behoeft voor het innen van vorderingen van de minderjarige,
het disponeren over saldi bij een kredietinstelling als
bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht
daaronder begrepen.
3. Voor
het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een
geschil waarbij de minderjarige is betrokken, behoeft de
voogd geen machtiging in het geval van artikel 87 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of indien het
voorwerp van de onzekerheid of het geschil een waarde van €
700 niet te boven gaat, noch indien de overeenkomst als een
beheersdaad is te beschouwen.
Artikel 346
1. De
voogd kan geen goederen van de minderjarige kopen, huren of
pachten, zonder dat de kantonrechter de te sluiten
overeenkomst goedkeurt.
2. In
geval van openbare verkoop, verhuur of verpachting moet de
goedkeuring binnen een maand daarna zijn aangevraagd.
Artikel 347
1. Een
in strijd met artikel 345 of 346 verrichte rechtshandeling
ten name van de minderjarige is vernietigbaar; op de
vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van
de zijde van de minderjarige.
2. Het
vorige lid geldt niet voor een rechtshandeling anders dan om
niet indien de wederpartij te goeder trouw was en voor een
rechtshandeling die de minderjarige geen nadeel heeft
berokkend.
Artikel 348
1. De
voogd kan, zonder dat de kantonrechter de te sluiten
overeenkomst goedkeurt, geen inschuld ten laste van de
minderjarige, noch enig beperkt recht op diens goederen van
een derde verkrijgen.
2.
Ontbreekt deze goedkeuring, dan is de overeenkomst nietig.
Artikel 349
1. Een
voogd die zonder machtiging van de kantonrechter voor de
minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen een
uitspraak beroep instelt, wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2. De
voogd mag niet zonder machtiging van de kantonrechter in een
tegen de minderjarige ingestelde eis of in een gedane
uitspraak berusten.
3. Hij
kan, alvorens voor de minderjarige in rechte verweer te
voeren of tegen een bij verstek gedane uitspraak verzet te
doen, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de
kantonrechter.
Artikel 350
1. De
voogd draagt zorg voor een doelmatige belegging van het
vermogen van de minderjarige.
2. Hij
behoeft voor elke belegging van gelden van de minderjarige
machtiging van de kantonrechter. Nochtans mag hij, voor
zover de kantonrechter niet anders bepaalt, zonder diens
machtiging gelden ten name van de minderjarige beleggen bij
een financiële onderneming als bedoeld in artikel 344,
eerste lid, onderdeel b op rekeningen bestemd voor de
belegging van gelden van minderjarigen, met het beding dat
de gelden alleen worden terugbetaald met machtiging van de
kantonrechter.
Artikel 351
1.
Wanneer het vermogen van de minderjarige of een gedeelte
daarvan in een onderneming van handel, landbouw of
nijverheid is geplaatst, mag de voogd de zaken voor
rekening, hetzij van de minderjarige alleen, hetzij van deze
met anderen, niet voortzetten dan met machtiging van de
kantonrechter.
2.
Zonder machtiging van de kantonrechter mag de voogd een
boedel, waartoe de minderjarige gerechtigd is, niet
onverdeeld laten.
Artikel 352
Ondanks het ontbreken der vereiste
machtiging zijn handelingen, door de voogd verricht in strijd
met artikel 350 of artikel 351, geldig.
Artikel 353
De voogd kan niet zonder machtiging van de
kantonrechter van een de minderjarige toekomend aandeel in een
ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen.
Artikel 354
De kantonrechter kan te allen tijde de
voogd ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de
kantonrechter gewenste inlichtingen te verstrekken.
Artikel 355
1. Aan
een met het gezag belaste ouder of aan een ouder die alleen
het bewind over het vermogen heeft en die aangifte heeft
gedaan van zijn voornemen een huwelijk of een geregistreerd
partnerschap aan te gaan, kan de kantonrechter opdragen
binnen een bepaalde termijn een beschrijving van het
vermogen van de kinderen op te maken en deze beschrijving of
een afschrift daarvan ter griffie van de rechtbank in te
leveren.
2. De
artikelen 339, 340 en 341 van dit boek zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 356
1.
Aanwijzingen en machtigingen, als in deze paragraaf bedoeld,
geeft de kantonrechter slechts, indien dit hem in het belang
van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt
te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging
geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden, als hij
dienstig oordeelt.
2. Hij
kan een gegeven aanwijzing of machtiging te allen tijde
intrekken of de daaraan verbonden voorwaarden wijzigen.
Artikel 357
Indien de kosten van een ten behoeve van
een minderjarige bevolen maatregel bij rechterlijke beschikking
te diens laste zijn gebracht, treedt - ingeval dientengevolge
het vermogen van de minderjarige moet worden aangesproken - in
de plaats van de bij artikel 345 van dit boek bedoelde
machtiging van de kantonrechter, diens aanwijzing van de
goederen die verkocht of bezwaard zullen worden.
Artikel 358
1. De
voogd mag alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk
gerechtvaardigde uitgaven aan de minderjarige in rekening
brengen.
2.
Indien de kantonrechter een bedrag bepaalt, hetwelk
jaarlijks mag worden besteed voor de verzorging en opvoeding
van de minderjarige of voor de kosten van het beheer van
diens vermogen, behoeft de voogd de besteding van dat bedrag
niet gespecificeerd te verantwoorden.
3. De
kantonrechter kan de voogd een beloning ten laste van de
minderjarige toekennen, indien hij dit gezien de zwaarte van
de last van het bewind redelijk acht. Buiten dit geval mag
de voogd voor zichzelf geen loon berekenen, tenzij hem dat
is toegekend bij de akte, waarbij hij door een ouder benoemd
is.
Artikel 359
1. De
kantonrechter kan te allen tijde op verzoek van de andere
voogd of ambtshalve aan de voogd de verplichting opleggen
jaarlijks of eens in de twee of drie jaren ter griffie van
de rechtbank een rekening in te dienen van zijn bewind over
de goederen van de minderjarige.
2. De
datum voor de indiening van de rekening wordt door de
kantonrechter bepaald.
3.
Indien in het geval van gezamenlijke uitoefening van de
voogdij een van de voogden de rekening alleen heeft
ingediend, moet hij gelijktijdig een afschrift van de
rekening aan de andere voogd doen toekomen. Deze kan binnen
twee maanden bezwaren tegen de rekening bij de rechter
indienen.
Artikel 360
1. Bij
verschil van mening omtrent de rekening kan de kantonrechter
verbetering daarvan gelasten.
2. Hij
kan een of meer deskundigen benoemen, ten einde de
ingediende rekening te onderzoeken.
3. De
kantonrechter kan de kosten van dit onderzoek, indien slecht
bewind aan het licht is gekomen, geheel of ten dele ten
laste van de voogd brengen.
4. De
voogd ontvangt een afschrift van het door de deskundigen in
te dienen schriftelijk bericht.
5. In
geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij ontvangen
beide voogden het in het vierde lid bedoelde afschrift en
kan de rechter de in het derde lid bedoelde kosten ook ten
laste van de voogden gezamenlijk brengen.
Artikel 361
De periodiek door de voogd gedane rekening
of een eensluidend afschrift daarvan blijft berusten ter griffie
van de rechtbank.
Artikel 362
De kantonrechter kan op verzoek van de
andere voogd of ambtshalve de schade vaststellen, die blijkens
de rekening de minderjarige door slecht bewind van de voogd
geleden heeft, en deze laatste tot vergoeding daarvan
veroordelen.
Artikel 363
1. De
kantonrechter kan te allen tijde bevelen dat de voogd voor
zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het bedrag en de aard
van de zekerheid vast. Inpandgeving van effecten aan toonder
van de voogd geschiedt door hun inbewaargeving bij de
Nederlandsche Bank.
2. De
kantonrechter bepaalt een redelijke termijn, binnen welke de
voogd hem te zijnen genoegen moet aantonen dat hij de van
hem verlangde zekerheid gesteld heeft.
3. De
kantonrechter kan de voogd toestaan een gestelde zekerheid
door een andere te vervangen. Indien het belang van de voogd
het vervallen van een gestelde zekerheid volstrekt eist of
handhaving daarvan niet nodig is, kan de kantonrechter hem
machtigen daarvan namens de minderjarige afstand te doen.
Artikel 364
1. De
door de voogd gestelde zekerheid houdt op, zodra zijn
rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra de
rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig
artikel 377 van dit boek verjaard zijn.
2.
Alsdan worden op kosten van de minderjarige hypothecaire
inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op inschrijvingen
in de schuldregisters voor geldleningen ten laste van het
Rijk opgeheven.
Artikel 365
Indien de voogd in gebreke blijft:
a. gehoor te geven aan een
oproeping van de kantonrechter om voor hem te
verschijnen;
b. een boedelbeschrijving of een
verklaring als bedoeld in artikel 339 van dit boek in te
leveren;
c. op de door de kantonrechter
bepaalde datum zijn periodieke rekening in te dienen;
d. aan de minderjarige
toebehorende spaarbankboekjes, gelden, of
toondereffecten die hij niet te diens name heeft doen
stellen, op de voorgeschreven wijze te bewaren;
e. de kantonrechter het bewijs te
leveren, dat hij een van hem verlangde zekerheid gesteld
heeft; of
f. de schadevergoeding te betalen,
waartoe de kantonrechter hem ingevolge artikel 362 van
dit boek veroordeeld heeft,
kan de kantonrechter de raad voor de
kinderbescherming hiermede in kennis stellen.
Artikel 366
Insgelijks kan de kantonrechter de raad
voor de kinderbescherming ermede in kennis stellen, dat:
a. de voogd in gevallen, waarin
hij machtiging van de kantonrechter behoeft, zijn bewind
eigenmachtig voert;
b. hij zich in zijn bewind aan
ontrouw, plichtsverzuim of misbruik van bevoegdheid
blijkt te hebben schuldig gemaakt.
Artikel 367
De raad voor de kinderbescherming die van
de kantonrechter zodanige mededeling ontvangt, onderwerpt, na
onderzoek van de overige gedragingen van de voogd jegens de
minderjarige, binnen zes weken na de dagtekening van die
mededeling aan het oordeel van de rechtbank de vraag, of
ontzetting van de voogd op grond van artikel 327, eerste lid
onder b , van dit boek moet volgen.
Artikel 368 [Vervallen per 02-11-1995]
Artikel 369
1.
Indien minderjarigen die onder voogdij
van verschillende voogden staan, goederen gemeen hebben, kan
de kantonrechter van de woonplaats van een der minderjarigen
een van de voogden of een derde aanwijzen om over deze
goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De
aangewezen bewindvoerder stelt de door de rechter van hem
verlangde waarborgen.
2. Komt
de in het eerste lid omschreven bevoegdheid aan
verschillende rechters toe, dan vervalt deze, nadat een van
hen daarvan heeft gebruik gemaakt.
3. Op
het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een
voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is
bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van
rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer
of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande
goederen.
Artikel 370
1. De
kantonrechter kan op verzoek van de voogd of ambtshalve, het
vermogen van de minderjarige of een deel daarvan, met
inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens
minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het
belang van de minderjarige nodig oordeelt. In geval van
gezamenlijke uitoefening van de voogdij wordt tot
onderbewindstelling slechts beslist indien het verzoek door
beide voogden gezamenlijk wordt gedaan.
2. De
kantonrechter benoemt de bewindvoerder en bepaalt het aan
deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het
bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling
veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon, geheel of
gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden, alsmede dat
de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor
diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige.
In geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij worden
deze verplichtingen opgelegd aan beide voogden.
3. Op
het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een
voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is
bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van
rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer
of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande
goederen.
4. De
kantonrechter bepaalt welke uitkeringen de bewindvoerder uit
de onder het bewind gestelde goederen en de vruchten daarvan
aan de voogd en bij gezamenlijke uitoefening van de voogdij
aan de voogden, moet doen ten behoeve van de verzorging en
opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer
van diens niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan
deze beschikkingen te allen tijde op verzoek van een voogd
of de bewindvoerder, of ambtshalve wijzigen.
5. De
bewindvoerder is verplicht aan de kantonrechter te allen
tijde alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken.
6. Hij
is voorts verplicht jaarlijks en aan het einde van zijn
bewind aan de voogd, en bij gezamenlijke uitoefening van de
voogdij aan de voogden,, de meerderjarig gewordene of de
erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is,
ten overstaan van de kantonrechter rekening en
verantwoording af te leggen.
7.
Geschillen die bij de rekening en verantwoording rijzen,
beslist de kantonrechter.
8.
Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van
rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de
artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing.
9. De
kantonrechter kan te allen tijde op verzoek van de
bewindvoerder, een voogd of ambtshalve het bewind opheffen
of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.
Artikel 371
De voogd is verplicht ter griffie van de
rechtbank kennis te geven van elke verandering in zijn
woonplaats.
Artikel 371a
1. De
griffier van het gerecht dat een voogd benoemt, doet daarvan
onverwijld mededeling aan de kantonrechter van de rechtbank
van het arrondissement waarin de woonplaats van de voogd is
gelegen.
2. Woont
de voogd niet meer in het arrondissement of is hij opgevolgd
door een voogd in een ander arrondissement, dan zendt de
griffier onverwijld de voogdijbescheiden naar de griffier
van het arrondissement waar de voogd of opvolgende voogd
woonplaats heeft, onder opgave van diens adres.
§ 11. De rekening en verantwoording bij
het einde van de voogdij
Artikel 372
Na het einde van zijn bewind doet de voogd
daarvan onverwijld rekening en verantwoording. De kosten worden
door de voogd betaald. Zij komen echter ten laste van de
minderjarige, tenzij het bewind wegens ontzetting van de voogd
eindigt. Voor zover de kosten niet op de minderjarige kunnen
worden verhaald, komen zij ten laste van de ouders, en, zo zij
ook op hen niet kunnen worden verhaald, ten laste van de Staat.
Artikel 373
1. Deze
rekening en verantwoording doet de voogd hetzij aan de
meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van de
minderjarige, wanneer deze overleden is, hetzij aan zijn
opvolger in het bewind.
2.
Indien de gezamenlijke uitoefening van de voogdij is
geëindigd en als gevolg daarvan het gezag wordt uitgeoefend
door een van de voogden alleen, doet degene wiens voogdij
geëindigd is rekening en verantwoording aan degene die de
voogdij alleen uitoefent.
Artikel 374
1.
Bedoelde rekening en verantwoording wordt afgelegd ten
overstaan van de kantonrechter, binnen wiens rechtsgebied de
voogd wiens bewind eindigt woonplaats heeft.
2.
Geschillen, die bij de aflegging van de rekening en
verantwoording mochten rijzen, beslist de kantonrechter.
3.
Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van
rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de
artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing.
Artikel 375
Een rechtshandeling die de meerderjarig
gewordene betreffende de voogdij of de voogdijrekening richt tot
of verricht met de voogd, is vernietigbaar, indien zij geschiedt
vóór het afleggen van de rekening en verantwoording; alleen van
de zijde van de meerderjarig gewordene kan een beroep op de
vernietigingsgrond worden gedaan.
Artikel 376
Wat de minderjarige aan de voogd schuldig
blijft, draagt geen rente, zolang hij niet - na het sluiten der
rekening - met de voldoening van het verschuldigde in verzuim
is.
Artikel 377
Elke rechtsvordering op grond van het
gevoerde voogdijbewind - zowel van de zijde van de minderjarige
als van die van de voogd - verjaart door verloop van vijf jaren
na de dag, waarop de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd.
Titel 15. Omgang en informatie
Artikel 377a
1. Het
kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op
omgang met elkaar.
2. De
rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen,
al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de
uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al
dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3. De
rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou
opleveren voor de geestelijke of lichamelijke
ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt
of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot
omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of
ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen
omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is
met zwaarwegende belangen van het kind.
Artikel 377b
1. De
ouder die met het gezag is belast, is gehouden de niet met
het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent
gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en
het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig
door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen
beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter
zake een regeling vaststellen.
2.
Indien het belang van het kind zulks vereist kan de rechter
zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als
ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten
toepassing blijft.
3.
Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 377c
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 377b van dit boek wordt
de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden
die beroepshalve beschikken over informatie inzake
belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het
kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op
de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op
gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag
over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone
verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen
het verschaffen van informatie verzet.
2.
Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek
van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ouder
bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze
moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder
geval af, indien het belang van het kind zich tegen het
verschaffen van de informatie verzet.
Artikel 377d
1.
Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van dit artikel,
begint de uitoefening van het recht op omgang zodra de
desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan
of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags
nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
2. De
uitoefening van het recht op omgang begint, indien tevens
een beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, niet
eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of
voor de voogd het gezag is begonnen.
Artikel 377e
De rechtbank kan op verzoek van de ouders
of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een
door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op
grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij
het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens
is uitgegaan.
Artikel 377f
1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 377a , kan de rechter
op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind
en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot
het kind. De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het
belang van het kind zich tegen toewijzing verzet of indien
het kind, dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt.
2. Het
bepaalde in de artikelen 377d en 377e van dit boek is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 377g
De rechter kan, indien haar blijkt dat de
minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt,
ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen
377a, 377b of 377f, dan wel zodanige beslissing op de voet van
artikel 377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde geldt indien de
minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft
bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke
waardering van zijn belangen ter zake.
Artikel 377h
1.
Ingeval van gezamenlijke gezagsuitoefening kan de rechter op
verzoek van de ouders of een van hen een regeling
vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij
wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft, of
inzake het verschaffen van informatie aan dan wel het
raadplegen van die ouder als bedoeld in artikel 377b, eerste
lid, dan wel inzake het verschaffen van informatie als
bedoeld in artikel 377c, eerste en tweede lid, van dit boek.
2. De
artikelen 377e en 377g van dit boek zijn van overeenkomstige
toepassing.
Titel 16. Curatele
Artikel 378
1. Een
meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele
worden gesteld:
a. wegens een geestelijke
stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met
tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn
belangen behoorlijk waar te nemen;
b. wegens verkwisting;
c. wegens gewoonte van
drankmisbruik, waardoor hij:
1°. zijn belangen niet
behoorlijk waarneemt;
2°. in het openbaar
herhaaldelijk aanstoot geeft; of
3°. eigen veiligheid of die
van anderen in gevaar brengt.
2.
Indien te verwachten is dat ten aanzien van een minderjarige
op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, van een
der in het vorige lid genoemde gronden voor curatele sprake
zal zijn, kan de curatele reeds voor de meerderjarigheid
worden uitgesproken.
Artikel 379
De curatele kan worden verzocht door de
betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel,
geregistreerde partner, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en
die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten, voogd of het
openbaar ministerie.
Artikel 380
1. De
rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling
aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, kan, desverzocht
of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen; de
beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking
treedt.
2. Hij
regelt in deze beschikking de bevoegdheden van de
bewindvoerder. Hij kan de bewindvoerder het bewind over
bepaalde of alle goederen opdragen. Aan de bewindvoerder kan
de rechter ook andere bevoegdheden toekennen, doch niet die
welke een curator niet heeft. Voor zover de rechter niet
anders bepaalt, kan degene wiens curatele is verzocht, met
betrekking tot die goederen niet zonder medewerking van de
bewindvoerder daden van beheer en van beschikking
verrichten.
3. In de
beschikking kan tevens worden bepaald dat schulden die
degene wiens curatele is verzocht, na de bekendmaking van de
benoeming maakt, op de onder bewind gestelde goederen
gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet
kunnen worden verhaald.
4. De
beschikking kan te allen tijde worden gewijzigd of
ingetrokken door de rechter voor wie het verzoek tot
ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig
was.
5. De
bewindvoerder komt als beloning toe vijf ten honderd van de
netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de
kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander
bedrag vaststelt.
Artikel 381
1. De
curatele werkt met ingang van de dag waarop zij is
uitgesproken. In het geval, bedoeld in artikel 378, tweede
lid, werkt de curatele met ingang van het tijdstip waarop de
onder curatele gestelde meerderjarig wordt.
2. Van
deze tijdstippen is de onder curatele gestelde onbekwaam
rechtshandelingen te verrichten voor zover de wet niet
anders bepaalt.
3. Een
onder curatele gestelde is bekwaam rechtshandelingen te
verrichten met toestemming van zijn curator, voor zover deze
bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele
gestelde te verrichten. De toestemming kan slechts worden
verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een
bepaald doel. De toestemming voor een bepaald doel moet
schriftelijk worden verleend.
4. Met
betrekking tot aangelegenheden betreffende verzorging,
verpleging, behandeling en begeleiding van een onder
curatele gestelde zijn de artikelen 453 en 454 van dit boek
van overeenkomstige toepassing.
5. Hij
is bekwaam over gelden die zijn curator voor levensonderhoud
te zijner beschikking heeft gesteld, overeenkomstig deze
bestemming te beschikken.
6. In
zaken van curatele is degene wiens curatele het betreft
bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep
in te stellen.
Artikel 382
Hij die uit hoofde van verkwisting of
gewoonte van drankmisbruik onder curatele is gesteld, blijft
bekwaam tot het verrichten van familierechtelijke handelingen
voor zover de wet niet anders bepaalt.
Artikel 383
1. De
rechter benoemt bij het uitspreken van de curatele of,
indien hij zich nog niet voldoende voorgelicht acht, zo
spoedig mogelijk daarna een curator.
2. De
rechter volgt bij de benoeming van de curator de
uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde
redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
3.
Tenzij het vorige lid is toegepast, wordt, indien de onder
curatele gestelde persoon gehuwd is, een geregistreerd
partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel
heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner
dan wel andere levensgezel tot curator benoemd. Is de vorige
zin niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn
ouders, kinderen, broers of zusters tot curator benoemd.
Huwt de onder curatele gestelde, gaat hij een geregistreerd
partnerschap aan of verkrijgt hij een andere levensgezel,
dan kan ieder van hen verzoeken, dat de niet onder curatele
staande echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de
andere levensgezel in de plaats van de tegenwoordige curator
wordt benoemd.
4. De
taak van de curator vangt aan daags nadat de beslissing,
houdende de benoeming, is verstrekt of verzonden. Met die
dag eindigt het provisioneel bewind. De provisionele
bewindvoerder is verplicht ten overstaan van de
kantonrechter aan de curator rekening en verantwoording van
zijn bemoeienissen af te leggen; wordt hij zelf tot curator
benoemd, dan wordt de rekening en verantwoording aan de
kantonrechter afgelegd. Indien de curator vóór de
meerderjarigheid van de onder curatele gestelde is benoemd,
vangt zijn taak aan op het tijdstip waarop de curatele in
werking treedt.
5.
Indien het verzoek tot ondercuratelestelling wordt
afgewezen, eindigt het bewind van de provisionele
bewindvoerder daags na die uitspraak, tenzij de rechter
anders bepaalt, en in ieder geval uiterlijk daags nadat de
afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 384
Indien een beschikking, waarbij curatele
is uitgesproken, in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en
het verzoek tot ondercuratelestelling alsnog wordt afgewezen,
neemt de taak van de curator daags na deze uitspraak een einde.
De inmiddels door de curator of met zijn toestemming verrichte
handelingen blijven voor de onder curatele gestelde verbindend.
Artikel 385
1.
Behoudens het in de artikelen 383 en 384 bepaalde vinden de
artikelen 250 en 280, onder b , 281 lid 1 onder a en lid 2,
297-299, 322, onder a en c , 324, 336 en 372-377 bij
curatele overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
a. in geval van benoeming van een
ouder tot curator een bereidverklaring als bedoeld in
artikel 280 onder b niet is vereist;
b. voor rechtbank of rechter wordt
gelezen kantonrechter.
c. aan de raad voor de
kinderbescherming terzake geen bevoegdheden toekomen;
d. de curator te allen tijde
wegens gewichtige redenen op eigen verzoek, op verzoek
van de uit hoofde van verkwisting of gewoonte van
drankmisbruik onder curatele gestelde, op verzoek van
het openbaar ministerie of ambtshalve door de
kantonrechter kan worden ontslagen.
2. Een
curator die niet is de echtgenoot, geregistreerde partner
dan wel andere levensgezel of bloedverwant in de rechte lijn
van de onder curatele gestelde, kan bovendien ontslag
verzoeken, wanneer hij de curatele tenminste acht jaren
heeft uitgeoefend; het ontslag wordt verleend zodra de
kantonrechter zich in staat acht een geschikte opvolger te
benoemen.
Artikel 386
1. Op
het bewind van de curator zijn de omtrent het bewind van de
voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing.
Tenzij de beloning bij het uitspreken van de curatele anders
is geregeld, komt de curator - de ouder-curator daaronder
begrepen - als beloning toe vijf ten honderd van de
netto-opbrengst der door hem beheerde goederen. Op grond van
bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter, hetzij
ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de onder
curatele gestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de
beloning anders regelen dan bij het uitspreken van de
curatele of door de wet is aangegeven.
2. De
inkomsten van hem die uit hoofde van een geestelijke
stoornis onder curatele is gesteld, moeten in de eerste
plaats worden besteed voor een voldoende verzorging van de
betrokkene.
3. Voor
de toepassing van de artikelen 365 tot en met 367 treedt de
officier van justitie in de plaats van de raad voor de
kinderbescherming en het ontslag bedoeld in artikel 385, lid
1 onder d in de plaats van de ontzetting van de voogd
op grond van artikel 327 lid 1 onder b .
4.
Indien een gehuwde of een geregistreerde partner onder
curatele wordt gesteld, en tussen de echtgenoten of de
geregistreerde partners het bestuur over hun goederen en de
goederen der gemeenschap anders is verdeeld dan volgens de
regels van de wet en van huwelijkse voorwaarden, bepaalt de
rechter bij het uitspreken van de curatele, of en in
hoeverre die verdeling ook voor de curator zal gelden.
Artikel 387 [Vervallen per 17-01-1994]
Artikel 388 [Vervallen per 17-01-1994]
Artikel 389
1.
De curatele eindigt, wanneer bij in
kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is
vastgesteld, dat de oorzaken die tot de curatele hebben
aanleiding gegeven, niet meer aanwezig zijn.
2. Het
verzoek daartoe kan worden gedaan door dezelfde personen die
de curatele kunnen verzoeken.
3. De
curatele eindigt voorts, wanneer bij in kracht van gewijsde
gegane rechterlijke uitspraak ten behoeve van de betrokken
persoon een bewind als bedoeld in titel 19 dan wel een
mentorschap als bedoeld in titel 20 van dit boek is
ingesteld.
Artikel 390
1. Alle
uitspraken waarbij een curatele wordt verleend of opgeheven,
een provisioneel bewind wordt ingesteld of een uitspraak tot
ondercuratelestelling wordt vernietigd, worden binnen tien
dagen nadat zij kunnen worden ten uitvoer gelegd, vanwege de
verzoekers in de Staatscourant benevens in twee door de
rechter aan te wijzen dagbladen bekendgemaakt. Ingeval de
verzoekers daarmede nalatig zijn, zijn zij hoofdelijk
gehouden aan derden de daardoor veroorzaakte schade te
vergoeden.
2. De
bekendmaking van een ondercuratelestelling op eigen verzoek
of op verzoek van het openbaar ministerie geschiedt vanwege
de curator, indien deze bij de ondercuratelestelling is
benoemd, of anders vanwege de griffier.
Artikel 391
Ter griffie van de rechtbank te
's-Gravenhage berusten openbare registers, waarin aantekening
wordt gehouden van rechtsfeiten die betrekking hebben op
curatele. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke
rechtsfeiten aangetekend worden en op welke wijze deze
aantekening geschiedt.
Titel 17. Levensonderhoud
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 392
1. Tot
het verstrekken van levensonderhoud zijn op grond van bloed-
of aanverwantschap gehouden:
a. de ouders;
b. de kinderen;
c. behuwdkinderen, schoonouders en
stiefouders.
2. Deze
verplichting bestaat, behalve wat betreft ouders en
stiefouders jegens hun minderjarige kinderen en
stiefkinderen en jegens hun kinderen bedoeld in artikel 395a
van dit boek, slechts in geval van behoeftigheid van de tot
levensonderhoud gerechtigde.
3. De in
het eerste lid genoemde personen zijn niet verplicht
levensonderhoud te verstrekken, voor zover dit van de
echtgenoot of een vroegere echtgenoot dan wel de
geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner
overeenkomstig het in de vijfde titel a, zesde, negende of
tiende titel van dit boek bepaalde kan worden verkregen.
Artikel 393 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 394
De verwekker van een kind dat alleen een
moeder heeft, alsmede de man die als levensgezel van de moeder
ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot
gevolg kan hebben gehad, is als ware hij ouder verplicht tot het
voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind
dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind,
tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie
overeenkomstig de artikelen 395a en 395b. Nadien bestaat deze
verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind.
Artikel 395
Een stiefouder is, onverminderd het
bepaalde in artikel 395a van dit boek, alleen verplicht
gedurende zijn huwelijk of zijn geregistreerd partnerschap
levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende
minderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde
partner.
Artikel 395a
1.
Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van
levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die
de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben bereikt.
2. Een
stiefouder is gedurende zijn huwelijk of zijn geregistreerd
partnerschap jegens de tot zijn gezin behorende
meerderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde
partner die de leeftijd van een en twintig jaren niet hebben
bereikt, verplicht te voorzien in de bij het vorige lid
bedoelde kosten.
Artikel 395b
1. Heeft
de rechter het bedrag bepaald, dat een ouder of stiefouder
dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker of de man
die in artikel 394 daarmee gelijk is gesteld ter zake van de
verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind of
stiefkind moet betalen en is deze verplichting tot aan het
meerderjarig worden van het kind van kracht geweest, dan
geldt met ingang van dit tijdstip de rechterlijke beslissing
als een tot bepaling van het bedrag ter zake van
levensonderhoud en studie als in artikel 395a van dit
boek bedoeld.
2.
Hetzelfde geldt, indien met toepassing van Hoofdstuk XIII
van de Wet op de jeugdzorg het bedrag is vastgesteld dat de
ouder of stiefouder ter bestrijding van de kosten van de in
artikel 69, eerste lid van die wet bedoelde maatregelen aan
het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen moet
uitkeren.
Artikel 396
1. De
verplichting van behuwdkinderen en van schoonouders tot het
verstrekken van onderhoud vervalt, wanneer het huwelijk van
het behuwdkind is ontbonden.
2. De
verplichting bestaat niet jegens een behuwdkind, dat is
gescheiden van tafel en bed en jegens een schoonouder, nadat
deze is hertrouwd.
Artikel 397
1. Bij
de bepaling van het volgens de wet door bloed- en
aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt
enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot
onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van
de tot uitkering verplichte persoon.
2. Zijn
meerdere bloed- of aanverwanten tot het verstrekken van
levensonderhoud aan dezelfde persoon verplicht, dan is ieder
van hen gehouden een deel van het bedrag te voldoen, dat de
tot onderhoud gerechtigde behoeft. Bij de bepaling van dit
deel wordt rekening gehouden met ieders draagkracht en de
verhouding, waarin een ieder tot de gerechtigde staat.
Artikel 398
1.
Wanneer hij die tot levensonderhoud verplicht is, buiten
staat is het daartoe vereiste geld op te brengen, kan de
rechtbank bevelen, dat hij de bloed- of aanverwant, aan wie
hij levensonderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal
nemen en aldaar van het nodige voorzien.
2.
Ouders zijn steeds bevoegd de rechter te verzoeken hun toe
te staan zich van hun onderhoudsplicht jegens hun behoeftig
meerderjarig kind op de in het eerste lid omschreven wijze
te kwijten.
Artikel 399
De rechter kan de verplichting van bloed-
en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van
zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde, dat
verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet
ten volle kan worden gevergd; onverminderd hetgeen in de
volgende afdeling is bepaald omtrent de voorziening in de kosten
van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en
stiefkinderen.
Artikel 400
1.
Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te
verstrekken aan twee of meer personen, en zijn draagkracht
onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen,
hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot, zijn
geregistreerde partner, zijn vroegere geregistreerde
partner, zijn ouders, zijn kinderen en stiefkinderen
voorrang boven zijn behuwdkinderen en zijn schoonouders.
2.
Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde
levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig.
Artikel 401
1. Een
rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende
levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden
gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging
van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te
voldoen. De voorafgaande zin is niet van toepassing op een
verzoek tot wijziging van een termijn die de rechter heeft
vastgesteld op grond van artikel 157 of die is opgenomen in
een overeenkomst als bedoeld in artikel 158.
2. De
termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van het
derde of vijfde lid dan wel zesde lid, tweede zin van
artikel 157 of die is opgenomen in een overeenkomst als
bedoeld in artikel 158, kan op verzoek van een van de
gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval van zo
ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde
handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd.
Verlenging is niet mogelijk indien de
rechter zulks ingevolge artikel 157, vijfde lid, heeft
bepaald. Op een verzoek tot verlenging is het vijfde lid,
tweede en derde zin, van artikel 157 van overeenkomstige
toepassing.
3.
Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat het eerste
lid, eerste zin, van toepassing is op een verzoek tot
wijziging van een termijn die is opgenomen in een
overeenkomst als bedoeld in artikel 158.
4. Een
rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook
worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang
af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord
doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige
gegevens is uitgegaan.
5. Een
overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden
gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove
miskenning van de wettelijke maatstaven.
Artikel 402
1. De
rechter, die het bedrag van een uitkering tot
levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de
dag vast, van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt
verschuldigd te zijn.
2. Bij
de vaststelling van een bedrag bepaalt de rechter tevens of
dit wekelijks, maandelijks of driemaandelijks moet worden
voldaan.
3.
Zouden op de dag, dat de uitspraak ten uitvoer kan worden
gelegd, reeds meer dan één termijn verschenen zijn of meer
dan één termijn terugbetaald moeten worden, dan kan de
rechter ook daarvoor een betaling in termijnen toestaan.
Artikel 402a
1. De
bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde
bedragen voor levensonderhoud worden jaarlijks van
rechtswege gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie
vast te stellen percentage, dat, behoudens het bepaalde in
het derde en vierde lid, overeenkomt met het procentuele
verschil tussen het indexcijfer der lonen per 30 september
van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer in het
voorafgaande jaar.
2. De
wijziging gaat in op 1 januari volgende op de in het eerste
lid genoemde datum. De beschikking waarin het percentage is
vastgesteld, wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.
3. Bij
algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder
indexcijfer der lonen wordt verstaan.
4. Het
percentage van de wijziging van de bedragen voor
levensonderhoud kan worden afgerond op tienden van een
procent. Daarbij vindt, indien van het in het eerste lid
bedoelde procentuele verschil het tweede of een volgend
cijfer achter de komma vijf bedraagt, voor wat betreft die
cijfers afronding naar beneden plaats.
5. De
wijziging van rechtswege kan bij rechterlijke uitspraak of
bij overeenkomst geheel of voor een bepaalde tijdsduur
worden uitgesloten. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en
op welke wijze het bedrag voor levensonderhoud anders dan
van rechtswege periodiek zal worden gewijzigd.
6. Bij
de uitspraak, waarbij de tweede zin van het vorige lid
toepassing heeft gevonden, en ook nadien, kan de rechter een
regeling geven omtrent de wijze en de tijdstippen waarop de
tot uitkering verplichte persoon aan de tot uitkering
gerechtigde persoon gegevens dient te verschaffen ten
behoeve van de vaststelling van de wijziging van het bedrag
voor levensonderhoud. Deze beslissingen kunnen worden
gegeven en nadien worden gewijzigd op verzoek van de tot
uitkering verplichte of gerechtigde persoon.
7. De
uitsluiting van de wijziging van rechtswege kan bij
rechterlijke uitspraak worden ingetrokken. Voor zover het
een uitsluiting betreft waarbij de tweede zin van het vijfde
lid niet is toegepast, kan de intrekking alleen geschieden
in de gevallen bedoeld in artikel 401 van dit boek.
8. De
tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de
betaling van levensonderhoud geschiedt met inachtneming van
de op het tijdstip van de tenuitvoerlegging ingegane
wijzigingen van rechtswege dan wel met inachtneming van de
wijzigingen overeenkomstig de tweede zin van het vijfde lid
van dit artikel.
Artikel 403
Geen uitkering is verschuldigd over de
tijd, die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds
meer dan vijf jaren is verstreken.
Afdeling 2. Voorziening in de kosten van
verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en
stiefkinderen
Artikel 404
1.
Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de
kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige
kinderen.
2.
Gelijke verplichting bestaat voor een stiefouder in het
geval van artikel 395 van dit boek.
Artikel 405 [Vervallen per 01-04-1998]
Artikel 406
1.
Komt een ouder of stiefouder zijn
verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en
opvoeding niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere
ouder of voogd de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen
dat deze ouder of stiefouder ten behoeve van het kind zal
moeten uitkeren.
2. De
rechtbank kan het in het vorige lid bedoelde bedrag reeds
bepalen gelijktijdig met een door haar te geven beslissing
omtrent het gezag.
Artikel 406a
Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten
behoeve van een minderjarig kind door hem die het gezag over het
kind heeft, worden gedaan. De ouder of voogd van het kind
behoeft de in artikel 349, eerste en tweede lid, bedoelde
machtiging niet.
Artikel 406b [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 406d [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 407
Gelijktijdig met een door de rechtbank te
geven uitspraak betreffende het over de kinderen uit te oefenen
gezag na ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en
bed kan de rechtbank op verzoek van een ouder het bedrag
wijzigen van een, in verband met de voorafgegane
gezagsvoorziening, bepaalde periodieke uitkering tot voorziening
in de kosten van verzorging en opvoeding.
Artikel 408
1. Een
uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en
opvoeding of tot voorziening in de kosten van
levensonderhoud en studie, waarvan het bedrag in een
rechterlijke beslissing, daaronder begrepen de beslissing op
grond van artikel 822, eerste lid, onder c, van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is vastgelegd,
wordt ten behoeve van de minderjarige aan de ouder die het
kind verzorgt en opvoedt of aan de voogd onderscheidenlijk
aan de meerderjarige betaald.
2. Op
verzoek van een gerechtigde als bedoeld in het eerste lid,
van een onderhoudsplichtige dan wel op gezamenlijk verzoek
van een gerechtigde en onderhoudsplichtige neemt het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen de invordering
van de onderhoudsgelden op zich. De executoriale titel wordt
daartoe door de onderhoudsgerechtigde in handen gesteld van
dit Bureau. De overhandiging daarvan machtigt het Bureau tot
het doen van de invordering, zo nodig door middel van
executie.
3.
Kosten van invordering door het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen worden verhaald op de
onderhoudsplichtige, onverminderd de kosten van
gerechtelijke vervolging en executie. Het verhaal van kosten
vindt plaats door wijziging van het bedrag, bedoeld in het
eerste lid, volgens bij algemene maatregel van bestuur te
stellen regels.
4. Tot
invordering op verzoek van een onderhoudsgerechtigde wordt
slechts overgegaan, indien de gerechtigde ter gelegenheid
van de indiening van het verzoek aannemelijk heeft gemaakt
dat binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de
indiening van het verzoek de onderhoudsplichtige ten aanzien
van ten minste één periodieke betaling tekort is geschoten
in zijn verplichtingen. In deze gevallen geschiedt de
invordering van bedragen die verschuldigd zijn vanaf een
tijdstip van ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de
indiening van het verzoek.
5.
Alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan
wordt de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van
ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de
reden daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten
van invordering. Het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen wordt bevoegd tot invordering over te
gaan op de veertiende dag na de verzending van de brief.
6. De
invordering die op verzoek van de onderhoudsgerechtigde
geschiedt, eindigt slechts, indien gedurende ten minste een
half jaar regelmatig is betaald aan het Landelijk Bureau
Inning Onderhoudsbijdragen en er geen bedragen meer
verschuldigd zijn als bedoeld in het vierde lid, tweede
volzin. De termijn van een half jaar wordt telkens
verdubbeld, indien een voorgaande termijn van invordering
ook op verzoek van de onderhoudsgerechtigde was aangevangen.
7. Een
invordering die geldt op het tijdstip van het meerderjarig
worden van het kind, wordt ten behoeve van de meerderjarige
voortgezet, tenzij deze op zijn verzoek wordt beëindigd.
8. De
tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de
betaling van de kosten van verzorging en opvoeding of
levensonderhoud en studie geschiedt met inachtneming van de
wijziging, bedoeld in het derde lid.
9.
Invorderingen die tien jaren nadat de minderjarige de
leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, nog niet
door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen zijn
verwezenlijkt, mogen worden beëindigd. De
onderhoudsgerechtigde wordt hiervan schriftelijk op de
hoogte gesteld.
10. Een
betaling door de onderhoudsplichtige strekt in de eerste
plaats in mindering van de kosten, bedoeld in het derde lid,
vervolgens in mindering van eventueel verschenen rente en
ten slotte in mindering van de verschuldigde
onderhoudsgelden en de eventueel lopende rente.
11. Het
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen draagt zorg, dat
de gelden die ten behoeve van het onderhoud van
minderjarigen worden uitgekeerd, aan de daarop
rechthebbenden worden uitbetaald. Indien uitbetaling
plaatsvindt aan een gemeente als rechthebbende, wordt op de
aan het Bureau uitgekeerde gelden een door Onze Minister van
Justitie te bepalen deel in mindering gebracht ter
bestrijding van de kosten welke met de invordering van de
gelden zijn gemoeid.
12.
Artikel 243, tweede tot en met vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Titel 18. Afwezigheid, vermissing en
vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen
Afdeling 1. Onderbewindstelling in geval
van afwezigheid
Artikel 409
1.
Indien iemand die zijn woonplaats heeft verlaten niet
voldoende orde op het bestuur van zijn goederen heeft
gesteld, en er noodzakelijkheid bestaat om daarin geheel of
gedeeltelijk te voorzien of de afwezige te doen
vertegenwoordigen, benoemt de kantonrechter, op verzoek van
belanghebbenden of het openbaar ministerie, een
bewindvoerder, ten einde het bewind over het geheel of een
gedeelte van de goederen van de afwezige te voeren en diens
overige belangen waar te nemen.
2. Voor
de toepassing van deze afdeling wordt met iemand die zijn
woonplaats heeft verlaten, gelijk gesteld hij wiens bestaan
onzeker is geworden of die onbereikbaar is, ook al staat
niet vast dat hij zijn woonplaats heeft verlaten.
Artikel 410
1. Voor
zover de kantonrechter niet anders bepaalt, vinden op het
bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339,340,
342-357, 358 lid 1 en 359-363 van dit boek overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder
verplicht is jaarlijks bij de griffie van de rechtbank, een
rekening in te dienen van zijn bewind.
2. De
bewindvoerder komt als beloning toe vijf ten honderd van de
netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de
kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander
bedrag vaststelt.
3.
Goedkeuring van een ingediende rekening door de
kantonrechter brengt geen nadeel toe aan de bevoegdheid van
de rechthebbenden om na het einde van het bewind over
dezelfde tijdruimte rekening en verantwoording te vragen,
voor zover dit niet onredelijk is.
4. De
bewindvoerder kan ook voor andere dan vermogensbelangen van
de afwezige opkomen, behoudens voor zover de kantonrechter
zulks heeft uitgesloten.
5. De
kantonrechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan
en door een ander vervangen.
Artikel 411
Het bewind eindigt:
a. door een gezamenlijk besluit
van de rechthebbende en de bewindvoerder;
b. door opzegging door de
rechthebbende aan de bewindvoerder met inachtneming van
een termijn van een maand;
c. wanneer de dood van de
rechthebbende komt vast te staan.
Afdeling 2. Personen wier bestaan onzeker
is
Artikel 412
1.
Wanneer aan een persoon wiens bestaan onzeker is een erfdeel
of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven
mocht zijn, anderen zouden gerechtigd zijn, verleent de
rechtbank aan die anderen op hun verzoek machtiging tot de
uitoefening van het recht van erfgenaam of legataris.
2. De
rechtbank kan zo nodig, openbare oproepingen bevelen en
behoedmiddelen ten behoeve van de belanghebbenden
voorschrijven.
3.
Indien na het verlenen van de machtiging mocht blijken, dat
de vermiste op de dag van het openvallen der nalatenschap
heeft bestaan, kan de teruggave van de in bezit gekomen
goederen en van de vruchten worden gevorderd, op de voet en
onder de beperkingen als hierna bij de verklaring van
vermoedelijk overlijden is aangegeven.
4. Het
eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige
toepassing op een uitkering uit levensverzekering, waartoe
de persoon wiens bestaan onzeker is de eerstgeroepen
begunstigde is.
Artikel 413
1. Is
het bestaan van een persoon onzeker en is de in het volgende
lid aangegeven tijdruimte verlopen, dan kunnen
belanghebbenden de rechtbank verzoeken dat zij hun zal
gelasten de vermiste op te roepen ten einde van zijn in
leven zijn te doen blijken, en dat zij, zo hiervan niet
blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden
van de vermiste bestaat.
2.
a. De in het vorige lid bedoelde
tijdruimte beloopt vijf jaren, te rekenen van het
vertrek van de vermiste of de laatste tijding van zijn
leven.
b. De termijn wordt verkort tot
een jaar, indien de betrokkene gedurende die periode
wordt vermist en de omstandigheden zijn dood
waarschijnlijk maken.
3. Het
gelasten van de oproeping van de vermiste en de verklaring
van rechtsvermoeden van overlijden, bedoeld in het eerste
lid, kunnen ook worden verzocht door het openbaar
ministerie.
Artikel 414
1. De
rechtbank stelt dag en uur vast, waartegen de vermiste moet
worden opgeroepen. De oproep loopt op een termijn van een
maand of zoveel langer als de rechtbank mocht bevelen. De
oproeping geschiedt overeenkomstig de derde afdeling van de
derde titel van het eerste boek van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering.
2.
Indien de vermiste niet verschijnt, noch iemand voor hem
opkomt die behoorlijk van het in leven zijn van de vermiste
doet blijken, verklaart de rechtbank dat er rechtsvermoeden
van overlijden bestaat, onverminderd haar bevoegdheid de
beschikking, bedoeld in het eerste lid, eerst nog eenmaal te
herhalen alsmede het horen van getuigen en de overlegging
van bewijsstukken te gelasten, ten bewijze dat is voldaan
aan de vereisten die artikel 413 stelt.
3. De
beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van
overlijden bestaat, noemt de dag waarop de vermiste wordt
vermoed te zijn overleden; als zodanig geldt de dag volgende
op die van de laatste tijding van zijn leven, tenzij
voldoende vermoedens bestaan, dat hij daarna nog enige tijd
in leven was.
4. De
rechtbank kan tevens bepalen, dat de kosten die een
verzoeker als bedoeld in artikel 413 lid 1 heeft gemaakt,
ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.
Artikel 415 [Vervallen per 10-07-1978]
Artikel 416
Geen hogere voorziening is toegelaten
tegen beschikkingen, houdende bevel tot oproeping van de
vermiste.
Artikel 417
1. Zodra
de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden
van overlijden bestaat, in kracht van gewijsde is gegaan,
zendt de griffier van het college waarvoor de zaak
laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking
aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de verlaten
woonplaats of, bij gebreke van verlaten woonplaats in
Nederland, van de gemeente 's-Gravenhage. Deze ambtenaar
maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, welke
in overeenstemming is met de beschikking en dit
uitdrukkelijk vermeldt.
2. Deze
akte van overlijden bewijst ten aanzien van een ieder
dwingend, dat de vermiste op de in de akte vermelde dag is
overleden.
Artikel 418
1.
Erfgenamen en legatarissen van hem, die vermoedelijk
overleden is verklaard, zijn verplicht alvorens zij de
goederen der nalatenschap in bezit nemen, ten genoegen van
de kantonrechter zekerheid te stellen voor hetgeen zij aan
de vermoedelijk overleden verklaarde, mocht deze terugkeren,
of aan erfgenamen of legatarissen die een beter recht
mochten hebben, moeten afdragen.
2. De
erfgenamen zijn verplicht na de inbezitneming een
behoorlijke boedelbeschrijving op te maken.
3.
Registergoederen mogen niet vervreemd of bezwaard worden,
tenzij om gewichtige redenen en met verlof van de
kantonrechter. Kunnen zij bij een boedelscheiding niet
zonder verkoop worden verdeeld, dan worden zij onder bewind
van een derde gesteld, die de inkomsten van die goederen
overeenkomstig hetgeen dienaangaande bij de verdeling is
vastgesteld zal uitkeren.
4. De
verdeling geschiedt bij authentieke akte, waaruit tevens
moet blijken wat aan legatarissen of andere gerechtigden is
uitgekeerd.
5. De
goederen der nalatenschap mogen niet worden verkwist en
daaruit mogen niet bovenmatige giften worden gedaan.
6.
Erfgenamen en legatarissen zijn verplicht desgevraagd aan de
kantonrechter de nodige inlichtingen te geven.
7. De in
dit artikel genoemde verplichtingen vervallen op het door de
kantonrechter bepaalde tijdstip, en uiterlijk na verloop van
vijf jaren na de dag waarop de akte van overlijden
overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt. De rechtbank die de
beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van
overlijden bestaat, geeft kan, gelet op de omstandigheden
van het geval, daarbij tevens bepalen dat een of meer der in
dit artikel genoemde verplichtingen niet zullen bestaan.
Artikel 419
De akte waarbij zekerheid is gesteld, de
boedelbeschrijving en de akte van verdeling moeten in origineel
of in authentiek afschrift worden neergelegd ter griffie van de
rechtbank.
Artikel 420
1.
Wanneer het aan de kantonrechter blijkt, dat een erfgenaam
of legataris de hem in de twee voorgaande artikelen
opgelegde verplichtingen niet is nagekomen, kan hij voor de
goederen die aan die erfgenaam of legataris uit de
nalatenschap toekomen, een bewindvoerder benoemen, wiens
bewind eindigt, wanneer de kantonrechter beslist dat de
betrokkene alsnog zijn wettelijke verplichtingen heeft
nageleefd.
2. Voor
zover de kantonrechter niet anders bepaalt, vinden op het
bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339, 340,
342-357, 358 lid 1 en 359-363 van dit boek overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder
verplicht is jaarlijks ter griffie van de rechtbank een
rekening in te dienen van zijn bewind.
3. De
bewindvoerder komt als beloning toe vijf ten honderd van de
netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de
kantonrechter daarvoor om bijzondere redenen een ander
bedrag vaststelt.
4. De
kantonrechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan
en door een ander vervangen.
Artikel 421
Hetgeen in de vorige drie artikelen is
bepaald omtrent erfgenamen, die goederen uit de nalatenschap
ontvangen, is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot of
geregistreerde partner, die goederen ontvangt ten gevolge van de
ontbinding van enige gemeenschap van goederen of de beëindiging
van een deelgenootschap. Voor het uit dezen hoofde ontvangene
behoeft echter geen zekerheid te worden gesteld.
Artikel 422
1.
Wanneer de vermiste terugkeert, of wanneer blijkt dat de dag
van overlijden in de akte van overlijden onjuist is vermeld,
is ieder die enige goederen van de vermiste ingevolge de
vorige artikelen in zijn bezit of onder zijn bewind heeft,
aan de teruggekeerde of aan hen die alsdan blijken tot de
goederen gerechtigd te zijn, rekening, verantwoording en
afgifte schuldig.
2.
Rechten door derden te goeder trouw verkregen worden
geëerbiedigd. In geval echter goederen om niet zijn
vervreemd, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten
laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar
billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.
3. Is
het leven van de vermiste ten behoeve van derden verzekerd
geweest, dan behouden dezen hun recht op hetgeen aan hen op
het tijdstip van de terugkeer van de verzekerde is
uitbetaald of als reeds opeisbaar was verschuldigd; in dat
geval kunnen aan de verzekering geen andere rechten op de
uitkering worden ontleend.
Artikel 423
1.
Indien binnen vijf jaar na de dag waarop de akte van
overlijden overeenkomstig artikel 417 van dit boek is
opgemaakt, wordt bewezen dat deze akte onjuist is, zijn zij
die te goeder trouw de vruchten van de nalatenschap hebben
genoten, slechts verplicht daarvan de helft terug te geven;
wordt de onjuistheid later bewezen, dan behoeven zij geen
vruchten terug te geven.
2.
Indien eerst meer dan tien jaar na de dag waarop de akte is
opgemaakt, wordt bewezen dat de akte onjuist is, zijn zij
die de goederen te goeder trouw in bezit hebben genomen,
slechts verplicht de alsdan nog aanwezige goederen in de
staat waarin zij zich bevinden, af te geven, benevens de
prijs van de vervreemde goederen of de goederen die daarvoor
in de plaats zijn getreden; alles zonder enige vruchten of
vergoeding voor niet meer aanwezige goederen en zonder
verplichting van rekening en verantwoording.
3.
Iedere verbintenis tot teruggave vervalt, wanneer twintig
jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, zijn verlopen.
Artikel 424
[Vervallen.]
Artikel 425
1.
Indien de achtergebleven echtgenote van een vermiste een
nieuw huwelijk is aangegaan, doch de vermiste nog in leven
was na de dag die als datum van overlijden was vermeld in de
overeenkomstig artikel 417 van dit boek opgemaakte akte,
zoals deze bij de voltrekking van het nieuwe huwelijk
luidde, wordt niettemin voor de bepaling van de staat van
haar kinderen die voor het nieuwe huwelijk zijn geboren, het
huwelijk met de vermiste geacht te zijn ontbonden op de in
die akte vermelde dag.
2. De
vermoedelijk overleden verklaarde voor wie bij diens
terugkeer het gezag over zijn minderjarige kind niet is
herleefd, kan de rechtbank verzoeken hem daarmede te
belasten. Wanneer deze tezamen met de andere ouder verzoekt
in het belang van hun kind hen gezamenlijk met het gezag te
belasten, dan wel niet in het gezag is voorzien of een voogd
het gezag uitoefent, wordt het verzoek slechts afgewezen
indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. In de
overige gevallen wordt het verzoek slechts ingewilligd
indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk
oordeelt.
Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in
bepaalde gevallen
Artikel 426
1.
Indien het lichaam van een vermist persoon niet is kunnen
worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking
genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, kan
op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere
belanghebbende de rechtbank verklaren dat de vermiste is
overleden:
A. indien de vermissing heeft
plaatsgevonden in Nederland;
B. indien de vermissing heeft
plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland
thuisbehorend schip of luchtvaartuig;
C. indien de vermiste Nederlander
was;
D. indien de vermiste zijn woon-
of verblijfplaats had in Nederland.
2.
Indien een persoon buiten Nederland is overleden en geen
overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, kan
op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere
belanghebbende de rechtbank verklaren dat die persoon is
overleden:
A. indien het overlijden heeft
plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland
thuisbehorend schip of luchtvaartuig;
B. indien de overledene
Nederlander was;
C. indien de overledene zijn woon-
of verblijfplaats had in Nederland.
3. Voor
zover mogelijk bevat het verzoek bedoeld in het eerste en
tweede lid, of daarmee vergezeld gaande bescheiden de in
artikel 427 van dit boek genoemde gegevens.
Artikel 427
1. De
beschikking, houdende verklaring dat de in artikel 426
bedoelde persoon is overleden, noemt de dag en zo mogelijk
het uur van het overlijden. Indien de dag van overlijden
niet bekend is, wordt deze door de rechtbank vastgesteld en
in de beschikking vermeld. De rechtbank houdt hierbij
rekening met alle bewijzen en aanwijzingen omtrent de
omstandigheden waaronder, of het tijdstip waarop het
overlijden moet hebben plaatsgehad.
2.
Voorts vermeldt de beschikking de geslachtsnaam, de
voornamen, de kunne en, zo mogelijk, de plaats van het
overlijden, de woonplaats van de overledene, de plaats en de
dag van geboorte van de overledene en de geslachtsnaam en de
voornamen van de persoon of van de personen, met wie de
overledene gehuwd is geweest of met wie de overledene een
geregistreerd partnerschap was aangegaan.
Artikel 428 [Vervallen per 01-04-1995]
Artikel 429
De griffier van het college waarvoor de
zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de
beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
's-Gravenhage. Deze maakt van de beschikking een akte van
inschrijving op, die hij in het register van overlijden opneemt.
Artikel 430
1. De
akten, opgemaakt volgens artikel 429, gelden als akten van
overlijden in de zin van artikel 19f, eerste lid.
2. De
artikelen 422, 423 en 425 zijn van overeenkomstige
toepassing, indien een persoon die met toepassing van
artikel 426 overleden is verklaard terugkeert alsmede indien
bewezen wordt dat de dag van overlijden in de in artikel 429
bedoelde akte onjuist is vermeld.
Titel 19. Onderbewindstelling ter
bescherming van meerderjarigen
Artikel 431
1.
Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of
geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is
ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk
waar te nemen, kan de kantonrechter een bewind instellen
over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende
toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige
toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen
die behoren tot een huwelijksgemeenschap waarin hij gehuwd
is, en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn
echtgenoot staan.
2.
Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip
waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het vorige lid
bedoelde toestand zal verkeren, kan het bewind reeds voor de
meerderjarigheid worden ingesteld.
3. De
rechter bij wie een verzoek tot het verlenen van een
voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een
observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet
verblijf als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen, dan wel een machtiging als
bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet aanhangig is,
is tevens bevoegd tot de kennisneming van een verzoek tot
instelling van het bewind.
Artikel 432
1.
Instelling van het bewind kan worden verzocht door de
rechthebbende, zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner
dan wel andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte
lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten,
zijn voogd, zijn curator of zijn mentor als bedoeld in titel
20 van dit boek of het openbaar ministerie.
2. De
rechter voor wie een verzoek tot ondercuratelestelling
aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan
tot instelling van het bewind.
3. Een
verzoek tot instelling van een bewind ten behoeve van een
rechthebbende die onder curatele is gesteld, wordt aanhangig
gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de
curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van
een curatele, ook ambtshalve overgaan tot instelling van het
bewind.
4. In
geval van een bestuursopdracht, of een verzoek daartoe, als
bedoeld in artikel 91 van dit boek, zijn het tweede en het
derde lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 433
1.
Tenzij bij de onderbewindstelling anders is bepaald, omvat
het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de
plaats van een aan het bewind onderworpen goed te treden,
benevens de vruchten en andere voordelen die een onder
bewind staand goed oplevert.
2. De
kantonrechter kan, hetzij op verzoek van een persoon als
bedoeld in artikel 432, eerste lid, van een bewindvoerder of
van het openbaar ministerie, hetzij ambtshalve, het
ingestelde bewind tot een of meer andere goederen van de
rechthebbende uitbreiden of een of meer goederen uit het
bewind ontslaan; hij kan tevens handelingen als bedoeld in
artikel 441 lid 2 onder f aanwijzen en de aanwijzing
van zulke handelingen intrekken.
Artikel 434
1. In
beschikkingen als bedoeld in de artikelen 432 en 433, tweede
lid, van dit boek bepaalt de rechter ambtshalve welke
goederen onder bewind worden gesteld, onderscheidenlijk uit
het bewind worden ontslagen.
2.
Onderbewindstelling van een goed en het ontslag van een goed
uit het bewind treden in werking daags nadat de beschikking
is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later
tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in
artikel 431, tweede lid, treedt de onderbewindstelling in
werking op het tijdstip waarop de rechthebbende meerderjarig
wordt.
Artikel 435
1. De
rechter die het bewind instelt, benoemt daarbij of zo
spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist
zich van de bereidheid van de door hem te benoemen persoon.
2. Zo
nodig kan een tijdelijke bewindvoerder worden benoemd.
3. De
rechter volgt bij de benoeming van de bewindvoerder de
uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij
gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
4.
Tenzij het vorige lid is toegepast, wordt, indien de
rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is
aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur
de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere
levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is de vorige zin niet
van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders,
kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Huwt
de rechthebbende, gaat hij een geregistreerd partnerschap
aan of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder
van hen verzoeken, dat de echtgenoot, de geregistreerde
partner dan wel de andere levensgezel van de rechthebbende
in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder wordt
benoemd.
5.
Handelingsonbekwamen, zij van wie één of meer goederen onder
een bewind als bedoeld in deze titel zijn gesteld, zij die
in staat van faillissement verkeren en zij ten aanzien van
wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is, kunnen niet bewindvoerder worden.
6.
Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot
bewindvoerder worden benoemd.
7. De
benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de beschikking is
verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later
tijdstip vermeldt.
Artikel 436
1. De
bewindvoerder is verplicht zo spoedig mogelijk een
beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen op
te maken en een afschrift daarvan in te leveren ter griffie
van de ingevolge artikel 266 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering bevoegde rechtbank.
2. De
artikelen 339, 363 en 364 van dit boek zijn van
overeenkomstige toepassing.
3.
Indien tot het bewind registergoederen behoren, is de
bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk de
desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming
in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1
van Boek 3, te doen inschrijven. Is een onderneming of een
aandeel in een vennootschap onder firma onder bewind
gesteld, dan is de bewindvoerder verplicht de desbetreffende
rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in het
handelsregister te doen inschrijven.
4.
Tenzij de kantonrechter anders bepaalt, is de bewindvoerder
verplicht zo spoedig mogelijk een rekening te openen bij een
financiële onderneming die ingevolge de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag
uitoefenen; de bewindvoerder is voorts verplicht om
uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van
zijn taak verricht of ontvangt zoveel mogelijk van deze
rekening gebruik te maken.
5. De
kantonrechter kan te allen tijde de bewindvoerder ten
verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de
kantonrechter gewenste inlichtingen te verstrekken.
Artikel 437
1. De
rechter kan twee of meer bewindvoerders benoemen, indien hij
dit in het belang van een goed bewind nodig acht.
2. Zijn
er twee of meer bewindvoerders, dan kan, tenzij de rechter
anders bepaalt, ieder van hen alle werkzaamheden die tot het
bewind behoren, alleen verrichten.
3. Bij
verschil van mening tussen de bewindvoerders beslist op
verzoek van een van hen de kantonrechter. Deze kan ook een
verdeling van het loon vaststellen.
Artikel 438
1.
Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind
staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de
bewindvoerder.
2.
Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met
medewerking van de bewindvoerder of, indien deze
weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de
onder het bewind staande goederen beschikken.
Artikel 439
1.
Indien een rechtshandeling ongeldig is, omdat zij ondanks
het bewind werd verricht door of gericht tot de
rechthebbende, kan deze ongeldigheid aan de wederpartij
slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of
had behoren te kennen.
2.
Indien een goed is vervreemd of bezwaard door iemand die
daartoe ingevolge het bewind niet bevoegd was, kan deze
onbevoegdheid aan een verkrijger van het goed of een beperkt
recht daarop slechts worden tegengeworpen, zo deze het
bewind kende of had behoren te kennen.
Artikel 440
1.
Gedurende het bewind kunnen schulden die voortspruiten uit
een handeling, tijdens het bewind met of jegens de
rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel
438, lid 2, verricht door een schuldeiser die het bewind
kende of had behoren te kennen, niet op de onder het bewind
staande goederen worden verhaald.
2.
Indien de onderbewindstelling alle goederen betreft die
daarvoor krachtens artikel 431, eerste lid, in aanmerking
komen, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van niet onder het bewind staande goederen waarop
verhaal mogelijk zou zijn.
Artikel 441
1.
Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de
vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten
rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige
belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover
dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden
voor een voldoende verzorging van de rechthebbende.
2. Hij
behoeft echter toestemming van de rechthebbende of, indien
deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging
van de kantonrechter voor de volgende handelingen:
a. beschikken en aangaan van
overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind
staand goed, tenzij de handeling als een gewone
beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens
rechterlijk bevel geschiedt;
b. een making of gift waaraan
lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
c. geld lenen of de rechthebbende
als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
d. overeenkomen dat een boedel,
waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een
bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten;
e. het aangaan, buiten het geval
van artikel 87 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering, van een overeenkomst tot het beëindigen
van een geschil, tenzij het voorwerp van het geschil een
waarde van € 700 niet te boven gaat;
f. andere bij de instelling van
het bewind of nadien aangewezen handelingen.
3. De
kantonrechter kan ook aan de bewindvoerder een doorlopende
machtiging met zodanige voorwaarden als hij geraden acht,
verlenen om handelingen als in het vorige lid bedoeld te
verrichten en een verleende machtiging te allen tijde
wijzigen of intrekken.
4. De
bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende,
bevoegd de verdeling te vorderen van goederen, waarvan een
onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een
verdeling, ook al geschiedt zij krachtens rechterlijk bevel,
behoeft de bewindvoerder toestemming of machtiging
overeenkomstig het tweede lid. De kantonrechter kan, in
stede van machtiging te verlenen, met overeenkomstige
toepassing van artikel 181 van Boek 3 een onzijdig persoon
benoemen, die in plaats van de bewindvoerder de
rechthebbende bij de verdeling vertegenwoordigt.
5. De
bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende,
bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap te
aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming
van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders
aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
Artikel 442
1. Heeft
iemand als bewindvoerder een rechtshandeling verricht, dan
richten de rechten en verplichtingen van de wederpartij zich
naar hetgeen dienaangaande is bepaald in titel 3 van Boek 3.
Regels die de bevoegdheid van een bewindvoerder betreffen en
feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van
belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden
tegengeworpen, indien deze daarmee niet bekend was of had
behoren te zijn.
2. De
rechthebbende is, onverminderd het bepaalde in artikel 172
van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die
voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in
zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht.
Wanneer hij onder bewind staande goederen aanwijst die voor
de schuld voldoende verhaal bieden, is hij niet verplicht de
schuld ten laste van zijn overige vermogen te voldoen.
Artikel 443
De bewindvoerder kan alvorens in rechte op
te treden zich te zijner verantwoording doen machtigen door de
rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of
weigerachtig is, door de kantonrechter.
Artikel 444
Een bewindvoerder is jegens de
rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed
bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet
kan worden toegerekend.
Artikel 445
1. De
bewindvoerder legt, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald,
jaarlijks en aan het einde van het bewind rekening en
verantwoording af aan de rechthebbende, alsmede aan het
einde van zijn taak aan zijn opvolger. De rekening en
verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de
kantonrechter.
2.
Indien de rechthebbende niet in staat is de rekening op te
nemen, of het onzeker is wie de rechthebbende is, wordt de
rekening en verantwoording afgelegd aan de kantonrechter.
Goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de
kantonrechter belet niet dat de rechthebbende na het einde
van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening
en verantwoording vraagt, voor zover dit niet onredelijk is.
3. De
kantonrechter kan de bewindvoerder - hetzij op diens
verzoek, hetzij ambtshalve - vrijstellen van de verplichting
om de periodieke rekening en verantwoording te zijnen
overstaan af te leggen; hij kan ook bepalen dat deze wijze
van aflegging der rekening en verantwoording slechts om een
door hem te bepalen aantal jaren zal geschieden.
4. Voor
het overige vindt het aangaande de voogdijrekening in de
paragrafen 10 en 11 van afdeling 6 van titel 14 bepaalde
overeenkomstige toepassing.
Artikel 446
1. Voor
zover de kantonrechter niet anders bepaalt, wordt bij het
afleggen van de periodieke rekening en verantwoording
hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht,
onder aftrek van de verschuldigde beloning, aan de
rechthebbende uitgekeerd. Op verzoek van de rechthebbende
kan de kantonrechter andere tijdstippen voor de uitkering
vaststellen.
2. Bij
zijn eindrekening en verantwoording draagt de bewindvoerder
alle goederen af aan hem die na hem tot het beheer der
goederen bevoegd is. De bewindvoerder is bevoegd de afdracht
op te schorten tot de voldoening van een hem toekomend
saldo.
3. Wordt
de rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd,
dan blijven, tenzij de kantonrechter anders bepaalt, de
netto-opbrengst of de af te dragen goederen onder het bewind
van de bewindvoerder, totdat de rechthebbende tot de
ontvangst in staat is of de onzekerheid, wie rechthebbende
is, is opgeheven.
Artikel 447
1.
Tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders
is geregeld, komt de bewindvoerder of, wanneer er meer
bewindvoerders zijn, hun tezamen vijf ten honderd der
netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen toe. Op
grond van bijzondere omstandigheden kan de kantonrechter,
hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of
van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de
beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet
is aangegeven.
2. Zijn
er twee of meer bewindvoerders, dan wordt het loon dat hun
gezamenlijk toekomt, tussen hen verdeeld in evenredigheid
met de betekenis van de door ieder van hen verrichte
werkzaamheden.
Artikel 448
1. De
taak van de bewindvoerder eindigt:
a. bij het einde van het bewind;
b. door tijdsverloop, indien hij
voor een bepaalde tijd was benoemd;
c. door zijn dood, het ten aanzien
van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zijn
faillietverklaring of zijn ondercuratelestelling;
d. door de instelling van een
bewind als bedoeld in deze titel over één of meer van
zijn goederen;
e. door ontslag dat hem door de
kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag
wordt verleend.
2. Het
ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij
wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan
de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek
van een medebewindvoerder, de rechthebbende of het openbaar
ministerie, dan wel ambtshalve. Hangende het onderzoek kan
de kantonrechter voorlopige voorzieningen in het bewind
treffen en de bewindvoerder schorsen.
3. Een
gewezen bewindvoerder blijft verplicht al datgene te doen,
wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden
uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de
goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. In de gevallen
genoemd in het eerste lid onder c, rust deze
verplichting op zijn erfgenamen, onderscheidenlijk de
bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen of de curator, indien zij van het bewind
kennisdragen; in het geval genoemd in het eerste lid onder
d, geldt dit voor de bewindvoerder, belast met het
daar bedoelde bewind.
4.
Artikel 384 van dit boek is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 449
1. Het
bewind eindigt door het verstrijken van de tijdsduur
waarvoor het is ingesteld en door de dood of
ondercuratelestelling van de rechthebbende.
2. De
kantonrechter kan, indien de oorzaken die tot de
onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer
bestaan, het bewind opheffen op verzoek van de rechthebbende
of het openbaar ministerie; de beschikking treedt in werking
zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een
eerder tijdstip van ingang aanwijst.
Titel 20. Mentorschap ten behoeve van
meerderjarigen
Artikel 450
1.
Indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of
lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is
of bemoeilijkt wordt zijn belangen van
niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te
nemen, kan de kantonrechter te zijnen behoeve een
mentorschap instellen.
2.
Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip
waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het eerste lid
bedoelde toestand zal verkeren, kan het mentorschap reeds
voor de meerderjarigheid worden ingesteld.
3. Het
mentorschap kan eveneens worden ingesteld, indien te
verwachten is dat een meerderjarige binnen afzienbare tijd
in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.
4. De
rechter bij wie een verzoek tot het verlenen van een
voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een
observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet
verblijf als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in
psychiatrische ziekenhuizen, dan wel een machtiging als
bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet aanhangig is,
is tevens bevoegd tot kennisneming van een verzoek tot
instelling van een mentorschap.
Artikel 451
1. Het
mentorschap kan worden verzocht door de betrokken persoon,
zijn echtgenoot, zijn geregistreerde partner dan wel andere
levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in
de zijlijn tot en met de vierde graad, zijn voogd, zijn
|